DRIE-OP - VRIJDAG (2)


13. Sajidah Abdus Sattar

 De media brengen de wereld bij u thuis: WK voetbal en Rwanda, Tour de France en Arafat. Miljoenen kijkers, luisteraars en lezers nemen kennis van geïsoleerde fragmenten informatie. Vooral krantenkoppen, onderschriften bij foto's en korte berichten slaan in met trefzekere ongenuanceerdheid. Journalisten moeten onder grote druk snel hun verslagen ophoesten. De info‑brokken worden door de ontvangers toegevoegd aan veronderstellingen vanuit de opvoeding en gebruikt als norm waar4iee personen en groepen worden geëtiketteerd en beoordeeld. Dit oude en zeer algemene verschijnsel vormt, veel meer dan kwaadaardigheid of onwil, het grootste obstakel voor het verbeteren van onderling begrip.

 Er zijn legio voorbeelden van schade als gevolg van een dergelijke oppervlakkigheid. Denk aan de veroordeling door het Vaticaan van de Nederlandse wetgeving inzake abortus en euthanasie, of de verdachtmaking van alles wat met de islam van doen heeft. En denk aan de vooroordelen die schuilgaan achter termen als 'orthodoxie' en 'fundamentalisme.' Het risico van foute beoordeling is het grootst wanneer het gaat om zaken waarvan de context en geschiedenis onbekend zijn, zoals die van Taslima Nasreen en de protesten in Bangladesh. Hoe vlug wordt er niet gegeneraliseerd en veroordeeld aan de hand van losse berichten.

 De achtergrond van het conflict is gecompliceerd en heeft te maken met de geschiedenis van Bengalen, Westers kolonialisme en de plaatselijke relatie tussen hindoes en moslims. (Ter vergelijking: de problemen in Noord‑Ierland kunnen niet worden begrepen zonder de politieke historie, noch de lsraëlisch‑Palestijnse zaak zonder haar voorgeschiedenis). Vanaf de komst van de eerste moslim‑gouverneur in Bengalen in 1202 was er sprake van een delicaat evenwicht tussen de diverse groeperingen, voornamelijk moslims, hindoes en boeddhisten. Bengalen werd in 1757 door de Britten veroverd met een tactiek van 'verdeel en heers'. Dat leidde tot een drastische verandering in de verhoudingen, zodat tegen het einde van de koloniale periode hindoes en moslims elkaars rivalen en vijanden waren. Met de onafhankelijkheid in 1947 werd Bengalen opgedeeld tussen India en (Oost‑)Pakistan, het latere Bangladesh.

 Veel moslims van Bangladesh hebben bittere gevoelens gekregen ten opzichte van zowel de meer welvarende hindoes als ook het rijke en arrogante Westen, dat met de koloniale uitbuiting hun bloeiende Bengaalse moslimrijk heeft vernietigd. Daardoor is een overgevoeligheid ontstaan voor aanvallen op de eigen traditie, zeker wanneer dit komt van iemand uit eigen volk die lijkt te zijn ingepalmd door 'westerse' normen. Deze overgevoeligheid onder religieuze noemer wordt door politieke elementen uitgebuit. Ongelukkigerwijs kreeg Taslima Nasreen de reputatie van protegee van een ('hindoe') lndiase krant en werd zij bovendien fout geciteerd. Zij is beslist niet de enige moslim die pleit voor een aanpassing van de sjaria en een gedeeltelijke herinterpretatie van de Koran. Haar wordt vooral kwalijk genomen dat zij, in de gespannen verhoudingen met het grotendeels hindoeïstische India en het seculiere Westen, onvoldoende loyaal is aan de zaak van de moslims, die zelf voortdurend doelwit zijn van externe pressie. De vraag is niet of de sjaria bespreekbaar is, maar wie het recht heeft dat te doen. Het gaat meer om verzet tegen van buitenaf opgelegde normen dan om het principe van vernieuwing, of de persoon van Nasreen.

 In dit soort conflicten wordt de godsdienst dubbel misbruikt, als legitimatie voor bedreiging en geweld door fanatici, en door de Westerse opinie voor het bevestigen van oude anti­ islamitische vooroordelen. Daarmee is noch Nasreen, noch het Bengaalse volk geholpen. Juist omdat gebrek aan inzicht zo gemakkelijk leidt tot een foute beoordeling van zaken en een misleide respons, houd ik steeds mijn hart vast als er weer eens plannen zijn voor een of andere interventie of internationale bemoeienis, ook al zijn de bedoelingen nog zo goed.

  

14. Marianne Vonkeman

 Ik was eens op bezoek bij een veertiger. Hij had zich sinds de zestiger jaren ingezet om de maatschappij te verbeteren. Inmiddels had hij afgehaakt, gedesillusio­neerd en opgebrand omdat er zo weinig vooruitgang te zien was. Hij had geen bron weten te vinden die zijn idealen had kunnen voeden en was uitermate cynisch geworden. Het doelgericht denken van deze tijd had een nieuw slachtoffer gemaakt.

