DRIE-OP-VRIJDAG (1)

1. Sajidah Abdus Sattar

 Veel goedwillende christenen proberen hun medemens te begrijpen en zich bij voorbeeld te verplaatsen in het geven van moslims hier in Nederland. Dat gebeurt voornamelijk door het zoeken van parallellen: het ene heilige boek en het andere; de ene inspirerende persoon en de andere; de ene 'kerk' en de andere. Merkwaardig eigenlijk, dat het woord voor een gebouw, een kerk, ook als benaming voor een gestructureerde gemeenschap wordt gebruikt. Geeft dat misschien aan dat de betrokken gemeenschap die structuur blijkbaar zo vast en solide, als een bakstenen constructie wil laten zijn? En misschien zegt het ook wel iets over een onomstotelijke kerkelijke autoriteit.

 Een soortgelijke associatie ontbreekt bij mijn weten in andere godsdiensten. ik heb nog nooit gehoord dat een hindoe met 'mandir' iets anders zou willen aangeven dan een plaats van eredienst, een tempel of een jood met de synagoge iets anders dan een leer en gebedsplaats. Wat de moskee betreft. daarmee wordt door moslims slechts een 'masdjid' bedoeld. een plaats voor de buigingen in het rituele gebed. Hoewel op beide plekken de ene God, Schepper van hemel en aarde, wordt aanbeden, zijn er heel opvallende verschillen tussen een kerk en een moskee. Terwijl een kerk toch vrijwel uitsluitend bedoeld is voor de eredienst, wordt een moskee door moslims ook beschouwd als plaats van onderwijs, discussie en ontmoeting. En dan zijn er nog die culturele verschillen van vorm en etiquette.

 Een kerk heeft meestal een stenen vloer en staat vol banken of stoelen. Een moskee vertoont een lege ruimte met tapijten op de vloer. Alvorens er naar binnen te gaan, doet men de schoenen uit; niet vanwege die tapijten, maar als teken van eerbied en onthechting. Katholieke kerken staan veelal vol beelden. Een moskee kent geen versiering behalve geometrische patronen en kalligrafieën. Vrouwen bidden in een gedeelte van de moskee dat op een of andere wijze is afgeschermd van de mannenruimte. In een kerk zitten mannen en vrouwen nu bij elkaar, maar vroeger zaten zij wel apart. Ook het gebruik van moslims om zich ritueel te wassen is opvallend.

 Het jodendom, de oudste tak van deze familie van monotheïstische godsdiensten, kent de rituele wassing voor bepaalde momenten van het leven. De daarvan afgeleide christelijke doop lijkt één maal in het leven voldoende te zijn, hoewel katholieken daarnaast nog wel eens vaker gebruikmaken van wijwater. Daarentegen blijven moslims aan het wassen: een kleine wassing vóór elk ritueel gebed (vijf maal per dag), rituele baden voor speciale gelegenheden en ook tussendoor wordt er veelvuldig gewassen. De participatie van het lichaam in de eredienst bij moslims valt elke buitenstaander direct op. Het vaste rituele gebed gaat gepaard met staan en zitten, buigen en knielen. In een kerk wordt veel gezongen en orgel gespeeld. In een moskee wordt weliswaar met melodieuze stem gereciteerd, maar muziek in de gangbare zin van het woord is er niet te horen.

 Wat moeten we nu met deze verschillen? Als het zo zou zijn dat diversiteit van gebruiken een onoverkomelijk obstakel is voor wederzijds respect, dan zouden alle pogingen tot begrip vruchteloos blijven. Maar diversiteit is vooral interessant, leerzaam, uitdagend. Als de dialoog stroef verloopt, doet ons dat realiseren hoe gebruik maken van één taal met eenzelfde grammatica en vocabulaire nog geen garantie biedt voor wederzijds begrip. Wat een Aziatische of Afrikaanse moslim associeert met godsdienst en wat een westers christen daarmee verbindt kan sterk verschillen.

Het routinematig functioneren in onze religie betekent vaak dat we onze eigen invulling van begrippen automatisch veronderstellen bij de ander. Zo wordt 'moskee' gezien als een parallel van 'kerk' en de imam als een soort priester of dominee. Dan is het ook logisch om te verwachten dat de religieuze structuur en beleving van moslims heel sterk zouden lijken op die van christenen.  Natuurlijk, als het erop aankomt hebben we als mensen altijd meer met elkaar gemeen dan dat we van elkaar verschillen. Maar tegelijkertijd blijft de eigenheid van de ander, als groep en als individu, een fascinerende uitdaging voor een respectvol avontuur van ontdekking.


2. Marianne Vonkeman

 

Waarmerk (bij Exodus 3)

 Dit heeft zich ingebrand:

zonder jouw naam

kan ik de mijne niet uitspreken.

 Ze was heel onrustig. Er was zoveel in beweging in haar leven. Dat schijnt rond je vijfen­dertigste wel vaker te gebeuren. Ze keek me aan en zei: "Zeg me hoe je heet!" Lichtelijk verwonderd over de urgentie in haar stem zei ik: "ik ben Marianne." Weer zei ze: "Zeg me hoe je heet!" We waren al jaren vriendinnen, moest ik haar mijn naam nog vertellen? Maar haar vraag resoneerde in diepe lagen van mijzelf. In die lagen waar een braambos brandt. Waar een man zijn schoenen uittrekt omdat hij op heilige grond staat. Waar hij dringend vraagt: "Zeg mij Je Naam." Met een huivering zei ik: "ik ben Marianne omdat jij ... bent." en ik noemde haar naam. Toen was het goed, het was heel goed. Het maakte een onuitwisbare indruk op me. ik besefte hoezeer ik alleen maar mijzelf kan zijn, als de Ander zichzelf is, niet‑mij. Later schreef ik de woorden die hierboven staan.

 Aan dit gebeuren moest ik denken bij het lezen van de column van mevrouw Abdus Sattar. Ze signaleert hoe goedwillende christenen moslims proberen te begrijpen door vooral te zoeken naar overeenkomsten. Bijvoorbeeld een moskee is zoiets als een kerk, en dat kunnen we begrijpen. Terecht stelt ze de vraag of wij zo niet het avontuur van een echte ontmoeting mislopen. Dan hanteren we wel dezelfde taal, maar vergeten dat we een verschillende betekenis aan de woorden hechten. En dan verstaan we elkaar niet werkelijk.

