Kijk-in-de-kerk (3)

Humor, heibel en hoop voor de wereld: praktijkverhalen uit de kerk


God is een beetje eng
Waarom hebben ze me dit niet verteld toen ik dertig was, roept hij verontwaardigd uit. Dan was mijn leven heel anders gelopen! Het is de laatste Ruusbroec-kring van het seizoen. Zeven avonden hebben we teksten besproken van deze beroemde Nederlandse mysticus. Het zijn bijzondere avonden waarin ons persoonlijk geloof in gesprek komt met de bronnen van onze traditie. Onthutsend is het soms ook. Waarom leerde ik dit niet in de opleiding, hier moet het toch over gaan? vraagt een emeritus predikant zich af. Wat een perspectief  op de allesoverstijgende goedheid van God! En wat een hoog mensbeeld!

Jan van Ruusbroec leefde van 1293 tot 1381 in de buurt van Brussel. Zijn mystieke geschriften hebben het geestelijk leven in de Nederlanden en daarbuiten eeuwenlang sterk beïnvloed.

De mens die uit deze hoogte door God neergezonken wordt in de wereld, is vervuld van waarheid en rijk aan alle deugden. Hij zoekt zichzelf niet maar de eer van God die hem gezonden heeft. Hij is dan ook rechtvaardig en waarachtig in alle dingen en bezit een rijke, milde grond, die gevestigd is in de rijkdom God. Daarom voelt hij de behoefte om zonder ophouden uit te vloeien in allen die hem nodig hebben. Want zijn rijkdom bestaat in de levende bron van de Heilige Geest, die men nooit volledig leegputten kan. (-) Zo bezit hij een ‘gemeyn’ leven, want schouwen en werken liggen hem even na en in beide is hij volmaakt.

De teksten zijn soms moeilijk, er zitten veel eeuwen tussen en een andere psychologie. Maar door ze langzaam samen te lezen, beginnen we zicht te krijgen op de ervaringen die Ruusbroec verwoordt. Mystieke teksten willen niet onderwijzen wat er allemaal mogelijk is in het geloof, maar ze willen laten zien wat God allang aan het doen is. Ze beogen een perspectiefverschuiving die het hele geloofsproject op een andere leest schoeit. Ruusbroec noemt het: het ‘gemene leven’ – de mens die deelt in de zichzelf wegschenkende liefde van God.

We hebben gesproken over het werkende leven, het innige leven en zijn nu bezig aan het schouwende leven. Het is één en al gestamel en paradox, want moet je zeggen als het over God zelf gaat? In de ‘afgrond der ongenaamdheid’ waar de mens buiten alle grenzen getrokken en meegevoerd wordt in de vereniging met God?

Ik vind het een beetje eng, zegt iemand. Dat heb je goed gezien, zeg ik. Er is niets zo eng als God, het past niet en het went nooit.  Ik geniet van deze avonden. De teksten doorbreken alle redelijkheid, ze zijn onbetamelijk, onmatig, ongenaakbaar en totaal niet van deze tijd en toch zijn ze krachtig en inspirerend als we er mee bezig gaan. De deelnemers zijn er altijd weer verbaasd van en ze begrijpen het eigenlijk zelf niet.

We eindigen met een gebed van Ruusbroec:
Dat wij allen de wezenlijke eenheid met God genietend mogen bezitten,
dat wij de Eenheid helder mogen aanschouwen in de Drieheid,
dat geve ons de goddelijke Minne, die geen bedelaar ooit iets heeft ontzegd.


twijfel

Hij is jong en sterk en heel gelovig. Ik vermoed dat hij dominees tot een met uitsterven bedreigd soort rekent, want hij heeft iets beschermends zoals hij mijn koffie aanreikt. Ik sprak laatst met een priester, vertelt hij, en die man twijfelde heel erg aan z’n geloof. O ja? zeg ik. Maar hij ging gewoon voor in de kerkdienst, zegt hij. Was het een mooie dienst? vraag ik een beetje vals, want ik snap wel wat er komen gaat. Jawel, zegt hij, maar dat is toch schijnheilig?

De waan van de tijd, denk ik bij mezelf. Alleen wat subjectief is, is authentiek. Maar ik ben dominee, geen filosoof, en ik vermoed dat hij het over zichzelf heeft. Het is tenslotte een hele verantwoordelijkheid om jeugdleider in een evangelische kerk te zijn. In een kerkdienst gaat het erom dat God in óns gelooft, zeg ik. Mijn eigen geloof is eigenlijk niet zo belangrijk. Wat denk jij? En het gesprek steekt af naar dieper en persoonlijker gronden.

Vandaag heeft mijn hoofd helemaal niets met geloof of met twijfel, het zit vol met griep. Maar ja, de zondagsdienst wacht niet. Ziekte en bezuinigingen hebben het aantal beschikbare predikanten drastisch verminderd, dus ik ben nog minder dan anders geneigd af te zeggen. Twee aspirines en een prima liturgie, dat moet te doen zijn.

