Sporen (2)

foto M. Vonkeman


Zoektocht

De weg loopt dood,

Jij bent een muur.

Ook adem jij

In en uit.

 Je leven lang God zoeken. Niet blijven hangen bij al die geloofsbeelden van God die als ANWB borden de richting aangeven. Blijven zoeken naar de levende Werkelijkheid voorbij alle woorden. En dan, als je naar je gevoel de weg helemaal tot het einde toe hebt gevolgd, op een muur stuiten. De weg loopt dood. Dat is de ervaring die door de eeuwen heen gerapporteerd wordt door mensen die God als grote liefde in hun leven hadden. In alle geschriften van de mystici komt deze klacht voor: God blijft onbereikbaar ver van het hart dat hunkert naar zijn aanwezigheid. Wat is dat voor vreemd spel dat God met zijn schepselen speelt?

 In de omgang met God komt altijd een moment dat de Geliefde onbereikbaar blijkt te zijn. Een onoverbrugbare kloof scheidt God en mens. Niet zozeer de zonde van de mens is het obstakel, maar het zichzelf zijn van God. Het is niet zo dat er een rechte weg loopt van de mens naar God en als we die maar nauwkeurig volgen, dan komen we vanzelf aan de hemelpoort. Het goddelijke ligt niet in het verlengde van het menselijke. Nee, de weg loopt dood en God zelf is de muur waarop we stuiten.

 Tot nu toe hebben we namelijk God gezocht aan de hand van onze eigen zoekcriteria. Wij zoeken God met behulp van onze eigen verlangens en verwachtingen, met onze ideeën en beelden die we geleerd hebben uit de bijbel, in de kerk, van anderen. Zelfs als het liefde was die ons dreef, dan nog was deze vermengd met menselijke bijmotieven. Wij zijn het die God zoeken, het is nog altijd onze eigen beweging. Maar onze activiteit heeft zijn einde bereikt. Nu houdt op wat we zelf kunnen (en behoren te) doen. Nu is het wachten op wat ons van de andere kant tegemoet komt: nu moet God zelf de beweging in ons worden. Alleen doordat we stuiten op Gods eigenheid worden wij uit ons eigen middelpunt geslingerd en bevrijd van ons fundamentele egocentrisme. Daar kunnen we zelf niets meer aan bijdragen. We lopen stuk op die muur van Gods eigen wezen. De weg loopt dood. We sterven aan onze beste bedoelingen.

 En daar zitten we dan, als Jacob voor de Jabbok, als Job op zijn mesthoop, als Elia onder de bremstruik. God is een muur. Ondoordringbaar, onbeweeglijk, hard als steen. Daar zitten we, er valt niets meer te doen. De wanhoop is dichtbij. Maar nu is de tijd voor wachten en vertrouwen.

Dan, naar verloop van tijd, kan het zijn dat we iets anders gaan opmerken. De stilte krijgt een ander geluid. Nog steeds en altijd is er die muur. Maar geleidelijk aan dringt tot ons door: Iemand ademt. In en uit. In de muur is geen poort. Maar wel is er die wonderlijke Adem, naar binnen en naar buiten. En dan kan het zijn die wij ingetrokken raken in die beweging, die goddelijke ademhaling. Naar binnen, dichtbij het hart van God - maar hoe, dat ontsnapt aan ons inzicht -  en naar buiten, de wereld in, op de adem van de Geest. Maar ook dat hebben we zelf niet door. De bron van ons bidden en handelen ligt niet meer in onszelf.

 

Deze verschuiving is de moeilijkste bevrijding van de mens, een waarlijke geboorte. Van nu af aan ligt het initiatief in de omgang met God niet meer bij ons zelf. God blijft een muur. Maar wij leven op de adem van God. Af en toe tenminste..

foto M. Vonkeman


Niet-weten

Een deur is opengegaan

maar er is geen deur

en geen ruimte daarachter.

