SPOREN (1)

foto M. Vonkeman




Er trekt een spoor

van binnen;

het trekt

als een wond.

Ik ben de weg kwijt.

 

Misschien begint het met een onrust van binnen. Of met een ingrijpende gebeurtenis in je leven. Maar je merkt dat er iets aan de hand is, alsof je gewond bent geraakt. In het leven met God is dat een belangrijk moment. Je beseft: ik volg geen spoor op weg naar God, maar er wórdt in mij een spoor getrokken. Degene die het spoor trekt, wordt niet gezien. Het spoor zelf lijkt aan het werk. In de menselijke ervaring is het werk dat God doet niet te scheiden van wie God is: het is één en dezelfde beweging. God is niet anders dan wat Hij doet, maar tegelijk blijft het geheim van God voor het menselijk oog verborgen. Alles wat wij van God kunnen merken is hetgeen in het voorbijgaan van God aan ons gebeurt: wij zien het achteraf, als kringen in het water als de steen al gevallen is, als voetstappen van iemand die voorbij is gegaan.

 Het spoor lijkt zelf ook onderweg te zijn. Dit onderstreept dat onze omgang met God een levenslang proces is. De weg ontwikkelt zich gaandeweg en ligt niet lang van te voren uitgestippeld kant en klaar op ons te wachten. Er is niet een spoor getrokken dat nu gevolgd moet worden, nee, het spoor dat zich dagelijks in ons uitzet, trekt ons stap voor stap het leven door.

 Het spoor trekt van binnen. Van binnenuit wordt er aan ons getrokken. Dit wijst op een leven dat niet door impulsen van buitenaf wordt geregeerd maar van binnenuit zijn weg vindt. Het gaat om een groeibeginsel dat al potentieel in de mens aanwezig is, niet om een aangeleerd gedrag. De mens is geschapen naar het beeld van Gods Zoon en tót zijn gelijkenis, zeggen de mystieken. De trekkracht van de Geest is voortaan onze diepste motivatie. Zo worden we wie wij in aanleg zijn.

 Het spoor trekt als een wond. Nu wordt er gespeeld met een derde betekenis van trekken. Een wond trekt als het aan het genezen is. Het spoor dat zich uitzet in de mens en ons voorttrekt, is een wond. Het doet zeer als God zijn weg met ons gaat, eenvoudigweg omdat ons innerlijk te nauw is en bovendien vaak volgepropt met allerlei onzin. Geen wonder dat de aanraking van God aanvoelt als een wond die geslagen wordt. Er komt als het ware een gat in het omhulsel van onze ziel, in het pantser van zelfbescherming waarmee wij ons staande houden in het leven. Maar ik ervaar: het is een wond die trekt. Met andere woorden: het spoor dat in ons wordt uitgezet is een spoor van genezing. Het spoor dat trekt als een wond stuurt het proces waardoor wij heel worden. Toch blijft het ook altijd een wond.

 Ik ben de weg kwijt. Een gewaagde uitdrukking. Wij hebben toch juist de weg gevonden als wij God vinden? Toch is het niet anders dan een voortzetting van de gedachte in het eerste gedeelte. Niet wij volgen een spoor, maar het spoor trekt óns voort. Niet wij geloven maar God gelooft in ons. Het initiatief ligt niet meer bij ons. Ik ben de weg kwijt zoals ik die zelf in mijn hoofd had. Nu begint de reis écht. 


foto: M.Vonkeman


Waarmerk (bij Exodus 3)

Dit heeft zich ingebrand:

Zonder jouw naam

Kan ik de mijne niet uitspreken.

 

Liefdestaal. Het zouden de romantische woorden van een verliefde minnaar kunnen zijn. Ze zijn echter geschreven bij Exodus 3, het verhaal van een Godsontmoeting.

 Mozes ontmoet God bij de brandende braambos en krijgt daar zijn levensopdracht. Als hij vraagt wie het is die hem op pad stuurt, onthult God zijn naam. Die naam zal het waarmerk zijn waaraan het volk Mozes kan herkennen als door God gezonden. Een waarmerk is het stempel waarmee de echtheid, de authenticiteit van iets wordt bevestigd.

 Doordat God zijn naam uitspreekt, kan Mozes zijn levensopdracht uitvoeren. Iemands naam kennen betekent in de bijbel dat je het meest wezenlijke van iemand kent. God treedt uit de verborgenheid en maakt zich bekend. Als dat gebeurt, komt er een nieuwe fase in de omgang met God en de mens. Niet alleen verschijnt God als Schepper. Nu zijn het persoonlijke beelden van vriendschap, liefde - en soms ook afwijzing - die de relatie met God gaan tekenen.