 Het hoort misschien wel bij de specifieke taak van het christendom om de wereld te wijzen op de beweegredenen en drijfkrachten van het hart. Het geloof is een meer individueler zaak dan in het jodendom of de islam (hoewel ook daar, net als in het christendom, verschil­lende stromingen zijn die een ander accent leggen). Het persoonlijke is zowel de zwakte als de kracht van het christendom lijkt mij. De eigen bijdrage van het chris­tendom komt dan ook beter tot zijn recht in samenwerking met andere godsdiensten. Laat mij aan de prachtige agenda tot maatschappelijke vernieuwing die Soetendorp onlangs presenteerde, nog wat persoonlijk 'huiswerk' toevoegen.

Mensen hebben handvaten nodig om hun eigen belevingswe­reld te duiden. Hoe ga we om met wat we meemaken in ons eigen leven? Welke betekenis hechten we aan wat we horen of zien? Wat beogen we? Wat zijn de verborgen verlangens en behoeften die meespelen ook in onze allerbeste daden?

 Leren zien is een belangrijk thema in de spiritualiteit. Op welke wijze nemen wij waar? Hoe horen wij en waar sluiten we ons voor af? Hoe onbevangen kijken wij? Wat zien we over het hoofd? Door welke interpretatiebrillen kijken wij als we in relatie treden met de wereld buiten en binnen ons? Deze vragen zijn van het allergrootste belang als we te maken krijgen met gebeurtenissen (of mensen) die niet passen binnen onze vertrouwde of gewenste leefwereld. En dat geldt uiteraard in nog sterkere mate voor God, die al helemaal nergens 'in­past'. Het opkomend racisme lijkt mij dan ook niet los te staan van de zogenaamde 'godsverduistering'. In beide gevallen gaat het om een toenemend onvermogen om met een werkelijk ander in relatie te staan. Zien wij niet alleen die zaken (en mensen) die rechtstreeks verband houden met onze eigen behoeften? In deze consumententijd waarin alleen telt wat aangenaam, nuttig of functioneel is, kunnen we rustig spreken van blikvernauwing. Ons zicht op onszelf, op onze medemensen en op God wordt bepaald door de resultaten die we beogen. Toch kan het anders, leren ons de grote mystieken.

 Johannes van het Kruis spreekt over 'de nacht van de zinnen'. Dat is een fase in de groei als mens naar het beeld van God. En misschien is het ook wel een fase in de groei van een samenleving als geheel. Een louterings­periode om een nieuwe manier van kijken te leren. De 'nacht van de zinnen' wordt gekenmerkt door vlakheid. Niets van wat je vroeger zo aansprak en vol betekenis was, raakt je nog. De smaak van het leven is verdwenen. Je behoeften worden redelijk bevredigd, maar het zegt je weinig. De hemel lijkt een ondoordringbare koperen koepel. God 'haalt de ziel weg uit het leven van de zintuiglijkheid en brengt haar over naar dat van de geest', zegt Johannes van het Kruis. Het is een ervaring van afsterven aan je gehechtheden, een mogelijkheid tot omvorming van je behoeften en loutering van het waarne­mingsvermogen. Je wordt bevrijd tot handelen louter omdat het gedaan moet worden en niet omdat je de beteke­nis van je leven aan je eigen daden wilt ontlenen.

 Het is via de oninpasbare ander, via breukervaringen, via het niet verdringen van het leed van de wereld, dat deze 'nacht' wordt ingezet. Juist mensen die zich met hart en ziel inzetten voor de wereld en hopen op resul­taten krijgen hier vaak mee te maken. Zal de mogelijk­heid tot loutering inderdaad als zodanig herkend worden? Zullen er bronnen in het eigen hart ontspringen die de maatschappelijke inzet kunnen voeden, ongeacht de weerbarstigheid van de werkelijkheid? De geloofsgemeen­schappen hebben hierin een wezenlijke roeping.


15. Awraham Soetendorp

 Allereerst dit. In de komende dagen wordt ons de mogelijkheid geboden om een financiële bijdrage te leveren aan de hulpverlening in Rwanda. Laten we dat doen onverwijld op de wijze die de profeet Jesaja aangeeft: "Dat u de hongerigen uw brood meedeelt, zwervende armen onderdak verschaft, als u een haveloze ziet hem kleren geeft, en uw hand van uw eigen vlees en bloed niet aftrekt" (Jesaja 58:7).

 De existentiële nuance is gelegen in het woord lachmecha (van uw eigen brood). We moeten niet abstract op een afstand geven maar zodanig dat we het zelf merken, dat het invloed heeft op onze dagelijkse gang en dat is het minste wat wij kunnen doen. Een rib uit ons eigen lijf scheuren om althans gezamenlijk bij te dragen aan het terugdringen van de hei op aarde. Laten we in Godsnaam niet vervallen in een algeheel gevoel van machteloosheid. Het is bedenkelijk, hoe begrijpelijk ook, dat hulpverleners ter plekke, oog in oog met de miserabele menselijke vloed, zich maar met de grootste moeite kunnen losrukken uit de lethargie die volgt op doodsangst en onbegrensde woede.