Sanctus Sanctus Dominus

klinkt,

ontledigt alles en zichzelf

totdat het alleen maar

is.

 We zitten in de kerk, wandelen in de natuur, luisteren naar muziek of kijken in de ogen van een ander en ineens gebeurt er iets. We ontwaken. We wisten niet dat we sliepen, maar nu zijn we wakker. Alsof er een deur is opengegaan in ons innerlijk. We wisten niet eens dat we ons in een kamer bevonden, maar nu zijn we buiten. Als een rups kruipen we uit onze cocon en een frisse wind waait onze haren in de war. Natuurlijk is er geen kamer en geen deur en geen ruimte daarachter, maar daar lijkt het nog het meeste op.

 Veel mensen herkennen deze ervaring. Meestal is het een snel voorbijschietend moment. Het maakt indruk, maar vreemd genoeg zijn we het ook weer vlug vergeten, alsof het nooit is gebeurd. Het is zo anders, zo níet op het gewone leven lijkend, dat het nergens in past. Toch bieden zulke momenten grote mogelijkheden. We zijn namelijk even niet bevangen door de gewone gedachtestroom die ons immer bezighoudt. Daarom lijkt het alsof we in een ruimte staan. Dat kan als een bedreigende leegte aanvoelen die we zo snel mogelijk weer opgevuld willen hebben.

 In de mystieke traditie wordt gesproken van een wolk van niet-weten. Daarmee wordt verwezen naar de wolk die Jezus onttrok aan het oog van zijn leerlingen toen hij opsteeg naar de hemel. Het gewone weten houdt op. Onze zintuigen en denkbeelden kunnen de hemel niet bereiken. Maar die wolk van niet-weten is ook een beeld van God zelf zoals Hij verscheen aan Mozes en aan Jezus op de berg. Dat niet-weten is óók het werkelijk raken aan God. Precies daar waar ons weten ophoudt en wij ons openen voor de levende werkelijkheid, raakt God ons. Nu komt het erop aan: is ons verlangen naar God groter dan onze angst om het vertrouwde los te laten?

 Ergens klinkt er muziek. Als we goed luisteren horen we: Sanctus, Sanctus, Dominus: heilig, heilig, Heer. Want dit is zeker: we staan op heilige grond. Ontzag, misschien zelfs vrees bevangt ons. Als Mozes trekken we onze schoenen uit. Weerloos, op blote voeten, zonder dat we ons op iets kunnen beroepen staan we daar. De muziek klinkt, niet in onze oren maar in onze ziel, daar waar we niet weten maar wel kunnen proeven en verstaan. Daar horen we het grote Sanctus, niet slechts de vorm ervan maar ook de inhoud, wat het betékent. Die betekenis is levendig en werkzaam, het doet iets.

 Het ontledigt. Het maakt alles, onszelf inbegrepen, leeg van aangekoekte betekenissen, herinneringen en verwachtingen. We worden onbevangen als kinderen. Gods heiligende aanwezigheid maakt zelfs alles leeg wat we ooit over heiligheid of over God en onze relatie met God hebben gehoord en gedacht. Twijfel en zekerheid zijn beide verdwenen. Als alles ontledigd is, blijft over wat is. En wat of Wie is dat anders dan God zelf, alles-in-allen, van eeuwigheid tot eeuwigheid de oorsprong, het doel en de betekenis van het hele universum?



Oneindigheid

Genieten

van jouw genieten

van mijn genieten

van jouw genieten

van mijn genieten

van jouw genieten

ad infinitum.