 Deze constatering roept de vraag op of het wel mogelijk is een ander te verstaan zonder het eigen voorgevormde begrippenkader als dwangbuis over de communicatie te leggen. De filosofen en hermeneuten zijn hierover nog niet uitgedebatteerd. Uit de christelijke mystiek heb ik geleerd dat er maar één manier is waarop echte ontmoeting mogelijk wordt, namelijk door excen­trisch te worden (dat lijkt op excentriek, en dat is het ook wel een beetje). Het gaat erom dat wij uit ons eigen middelpunt verplaatst worden. Dat mijn begrippenkader, mijn angsten, behoeften, verwachtingen enzovoorts niet langer als een soort verborgen agenda meegenomen worden in het contact met de buitenwereld. Ze mogen wel meegenomen worden, maar niet verborgen, of albeheersend. De joodse filosoof Buber noemt dit oningevulde ontmoetingsgebied de 'tussenruimte" tussen het 'ik' en het 'jij' (tussen mijzelf en de ander).

 Het is een soort ontvankelijke ruimte die open komt, als ik even niet op mijn hoede ben. Dat zijn die momenten dat ik op een stille ochtend door het bos loop ‑ en ineens lijken de bomen en de vogels voorzien van een nieuwe diepte van betekenis. Of die keer dat de weerloze ogen van een medemens mijn eigen weerloosheid openleggen en er iets in mij zich omkeert. Dan is het dat er grote verhalen, symbolen en mythen gaan meeklinken als mij een wezenlijke vraag wordt gesteld. Dan hoor ik meer dan ik horen kan, zie ik meer dan ik zien kan. Leer mij door jouw ogen te zien, en dan zal ik je verstaan zoals jij jezelf verstaat. De voorwaarde daartoe is dat ik niets van mijzelf te verdedigen heb, en de ander evenmin. Dat ons verlangen naar 'waar zijn' groter is dan de meningen en opvattingen die wij momenteel naar beste inzicht verworven hebben.

 Alleen zo kan volgens mij een vruchtbaar gesprek gevoerd worden. Dan weet ik niet of ik zal begrijpen waarom moslimvrouwen in een van mannen afgeschermde ruimte bidden. Maar dan zal ik wel verstaan wat het betekent voor Sajidah Abdus Sattar om een moslimvrouw te zijn, die in afgezonderde ruimte bidt. En dan spreek ik mijn eigen naam met nieuwe diepte uit.

 


3. Awraham Soetendorp

 Als ik ik ben omdat jij jij bent en jij jij bent omdat ik ik ben, dan ben ik niet werkelijk ik en jij niet werkelijk jij. Maar als jij jij bent omdat jij jij bent en ik ik ben omdat ik ik ben, dan ben ik werkelijk ik en jij werkelijk jij.

Een eenvoudige chassidische uitspraak die de basis vormt van een volwassen relatie waarin immers de versterking van de eigen identiteit de ontmoeting met de ander waarachtig maakt. Om het met andere woorden te zeggen: er zijn drie wijzen van in relatie treden waarvan slechts de derde volwaardig is. In de eerste maakt de een de ander ondergeschikt aan zichzelf, overmeestert volledig de ander. in de tweede maakt de een zichzelf onderschikt aan de ander, wordt als het ware zijn slaaf. In de derde treedt de een de ander tegemoet en aanvaardt het volledig anders zijn van de ander.  In de visie van Emmanuel Levinas, die verder gaat dan Martin Buber, moet de mens het gelaat van de ander op zich laten afkomen. Het is de hoogste tijd dat wij, afkomstig uit verschillende spirituele tradities en zeker vanuit de drie monotheïstische religies, een volwassen relatie met elkaar aangaan, het aanvaarden van het anders zijn van de ander. En deze zal bevorderd worder door het instellen van een moratorium, een althans tijdelijke opschorting van actieve zending.

 Laten mijn gesprekspartners mij niet misverstaan. Het blijft natuurlijk het onvervreemdbare recht van een ieder om te kiezen voor een overgang, een bekering tot een andere religie. Maar in principe dienen wij uit te gaan van de overtuiging dat wij niet alle waarheid in pacht hebben, dat we allen gaan naar de berg van God, maar ieder met zijn eigen gedachten, dat de ziel van de ander niet gered behoeft te worden, dat de rechtvaardigen van de andere volkeren op precies de. zelfde plaats voor God staan als de rechtvaardigen van het eigen volk. De van geheime agenda's ontdane kamer wordt zo een zindelijke dialoogruimte waarin ook plaats is voor ongedwongenheid van humor.  Tijdens een studiedag over racisme in het Haagse stadhuis, enige jaren geleden, zei een hindoe‑deelnemer: "De bijbel zegt: 'God heeft de wereld in zes dagen geschapen.'Als ik naar de chaos in de wereld om me heen kijk, denk ik: God, had je niet er wat langer over kunnen doen . Je hebt heel veel werk niet afgemaakt." Een deel van de christelijke deelnemers verliet beledigd de zaal. Welk gebrek aan humor.

Een van de hoogtepunten van het synagogale jaar is de Simchat Tora‑viering ‑ Vreugde der Wetfeest ‑ waarop wij uitbundig dansen met de torarollen in opperste verrukking om het feit dat we de tora weer hebben mogen afsluiten en weer mogen beginnen en dat voor het drieduizendste jaar. Wanneer ik daaraan toevoeg dat het nog wel heel lang zal duren voordat men in de kerk achter de Statenbijbel zal dansen, geef ik geen waarde‑oordeel over de altijd wat statige kerkdienst maar benadruk ik slechts de verschillen in stijl van onze verschillende tradities. En dat is verrijkend. En het streven naar een volwassen relatie tussen de godsdiensten is geen luxe.  In het hart van Sarajevo staan zusterlijk bij elkaar een warme majestueuze moskee' nu in steigers, een gastvrije kerk en een trotse synagoge, nu een museum, herinnerend aan eeuwenoude nabuurschap. De geraamtes van de eens zo tolerante, nu vermoorde stad zijn een waarschuwing ook aan ons die ons veilig wanen. Het kan ook bij ons verkeren. Het gevaar van extremisme, rassenhaat bedreigt ook onze steden en daarin onze gebedsruimten.

 Er is één verhaal dat ik een leven lang met mij meedraag op elke reis. Laatst vertelde ik het in een stadion in New Delhi. Mijn moeke, mijn pleegmoeder, die mij als baby redde in de oorlog, was Duits van geboorte en vroom katholiek. En daarmee alleen al breek ik de stereotypen af. Enkele dagen geleden ontmoette ik mevrouw Klumper, 95 jaar oud, die al meer dan 70 jaar woont in hetzelfde huis in Amsterdam. In de oorlog redde zij 60 joodse kinderen "omdat je toch niet zomaar kon toekijken. Soms voelde ik me zo machteloos. Dan ging ik mee met de trein in mijn verpleegstersuniform. Gewoon afscheid nemen, meer kon ik niet. En ze zeiden dat het troost gaf." Hun voorbeeld geeft licht. Er is Godzijdank nog hoop wanneer we elkaar recht in de ogen durven te kijken.