 Want deze ellende was vermijdbaar. Wij dienen vanuit een optimistisch perspectief de mogelijkheden die in eik mens overvloedig aanwezig zijn, artsen zonder grenzen en alle andere geweldig voortrekkers met hart en ziel te ondersteunen. Marianne Vonkeman spreekt over een veertiger die afgehaakt heeft, gedesillusioneerd en afgebrand omdat er zo weinig vooruitgang te zien was in de wereld. Zij noemt hem slachtoffer van het doelgerichte denken van onze tijd en wijst op de noodzaak om te leren inzien dat het vaak vruchteloos lijkende werk in wezen tot loutering kan dienen. Dan kan de frustratie omgezet worden in hernieuwde inspanning om aan de wereld te sleutelen. Ik ben onder de indruk van haar gedachtegang maar ik wij de probleemstelling en de oplossing anders formuleren. Ik word daarin geholpen door de Afrikaanse schrijver Femi Akomolafe die onlangs in de Volkskrant schreef over het gebrek aan levensvreugde in het rijke noorden terwijl in Afrika het geluk van het gezicht straalt:

 "Waarom glimlachen Afrikanen wanneer alles tegenzit? Mijn antwoord: de Afrikaan blijft altijd optimist. De Europeaan is een pessimist, een tragische figuur" en dan komt hij tot de kern van de zaak: "De Europeaan zet deze lijn door in de godsdienst. Van alle beelden waarmee de exponent van zijn godsdienst kan worden afgebeeld, kiest de Europeaan voor een aan het kruis genagelde Jezus... Men had Hem kunnen afbeelden als iemand die grote mensenmassa's toesprak of mediterend bovenop een berg" 'maar dat zou niet hebben gestrookt met het Europese ideaal. Vanuit het Europese gevoel voor tragiek moet zo een man lijden".

 Het gaat hier om een simplificatie en Europa is gelukkig pluriform, toegegeven. Maar legt de schrijver niet zijn vinger op een pijnlijke plek, op ons cultuurpessimisme, onze neiging tot tobben? Ik sprak onlangs professor I.J. Schoonenboom, een wetenschapper die er van overtuigd is dat de wereldbevolking, ook wanneer deze vertienvoudigd wordt, behoorlijk gevoed kan worden. Als ze maar de juiste beslissingen en keuzes maken en de politieke en maatschappelijk wil aanwezig is. Het doemdenken moeten wij achter ons laten. Het laatste boek van Shimon Peres, de visionaire minister van buitenlandse zaken van Israël eindigt met opwekking uit Deuteronomium "Het is in je mond en in je hart, het is te doen".

 Twee weken geleden stond ik op het voorplein van het gebouw van Unesco in Parijs, te midden van een grote schare, te wachten op de nauwkeurige veiligheidscontrole. Aan Rabin, Arafat en Peres zou de vredesprijs worden uitgereikt. Van achter kwam plotseling breed lachend iemand met uitgestrekte hand naar mij toe. "Ik groet je, mijn geliefde neef". En even voelde ik de warme behaaglijkheid om als zonen van Abraham tezamen op weg te zijn naar echte vrede. En dat gevoel is gebleven, ondanks alle verwoesting. In de wereld van dorstige, uitgehongerde vluchtelingen hebben wij niet de luxe van mismoedigheid.

   

16. Sajidah Abdus Sattar

 Het mag hier dan de warmste julimaand van de eeuw zijn, in andere landen is het ook in andere opzichten een 'hete zomer'. Indrukwekkend en onthutsend zijn de beelden van lijdend en stervend Rwanda. Als televisiekijkers in Nederland zijn we machteloze getuigen geworden van massamoorden en epidemieën waarvoor wij niet verantwoordelijk zijn en waar wij nauwelijks iets aan kunnen doen. Ja, we kunnen onze beurs open trekken. De Rwandese vluchtelingen hebben geldelijke hulp nodig, en de Palestijnen, de Bosniërs, de Koerden en vele anderen. Wie de kranten er op na leest wordt er moedeloos van.

 En dan te bedenken dat de meeste menselijke tragedies het podium van de media niet eens halen, maar zich in stilte achter de coulissen van het wereldtoneel voltrekken. Hoe goed we ook ons best doen om de wereld te verbeteren, er zijn altijd weer groepen of personen die voor nieuwe ellende zorgen. Dat geldt ook voor de bomaanslagen op Israëlische diplomatieke doelen. Die zijn op zich al erg genoeg; terreur gericht tegen maatschappelijke joodse instellingen is extra schokkend. Zo iets is op geen enkele manier te verenigen met de islam. Helaas zijn er personen en splintergroeperingen die hun politieke frustraties onder de vlag van de islam in geweld en terreur omzetten. Met geen mogelijkheid kan ik in dergelijke figuren moslims (letterlijk: zij die zich in vrede overgeven aan God) herkennen.