 Wat kunnen mensen aan God geven die alles al heeft? Hoe kan een relatie met God ooit werkelijk wederkerig zijn? Genieten is daartoe het sleutelwoord.

foto M. Vonkeman

Als ik van iemand geniet, dan verheug ik mij in diens gezelschap. Ik ontvang wat deze persoon aan mij te geven heeft. Ik kan genieten van haar scherpe verstand, of van zijn warme humor, ik kan genieten van de aandacht die aan mij gegeven wordt. Ik geniet van de gever door middel van diens goede gaven. Soms beminnen we zonder dat er goede gaven aan te pas komen. Een grootmoeder die haar kleindochter vol overgave ziet spelen in de zandbank, geniet van het plezier van het kind. Ze geniet van háár genieten. Het kan nog een stap verder. Als de oma een gek verhaaltje voorleest waardoor het kind het uitschatert, ontstaat er een verdubbeling van het genieten. Oma geniet van het feit dat haar kleinkind geniet van wat oma geeft.

 In de volwassen ontmoeting van twee geliefden komt er nog een dimensie bij. Ik ben mij niet alleen van mijn eigen gevoel bewust, maar ook van dat van de ander. Ik kan ontzettend genieten van het feit dat de ander ervan geniet als ik geniet. Ik zie: mijn blijdschap is de blijdschap van de ander geworden en andersom, er is geen verschil meer. En juist dat besef vormt een nieuwe bron van genieten voor beiden. Dit is het grootste welkom dat mensen elkaar kunnen bereiden. De liefde wordt steeds meer ontdaan van alle belangen, alle nut, alle behoeften, alle gaven. De liefde zelf geniet zichzelf..

 In het menselijk genieten zit een noodzakelijk tekort ingebouwd. Hoe groot de vereniging ook kan zijn, altijd komt er het moment dat de verschillende behoeften van de partners zich aandienen. Niet alleen blijven de emotionele en lichamelijke verschillen hun eigen aandacht vragen. Ook is ons beminnen niet vrij van beperkingen. Eigenbelang, oude kwetsuren, onbegrepen of onontwikkelde aspecten van onze persoon komen ertussen. En minstens zo vaak ook de doodgewone eisen van het bestaan, met zijn grenzen aan tijd, ruimte, gezondheid en leven. Alleen God kent geen grenzen in zijn liefde. Zijn liefde stroomt onophoudelijk en zonder beperking uit naar zijn schepping. God doet wat Hij is, eindeloos beminnen.

 In de relatie met God leren wij dan ook de meest volmaakte liefde. Door volop te genieten van de eindeloze liefde, schoonheid en goedheid die God aan ons geeft, geven wij dat alles weer terug. We zijn spiegels geworden die Gods eigen liefde weerkaatsen. We beminnen Hem met zijn eigen liefde. Zo alleen kunnen wij recht doen aan God. Want alleen Zijn liefde is volmaakt en alleen met volmaakte liefde doen wij recht aan God. De ziel geeft God aan God in God, zegt Johannes van het Kruis. Dan en zo alleen is de liefde tussen God en mens wederkerig én volledig gelijkwaardig. Opgenomen in een liefdesbeweging zonder einde genieten wij van elkaars genieten in een oneindige spiraal van vreugde. En zo is alle licht en leven een glimp van eeuwigheid, midden in de tijd.

foto M. Vonkeman


Minnewijs

Eens was het zo dat jij mij beminde

Zo dat ik minde mijzelf:

Toen jij mij beminde

Zo dat jij minde jezelf.

 God bemint niet op dezelfde wijze als mensen van elkaar houden. Zijn liefde doet niets voor ons, om het zo te zeggen. Je hebt er niets aan. Aan mensenliefde kunnen we van alles ontlenen: iemand die van ons houdt geeft ons een gevoel van waarde en van speciaal zijn, helpt ons, draagt de last van het leven mee, springt voor ons in de bres, geeft advies, vult ons aan, stuurt ons bij, komt voor ons op. Maar aan God heb je niets.

