Sporen (4)


foto M. Vonkeman



Werkelijkheid

Het wordt te eng van binnen

ik voel het aan de pijn;

wijdopen zijn mijn zinnen

ontzettend

het zijn.

 

Overgevoeligheid is een veel voorkomend verschijnsel op de mystieke weg. Alles komt té hard binnen, het is alsof er geen grens meer is tussen mij en de buitenwereld. In het normale leven zijn wij omhuld door een huid; letterlijk, maar ook psychisch. Er is een duidelijke grens tussen wie ik ben en de wereld om mij heen. Maar er zijn wel eens problemen met deze psychische afgrenzing. Mensen die lijden aan borderline-problematiek, mensen met een burn-out, met een whiplash, migraine of het ME syndroom, mensen onder invloed van drugs, mensen die een crisis hebben meegemaakt, tieners in hun ontwikkeling, mensen die geconfronteerd worden met schrijnend onrecht: ze kunnen allemaal met deze overgevoeligheid te kampen hebben. Maar deze moeilijke overgevoeligheid  kan ook deel worden van de weg met God.

 Het probleem van onduidelijke ego-grenzen, zoals het ook wel genoemd wordt, biedt naast allerlei problemen ook eigen mogelijkheden. De werkelijkheid waarin wij leven is over het algemeen een constructie van ons eigen denken. Wij maken scheidingen om te kunnen onderscheiden. Maar het is de vraag of de werkelijkheid zo netjes in vakjes valt. Onze hersenen zijn praktisch: de informatie die via de zintuigen binnen komt, wordt bliksemsnel geordend in ‘nuttig’ en ‘nutteloos’. Dat geeft bescherming, we krijgen een soort kortsluiting als alle prikkels even krachtig binnenkomen. Tegelijk heeft het een afvlakking ten gevolg. Het groen is niet zo groen, het rood niet zo heftig; de grond is onbewegelijk in plaats van voortdurend veranderend, gezichten worden ondergebracht in soorten en zijn niet meer zo uniek als ze in werkelijkheid zijn. De wereld wordt op mijn maat gesneden en zo kan ik er mee omgaan. Dat is nuttig en nodig. Maar dat is niet de hele werkelijkheid.
 

In de omgang met God vindt een ontsluiting van de ego-grenzen plaats. God is te groot om binnen de mens te passen: wij moeten als het ware naar buiten komen. God leent zich niet voor inlijving in ons systeem, in onze constructie van de werkelijkheid. Als God de mens rechtstreeks begint te beminnen, dan raken de gewone ordeningen van hun plaats. Dat kan onthutsende psychische gevolgen hebben en een goede gids of mentor helpt om nuchter te blijven. Eenvoudige meditatie oefeningen kunnen helpen om niet onder te gaan in alle impulsen. Het zijn wordt ont-zettend: ik word uit mijn voegen gezet. Niet door één of andere bovennatuurlijke ingreep, maar door de werkelijkheid van het leven zelf. Het gaat op het scherpst van de snede: open komen voor alles wat er is zonder mijzelf te verliezen of de ander in te lijven.

 Want dáár gaat het God om: dat mensen hun identiteit niet langer vinden door zich af te grenzen van wat ze niet (willen) zijn, maar in een eeuwige Grond die alles wat bestaat onderligt. Het gaat erom dat ons besef van wie wij ten diepste zijn, gegrond wordt in God. De werkelijke en eeuwige basis van onze identiteit ligt niet binnen in ons zelf, maar is verborgen met Christus in God (Col.3:3). Je zou kunnen zeggen: mijn ‘ik’ komt naar mij toe vanuit de toekomst die God geeft. Naar voren toe leef ik geopend en niet afgesloten. Psychologisch gezien gaat het om het vinden van een vertrouwen dat nergens op gebaseerd is maar dat wij zijn. In bijbeltaal: wie zijn leven verliest, die zal het vinden.
 


foto M. Vonkeman


(la cena que recrea y enamora)


ik neem en eet en word gebroken
drinkend uitgegoten:
dalend vangt mijn opvlucht aan.