 In de wereldpolitiek gaat het vooral om macht die ‑ laten we eerlijk zijn ‑ in de meeste gevallen niet op een zuivere manier is verkregen. Bovendien wordt macht gewoonlijk gebruikt om het eigen overwicht nog verder te vergroten. Gelukkig zijn er ook mensen die niet konkelen en intrigeren, maar eenvoudig het goede werk willen doen. Neem bijvoorbeeld de diverse soorten van hulpverlening in Rwanda; de één stroopt de mouwen op en gaat aan de slag om slachtoffers te helpen, anderen zoeken het in ondoordachte voedseldroppings, of in plannen voor de verspreiding van bijbels. Vooral dat laatste roept bij mij vragen op. Heeft de bevolking van Rwanda om bijbels gevraagd? Alleen onmondige kinderen mogen worden betutteld; volwassen medemensen laten we zelf aangeven wat ze nodig hebben. Welke ideoloog is zo naïef niet te beseffen dat het opdringen van deze of gene variant van het christendom in Afrika en Azië wordt ervaren als indoctrinatie en westerse neo‑koloniale machtsuitbreiding? In Zuid‑Afrika wordt de volgende anekdote verteld. Toen de Europeanen hier kwamen, hadden zij de bijbel en wij het land. Ze vroegen ons de ogen te sluiten en zeiden: "Laat ons bidden". Toen wij weer keken, hadden zij het land en wij de bijbel.

 Er zullen wel lezers zijn die zich gekwetst voelen door deze kritiek. Het blijft een feit dat religieuze idealen zo vaak misbruikt zijn door politieke opportunisten, dat botte propaganda voor een godsdienst onverdraaglijk is geworden. Godsdienst betekent in veel te veel gevallen niet meer dan psychologische manipulatie ter wille van de macht van een groep over de andere. Godbewustzijn, respect voor anderen, rechtvaardigheid en geestelijke groei zijn dan ver te zoeken. Het meest zeldzaam is het samengaan van spiritualiteit en politiek. Misschien is daarvan iets te bekennen in de recente beëindiging van de staat van oorlog tussen Israël en Jordanië. Misschien bestaat er toch nog levende wijsheid bij de kinderen van Abraham. Wat zou de goede aartsvader vinden van de onderlinge twisten en verkettering van de joden, moslims en christenen? In de koran wordt Abraham gekarakteriseerd als een waarachtig , mens, een godzoeker en een model voor alle gelovigen, en vooral als een profeet die door God als vriend gekozen werd. In de koran wordt benadrukt dat Abraham niet mag worden gezien als een sektarische figuur, maar gewaardeerd dient te worden om zijn exemplarische dienst aan de ene God. Wie alleen zijn ego dient, terreurdaden pleegt of mensen tegen elkaar ophitst sluit zichzelf buiten deze geestelijke familie, welk etiket hij ook draagt.

 

17. Marianne Vonkeman

Toen ik bijna zes jaar oud was, overleed mijn babybroertje. Dat het leven niet alleen mooi, maar ook droevig kan zijn, drong tot in mijn onderste lagen door. Als een plus- en een minpool stonden betekenisvol leven en zinloze dood naast elkaar. Het veroorzaakte een groot - en onbegrepen - spanningsveld.

 In diezelfde tijd leerde ik lezen. Ik herinner mij nog de verbijsterende ontdekking dat letters wóórden vormen en woorden een verhaal maken. Zwarte tekens op een wit papier waren symbolen die een wereld van betekenis konden vertegen­woordigen. We hadden geen stripverhalen en weinig boeken, maar wel een kinderbijbel. En die spelde ik van voor naar achter en terug.

 Er was één verhaal dat ik bijna iedere dag las en één illustratie die ik bijna iedere keer bekeek. De kruisiging van Jezus. Al mijn eigen veelal verdrongen verdriet resoneerde mee als ik naar die afbeelding keek. Het gaf me een enorme troost. Zonder dat ik het precies begreep, beleefde ik iets van waar dit verhaal naar verwijst. Het was of het verdriet van de wereld verenigd werd in dat ene grote symbool van de gekruisigde. Mijn eigen verdriet was niet langer een privégebeuren maar verbond mij met mensen in alle tijden en plaatsen.

 Pas in mijn werk als pastor heb ik begrepen hoe essentieel die beleving is. Maar niet alleen herken­ning vond ik in dit verhaal. Ook was er hoop. De gekrui­sigde is ook de opgestane. Het slachtoffer is ook de levende. God zelf heeft aan de dood van Jezus het laatste woord ontnomen. De betekenis van zijn leven én dood is nog steeds actueel. Zou God dat niet steeds weer kunnen doen?  Zekerheid heb ik niet. Maar als iets mij aanzet tot een optimistische levenshouding is het dit wel.