4. Sajidah Abdus Sattar

 Soms lijkt het alsof godsdienst zich voornamelijk bezig houdt met sombere zaken: de vergankelijkheid van het aardse bestaan, de menselijke onvolmaaktheid, disciplinaire regels en beloften voor een nog zo ver weg liggende toekomst. Maar godsdienst is er ook om te vieren. Joden dansen met Simchat Tora en christenen verheugen zich met Kerstmis en Pasen. Het feest dat voor moslims het meeste telt is 'ied‑ul-adha', de herdenking van het offer van Abraham, dat dit jaar midden mei wordt verwacht. 's Morgens wordt er een speciale gebedsdienst gehouden. Daarna wordt door draagkrachtige families een schaap of ander dier ritueel geslacht (in Nederland volgens afspraak op het abattoir) en wordt het vlees daarvan met behoeftigen en anderen gedeeld. Mensen gaan bij elkaar op bezoek of sturen kinderen rond om aan buren en verwanten vleesgerechten aan te bieden. Er heerst een algemene stemming van vreugde en verzoening. In bijbel en 'koran wordt het verhaal verteld van onze gemeenschappelijke (geestelijke) aartsvader, die zo ver ging in zijn toewijding aan God dat hij bereid was zijn zoon te offeren. Maar juist op tijd werd het hem duidelijk gemaakt dat zijn intentie al voldoende was en een ram acceptabel werd bevonden als offergave. Abraham en zijn zoon werden beproefd, zodat zij zichzelf zouden leren kennen en bevestigd zouden worden in hun vertrouwen op God.

 In de islam wordt deze bijzondere en dramatische toenadering tussen God en mens verbonden aan de toenadering van mensen onderling. Op spectaculaire wijze is dat te zien bij de hadj, de bedevaart naar Mekka, die direct aan het offerfeest vooraf gaat. Tijdens de hadj volvoeren gigantische drommen moslims ‑ mannen en vrouwen door elkaar ‑ de zevenvoudige ommegang rond de Ka'aba. Dit lege, kubus‑vormige gebouwtje wordt geassocieerd met de namen van grootheden als Adam, Abraham, Ismael en Mohammad en symboliseert de aanwezigheid onder de mensen van de ene, onzichtbare God. De pelgrims die dit 'huis van God' bezoeken, bevinden zich in een bijzondere rituele staat waarin elke vorm van geweld, seksuele omgang en zelfs het knippen van haren of nagels zijn verboden. Bovendien geldt voor de pelgrims een strikte kledingcode: vrouwen kleden zich sober in het wit en mannen in slechts twee ongenaaide witte doeken die respectievelijk het onderlichaam en het bovenlichaam omhullen. Het zijn dezelfde twee doeken die ook gebruikt worden om een overledene in te wikkelen; doeken die lijken op de windselen van een pasgeborene.

 Wie zich voor de almachtige, zorgzame Heer presenteert, hult zich in de symbolen van onthechting en overgave. Daarin zijn alle pelgrims ook uiterlijk gelijk. Maar de gelijkschakeling van rangen en standen verandert niets aan de individualiteit van elke mens. Ieders gezicht is immers anders en dat is wel zichtbaar. Zelfs in die kringen waarin het nog gebruikelijk is dat vrouwen hun gezicht bedekken, is dat gedurende de hadj nadrukkelijk verboden. De voorschriften die de hadj en andere aspecten van het leven van moslims regelen, zijn niet bedoeld om persoonlijke vrijheid en eigen initiatief te onderdrukken, maar om een kader te vormen waarbinnen er voor een ieder menselijke gelijkwaardigheid en eerlijke kansen op zelfontplooiing ontstaan.

 Maar onderling gelijkwaardig zijn, wil nog niet zeggen 'identiek zijn'. Dat geldt voor mensen en ook voor de verschillende godsdienstige wegen die zij kunnen volgen. Zoals ieder mens als individu op wonderbaarlijke wijze uniek is, zijn ook godsdiensten uniek in hun eigen bijzonderheid. Wel onderstrepen alle godsdiensten het unieke van mensen. Zonder individuen en dus ook persoonlijke beslissingen zou er geen morele verantwoordelijkheid denkbaar zijn. Zonder persoonlijke verantwoordelijkheid waarop mensen kunnen worden aangesproken, zouden wetten en regels zinloos zijn. Zonder regels zouden alleen de sterksten aan hun trekken komen en zou er geen redelijke mate van vrijheid zijn voor iedereen. En zonder vrijheid waren er ook in Nederland nu geen dansende joden, zelfs geen zingende christenen en al helemaal geen feestvierende moslims.


5. Marianne Vonkeman

 Hemelvaart. Jezus ging weg zodat hij beter bij ons kon zijn. Raadselachtig. Net zo raadselachtig als een lege kubus die in Mekka de aanwezigheid van God beduidt. Of de in het jodendom voorkomende gedachte dat God aanwezig is als de zich teruggetrokken-hebbende. Of de uitspraak van de christenmystica Hadewijch dat het genieten van God samenvalt met het ontbreken van God.

 Ik vierde gisteren het hemelvaartsfeest op een conferen­tie van de charismatische beweging. Daar zingen, dansen en bidden we vrolijk en uitbundig met elkaar, omdat de ten hemelgevaren Jezus Christus levend aanwezig is waar mensen zich door de Geest van God aan elkaar verbinden. De charismatische- en pinksterbewegingen vertegenwoordi­gen inmiddels één van de grotere en snelstgroeiende stromingen binnen het christendom. De traditionele dogma's van het geloof worden herontdekt en beleefd als levende waarheden. Maar het vurige geloof gaat vaak hand-in-hand met de overtuiging dat de eigen waarheid de enige is. De "dialoog" met andere godsdiensten is zending en getuigenis, geen gesprek. Geloofsijver en fundamentalisme lijken wel onlosmakelijk met elkaar verbonden, in welke religie dan ook.

 Op deze pagina willen een moslim, een jood en een christen met elkaar het gesprek aangaan. We hebben in de eerste schrijfronde zo'n beetje de dialoogruimte ver­kend. Het unieke van ieders godsdienst wordt in principe positief gewaardeerd, en we gaan ervan uit dat we 'allen gaan naar de berg van God, maar ieder met zijn eigen gedachten', zoals Soetendorp het zo mooi formuleerde. De vraag is nu: hebben we nog wat om over te praten onder­weg?

