Bidden en werken



‘Je moet het toch allemaal zelf doen’, zei de dame met wie ik in gesprek was. We spraken over geloof en het dagelijks leven.  Ik schoot bijna in de lach, niet vanwege haar woorden, maar omdat ik net daarvoor van iemand anders precies het tegenovergestelde had gehoord: ‘het moet je toch gegeven worden’.

  Bid en werk: die twee staan nogal eens op gespannen voet met elkaar. In de kerk is het vaak misgegaan. De woekerende aflaat-praktijk in de katholieke moederkerk van de middeleeuwen (je moet je zonden afkopen door geld te geven of extra gebeden op te zeggen) bracht de kloosterling Luther tot de herontdekking van de genade: de vrije gave van God die de mens niet kan of hoeft te verdienen. Helaas leidde zijn vernieuwingspogingen tot splitsing van de kerk en het protestantisme werd geboren.

   

In het protestantisme heeft de nadruk gelegen op het bidden: het geloof word je gegeven - of niet. We worden gered door de genade en niet door de verdienste, om het maar eens traditioneel te zeggen. Leven met God is niet een doel dat je na veel inspanning bereikt, maar een vrij geschenk van God die zelf het initiatief neemt en ons geeft wat daarvoor nodig is. Dat is de kern van de leer van de genade.

   Zoals het jammer genoeg zo vaak gaat bij afsplitsingen: het ene uiterste werd vervangen door een ander uiterste. De genade werd zo hoog in de hemel geplaatst dat er geen enkele plek meer was voor het werk van de mens. Van partners van God werden we tot hulpbehoevende kinderen die maar moesten afwachten of ze uitverkoren waren voor de genade. Tegelijkertijd worden de meeste protestanten door iets hijgerigs in het geloof gekenmerkt: ze moeten zoveel. Alsof ze toch niet écht kunnen geloven dat de vrije genade voldoende is en God werkelijk de bron van alle liefde is.

 De waarheid ligt niet in het midden. We moeten het helemaal zelf doen én het wordt ons helemaal gegeven. Tot bloei komen door de innige omgang met God is iets dat we alleen maar kunnen ontvangen: God ligt op geen enkele manier binnen ons bereik. Tegelijk is er niets dat zó veel van ons vraagt als het leren leven uit de genade. Dat heeft zijn redenen.

   God houdt van ons zoals we zijn, maar Hij houdt te veel van ons om ons te laten zoals we zijn, zo wordt wel gezegd. Wij zijn namelijk zo weinig aanwézig. God is werkelijk. God is altijd nú. Ons probleem is dat wij bijna niet in de werkelijkheid leven. We hebben een beeld van hoe God zou moeten zijn, of waaraan we God zouden kunnen herkennen en alles wat niet bij dat beeld past, schuiven we opzij. We hebben een beeld van hoe wij willen zijn, of zouden moeten zijn, en proberen dat omhoog te houden. We dromen en herinneren en fantaseren, we zijn omringd door een pantser om ons te wapenen tegen teleurstelling en ongeluk, we zitten muurvast in ons eigen kleine middelpunt, zelfs al zijn we de hele dag bezig voor anderen te zorgen. Hoe kan onverdiende genade door die cocon heendringen? Hoe zouden wij God kunnen ontmoeten als wij (er) niet echt zijn?

   Het kost ons grote inspanning en ware moed om steeds weer de volle werkelijkheid van ons leven te beamen en niet te ontkennen - licht en donker, talenten en beperkingen, mijn behoeften en die van een ander. Maar als we het doen, groeit het besef dat we dit kúnnen doen door Gods Geest die in ons woont. Al dat harde werk aan onszelf is omringd en doordrongen met zijn alomtegenwoordige liefde. Er is geen competitie tussen God en mens. Hoe meer wij ons inspannen om recht te doen aan het geheel van het leven, hoe meer we merken: er ligt een geheim in de werkelijkheid. Er ligt een werking, een dynamiek in verscholen die ons vormt en voorttrekt en door ons heen aan het licht wil komen.

  Het werken vloeit uit het bidden voort: niet als een plicht maar als een bloem die zich ontvouwt, als een mens die aan het Licht komt..

 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.
Map
Info