 Is de gekruisigde het symbool van de Europese hang naar tragiek, zoals Awraham Soetendorp meent? Het hart van het christelijk geloof is niet alleen hoop te midden van persoonlijk verdriet. Het is tevens een fundamentele kritiek op alle machtsuitoefening die slachtoffers maakt. Was het maar zo dat een aan het kruis genagelde Jezus werkelijk de godsdienst van de Europeaan vertegen­woordigde. Sinds keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom adopteerde, werd zijn visioen van een vlammend kruis een machtsinstrument dat heel wat on­christelijke 'overwinningen' behaalde. Als er iets duidelijk wordt door het teken van de gekruisigde, is het dat God zich vereenzelvigt met de onschuldig lijden­den.

 Zorg voor slachtoffers ligt in het verlengde van de aanbidding van de gekruisigde. "Wat je aan de minsten doet, doe je aan mij", zegt Jezus. Het verhaal van Jezus blijkt steeds weer aanzet te geven tot bevrijdings- en emancipatiebewegingen, in allerlei landen en in allerlei gediscrimineerde bevolkingsgroepen. En dat is ook precies de bedoeling. Het kan anders en het moet anders, in Godsnaam.

 Het heersende gevoel van zinloosheid heeft m.i. niet te maken met een soort Europese neiging tot tobberigheid, zoals Soetendorp schrijft. Het heeft meer van doen met die plus- en minpool die ik noemde. Met de tegenstellin­gen die in onze tijd van massamedia ondraaglijk uitver­groot zijn. Ik eet een gezellige maaltijd met mijn gezin terwijl de weeskinderen op mijn tv-scherm van honger omkomen. Ik surf op een vakantiemeer terwijl er duizen­den verminkte lijken op het Victoriameer drijven.

 Niet alleen zijn er deze schrijnende tegenstellingen. Maar ook ben ik gevangen. Ik kan een rib uit mijn lijf weggeven en mijn leven lang mensen proberen te motiveren zich in te zetten voor een rechtvaardiger wereld. Maar ik spoel de wc door of koop een product uit het uitge­breide assortiment van mijn buurtwinkel en alleen daardoor al draag ik bij aan de armoede in het zuidelijk halfrond. "Je móet je wel afsluiten", zei iemand onlangs tegen me, "anders word je gek, het is teveel". Ze is haar hele leven actief geweest in allerlei vormen van naastenhulp. Maar nu ze oud is en niet langer van alles kan doen, lukt dit 'op maat houden' niet meer.

 In de christelijke spiritualiteit is de gedenking van de gekruisigde een optimistische weg waarlangs afsluiting voor hedendaags leed voorkomen wordt, mismoedigheid overstegen en daadkracht bevrijd kan worden. Dat is geen tragiek, geen luxe, maar genade.


18. Awraham Soetendorp

 Pedagogie in de schaduw van het jaar 2000 of hulde aan de hoop, zo luidde de titel van de gedenkwaardige inaugurale rede die professor Lea Dasberg uitsprak in 1980. Zij doceerde: "Wij moeten sociale en politieke problemen niet meer gaan verdoezelen voor kinderen, maar we moeten ze bij de presentatie wel pedagogisch vertalen. Dat wil onder meer zeggen dat we rekening moeten houden met de behoefte van kinderen aan concreetheid en rechtlijnigheid die de presentatie van hoop en mogelijkheden tot verbetering noodzakelijk maakt. Angst voor hei en verdoemenis heeft mensen nooit fatsoenlijker gemaakt. Integendeel. Radeloosheid leidt tot agressie en destructie. Er bestaat geen andere pedagogie dan de pedagogie van de hoop."

 Om deze hoop gestalte te geven knokt het volk Israël al meer dan 3 000 jaar. Een anker in de tijd is het terugkerende gebed Ani Maämin: "ik geloof met een volstrekt geloof in de komst van de Masjiach en ook al draait Hij, ik wacht ik elke dag op Zijn komst". Aan het einde van de sabbat, wanneer de gevlochten kaars ‑ er zijn meerdere pitten, meer wegen naar de waarheid ‑ gedoofd is in het overvloeiende van de wijn, zingen wij: "Eliahoe Hanawi. De profeet hij zal komen met in zijn kielzog de Masjiach, zoon van David".

 Tijdens de viering van de uittocht uit Egypte, elk jaar opnieuw op de sederavond opent een kind de deur en houdt ieder z'n adem in. Komt hij, breekt dan eindelijk de tijd aan van vrede en gerechtigheid ? En de voortdurende strijd tegen de stroom van mismoedigheid in, wordt vormgegeven in de symbolen van de Choepa, de joodse huwelijkszegening. Op het hoogtepunt van de vreugde wordt een glas gebroken ter herinnering aan de verwoesting, de vervolging, de ballingschap. Maar onmiddellijk na het breken klinkt luid van alle kanten: Mazzel‑Tov. Moge de altijd Aanwezige, die zetelt op zijn troon van luister, geluk en voorspoed schenken. En het individuele, intieme gebeuren verkrijgt kosmische contouren. Er bestaat een broos evenwicht tussen vreugde en verdriet, maar waar het streven van het individu en de gemeenschap sinds Sinaï op gericht is, is dat de balans door moge slaan naar vreugde, naar hoop.