Ik ben erg opgeschoven in mijn waardering van wat er in een kerkdienst gebeurt. Zoals bij de meeste jongeren stond bij mij lange tijd het persoonlijk beleefde bovenaan. Alleen wat je zelf kon voelen, dat is echt en heeft betekenis. Ik moest boven de veertig komen voordat ik de smaak te pakken kreeg van het objectieve. De taal en de rituelen die voorgegeven zijn, een bijbelleesrooster dat met miljoenen gedeeld wordt, eeuwenoude liederen, gebeden als een huis om in te wonen en te groeien.

Wat voorgegeven is, heeft een eigen soort wijsheid die je maar langzaam ontdekt, maar dan krijg je er ook geen genoeg van. Wat subjectief is, wisselt als de golven van de zee – maar daaronder zijn de diepe stromingen die langer meegaan en je ingrijpender meevoeren.

De gemeente heft haar lofzang aan, het woord klinkt, de gebeden rijzen en de wijn fonkelt in de bekers. Godzijgeloofd – met of zonder twijfel. Of de griep.


valkuilen
De truc van de Poolse dominee heb ik weten te vermijden. De zogenaamde Pfarrer belde aan en vertelde in gebroken Duits dat hij zijn treinkaartje terug naar huis had verloren. Gelukkig had iemand hem de weg naar de pastorie gewezen, daar was vast wel hulp te vinden voor een collega in nood. Gelukkig voor mij had ik het oplichtersverhaal al eens gehoord, dus dat voorkwam mijn misplaatste assistentie. Niet altijd was ik zo wijs. Hulpverlening kent veel valkuilen.

Vandaag is het voedselbanktijd. Ik zie het bestelbusje over de stoep naar de zij-ingang van de kerk rijden. Dat mag eigenlijk niet, maar er wordt wel meer gedoogd. De vutters die met de pakketten sjouwen, moeten nog langer mee.

Helpen waar geen helper is, dat is het motto van de hulpverleningsafdelingen van de kerk, sinds vroegste tijden genaamd: diaconie. De zeven werken der barmhartigheid vormen de leidraad voor hun taak: dorstlessen, hongerigen voeden, armen van kleding of een dak boven hun hoofd voorzien, doden begraven, gevangenen niet in de steek laten, zieken bezoeken, vreemdelingen herbergen.

In een doodgewone kerk zul je altijd veel van dit soort werk tegenkomen. Zonder poeha maar wel met effect. Mensen uit de wijk gaven taalles aan allochtonen nog voordat ze zo gingen heten. Er kampeerden vluchtelingen op het kerkplein, een telefonische hulpdienst is al tientallen jaren actief, mensen zijn vrijwilliger in aanloophuizen, vluchtelingenopvang, linkse politiek, Amnesty en Wereldwinkelwerk. Sinds kort moeten er weer hongerigen gevoed worden. We begonnen met 10, inmiddels zitten we op 25 voedselpakketten per week.

Hulpverlening zit vol ambivalenties. Je wordt bedonderd waar je bijstaat en je bedondert jezelf maar al te vaak over je eigen nobele motieven. Beide aspecten komen steeds weer aan bod in de praktijk. Liefdadigheid geeft snelle eigenwaarde – niet voor niets worden er yuppenreizen georganiseerd die hulpverlening en een luxe strandvakantie combineren. Geen reden om daar mee op te houden trouwens, maar spiritueel gezien schiet je er niet veel mee op. Het blijft uiteindelijk toch allemaal om jezelf draaien. De meeste vutters van de voedselbank zijn mensen die niet hun behoefte aan liefdadigheid maar de christelijke plicht tot naastenliefde als leiddraad volgen. En dan is bedonderd worden niet gelijk een vernietigende aanslag op je eigenwaarde, maar een lesje in nuchterheid en zelfrelativering. Wijsheid van het diaconale grondvlak.


Voor het zingen de kerk in
Confitemini Domino quoniam bonus zingen ze zonder met de ogen te knipperen. De noche iremos que para encontrar la fuente – zonder een woord te begrijpen wordt er van harte gezongen. Dat ze een lied van Johannes van het Kruis, de beroemdste Spaanse mysticus aan het zingen zijn, het zal wel. Leuk voor de dominee om te weten, maar daar komen ze niet voor.

Zondag was de laatste Taizé-viering van dit jaar. Deze kleine maandelijkse meditatieve bijeenkomsten passen goed in de kapel die aan de kerk is gebouwd. Maar na de zomer verhuizen we en dan moet er een ander onderkomen zijn die recht doet aan de sfeer van dit soort vieringen.

Onder leiding van gemeenteleden wordt er gezongen en gebeden, kaarsjes aangestoken en zijn we een tijdje stil. Dat heeft enige training gekost, maar nu is het ruim 5 minuten schuifelvrij. Protestanten zijn niet goed in stilte, het hoofd wil denkstof en raakt onrustig als er stilte valt. Maar we leren het. Stilte begint ook de gewone zondagochtenddiensten te verdiepen. Oefening baart kunst – en spiritualiteit.