 God heeft de grootste moeite om zijn soort liefde aan ons kwijt te kunnen. Alles wat we wensen is een handjevol zekerheid, iemand die onze armoedige zelfwaarde een beetje opkrikt, iets dat onze bestaansangsten toedekt. Om liefde te ontvangen daarvoor ontbreekt ons de capaciteit. De enige Godsliefde die we in staat zijn te ontvangen is de liefde die ons in leven houdt. Dat zijn we zo gewend dat we niet meer herkennen dat het een gave van God is. Als zuigelingen aan de borst ontvangen we ons leven als ons vanzelfsprekend bezit.

 Als God zijn volwassen liefde aan ons begint te geven, begint de ellende. Het kan zijn dat we alle plezier in het leven kwijt raken. De smaak van de liefde die we tot nu toe kenden is verdwenen. Of we raken onze zekerheden kwijt, het leven wordt onvoorspelbaar. We komen tot de ontdekking dat we niet veel meer verzameld hebben dan een handvol stof. Wat we aan goeds hebben gedaan was eigenlijk ondanks onszelf. De liefde van God verschijnt in ons leven als een donkere nacht. Een nacht die de kans geeft, zo dicht Jan van het Kruis. De kans om liefde te leren naar Gods model.

 Eens was het zo / Dat jij mij beminde / Zo dat ik minde mijzelf / Toen jij mij beminde / Zo dat jij minde jezelf.

Hier wordt iets wonderlijks beschreven: op het moment dat God zichzelf bemint, ervaar ik dat God van mij houdt en ik van mijzelf. En dat komt omdat bemind worden door God hetzelfde is als zélf beminnen:  het zijn twee kanten van dezelfde medaille. God wil niet ons tekort aan eigenliefde aanvullen. Hij weigert onze gebruikelijke manipulerende manier van liefhebben te ontvangen. Wij ervaren dat als afwijzing, maar dat is precies zijn liefde voor ons. God wil bemind worden op zo’n manier dat aan Hem recht wordt gedaan. Alleen met volmaakte liefde kan God bemind worden. En de enige die volmaakt bemint, is God zelf. Gods liefde wil de ware minne in ons tevoorschijn roepen en dat is niet anders dan God-in-ons. Zijn weerbarstige liefde bevrijdt ons van onze menselijke maat in de liefde.

 God houdt van zichzelf door van ons te houden en ook andersom. Gedreven door Gods liefde beginnen ook wij de ander lief te hebben zonder maat en zonder reden. God-in-ons bemint God-in-de–ander tevoorschijn – en andersom. Het is één pot nat: door God bemind worden en God beminnen en jezelf beminnen en anderen ook nog. Dat is het model van goddelijke liefde: God die door ons heen op zo’n manier anderen bemint dat onze liefde hen in staat stelt om zélf op diezelfde manier lief te hebben. Alleen op die wijze kan alle manipulatie en alle eigenbelang uit onze menselijke liefde verdwijnen, zowel uit de liefde die wij geven als die wij ontvangen. God is een weerbarstige minnaar – en zijn geliefden zijn dat ook. We kunnen niet anders, want we beminnen onze naaste als onszelf – onze naaste dat zíjn wij zelf. Dat is het wijze lied van de goddelijke Minne.



foto M. Vonkeman


Welbezien

Zwart zwijgt naar binnen;

wit wacht op onderscheid.

 Zwart zwijgt naar binnen. In het duister van het leven zit geen verborgen boodschap, geen verpakte zegen. Er zit geen sprankje licht verstopt, geen woord van leven is er in te vinden. Het is alleen maar zwart, donker en geen drager van Gods woord. Zwart is de ontkenning van alles wat licht en leven en geluk is. Zinloosheid bestaat werkelijk, ook in Gods goede schepping. Zwart is een donkere gave.

 Meestal is onze drang tot leven sterker dan de kracht van leed en onrecht. We splitsen het zwart af, bergen het op in de kelder van ons bewustzijn, en proberen zo goed als het gaat weer verder te gaan. Er zijn talloze manieren waarop we overleven: we redeneren het weg, we buigen mee met de storm, we richten onze aandacht op andere zaken, we worden kwaad op iemand of op God. Gelukkig is er vaak voldoende goedheid, licht, liefde en vriendschap, zorg en werk, waardoor onze levensenergie opgeroepen wordt.