 Ik geloof Marianne Vonkeman. De intimiteit van je persoonlijke getuigenis brengt mij ertoe mij rechtstreeks tot je te richten, dat deze hoop geen scheiding tussen ons veroorzaakt, integendeel. Het is het bindweefsel van onze broeder‑ en zusterschap. Het stuwt ons voort naar elkaar toe en drijft ons niet uiteen. Het verschil is uiteindelijk oneinding minder van belang. Jij wordt geïnspireerd door Jezus van Nazareth, de gekruisigde, tot een optimistische levenshouding. En ik tot hetzelfde door actief te wachten op de Masjiach en daarmee de tijd van rechtvaardigheid. Wat belangrijk is, is dat wij vanuit verschillende bronnen tot werken, denken, doen met hart en ziel, om verbetering in deze wereld te brengen, worden aangezet.

 In theologische termen: het is niet belangrijk of het nu gaat om de komst of de wederkomst, maar om het bereiken van vrede en gerechtigheid. Op de gezamenlijke weg die wij nu zijn ingeslagen, gelukkig tezamen met mijn zuster Abdus Sattar, die moedig haar nek uitsteekt tegen elke vorm van door zogenaamd religieuze motieven gecamoufleerde terreur, moeten wij elkaar kritische vragen blijven stellen. En in die zin citeerde ik de woorden van de Afrikaanse schrijver Femi Amkomolafe, die in het kiezen voor het beeld van een aan het kruis genagelde Jezus de Europese hang naar tragiek zag. Verre zij het van mij om in welke zin dan ook inbreuk te willen maken op je persoonlijke belevenis. Ik ben diep getroffen door de wijze waarop je, in alle naaktheid van deze krant, hebt willen spreken over de dood van je babybroertje en de kracht die je put uit het kruis als teken van hoop. Het gaat erom, Marianne, te zoeken naar wegen om jouw en mijn hoop om te zetten in een machtig verzet dat het doden en verminken vermag tegen te gaan.


 

19. Sajidah Abdus Sattar

 Het warme strand - misschien ligt het u nog vers in het geheugen ‑ matje, handdoek, koelbox, scherm. Iedereen zoekt zijn eigen plek. Als er nog maar weinig mensen zijn, maakt het niet zo uit waar je zit. Met het toenemen van de drukte wordt het belangrijker om een eigen territorium te claimen. Dat kan doorgaan totdat de grenzen van ieders eigen gebied tot die van de buren reiken en het strand, ondanks heel veel tussenruimte, vol lijkt te zijn. Niemand wil immers genoegen nemen met een plek die veel kleiner is dan die van de ander.

 Nog iets merkwaardigs: iedereen wil zichzelf kunnen zijn, maar laat zich desondanks leiden door wat de buren doen. De marge van het "anders zijn" moet beperkt blijven, want wie te veel afwijkt kan rekenen op afkeuring. Wie nog te wit is of van nature te bruin valt meteen op. Wie zich op de een of andere manier te afwijkend gedraagt, wordt gemeden of nadrukkelijk genegeerd. we bepalen blijkbaar onze eigen identiteit en leefruimte aan de hand van de grenzen en normen van anderen. Alleen wie bijzonder sterk staat en zich volkomen zeker voelt van zijn zaak, kan het zich permitteren om zichtbaar uitzonderlijk te zijn.

 Weg van het strand is het niet anders. Volkeren, naties en groeperingen claimen allemaal een eigen gebied op deze wereldbol, want iedereen wil zijn plekje in de zon. Waar verschillende groepen eenzelfde leefruimte moeten delen, is het zaak om je grenzen ruim vast te stellen en je territorium te verdedigen. Maar tegen wie? Je kunt pas iets verdedigen als je het bezit en als je weet wie je aanspraak erop bedreigt.

 Zowel ieders nationale wortels, alsook religieuze en culturele identiteit worden voor een groot deel bepaald door mensen die tot andere groepen behoren. Hun aanwezigheid maakt duidelijk dat er punten van verschil zijn, punten die uit kunnen groeien tot een lijn. Die menselijke scheidslijn moet aangeven wie 'eigen' zijn en wie 'vreemd'; het verschil tussen wij en zij. Op zichzelf hoeven die grenzen niet slecht te zijn, want als alle betrokkenen het eenmaal over de ligging eens zijn, kunnen we ze keer op keer overschrijden in de zekerheid dat we weer naar ons eigen stekje terug kunnen keren. En ook de buren die we kennen, laten we wel eens de grens in onze richting overschrijden, want we beseffen dat ook zij weer terug zullen gaan naar hun eigen terrein. Dat is evenwicht en dat is vrede.