De titel is een regel uit het beroemde gedicht Het Geestelijk Hooglied, van Johannes van het Kruis: ‘Het avondmaal dat herschept en verliefd maakt’. De tekst hierboven beschrijft een ervaring tijdens de viering van de Tafel. Voor veel christelijke mystici is het avondmaal een centrale en dagelijkse bron van hun geloofsleven. Protestanten, die maar een paar keer per jaar avondmaal vieren, kunnen dit moeilijk invoelen. Toch heet ook daar de Tafelviering een sacrament: een ritueel gebaar dat doet wat het uitbeeldt, namelijk het deelnemen aan het sterven en opstaan van Jezus Christus.

Neemt en eet: dit is mijn lichaam dat voor u verbroken wordt. Deze woorden van Jezus worden herdacht bij het avondmaal. In de tekst komen ze terug, maar dan gebeurt er iets: het breken van het brood is niet langer gedachtenis van het gebroken lichaam van Jezus, maar het breekt mij. Het drinken van de beker is het uitgieten van mijzelf. Het grenzen om het ‘ik’ gaan open. Ik blijf niet langer opgesloten in de kleine beperkende identiteit waaraan ik gewoonlijk mijn zelfgevoel ontleen. Het is alsof er niets meer vastgehouden moet en  kán worden: alles stroomt uit. Even neemt de ziel deel aan dat grote uitstromende leven van God dat zich meedeelt in Jezus Christus.

De uitstroming is dalend. Dat roept in herinnering het lied uit Filippenzen 2 over de zelfontlediging van Christus die van de hemel neerdaalde tot in de diepste diepten van het dodenrijk. Het uitgieten van de ziel gaat niet over een extatische gelukservaring, een piek van religieus gevoel. Het daalt af, het is wegschenkend, nederig, het zoekt de diepte op waar dood is en gebrokenheid van mensen. Zo doet nu eenmaal de liefde van God zoals we die in Jezus hebben leren kennen. Alles wat ons als houvast dient, sterft mee in die diepe daling van de ziel. Wij worden onszelf ontnomen als een voorproef van wat we eenmaal ook ten volle in de dood zullen meemaken.

 Maar dan volgt het slot van de zin. Zó, op deze wijze dalend,  vangt mijn opvlucht aan. ‘Wend je ogen af, geliefde’, zingt het duifje, de bruid uit het Hooglied. Johannes van het Kruis voegt daaraan toe: ‘want ik begin mijn opvlucht’. In haar uitstromende en neerdalende liefde vangt haar opvlucht aan. De neerdaling ís de verheffing. Het één volgt niet op het ander maar zijn twee kanten van één medaille. Wat vanuit menselijk oogpunt verlies en afdalen is, is vanuit God gezien winst en opvlucht. Het is een radicale manier van verstaan van de werkelijkheid. Alles wordt omgedraaid en dood wordt leven. Dat is wat er gebeurt als beminde en Beminde zich verenigen.


foto M. Vonkeman


 De zon komt op

Jij bent het
De schaduw strekt zich uit
Jij bent het
Lome zomerhitte, trilt de lucht
Gemaaid gras, zegt de wind
Jij bent het
Torende stokroos wiegend kruid,
De voetbal stuitert het konijn ontsnapt
Jij bent het
Naderend onweer stille avond
De nacht valt koud
Jij bent het.


Er is een bekend joods verhaal. Een jochie zegt uitdagend tegen de rabbi: ‘ik geef u een stuiver als u me kunt laten zien waar God is’. De rabbi kijkt hem vrolijk aan en antwoordt: ‘en ik geef je een tientje als je mij kunt laten zien waar God niet is’.

 De bovenstaande tekst spreekt over deze alomtegenwoordigheid van God.


Vaak is de natuur de aanleiding voor een dergelijke intuïtie. Een rijzende zon, het begin van de dag, alles is fris en het is een wonder dat er telkens weer dag is en wij er zijn om die te begroeten. De schaduwen strekken zich uit, de tijd verstrijkt. Ook dat is verwonderlijk en mysterieus. Wat is tijd? Wat is leven? Hoe bestaat het dat wij zijn? De lucht en de wind krijgen een stem en vertellen wat er gebeurt. Alle zintuigen staan op scherp, het denken doet mee en weeft een verhaal. Alles verwijst naar Jij, naar liefde-in-persoon. Vrede en veiligheid, spel en humor, alles is teken en Aanwezigheid.