Maar soms werkt dat niet meer. Er zijn mensen die zich niet kunnen afschermen voor het zinloze leed. Het wordt hen persoonlijk aangedaan. Of ze zijn erg gevoelig voor het kwaad in het leven. Het pantser dat mensen beschermt tegen alles wat er aan negativiteit op hen afkomt, is zoekgeraakt. Mensen in crisistijden hebben dat, tieners ook vaak. Het lukt niet om zich met man en macht op wat anders te richten. En dan kan het zijn dat er geen afstand meer is tussen het zwart van het leven en de eigen persoon. Zulke mensen zijn er als het ware in.

 In het zwart van het leven, binnenin de volstrekte leegte van de zinloosheid klinken eerst schreeuwende stemmen, dreigend gebrul, verdwaasd gekrijs. De gedachtestroom is onbeheersbaar geworden. Emoties gieren in het rond. Een psychiatrisch patiënt noemde het: de geluidsbarrière. Het ingaan van het zwart is als het binnengaan van een wervelwind: de stukken meubilair worden om je oren gesmeten. Zo kan het zijn voor iemand die zich zoekt te verstaan tot de werkelijk zwarte momenten van zijn of haar leven. Geen wonder dat mensen daar soms gek van worden. Als je een gesprek probeert aan te gaan met de vele stemmen die daar klinken, dan is het een warboel, onzin, nutteloos. Er is geen woord van wijsheid te vinden daar in dat diepe zwart.

 Het is mogelijk om door die geluidsbarrière heen te komen. Niet door te redeneren maar door te vertrouwen. Niet ergens op, want alles is weggevallen. Maar door vertrouwen te zijn, al is het maar een beetje. Je bent vertrouwen wanneer je laat gebeuren wat er gebeurt zonder ervoor weg te lopen of er iets anders van te maken. Met zulk vertrouwen is het mogelijk om de stemmen achter je laten en ze te doorzien tot op hun leegheid, hun betekenisloosheid. En dan wordt het stil. En dan wordt het stil, doodstil, alle geluid is weg, er zijn geen stemmen uit je herinnering meer hoorbaar en ook je eigen gedachten zijn verdwenen. De stilte kan beangstigend zijn alsof je al dood bent, of wel prettig, als een zware verdoving.

 Maar als je niet wegzinkt maar blijft luisteren naar de stilte, dan kan er uiteindelijk een woord van betekenis, van zin opklinken. Er komt iets in je op of naar je toe waarvan je voelt: dit is wezenlijk, dit is wat waarde heeft. Het is het woord dat we zelf zijn. Gods woord van in den beginne. Het zwart is tot zwijgen gebracht en is alleen maar wat het is. Maar wij, mensen van God, wij zijn drager van betekenis, wij zijn woord van zin. Wij zijn in staat om doodsgebieden door te gaan en leven te brengen: wij zijn het zelf. Zwart dat diep ontvangen wordt in zijn totale zinloosheid kan het menselijk hart verruimen. De tegenstellingen van het leven splitsen ons niet meer op, maar we vouwen ons er als het ware omheen. Het zwart trekt ons niet langer de schaduw in, maar wij wijzen het duister zijn plek in ons eigen hart.

  En nu is er betekenis te herkennen aan het zwart: niet van binnen, in zichzelf,  maar van buiten, in wat het uitwerkt, in het Woord dat het in ons wakker roept. Het leed wordt er niet minder van, maar het werpt niet langer zijn schaduw op de rest. Integendeel, het zwart maakt ons bewuster dan ooit van het witte geluk dat op talloze manieren aan ons verschijnt en door ons zichtbaar wil worden. Dat is de moeilijke gave van het zinloze zwart.