 Maar dan komt er iemand die zijn plek is kwijtgeraakt, of er nooit een heeft weten te bemachtigen. Ook dat kennen we van het strand. Zo iemand blijft voortdurend de terreinen van anderen doorkruisen op zoek naar een plaats voor zijn handdoek en matje. Dan moet je de protesten eens horen, want deze territoriumloze figuur vormt een bedreiging voor de status quo. Hij brengt onrust, want opeens voelt niemand zich meer helemaal zeker van zijn plaats. Het eigenaardige van het geheel is, dat de zonnebaders blijkbaar niet beseffen dat ze geen van allen meer recht hebben op het strand dan de nieuwkomer. Het strand is een natuurlijk gegeven, een geschenk van de Schepper. Iedereen is bij Hem te gast en met een beetje bescheidenheid en goede wil is er plaats genoeg voor iedereen.

In de Koran staat, dat God de mensen tot volkeren en stammen heeft gemaakt "opdat zij elkaar leren kennen." Maar de een is niet beter dan de ander, tenzij door een verdiept godbewustzijn. Dat is, naar ik meen, de kern van elke godsdienst; het verschil van religieuze identiteit is meer een kwestie van methode en ritueel.

 In de middeleeuwen woonde er in Baghdad een groot mysticus, Djunaid genaamd, die veel volgelingen had. Een van zijn buren was geen moslim, maar een Zoroastriër. Ook hij bewonderde de geestelijk meester. Moslimvolgelingen vroegen hem waarom hij, die een moslim zo hoog achtte, zich niet tot de islam bekeerde. De Zoroastriër antwoordde: "Ik vrees dat ik nooit zo'n soort moslim zal kunnen worden als Djunaid, en zo'n soort moslim als jullie wens ik niet te zijn."

  

20. Marianne Vonkeman

 Beste Awraham, je reactie op wat je de "intimiteit van mijn persoonlijk getuigenis in de naaktheid van deze krant" noemt, brengt mij een beetje in verlegenheid. Bijna of ik iets onbetamelijks heb gedaan. Je klinkt - vergeef me de vergelijking - als de traditionele echtge­noot wiens haren overeind gaan staan als zijn vrouw over gevoelens begint en die zich vervolgens vriendelijk maar beslist uit het gesprek terugtrekt. Ik waardeer je zorg voor mijn eventuele religieuze gevoeligheden maar het is niet nodig. Je stelde een wezenlijke vraag en ik bracht - met een soort post-feministische vanzelfsprekendheid - eerst een persoonlijke ervaring in als bijdrage aan het gesprek. Ik denk niet dat wezenlijke gesprekken gevoerd kunnen worden zonder eigen ervaringen erbij te betrek­ken. Gevoelens of ervaringen zijn geen argumenten (veel voorkomende fout van New Age-aanhangers), maar wel dragers van een eigensoortige informatie. Ze zijn van essentieel belang als we de bronnen van hoop van onze religies in onze tijd toegankelijk proberen te maken. Want wij putten misschien wel uit deze bronnen van hoop, maar velen niet. Ik weet dat jij en ook Sajidah de zorg met mij delen hoe ons geloof tot inspiratie kan zijn voor volgende generaties joden, christenen en moslims. Om nog maar niet te spreken over de velen die helemaal geen hoop kunnen putten uit religieuze bronnen omdat zij deze niet kennen of vinden kunnen.

 Blijkens de reacties die ik kreeg, worstelen veel mensen met de ambivalentie van het leven. Met de onontwarbaar­heid van goed en kwaad. Met schuld. Hoe kun je God nog danken voor je eten als je met datzelfde eten een onrechtvaardig systeem in stand houdt? Of een andere onverzoenbare tegenstelling: hoe kan de gekruisigde een bron van hoop voor mij zijn als in de naam van diezelfde gekruisigde al eeuwenlang zijn volksgenoten worden vermoord? Ook de godsdienst met haar verhalen en symbo­len deelt in de tweeslachtigheid van de werkelijkheid. Jouw kritische vraag ("Heeft het beeld van een gekrui­sigde Jezus niet ook een negatieve bijwerking?") is een geschenk dat een leven lang meegaat. Het dwingt tot herbezinning op dit beeld, en herijking en daarmee hopelijk tot bevrijding van de goede mogelijkheden. Kritische vragen én het delen van positieve ervaringen hebben elkaar nodig om recht te doen aan het geheel van de werkelijkheid.

 Ik schreef dat de gedenking van de gekruisigde afslui­ting en mismoedigheid kan voorkomen en daadkracht kan bevrijden. De uiterste tegenstellingen van dood en leven, schuld en vergeving, worden hier namelijk bijeen gebracht in één moment, één hier en nu. Als dat span­ningsveld zonder enige terughoudendheid ingegaan wordt, kan het zijn dat er nieuw soort mogelijkheid in mensen open komt. (Zoals in Zen de koan, de onoplosbare paradox, wordt gebruikt om tot een andere, omvattender wijze van kennen te komen.) Er gebeurt dan iets dat veel mensen wel kennen als een verschijnsel in tijden van rouw. Dan is het alsof het grote verdriet tegelijk intenser doet genieten van alle kleuren en geuren, alle schoonheid en goedheid. Of zoals iemand die weet dat zij gaat sterven. Ook dan krijgt het leven vaak een diepte van betekenis waar ze voorheen aan voorbij leefde. Er is een remedie tegen het heersende gevoel van zinloosheid. Leven met de werkelijke ellende én met de werkelijke vreugde, niet om de beurt maar tegelijkertijd. Alleen als we zo leren leven, kunnen we werkelijk recht doen aan alle ellende én aan alle vreugde. Dit ontvang ik van Jezus en ben ik beter gaan verstaan door chassidische verhalen. En het is mijn hoop dat de islam, die de eenheid zo centraal heeft in haar geloof, kan bijdragen aan het opheffen van het gefragmenteerde levensgevoel. Of is dit alleen een christelijk probleem?