 Het is natuurlijk heel aardig om van elkaar te horen over de verschillende feesten en rituelen, en de symbo­liek in de gebruiken. Het is ook noodzakelijk om ver­keerde beeldvorming te corrigeren, dat ruimt de hinder­nissen tot verstaan uit de weg. We zullen dat soort informatie altijd nodig hebben. Maar het probleem van werkelijke communicatie ligt volgens mij veel dieper. Het gaat om het hele proces van beeldvorming. Waarom vormen we eigenlijk een beeld van iemand anders?

 Het gaat bij mij kriebelen als ik bij Soetendorp lees dat een volwassen relatie bestaat uit het aanvaarden van het anders-zijn van de ander. Anders dan wat? Anders dan wie?

Dit is nu net de pointe van Buber,  en trouwens ook van Levinas (zover ik hem kan volgen). Het gaat niet om het ANDERS-ZIJN van de ander, maar het ANDER ZIJN, namelijk NIET IK. Een echte ontmoeting is daar waar we de ander niet meer zien als hetzelfde of anders dan wijzelf. Want dan blijven we zelf de maatstaf waaraan de ander wordt gekend en beleefd. Ten diepste blijven we in ons eigen middelpunt zitten.

 Waarom hemelvaart? Waarom een lege kubus? Waarom een onuitsprekelijke Naam? Waarom spreken godsdiensten van offers, van tijden van onthouding, van loslaten, van sterven aan jezelf? Waarom is dit zo belangrijk? Ontzeg­gen we ons alleen iets zodat we er later met meer smaak van kunnen genieten? Of ligt er nog iets diepers achter?

Heeft het niet te maken met vrijheid? Met bevrijding van de altijd presente en dwingende roep van onze noden en behoeften? Bevrijding opdat er iets anders in ons kan ontwaken, namelijk een verlangen, een drijvende kracht, die niet gebaseerd is op iets dat we missen. En die dynamiek is het waardoor wij ons kunnen verenigen met dat/diegenen die niet wijzelf zijn. Dan kennen wij de ander niet meer als gelijk aan ons of verschillend aan ons. Als we verlangen elkaar te ontmoeten niet omdat ons iets ontbreekt, maar om de ander zelf, zullen wij dan niet eindelijk elkaar werkelijk vinden?

 De vreugde in God staat niet los van onthechting, ascese, loslaten. Integendeel zelfs, vertellen ons de pelgrims en de asceten. Het heeft te maken met het vermogen om één te worden met God op zo'n manier dat ons mens-zijn niet oplost maar juist tot ontplooiing komt, en God niet ingelijfd wordt in onze behoeften en projec­ties. Is dit niet het patroon waar onze menselijke liefde op aangelegd is?

 In de omgang met God is het duidelijk dat wij ons proberen te verhouden tot Iemand die geheel buiten onze eigen menselijke maat valt. Nemen we toch die menselijke maat mee, dan is het niet God, maar een beeld van God waartoe wij ons verhouden. En dan wordt 'God' weer al te gauw voor ons eigen karretje gespannen. Hetzelfde gebeurt met onze menselijke relaties. Als we niet komen tot een veel grotere openheid en onbevangenheid, dan blijven we gevangen zitten in de eenheid die geen verscheidenheid verdraagt, of een verscheidenheid die alle gevoel voor eenheid verloren is.

 In een gesprek tussen de godsdiensten is dit waar het volgens mij om draait. Ik ben niet zo geïnteresseerd in de verschillen of overeenkomsten tussen islam, jodendom en christendom (als je al over zoiets kunt spreken, aangezien de veelkleurigheid ook binnen de eigen gods­dienst groot is). Maar wel interesseer ik mij mateloos voor de glimpsen van de Ene die mijn gesprekspartners bespeuren in en door hun geloof, en in de betekenis die zij daaraan ontlenen voor het leven van alledag.

 

6. Awraham Soetendorp

 Aan het begin van deze week vierden wij Sjawoeot, het wekenfeest waarop de Thora werd gegeven. Er zijn twee tegengestelde midrasjiem die de achtergrond aangeven van de Matan Thora.  Het geven van de Thora aan dit volk Israël. in de eerste biedt God de tien uitspraken aan het ene volk na het andere. Allen weigeren, met verschillende motivatie: "Wij moeten wel moorden", "Wij kunnen niet in leven blijven zonder te stelen", "Wij zijn gehecht aan afgoden". Totdat het joodse volk zonder aarzeling zegt: "Naase venisjma", wij zullen doen en wij zullen gehoorzamen.

 Het is de keuze van het joodse volk en deze moet elke keer opnieuw bevestigd worden. Het is belangrijk op te merken dat het bij Naase venisjma, doen en gehoorzamen, handelen en leren, over de achtergronden van het handelen, niet gaat om een chronologische volgorde. Dus niet eerst doen en dan denken, maar er is sprake van een gelijktijdigheid, al doende leren, al lerend doen.

 In het jodendom wordt wel de daad, het hier en nu, de Tachlit, de concrete handeling benadrukt. En het moet mij van het hart dat soms bij het lezen van theologische verhandelingen ik mij ongeduldig afvraag 'Come to the point', wat moet er nu gedaan worden , waar blijft de Tacheles, het concrete, en is het niet een van de taken van het joodse volk door de geschiedenis heen de redetwistende in diepe meditatie of analyse verzonken mensheid wakker te schudden tot het handelen? Als het niet nu is, wanneer dan wel? Het is niet aan de overkant van de zee of in de hemel maar in je mond, in je hart, Laasoto, zoals mijn goede vader vertaalde: 'het is te doen'.

 Deze week grijpt het me weer hevig aan bij het aanschouwen dag in dag uit van de verscheurende beelden uit Rwanda. Toen het vliegtuig neergeschoten werd en de twee presidenten omkwamen wisten toch velen tot welke miserabele uitingen van haat deze moord zou leiden. In de afgelopen decennia hebben Hutu's en Tutsi's vaak elkaar naar het leven gestaan, maar we deden weinig en te laat. Waar bleef de luchtbrug van militairen, om de be­dreigden te beschermen. We overwogen, onderhandelden en doen dat nog steeds. Het minste dat we nu kunnen doen is massale humanitaire hulp verlenen en geld en goederen, om de oproep van Pronk, die gelukkig is waar we allen moeten zijn, tegemoet te treden, snel en ruimhartig.

 Zou deze lamlendigheid, het uitstellen van de totale daad, toch ook te maken hebben met het cultuurpessimisme dat soms ondanks zichzelf in de hand gewerkt is door interpretaties vanuit het christendom? Een zware, te zware beschuldiging? Ongenuanceerd? Zeker.

 Maar als ik in deze krant lees dat geestelijken worden opgeroepen niet op het wereldnieuws te reageren, als ik ook bij Kuitert lees dat het gaat om de Overkant die wij als mensen toch niet kunnen bereiken, dan wordt 't me bang te moede. De anderhalf miljard christenen, de miljard moslims, de miljard hindoes en boeddhisten kunnen van de ene dag op de ander de wereld veranderen in een paradijs. Met joden en andere kleinere en grotere spirituele tradities tesamen.