 Wit wacht op onderscheid.

Het wit van het leven heeft zijn eigen moeilijkheden en mogelijkheden, als het gaat om de geestelijke weg. Wij houden van geluk, we zouden er elke dag in willen zwemmen als Dagobert Duck in zijn geld. Het lichte geluk dient zich aan in allerlei vormen: een kind, een partner, een vriend of vriendin, een nieuwe baan, huis, auto, een creatieve daad, gezondheid, een indrukwekkend moment in de natuur. Geluk bekleedt zich met talloze vormen en klopt steeds weer op onze deur. De vraag is alleen: wat doen wij ermee? Onze neiging is om het geluk zo snel mogelijk binnen te halen, de deur op slot te draaien en de ramen dicht te spijkeren, zodat het ons nooit meer kan verlaten. Maar de grootste gave van de goede dingen van het leven zal ons ontgaan wanneer wij dat lichte geluk in een gouden kooi proberen te zetten. In het geluk ligt namelijk een werkingskracht te wachten, het wil ons iets doen. Wit verlangt naar veelkleurigheid.

 Wit wacht op onderscheid. Zoals bekend is wit de verzameling van alle kleuren bij elkaar. Wit dat onderscheiden wordt, wordt veelkleurig. Hiermee wil gezegd worden: de goede dingen van het leven, de zaken die ons gelukkig maken, hebben de mogelijkheid om ons nog veel meer te laten zien dan deze kleur alleen. Want wat is de bron van alle waar geluk, van alle werkelijke goedheid? Is niet God zelf de kern en eigenlijke inhoud van alles wat er aan levensgeluk zichtbaar wordt? Wie zo het geluk - in welke vorm dan ook - kan doorzien tot op zijn bron, proeft iets van het witte licht van God uit wie alle leven voortkomt. De ware betekenis van geluk is God zelf die verrukt is van zijn schepping en zich in alle kleuren van de regenboog aan ons vertoont – indien ons oog dit kan onderscheiden.

 En dat is belangrijk. Het voorkomt dat wij de gaven verwarren met de Gever en zo de gaven tot afgoden laten verworden. Het doet ons tegelijk iets van de hoge waarde van al deze gaven beseffen: dragers van een goddelijk geheim. De essentie van onze geliefden is niet dat zij ons gelukkig maken, maar dat zij kleurige uitdrukkingen zijn van Gods witte licht. Daarmee roepen zij ons op tot eindeloos respect èn tot ons eigen ‘kleur bekennen’. De unieke vorm waarin het geluk tot ons komt vraagt nog meer toewijding dan we al meenden. Elke gestalte van geluk is onvervangbaar en nooit inwisselbaar voor iets anders.

 Tegelijk is er een relativering: God is groter dan de unieke vorm waarin wij iets van Hem ervaren. Ook als we onze gezondheid verliezen, of onze geliefden, of wat ons ook gelukkig maakt, daarmee verliezen wij nog niet de bron waar alle geluk aan ontspringt. Voor degenen die onze liefde ontvangen geldt hetzelfde. Ook wij zijn niet de bron van alle geluk. Ook wij zijn maar één van de kleuren waarin het licht van God zich vertoont aan de wereld. Dat maakt ons waardig en bescheiden tegelijk. Een dergelijk besef maakt relaties mogelijk die op de werkelijkheid zijn gebaseerd en zich kunnen verheugen in ontwikkeling en groei van veelkleurigheid.

 Wit wacht op onderscheid: wit is aldoor maar aan het breken in talloze kleuren. Want God is wat Hij doet: zichzelf breken en delen. Zo is Hij voortdurend bezig onze wereld te scheppen, te onderhouden en te vernieuwen. Wit licht dat breekt openbaart een veelkleurige schepping. En welbezien kan zwart niet anders doen dan dát onderstrepen.



 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.