21. Awraham Soetendorp

 Deze dagen hebben een extra spirituele dimensie. De voorbereidingsperiode voor de ontzagwekkende dagen Rosj Hasjanah, begin van het joods jaar en Jom Hakipoeriem, de grote verzoendag. Wij schrijven elkaar wenskaarten en spreken elkaar toe. Lesjana towa, tikatevoe vetichatemoe, mogen jullie worden geschreven en bezegeld tot een goed jaar.

De boeken van leven en dood liggen als het ware open, zoals het gebed op de hoge feestdagen het pregnant uitdrukt. "Zoals een herder zijn kudde keurt, de schapen een voor een onder zijn staf doet doorgaan, zo laat u voorbijtrekken en telt en overweegt, oordeelt de ziel in al wat leeft, stelt elk schepsel zijn eindpaal en schrijft hem het vonnis dat zijn lot beslist. Op de eerste dag van het jaar wordt het geschreven, op de grote verzoendag wordt het bezegeld, hoevelen komen, hoevelen gaan, wie leven, wie sterven zal, ... wie stijgt, wie verzinkt. Maar inkeer en gebed en het doen van goede daden kan het kwade lot veranderen."

 Weer een paradox. Op deze dagen waarop het joodse volk het meest teruggeworpen is op zichzelf in de intimiteit van de synagoge, de viering thuis, is het tegelijkertijd het meest verbonden met de wereldgemeenschap. Het is op die dagen dat ik ook de tegenstelling scherp voel tussen de omgeving, de stad die voorbijraast, de haast van het menselijk verkeer en de innerlijke rust die wij zoeken tijdens ons Chesjbon nefesj, het onderzoek van de ziel. Een van die momenten waarop ik weer scherper bewust ben van het grote verlies, de kleine minderheid die wij geworden zijn. De oorlog waarin meer dan honderdduizend joden vermoord zijn is pas vijftig jaar geleden geëindigd,

 De traditionele lezingen uit de torah confronteren ons elk jaar weer opnieuw met de realiteiten van vandaag. De ochtend van de eerste dag lezen wij het verhaal van Jismaeel die op last van Sara met zijn moeder Hagar verbannen werd de woestijn in en hoe God zich bekommerde om deze kleine jongen. Hoe is de relatie tussen de kinderen van Avraham en de kinderen van Jismaeel. Dit jaar kunnen deze regels met realistisch optimisme gelezen worden. Het vredesproces is onomkeerbaar. God opent de ogen van Hagar en zij ziet een bron van water. Aan het eind van het tora‑gedeelte sluiten Awimelech en Avraham een verbond bij het water.

 Zo zullen dit jaar met het gezamenlijk zoeken naar waterbronnen de vredesovereenkomsten nageleefd worden. Op de ochtend van de tweede dag lezen we de Akedat Jitschak, de binding van lzaäk. Het bijzondere van het verhaal was en is altijd gebleven het feit dat Jitschak uiteindelijk niet geofferd hoefde te worden. Dat er toekomst is voor onze nakomelingen. De ramshoorn die herinnert aan de ram die in plaats van Jitschak geofferd is wordt geblazen als een teken van hoop, van het dichtbijzijn van de messiaanse tijd, en dat geldt zeker voor dit jaar, want dit jaar, het joodse jaar 5755, is een vijftigste jaar, een jowel‑jaar. In Leviticus lezen wij: je moet zeven jaar‑weken aftellen, zeven maal zeven jaar, dan heb je dus een periode van 49 jaar. Laat dan in de zevende maand, de tiende van de maand de sjofar‑toon weerklinken. Op de dag van verzoening moetje de sjofar laten klinken in jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding, door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners".

 Dit jaar, vijftig jaar na het einde van de tweede wereldoorlog, vijftig jaar na de oprichting van de Verenigde Naties, kan een jaar worden van herstel. De tijd is een vriend, niet een vijand, wanneer je de tijd leert heiligen. Laat dan dit jaar vrijheid worden gegeven aan de 78 miljoen slaven, waaronder zoveel kinderen, die nog slavenarbeid moeten verrichten, laat er een einde komen aan alle conflicten, laat de schuldenlast van het Zuiden aan het Noorden worden opgeheven. Moge de wereldgemeenschap opgetekend worden tot een goed jaar waarin verstoorde relaties worden hersteld. Lesjana towa.

 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.