Wanneer wij maar in een poëtisch beeld van Vonkeman-Vonkeman  'De glimpsen van de Ene' de ander bespeuren, zonder verschillen te verdoezelen en in hemelsnaam zonder superioriteitsgevoelens.

 Vandaar het belang van de andere midrasj. God wilde de Thora, "de aanwijzing ten leve", geven, maar geen volk wilde deze aanwijzing aanvaarden. Ook het joodse volk niet. God was wanhopig. Immers, de Thora kon niet aan de perfecte engelen gegeven worden, maar slechts aan mensen die fout op fout maken, maar van de fouten weer terug kunnen komen. Hij liet het joodse volk tot onder de berg Sinaï komen, tilde de berg toen op en hief deze boven het volk. "Als jullie de Thora aanvaarden blijven jullie leven, als jullie weigeren laat ik deze berg op jullie te pletter vallen en is dit jullie graf. " Sinds de Sinaï: kiezen en geen keuze hebben, op weg naar de messiaanse tijd en die komt spoedig. Als het niet morgen is dan toch zeker overmorgen.

 

7. Sajidah Abdus Sattar

 Telkens opnieuw blijkt dat mensen met verschillende religieuze achtergronden begrippen anders aanvoelen. Voor westerse christenen blijft, zoals ik proef uit het stuk van Marianne Vonkeman, godsdienst toch vooral een innerlijke en persoonlijke zaak. Voor praktiserende moslims omvat het nadrukkelijk ook het gemeenschappelijke en het alledaagse. Weliswaar koesteren zij niet dezelfde concrete verwachting van een Messias als Awraham Soetendorp, maar zijn verlangen naar vrede en sociale rechtvaardigheid is voor iedereen heel herkenbaar. Veel Nederlanders zullen een dergelijke hoop echter niet langer koppelen aan een religieuze visie. Godsdiensten worden vaak juist geassocieerd met conflicten en geweld. Het is hoog tijd dat wij als in God gelovende mensen daar antwoorden op geven.

 Maar, hoe urgent het ook is, deze eendrachtige inspanning voor vrede stuit op een probleem. Filosoferen over godsdienst en vrede gaat een stuk gemakkelijker als je je veilig voelt en weet waar je volgende maaltijd te halen is. Voor wie leeft met bedreiging, verdachtmaking en spot kan dat een al te grote luxe zijn. Overal ter wereld ‑ ook in Nederland ervaren minderheden de druk van een dominante samenleving. Er bestaat nog steeds zo iets als een maatschappelijke scheidslijn. Wie zich zwak en afhankelijk weet, heeft onbegrip en verbale agressie maar te slikken. Blijkbaar is alleen die opvatting acceptabel, die van de heersende cultuur afkomstig is. Als je het daar niet mee eens bent en je stem er tegen verheft, kan je dat maatschappelijk de kop kosten. Toch is dat soms noodzakelijk om te voorkomen dat een groeiend vijandsbeeld nog monsterlijker proporties aanneemt.

 Een treffend voorbeeld is de recente spraakverwarring rond de term djihad. Dit woord is gebaseerd op het Arabische stamwoord djahada, dat betekent: je inspannen, je ergens voor inzetten. De profeet Mohammad heeft de religieuze betekenis ervan verklaard door te spreken over de grote en de kleine djihad. Deze laatste, de minder belangrijke, is het verdedigen van de gemeenschap tegen gevaren van buitenaf. De grote en belangrijkste djihad is ieders inspanning om het eigen ego te beheersen en de ziel gericht te houden op God. Dat gewapende verdediging soms nodig is terwille van de fysieke veiligheid van een groep is evident. Zonder leven is er immers geen spiritualiteit. Maar de grote djihad is minstens even noodzakelijk, want zonder spiritualiteit is er in zekere zin geen leven.

 De glimpen van de Allerhoogste die wij als mensen soms mogen opvangen zijn zeldzame kostbaarheden die men niet zonder meer kan onthullen. Edelstenen worden niet op de markt tussen de vis en de lompen te koop aangeboden. Zoals alle grote spirituele tradities bevestigen, hebben dergelijke subtiele ervaringen bescherming nodig, zodat ze kunnen groeien en vrucht kunnen dragen. De grote djihad speelt zich af in de intimiteit van het innerlijk, maar met een concreet effect op het maatschappelijk gedrag. Religieuze gebruiken die niet voortdurend van binnenuit worden bezield, verstarren en raken gecorrumpeerd. Bezieling zonder contact met het alledaagse blijft wereldvreemd. Willen we chaos en geweld een halt toe roepen, dan moeten we waar maken wat we als godsdienstige groeperingen zelf als ideaal hebben gekozen. Het overtuigen van onszelf en anderen om die ene stap te zetten van de kleine naar de grote djihad vraagt een spiritueel soort wijsheid. Wat we nodig hebben is religieuze 'geestigheid' voor alledag.

  

8. Marianne Vonkeman 

 Er zijn twee zusters. Ze leven in alle tijden, alle godsdiensten en in ons innerlijk op gespannen voet met elkaar. In het christendom heten ze: Martha en Maria. Martha is praktisch en zorgend, ze let erop dat iedereen te eten heeft en maakt het mogelijk dat mensen een plaats in haar huis kunnen vinden. Maria is degene die ervoor gaat zitten om te horen wat de gasten te zeggen hebben, ze neemt de tijd om de ander te ontmoeten, om te leren en te ontvangen.

 Als de ziel van de mens verenigd is met God dan "werken Martha en Maria altijd samen" zegt Theresa van Avila, een christelijke mystica uit de 16e eeuw. Het is een grote vergissing om de Martha-weg naar buiten te scheiden van de Maria-weg naar binnen. Om de concrete zorg voor de naaste tegenover het verstaan van de eigen subjectieve ervaring te plaatsen. Het doorzien van de dynamieken die werkzaam zijn in politiek en maatschappij is niet iets geheel anders dan het doorzien van de dynamie­ken van het menselijk hart. De godsdiensten leren ons dat zelfkennis en Godskennis nauw verbonden zijn. Willen we ons handelen voegen in Gods handelen met de wereld, dan is het noodzakelijk een scherp oog te hebben op de eigen achterlig­gende motieven en drijfveren.