 Het waarmerk zelf 'brandt zich in'. Dit is een verwijzing naar een bekend beeld uit de mystiek: de vurige schroeiwond die God toebrengt aan de mens die hij liefheeft. Johannes van het Kruis, een Spaans dichter en mysticus uit de 16 e eeuw, noemt de aanraking van de Heilige Geest een 'zoetstrelende wonde', die blijft schroeien 'totdat de wonde zo groot is, dat heel de ziel één liefdeswond wordt.' Het is een wond die geneest doordat alle onzuiverheid in de liefde wordt weggebrand.

 Waaruit bestaat dit merkteken? Het is het onvermogen om de eigen naam uit te spreken als de ander niet zichzelf óók uitspreekt. Deze wezenlijke verbondenheid is het waarmerk dat hier genoemd wordt. Als de ander niet tot zijn of haar recht komt, aan het licht komt, dan kan ik zelf ook niet volledig zijn wie ik ten diepste ben. Deze verwevenheid noemt de bijbel: liefde. De liefde tot zichzelf is niet anders dan de liefde tot de naaste en die is niet anders dan de liefde tot God.

 Deze liefde leren wij aan God zelf, zoals hij zich heeft laten kennen in de geschiedenis van Israël en in de persoon van Jezus. God zelf vraagt vanaf het begin naar de mens: wie ben je? hoe heet je? kom te voorschijn! Zonder de mens die aan het licht komt, blijft God verborgen.

De tekst laat open of het God is die spreekt, of de mens. Zonder de bijbelse verwijzing zouden de woorden ook over een menselijke liefdesrelatie kunnen gaan. Aan de liefde voor God wordt de liefde voor mensen geleerd en andersom.

 Ware liefde naar het model van God is herkenbaar aan dit fundamentele uitgangspunt: alleen sámen komen wij tot ons hoogst persoonlijke recht. Niet door mijzelf te ontkennen kan ik werkelijk beminnen. Niet het ontkennen van de ander geeft mij de ruimte om mezelf te zijn. Ik kom pas werkelijk aan het licht in zoverre en in de mate dat ik een ander aan het licht laat komen - en visa versa. In de gewaarmerkte liefde is geen competitie, geen machtsstrijd, geen recht van de sterkste. Zonder jouw naam kan ik de mijne niet uitspreken. God heeft zich uitgesproken. Nu wij nog.


foto M. Vonkeman


Genesis

De tijd heeft zich gekromd:

Weer kom ik

waar ik begon;

verder

ontmengd aan de bron.

 

Genesis, het eerste boek van de bijbel. Als om te zeggen: daar begint het verhaal van God met mij. Wij beginnen bij onze geboorte. Maar blijkbaar is het niet genoeg om éénmaal geboren te zijn, zoals Jezus uit legt aan Nicodemus (Johannes 3). Er is een tweede geboorte mogelijk en misschien nog wel meerdere. Genesis (dat betekent: wording) vindt plaats waar Gods Geest over de chaos broedt. Schepping vindt plaats 'in den beginne', waar de tijd teruggebogen is, waar de gewone natuurwetten zijn opgeheven en het bestaan een eeuwig karakter heeft. In de menselijke ervaring is dat 'woest en leeg', met 'wateren die onder en boven de aarde zijn', waar geen vaste grond onder je voeten is, een tijd waarin het duister is en het licht nog geschapen moet worden.

 'Weer kom ik / waar ik begon'. Dit roept de ervaring op van iemand die steeds dezelfde fouten herhaalt en in een cirkelbeweging vastzit, als een muis in een draairad. Zo gaat het ook vaak in het menselijk leven. Steeds weer botsen we tegen dezelfde patronen op, dezelfde onhandigheden, dezelfde angsten. Het lijkt wel of we nooit verder komen en van ouder op kind dezelfde neurosen doorgeven, generaties lang, 'van geslacht op geslacht tot in de vierde generatie'.

 De 'tijd heeft zich gekromd'  wijst echter niet op een cirkelbeweging, maar op een spiraal: ik kom verder. Het gaat hier juist om het doorbreken van de menselijke vicieuze cirkel. Ik kom terug naar 'in den beginne', ik kom daar waar schepping plaats vindt, daar waar God zijn verhaal met mij is begonnen en nu weer opnieuw begint. Je zou ook kunnen zeggen, we komen terug bij dat moment waarop we voor het eerst ontwaakten aan God. Want waar is het eigenlijk dat 'ik begon'? Dat blijft open. Geboorte en wedergeboorte zijn niet strikt gescheiden, maar vormen blijkbaar één continue proces van schepping.