Maar niet alleen de zomerse ontspanning verwijst naar God. Er nadert onweer. De avond is stil, er klinkt geen stem, niets of niemand vertelt een verhaal. De nacht is koud, de warmte van menselijke aanwezigheid is weg, misschien is de kille dood gekomen. En toch is het ook dan: Jij. Niets van het menselijk bestaan staat buiten de tegenwoordigheid van dit onbenoemde en alles doordringende Jij.

 Wie de Jij is wordt niet gezegd. Elke naam zou een beperking zijn. De Jij waarover gesproken wordt is Degene die aan alle namen voorafgaat. Aan Gods persoon-zijn ontleent alles zijn naam en stem. Het is niet zo dat ‘in alles een stukje God zit’. De tegenwoordigheid van God is niet zo rechtstreeks te herleiden. Eerder zou je kunnen zeggen: alles zit in Gód. Wie daarvan doordrongen is geraakt, komt God overal tegen, in ieder moment van het hier en nu.
 

In zomerse warmte en nachtelijke kou, in stuiterende voetballen en ontsnappende konijnen. Niet omdat daar iets van God in zit, maar omdat er niets is dat niet naar God verwijst; voor wie ogen heeft om te zien en een hart om te ontvangen. Het openen van de ogen en het ontvankelijk worden van het hart kan alleen wel een leven lang duren..


foto M. Vonkeman


Diffuus verdeel ik mijn persoon
in zo en zo en hier of daar; 
 —
een veelgezicht.


Maar nu en dan
-- heel aandachtig en per ongeluk --
zie ik in je blik
dat zwartstil licht dat onder alle kleuren is.


Meer dan ooit in de geschiedenis hebben mensen vele gezichten. Een gezicht voor je gezin, op je werk, in je sport, bij je ouders, je verschillende vrienden, in de politiek, in de kerk, in je studie, als je op een feest bent, of als je alleen bent. En al die ikken zijn wij. Sommige gezichten zijn iets meer echt, sommige zijn meer als een carnavalsmasker waarachter wij onze kwetsbare kanten verbergen. Maar toch, alles is een aspect van onze persoonlijkheid. We zijn veel gezichten geworden, als een diamant met vele kleuren en veel facetten. Sommigen wellicht ongepolijst, maar ook dat hoort er op dit moment bij. Toch is er in al die veelheid een besef van een wáár gezicht, een vermoeden van wie we ten diepste, wezenlijk zijn. De liefde die ons heelmaakt, raakt ons daar.

We herkennen de liefde doordat wij ons gezien en gekend weten. We kunnen verliefd worden op iemand die ons bewondert, maar we voelen ons werkelijk bemind door mensen van wie we weten: die kent me echt én houdt van me. Iemand die negeert wie ik ben en alleen maar zijn eigen verhaal kwijt wil, zo iemand doet mij geen recht en houdt niet van mij. Het verschil tussen bewondering en liefde is dat de liefde niet blind is, al zegt het spreekwoord het tegendeel. Echte liefde kijkt scherp en doorziet de maskers die wij aanwenden om onszelf te beschermen - én respecteert deze zonder misleid te worden. Echte liefde houdt van de waarheid of deze nu aangenaam of onaangenaam is. Goede vrienden durven je tegen te spreken en vraagtekens te zetten bij ondernemingen die wellicht schadelijk voor je zijn. Wat niet wil zeggen dat ze altijd gelijk hebben.

Maar soms gebeurt er iets wat aan de psychologie voorbijgaat. Dan kan het zijn dat in een ontmoeting van twee kwetsbare mensen die zich aandachtig voor elkaar openen, een diepere laag van het bestaan verschijnt. Je kunt het niet oproepen of organiseren, het is een onverwacht geschenk dat zich aandient. Het is haast alsof het zwart van de pupil van de ander die mij aankijkt zich opent. Dan is er het plotselinge besef van een onder alle kleuren aanwezig licht. Mijn eigen veelgezichten en die van de ander zijn omvat door iets dat aan ons voorafgaat, ons draagt en verbindt. Er zijn geen woorden voor, het is als zwartstil licht, niet voor te stellen maar wel te ervaren.  Even zijn we in de bodem van het hele bestaan, de grond waaruit alles ontspringt en waar alles zijn kleur aan ontleent. Even raken we aan de bron van ons eigen diepste wezen.