 De noodzaak daartoe is deze eeuw duidelij­ker dan ooit geworden. Om te handelen heb je macht nodig. En macht corrumpeert. Zestien eeuwen van politieke macht heeft het christendom duidelijk gemaakt dat ondubbelzin­nig goede politieke daden (bijna?) niet bestaan. In de praktijk blijken goed en kwaad hardnekkig aan elkaar verbonden. Dat is geen cultuurpes­simisme, maar een sobere constatering. En dat is één van de redenen waarom de binnenkant van het geloof momenteel weer in de aandacht staat. "Het is het enige en het enige, ik zie geen andere weg, dat ieder van ons inkeert in zichzelf en vernietigt al datgene, waarvoor hij meent anderen te moeten vernietigen." (Etty Hillesum)

 Het gevaar dat het christendom zich op een eigen eiland­je terugtrekt en irrelevant wordt voor het wereldtoneel is zeker aanwezig. Maar ik zie ook een andere mogelijk­heid.

We zouden van het jodendom kunnen leren dat godsdiensti­ge interpretaties elkaar niet behoeven af te wisselen zoals in het christendom meestal het geval is. Als Martha en Maria, als elkaar tegenspre­kende midras­jiem, zijn ze allemaal samen nodig. Alleen de concrete situa­tie zal kunnen aanwijzen welke nadruk hier en nu gelegd moet worden om zoveel mogelijk recht te doen. Maar willen beleidsmakers die aanwijzingen kunnen verstaan, dan is ook het verstaan van het eigen innerlijk nodig.

 De 'weg naar binnen gaan' is geen navelstaren waaruit we wakker geschud zouden moeten worden. Het is ook geen vrijblijvend en comfortabel filosofe­ren over gods­dienst en vrede. Het is met vallen en opstaan en met elkaar de werking van de Allerhoogste leren te verstaan, de Geest van God die onophoudelijk werkt in het menselijk hart zoals in de wereld.

Sajidah Abdus Sattar meent dat de kostbare momenten waarop we iets van God bespeuren als edelstenen zijn die niet op de markt tussen de vis en de lompen aangeboden moeten worden.

Bij mij ligt het anders. Ik heb wat met vis en lompen. Juist daar zie ik weleens edelstenen glinsteren. Of het nou de parelmoeren glans van zo'n glazig vissenoog is...?


9. Awraham Soetendorp

 Ik heb mijn stem uitgebracht voor de verkiezing van het Europees Parlement zonder veel hartstocht. Er heerste een druilerige stemming in het nog vrijwel lege stemlokaal. Er is sprake van een treurige paradox. Als het nu niet het moment is voor het uiten van verantwoordelijkheid van burgers voor burgers in Europa, wanneer dan wel?

 De burgeroorlog in Joegoslavië woekert nog steeds voort, de milieuproblemen kunnen alleen gezamenlijk voorbij de grenzen worden aangepakt, een barmhartig asielbeleid kan slechts in intensief gezamenlijk overleg gefundeerd worden en vanuit een verantwoordelijk Europa kunnen wij pas een wezenlijke bijdrage leveren aan de tikoen olam, de verbetering van de hele samenleving.

 Waarom wordt dan het hart niet geraakt? is de verkiezingscampagne aan mij voorbij getrokken als een routineus gebeuren? Is er geen vonk overgesprongen? Beter dan vermoeide politici de schuld te geven van de apathie is het mijn hand in eigen boezem te steken. Wat heb ik zelf gedaan om mijn burgerlijke verantwoordelijkheid te tonen? Ik ben diep bezorgd over de opkomst van extreem‑nationalisme in eigen land en over de grenzen. Ik heb de waarschuwing van de premier van Bosnië niet naast me neergelegd, dat het monster van racisme en vreemdelingenhaat die aan de basis heeft gestaan van de instorting van de tolerante samenleving van Sarajevo, ook de poorten van de Europese welvaartsstaat gevaarlijk is genaderd. Maar tot een Europese bundeling van krachten heb ik geen afdoende bijdrage kunnen leveren.

 En wat hebben wij als religies gedaan? Eens, in het nog zeer recente verleden, werd er gepassioneerd gediscussieerd en vergaderd over het conciliaire proces. Het bleef een in hoofdzaak christelijke bezigheid, waar jodendom en islam nauwelijks bij betrokken waren. Een pijnlijk gemis. Maar in ieder geval werd een begin gemaakt met het omvertrekken van de weerbarstige muren die om het fort Europa werden opgetrokken. Het conciliaire proces heeft zijn elan allang verloren. Wat overgebleven lijkt, zijn verdienstelijke bezigheden aan de basis zonder internationale verbindingen.

 Of om een ander voorbeeld te noemen: tijdens de Golfoorlog kwam er een zeer bemoedigende ontmoeting tot stand tussen joden en moslims. De door mij zeer betreurde Ien Dales heeft het initiatief tot dit treffen genomen. Waarom hebben wij dit contact dat er toe diende om elkaar te ondersteunen in het terugdringen van stereotiepen, die in toenemende mate de kwade kop opsteken, niet verbreid tot een Europese ontmoeting?

Laat ik deze negatieve bespiegelingen over het falen in het verleden omdraaien naar de toekomst toe. Het is aan ons om in deze periode van een nieuw Europees Parlement te werken aan een actief gezamenlijk programma van ontmoetingen in Europees verband tussen joden, christenen en moslims met nadruk op het onderwijs.

 Een persoonlijk voorbeeld om de noodzaak aan te duiden. Hoewel ik kennis genomen heb van de koran en ook enige commentaren ken, was ik tot kort geleden onbekend met het feit dat het begrip van de grote djihad samenvalt met het joodse begrip jetser tov. Het gaat bij beide om de innerlijke strijd van de mens om het goede boven het kwade, het creatieve boven het destructieve te laten prevaleren. Het heeft niets te maken met een zogenaamde vernietigingsdrang om anderen te overmeesteren. Een ander voorbeeld: tijdens een van de bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap en de moslim gemeenschap in ons land, tijdens de Golfoorlog, werd mij een boekje ter hand gesteld waarin uitspraken over dit onderwerp uit cie koran waren verzameld. Bij het lezen kwam ik plotseling de zin tegen: "Hij die één mensenleven redt, heeft de wereld gered, hij die één mensenleven verwoest, heeft de wereld verwoest." Altijd was ik ervan uitgegaan dat deze zin uit de talmoed uniek is voor het jodendom. Nu begreep ik dat deze ook de basis vormt van de islam. Aan het werk. Laten we tot een Europese samenkomst komen van burgers, joden, christenen, moslims die een onderwijsprogramma tot stand brengen dat ondersteuning verdient van alle politici, opdat bij de volgende verkiezingen het hartstochtelijke percentage van 80 procent wordt gehaald.