 Verder / ontmengd aan de bron

Een dubbelzinnige uitdrukking. Ik kom verder, het gaat dus vooruit, de weg ontwikkelt zich in mij. En tegelijk: ik word verder ontmengd. Ontmenging roept allerlei bijbelse beelden op: van goud dat gelouterd wordt, van koren en kaf, schapen en bokken die gescheiden worden, van graan dat van onkruid wordt ontdaan. Allemaal beelden van Gods oordeel dat ons bevrijdt van onze ballast. Het ontmengingproces duurt een leven lang. Steeds weer, op steeds diepere lagen van de ziel, raken wij van onzuiverheden bevrijd.

 We worden ontmengd aan de bron. Ook hier een dubbele betekenis. De bron in ons wordt gezuiverd: datgene waaruit we leven, ons hart, de diepe motivaties van ons bestaan, zelfs ons inzicht in wie God is, wordt ontdaan van allerlei beelden en projecties. Aan de bron vindt de uitzuivering plaats. Tegelijkertijd is het de Bron zelf die ons zuivert. Wat is de bron van ons bestaan anders dan God zelf? Aan God leren wij het nieuwe leven. Dat werkelijk nieuwe leven ligt niet in het verlengde van ons natuurlijke bestaan. Schepping vindt altijd plaats 'in den beginne'. Dat is Genesis, een voortdurend proces van wording.


foto M. Vonkeman


 Genade

Als het eb is,

Zien wat de vloed bracht.

 

Ieder leven kent tijden van eb en vloed. Er zijn tijden van uitbundig naar buiten open staan en tijden waarin je in jezelf keert. Tijden waarin je de levenskracht en de inspiratie voelt stromen en tijden waarin je leeg bent en dor. Ook in het geloofsleven kennen we zulke wisselende tijden. Soms is ons geloof en vertrouwen krachtig en spreken de woorden uit de bijbel ons sterk aan. Soms twijfelen we aan alles en hebben het gevoel dat God verdwenen is of misschien wel nooit bestaan heeft.

 In de mystiek is eb en vloed een veelgebruikt beeld, net als in- en uitgaan. Het leven met God wordt vergeleken met een grote ademhaling, een beweging van onze geest naar binnen en weer naar buiten. Ze houden elkaar als het goed is in evenwicht.
 

Ruusbroec, een 13 e eeuwse Vlaamse mysticus, vergeleek niet alleen ons geloofsleven, maar God zelf met een zee: ‘God is een vloeiende, ebbende zee, die zonder ophouden in al zijn beminden uitvloeit naar ieders nood en waardigheid’.

 

Blijkbaar is er geen greep te houden op onze beleving van het geloof. Het is niet zo dat we het goed doen als we vol geloofsvertrouwen zijn en slecht als dat niet het geval is. Omdat God werkelijk God is en geen afgod die we naar believen kunnen oproepen, gaat er een eigen werking van zijn aanwezigheid en zijn afwezigheid uit. Juist dat komen en gaan heeft ons wat te zeggen.

De tekst gaat hierop in. Het beeld is dat van een strandjutter die de vloedlijn afspeurt naar schatten uit de zee, een bijzondere schelp, overboord geslagen huisraad of scheepslading. De vloed heeft het als geschenken achtergelaten op het strand. Genade is wat ons zomaar gegeven wordt, zonder dat we het verdiend hebben of zelf gefabriceerd. Genade verbinden we meestal met gelukkige tijden, met genezing na een ziekte, met de geboorte van een kind.

 

Hier wordt genade gevonden in tijden van eb, als de zee van Gods aanwezigheid zich heeft teruggetrokken. Daar zitten twee kanten aan. Eb doet ons de vloed waarderen en het geeft ook eigen geschenken

Je waardeert pas iets als het weg is, zeggen we wel eens. Juist als wegvalt wat vanzelfsprekend leek te zijn, juist dan beseffen we hoezeer een mens fundamenteel afhankelijk is van wat zomaar ons toevalt. En dat is niet erg, dat is niet beschamend, dat is niet anders dan wat we echt zijn. We zijn schepsel, mensen die niet zichzelf hebben voortgebracht maar gegeven zijn aan elkaar en die leven uit wat gegeven wordt. Dat besef zouden we ook in vloedtijden eigenlijk niet moeten verliezen.