 Juist in die hartgrondige geopendheid, daar waar we onszelf vergeten en de ander - even kwetsbaar als ik - ontvangen, daar is het dat ons werkelijke zelf gegeven wordt. Daar is het dat mensenliefde en goddelijke liefde samenvallen. Niets is meer heelmakend dan dat.

 


Met een rijtuig en vijf paarden

reis ik hoger op en dieper in

tot aan een poort vergrendeld

zevenmaal.

De eerste breekt mijn rijtuig;

ook de moegereisde paarden sterven snel.

Nog één blijft er gesloten,

en vraagt om mij, mijn zelf.

Dan opent zich het land waar

horen proeven is en denken voelen,

het zien geurt en begrijpen is verstaan.

Hier weet ik zonder weten

feilloos zeker

dat jij bent;

dat wij bestaan.


Mensen reizen op hun levensreis met behulp van vijf zintuigen en een verstand (dat wil zeggen: de rede, de emoties en de intuïtie samen). Onze zintuigen geven ons de informatie over onze omgeving en ons verstand coördineert onze reacties en daden. In de bovenstaande tekst wordt beschreven hoe onze gebruikelijke manier van reizen tot een einde komt. Op zoek naar wat boven mij uitgaat (hogerop) en wat aan alles ten gronde ligt (dieper in) doemt er een vergrendelde poort op. In de omgang met God moeten de zintuigen en het verstand ten volle meekomen, totdat ze op hun natuurlijke grens stuiten. De ruimte waar God ontmoet kan worden ligt niet in het verlengde van wat mensen op eigen kracht kunnen bereiken. Die grens wordt herkend als een poort: er is een doorgang, maar die vraagt een prijs.

 Onze natuurlijke vermogens sterven als zij raken aan de absolute werkelijkheid van God. Het overzicht van het verstand is het eerste dat breekt: God ontregelt alles wat wij wisten of bedachten. Onze manier van kijken en luisteren, wat we opsnuiven, ons aanvoelen en onze eigen smaak sneuvelen ook: ze zijn tot het uiterste gegaan: maar nu is het op. De laatste grendel vraagt om overgave van ons diepste zelf. Sterven aan alles wat ons tot houvast dient, wat ons besef van identiteit vormt en daarmee een afgrenzing van God: dat is wat de laatste grendel vraagt. Het betekent niet dat wij niet goed genoeg zijn: het gaat erom dat wij niet de juiste ontvankelijkheid hebben, de juiste zintuigen, de juiste rede, emoties en intuïtie om met God te verkeren. Onze smaak is niet op Hem afgestemd. Zolang ons zelfbewustzijn nog alles filtert wat wij ervaren, denken of voelen, zolang zijn wij niet in staat om rechtstreeks onze eeuwige bestaansgrond in God te proeven.

 Maar dan, als God het wil en de poort zich opent, wordt alles wat wij verloren op een nieuwe manier hervonden. Het is alsof we aan de bron van alle vermogens zijn gekomen: het zien geurt, het horen is proeven, het begrijpen is verstaan. Alle afzonderlijke manieren waarop mensen contact maken met hun omgeving, werken samen. Augustinus beschrijft dit zo: “(-) daar waar voor mijn ziel de lichtglans fonkelt die door geen plaats bevat wordt, daar waar die klank weerklinkt die door geen tijd wordt weggerukt, daar waar die geur hangt die door geen wind verstrooid wordt, daar waar die smaak bestaat die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar die omhelzing wordt gegeven die door geen verzadiging losraakt. Dat is wat ik liefheb wanneer ik mijn God liefheb.”

 In deze ruimte van God is geen geloof meer nodig: zonder weten zijn we feilloos zeker van de werkelijkheid van de Ander en van onszelf. Of, in de woorden van Johannes van het Kruis: ‘ de ziel ziet in één enkele blik wat God is in zichzelf en wat hij is in zijn schepselen’. De diepste waarheid van het bestaan wordt geproefd, ervaren. Het is ‘zonder weten’: want het gaat niet om een nieuw soort informatie waar we ons aan vast kunnen klampen in onzekere tijden – die net zo goed weer zullen komen. Het gaat om het doorzien van de werkelijkheid tot op haar bestaansgrond. Die grond is jij en wij. Dat wil zeggen: eerst weet ik: God is. En dan versta ik: wij zijn. Er is geen zijn dat niet jij én wij tegelijk is. God is altijd met ons: daarom bestaan we echt.

 


Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.