10. Sajidah Abdus Sattar

 Merkwaardig hoe selectief ons geheugen is en hoe vlug we vergeten. Veel zaken die een paar jaar geleden belangrijk werden gevonden, zijn inmiddels gerelativeerd door de alles verdoezelende mist van de tijd. Sterker nog, wanneer iemand sterft, verdwijnen al zijn levenservaring en herinneringen van deze aardbodem. De enige manier om dat te voorkomen, is het mee te delen aan anderen. De hele menselijke cultuur, en in het bijzonder de taal, is ingesteld op het verzamelen en doorgeven van kennis. Het opbouwen van een collectieve herinnering en de bereidheid tot leren vormen de basis van alle beschaving. Niet alleen de ontwikkeling van wetenschap en techniek zijn op die manier mogelijk geworden, maar ook geschiedenis als vak en als leidraad voor toekomstig handelen.

 Godsdienstig zijn bestaat uit  leren en vereren. Het woord voor mens in de Koran is insaan. Het houdt mogelijk verband met nisyaan, dat 'vergeetachtig' betekent. Vergeten is menselijk, maar soms ook heel gevaarlijk. Wanneer we bijvoorbeeld vergeten wat joden, zigeuners, homo's en anderen is aangedaan door de nazi's zal de geschiedenis van haat en moord zich ongehinderd blijven herhalen. Als we vergeten hoe godsdiensten en ideologieën in het verleden misbruikt zijn voor politieke, demagogische doeleinden, kunnen we niet geleerd hebben hoe religie wel kan bijdragen aan waarachtige vrede. Zolang we als gemeenschap van mensen de innerlijke beschaving missen die ons doet herinneren en leren, zullen naast Rwandese burgers, Bosnische moslims, Algerijnse intellectuelen, moslims in Kasjmir nog vele anderen daar slachtoffer van worden.

 Geweld begint klein, maar in een klimaat van vergeetachtigheid groeit het ontstellend snel uit. Voordat de aanslagen op buitenlanders in Möln en Solingen plaatsvonden, waren die voorafgegaan door haatliteratuur, sociale pornografie en stigmatisering van weerloze minderheden, niet alleen door rechts‑radicalen, maar ook door 'fatsoenlijke' politieke leiders. Ook in Nederland zijn nu actievoerders, ophitsers, meelopers en profiteurs. En er zijn vooral veel twijfelaars die zonder het te beseffen, meedoen aan stemmingmakerij. En dan zijn er nog de burgers die het allemaal niets kan schelen; die mee lachen met de nieuwste Turkenmop en gewoon doorlopen als moslimvrouwen om hun kleding worden uitgescholden of een buitenlander om niets in elkaar wordt geslagen.

 Ik zou willen dat ik kon zeggen dat alle godsdienstige mensen en kerkgenootschappen in Nederland zich van dat soort vergeetachtigheid hebben gedistantieerd. Ik zou willen dat alle mensen die zichzelf als godsdienstig betitelen sektarisme hadden ingeruild voor naastenliefde en respect. En ik zou willen dat de huidige graad van godsdienstige beschaving voldoende afweer bood tegen het voortdurend stereotyperen en problematiseren van bevolkingsgroepen, maar helaas, voor heel veel mensen zijn Turken dom en vies, joden rijk en sluw, Marokkanen en Antillianen crimineel en moslims achterlijk en gevaarlijk. Ik vraag me af of we überhaupt wel in staat zijn om te leren.

 De 13e‑eeuwse dichter en mysticus, Roemi, vertelt van een man die een klein vogeltje had gevangen. Hij was bereid om het vrij te laten tegen drie waardevolle adviezen. Het eerste daarvan zou hij krijgen terwijl het diertje op zijn hand zat, het tweede vanaf een tak van een nabije boom en de derde vanaf de top van de boom. "Mijn eerste advies is: treur niet om wat verloren is", zei het vogeltje en hij fladderde naar de tak. "Mijn tweede advies is: geloof geen onmogelijke beweringen", en hij vloog naar de top van, de boom. "Nu ik hier veilig zit", vervolgde hij, "kan ik zeggen dat er een diamant zo groot als een kippenei in mijn buik zit". De man begon te jammeren om zijn verlies en probeerde het vogeltje opnieuw te vangen. "Het derde advies is dat geen enkele raadgeving zin heeft als die niet wordt toegepast", zei het vogeltje en vloog weg.

 

 11. Marianne Vonkeman

 "Dit is een christelijk land. Als ze hier willen wonen, moeten ze zich maar ons aanpassen." Een veelgehoorde uitspraak in mijn wijk, waar de laatste jaren veel Turkse en Marokkaanse mensen zijn komen wonen. En dat betekent dan ongeveer: wel kerkklokken, maar geen muezzin op de toren. Wel christelijke, maar geen islamitische feestdagen nationaal vrij. Werken okay, maar wel zonder hoofddoek. En zo is er meer te noemen. Ik word er ongemakkelijk van. Het is geen openlijk racisme waarvan ik mij kan distantiëren of waartegen ik mij kan verzet­ten. Tegelijk wordt het christelijk geloof ingelijfd in een soort nationale identiteit waarin ik mij niet herken.

 Het gesprek tussen de godsdiensten heeft een politieke kant. Het is een gesprek tussen meerderheid en minderhe­den. Zoals het niet- regerende partijen in een democra­tie betaamt, dienen zij de regeerders op hun falen te wijzen. Onrecht tegen minderheden moet benoemd, erkend en bestreden worden. Dat kan nooit van de agenda ver­dwijnen. Het herinneren van onrecht begaan in het verleden kan voorkomen dat het vandaag opnieuw gebeurt.

 Toch wil ik ervoor pleiten het onderscheid niet te verliezen tussen politiek en geloof. Alles is wel politiek, maar politiek is niet alles. Als ik in Israël zou wonen, zou ik een lijstje kunnen maken van aanpas­singen die het wonen in een joods land met zich mee­brengt voor een niet-jood. In moslimlanden is dat nog veel sterker, om het maar voorzichtig te formuleren.

 Religie en nationalisme zijn met elkaar vermengd. En dat maakt godsdienst gevoelig voor racisme. Het geloof in de Ene God, Schepper van hemel en aarde, en de daaruit voortvloeiende fundamentele gelijkwaardigheid van mensen, zou een unieke kracht tot wereldvrede kunnen zijn. In de praktijk gaat het anders. Hoe zit het met de exclusieve claims van de godsdiensten? Jezus de enigge­boren Zoon van God? Jodenen het uitverkoren volk? Er is maar één God en dat is Allah en Mohammed is zijn pro­feet?

Hoe kan het dat het unieke van ieders geloof zo vaak degenereert tot alles buitensluitende exclusiviteit? Zouden we in gesprek met elkaar de vredestichtende kracht van het geloof kunnen bevrijden?