 

Maar eb heeft ook eigen geschenken, eigen mogelijkheden. Als strandjutters zouden we daar naar kunnen speuren, in plaats van mopperen op alles wat er is weggevallen. Je weet niet van te voren wat je vinden zult. Maar er is altijd iets.

 

Echt menszijn is eigenlijk één groot ‘dank-je-wel’zijn. Zo beamen we wie wij zijn en wie God is.  Genade: als het eb is, zien wat de vloed bracht.


foto M. Vonkeman


 Zwanger

Je draagt het hoog.

Weet: de zwaarte van de aarde

Helpt het baren.

Moederschap en geboorte zijn vaak gebruikte beelden als het over het geestelijk leven gaat. Het wonder van nieuw leven vergelijkt zich met het wonderlijke geboorteproces waarin een mens geleidelijk aan mens wordt naar Gods beeld en gelijkenis. Eckhart, een Duitse kerkleraar uit de 13 e eeuw, noemt dit: “Jezus terugbaren in Gods vaderlijk hart”. In zekere zin zijn alle mensen zwanger van Christus. Iedereen is geschapen naar Gods beeld en bestemd om op Christus te lijken. Wij allemaal zijn geroepen en bestemd om werkelijk voluit mens te worden, mens en medemens, partner van God in diens grote scheppingswerk. Niet alleen in Jezus, maar ook in ons wil Gods heerlijkheid zichtbaar worden. Er zijn tijden in ons leven waarin dit zich aandient.

Soms ontdek je dat je zwanger bent. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Er is iets in jou dat dringt om naar buiten te komen, iets in je dat zichtbaar wil worden. Dat kan een inspiratie zijn, een verborgen talent, maar ook iets onbekends, zelfs een oud leed, of een schaduwkant van je bestaan. Zolang het onderhuids blijft groeien, kun je er geen kennis mee maken en geen weg in zoeken. Ook met de negatieve kanten van onszelf kunnen wij alleen leren omgaan als we ze eerst aan het licht laten komen. Dan bestaat de mogelijkheid dat ze omgevormd worden tot een kracht ten goede.

Het nieuwe leven in Christus is geen jasje dat we aan zouden kunnen trekken. Het gaat om werkelijk nieuw leven dat gebaard wil worden. Maar liever verzetten we ons tegen alles wat ons bekende leven overhoop zou kunnen gooien. En vaak gaat onze omgeving bezorgd kijken als we zwangerschapsverschijnselen gaan vertonen.

Je draagt het hoog. Wil een kind geboren worden, dan moet het niet hoog in de buik blijven zitten maar indalen, het geboortekanaal tegemoet. Het hoog dragen wijst erop dat de geboorte nog veraf is. Veel geestelijke groei stokt omdat het innerlijk leven te hoogdravend is geworden en niet verbonden met het leven van alledag. Er is een eerste impuls geweest waardoor men ontwaakt is, maar het nieuwe leven is niet werkelijk geboren. Muurvaste geloofsopvattingen, vrome neigingen of verheven gevoelens hebben de plaats ingenomen van het bloed, zweet en de tranen die bij het aardse leven horen. Men trekt zich terug in een aparte wereld van spirituele activiteiten alsof die van hoger orde zouden zijn dan de notulen of het stofzuigen. Het nieuwe leven in Christus is echter niet iets anders dan het leven van déze wereld maar dan anders. Niet in hoger sferen maar in de weerbarstige werkelijkheid van onze alledaagse relaties liggen de mogelijkheden tot werkelijk nieuw leven.

De zwaarte van de aarde / helpt het baren. Het gewicht van het bestaan, de last van het leven, is ons snel te veel. Geen wonder dat we de werkelijkheid veelal vervangen door denkbeelden, fantasieën, dromen, herinneringen. De dagelijkse zorgen en plichten, de moeiten van het leven en het verdriet dat bij menszijn hoort zijn echter geen aanvechtingen die ons van het geloof afhouden. Integendeel, zonder deze aardse wortels wordt heel ons geloofsleven een illusie. Sterker nog, juist door de lasten die je te dragen hebt ook op je te nemen, juist door onder ogen te zien van wat er echt speelt, krijgt het geestelijk leven een kans om geboren te worden.

Moeilijke vragen en het geloof sluiten elkaar niet uit maar maken elkaar juist mogelijk. Wie heeft als Jezus de moed het leven in alle licht en donker ook echt te leven en niet te ontlopen? Dat is een mens in wie iets van Gods heerlijkheid zichtbaar wordt, hier en nu.

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.