 "Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij." Deze uitspraak van Jezus wordt nogal eens gebruikt om het christelijk geloof boven alle andere godsdiensten te plaatsen. De interpre­tatie van deze woorden gaat dan, cru gezegd, als volgt: de joden hebben hun kans gemist en na Jezus is de openbaring afgesloten, dus wat moeten we met Mohammed?

 Jezus is voor mij de weg geweest naar God. En dat is hij nog steeds. Via Jezus ben ik wakker geworden voor het contact met wat je een diepste betekenis zou kunnen noemen, contact met de bedding die het leven draagt. Ontwaakt in God, zoals dat weleens gezegd wordt. Dat maakte geen ander mens van mij, maar alles ging er wel anders uitzien. Het uitzicht is veranderd, het perspec­tief van waaruit ik naar de wereld kijk. Vanuit dat perspectief gezien, zie ik de eenheid die mensen en godsdiensten verbindt en het hart ervan vormt. Vanuit 'de andere kant' zie ik de verschillen. Beide perspec­tieven bevatten waarheid zover ik zie en aan beide wil ik recht doen.

 Hoe versta ik dan die woorden van Jezus?

Het gaat blijkbaar om het komen tot de Vader. 'Vader' was de intieme aanduiding die Jezus gebruikte als hij sprak over zijn levensbron, zijn inspiratie, de drijven­de kracht van zijn leven. Bij die bron uitkomen, daar gaat het om. Dat blijkt ook uit de rest van deze af­scheidswoorden. "Van nu af kennen jullie zelf God", zei hij. Jezus was een jood. De weg, de waarheid en het leven, dat zijn aanduidingen van de tora. De volgelingen van Jezus herkenden in hem een mens in wie de woorden van God in het hart geschreven waren, zoals al voorzegd door de profeten. Zonder tora in het hart kan geen mens tot God komen. Voor mij heeft het jodendom in relatie tot de niet-joden juist in Jezus haar roeping ten volle waargemaakt. Het identificeren met Jezus opent ook voor mij, niet-jood, de toegang tot zijn bron, tot de God van de tora.

En Mohammed? Jezus kondigde de komst van de Geest aan, 'uitgestort op alle vlees'. Dat betekent voor mij dat de openbaring niet is afgesloten, maar nu juist wereldwijd verstaan moet worden. Het wordt tijd dat we dat eens werkelijk proberen.

 

12 Awraham Soetendorp

 "Zouden we in gesprek met elkaar de vredestichtende kracht van het geloof kunnen bevrijden?" Mijn ondubbelzinnig antwoord op deze verzuchting van Marianne Vonkeman is: natuurlijk kunnen en moeten we dit bewerkstelligen. Onverwijld.

 En laten we de schuld niet aan de politiek geven wanneer we falen. Want dit is wel wat al te gemakkelijk. Ook wij zullen onze handen niet schoon houden wanneer we vanuit een religieuze overtuiging aan de wereld gaan sleutelen. De uitdrukking 'Alles is wel politiek maar politiek is niet alles' wordt te vaak als alibi gebruikt om zich te onthouden van elk engagement.

 Hier volgt mijn keuze van enige programma‑onderdelen van een agenda van de toekomst vanuit een ongeduldig politiek-­religieus perspectief: het instellen van vluchtsteden. In de Tora wordt keer op keer aangedrongen op de verplichting onmiddellijk na aankomst in het land vluchtsteden in te stellen waar degene die per ongeluk iemands dood veroorzaakt heeft een heenkomen kan vinden. De mondelinge leer voegt daar nog aan toe, dat de wegen breed moeten zijn en gemakkelijk herkenbaar' en dat de bloedwraak de vluchteling nooit en te nimmer treffen mag.

 Het is een religieuze verplichting met grote maatschappelijke relevantie. De broeder‑ en zustertwisten in het voormalige Joegoslavië, en de moordenaarsvelden in Rwanda kunnen gekarakteriseerd worden als uitgestelde* bloedwraak op vermeend of werkelijk aangedaan leed uit zeer vroege tijden. Het is letterlijk van levensbelang dat het recht om een vluchtstad te bereiken, en daar in veiligheid te kunnen wonen, wordt gewaarborgd door de internationale gemeenschap en neergelegd in verdragen.  Het is aan de religieuze leiders, zeker vanuit de gemeenschap van joden en christenen, om een voorhoederol te vervullen in het tot stand brengen van deze beschermde vluchtsteden overal waar het vuur van de haat brandt.

 Het wegnemen van extreem nationalistische en triomfalistische kenmerken uit het godsdienstig bewustzijn kan door: a) het verruimen van de nationale kalender met de dagen voor andere dan alleen christelijke feestdagen waarvoor ook vrij wordt gegeven op school en werk;

b) het uitgeven van een boek waarin de verschillende religieuze tradities worden beschreven op zelfkritische wijze en waarin stereotypen over en weer worden weggenomen. Zo betekent uitverkiezing in het joodse zelfverstaan: niet zich boven anderen gesteld voelen, maar zich gekozen weten voor de specifieke taak van het onderwijs van de Tora te midden van evenwaardige anderen die ieder gekozen zijn voor een andere specifieke taak.  Eens, tijdens een gezamenlijke maaltijd, vroeg een disgenoot aan mij uit te leggen waarom joden van mening waren dat God alleen de God van de joden was. Dit wekte veel wrevel en onbegrip, zo had hij als moslim tijdens zijn vele reizen door Azië en Afrika waargenomen. Ik antwoordde met de vertaling te geven van het gebed dat ik voor het nuttigen van de maaltijd had uitgesproken "Geloofd zijt gij altijd aanwezige koning van de wereld die brood uit de aarde laat komen". "Koning der wereld, dus niet koning van de joden?" Ik knikte. Hij verzuchtte met blijdschap dat nu alles was opgelost. Zo eenvoudig is het soms.

 c) het gezamenlijk optreden van religieuze leiders overal waar discriminatie, racisme de monster. kop opsteekt. Wanneer één moskee wordt aangevallen worden wij allen aangevallen. Wanneer één vernederende mop over katholieken wordt verteld worden wij allen vernederd. Kleine en grote discriminatie liggen in elkaars verlengde.

d) het gezamenlijk op weg gaan als religieuze leidsmannen en leidsvrouwen, naar plekken die een heilige betekenis hebben voor de verschillende godsdiensten. Schoenen uittrekken alvorens de moskee te betreden, keppels opzetten in de synagoge, stilte betrachten in een kerk. Jodendom, islam en christendom samen bij de westelijke muur in gebed staan, vervolgens mediteren in de El Aksa‑moskee, en tenslotte samenkomen in eerbied in de heilige grafkerk, zal bijdragen aan de vrede van Jeruzalem. Aan de slag.


 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.