Ze zingen goed in mijn kerk. Dat komt door onze organist die alle liederen meerstemmig uit het hoofd kent en luidkeels de toon zet als het even mis gaat. Zingen maakt individuen tot een gemeenschap, of het nu in de kerk of in het voetbalstadion is. Daarom vind ik de ingeblikte muziek van begrafenissen zo’n ramp – iedereen blijft in zichzelf opgesloten zitten. Maar dat dan toch nog liever dan in mijn eentje Vaste Rots van mijn behoud te moeten zingen..

Christelijk zingen is vol eigenaardigheden. In de oosterse kerk hangt het ambt aan je zangstem: voor priester moet je tenor zijn, diakenen zijn bij voorkeur bas. In de evangelische liedbundel kun je geen lied nummer 666 vinden, want dat roept associaties met de antichrist op. En de nieuwste rage schijnt het zingen van alle 66 verzen van psalm 119 te zijn.

Zelf gaat mijn voorkeur steeds meer uit naar de liederen die vast niet in het nieuwe liedboek terecht komen: liefst op oude voormiddeleeuwse wijs gezongen, met zo onbegrijpelijk mogelijke teksten. Prijs de Heer die herders prijzen, die in ’s hemels paradijzen alle engelen eer bewijzen, hier op aarde daalt Hij neer. Ontstaan rond 800, staat eronder. Of wat dacht je van: Het hoogste woord daalt uit het licht en blijft toch voor Gods aangezicht. Het geeft zich over aan de nacht, zo wordt zijn grote werk volbracht. 13e eeuws, met schitterende hertaling van Schulte Nordholt. En dit lied stamt al uit de 4e eeuw: O diepe nacht die ons omringt, de wereld in uw duister dwingt, het licht van Christus kleurt de lucht, Hij komt, Hij jaagt u op de vlucht.
Zulke teksten maken duidelijk dat het in de kerk om poëzie gaat, niet om wiskunde. Dat voelen de Taizé bezoekers haarfijn aan.

De oude melodieën zijn geen meezingers, zoals de opwekkingsliedjes waar ik vroeger gek op was. Maar ze bereiken een diepte die bijna nergens anders in te vinden is. Prima als Taizé liederen in een nieuw liedboek terecht komen, zij aan zij met evangelische gezangen. Maar wie bewaakt de oude schatten? Zal ik straks nog voor het zingen de kerk in gaan?


BOTOX VOOR OUDEREN
?
De dame aan de andere kant van de tafel kijkt me stomverbaasd aan. MET SUBSIDIE? Ze begint te giechelen en wij ook. Boottocht voor ouderen, zegt de diaken onverstoorbaar, niet van plan zich van zijn stuk te laten brengen. Misverstanden in het gehoor zijn niet zeldzaam in het kerkenwerk.

We zitten wat onwennig in het voor ons vreemde kerkgebouw. Het is de vergadering van de wijkwerkgroep, één van die vele verdwijnende kostbaarheden van de kerk. Zo'n acht contactpersonen houden de vinger aan de pols in een aantal straten van de wijk. Ze brengen het kerkblad rond, houden de verhuizingen in de gaten, brengen soms een bloemetje en leveren een algemeen netwerk van zorg. Veertig jaar geleden, toen de wijk werd gebouwd, zijn ze hier komen wonen en ze kennen nog veel van hun buurtgenoten.

Dat is aan het veranderen. De wijk is inmiddels sterk vergrijsd, de goedkope flats worden door starters en allochtonen gehuurd en de sociale samenhang verdwijnt. De gemeente is begonnen met het rekruteren van vrijwilligers om de openvallende taken van de kerk over te nemen.

Maar nu zijn ze er nog, de kerkmensen van 60 of 70-plus die naast de zorg voor zieke ouders en oppashulp voor hun kinderen, ook nog zorg aan hun buurt geven. Gouden mensen zijn het en ik ben blij dat ik ze ken. De 'botox voor ouderen' is een jaarlijkse activiteit waar ruim 80 bejaarden een dagje mee uit worden genomen, tegen een kleine eigen bijdrage. De nieuwe WMO heeft een potje voor dat soort dingen, heeft de diaken verteld. De kerk hoeft dat niet meer zelf te betalen, mits het uitje ook open is voor niet-kerkleden. Ze zijn verontwaardigd. Dat was het toch allang?

We bespreken het wee van het echtpaar waarvan de één in het ene tehuis is opgenomen en de ander in een ander, een steeds vaker voorkomend gebeuren. Gespecialiseerde hulpverlening is niet erg flexibel en dat brengt droeve situaties met zich mee. Kan er bezoek geregeld worden? Is er contact met de kinderen? Telkens weer verbaas ik me over de vasthoudendheid waarmee mensen elkaar in het oog houden. Misschien was het vroeger benauwend, zo'n netwerk van buurtcontact, maar tegenwoordig is het een godsgeschenk. In het gebed aan het einde van de vergadering komt alles nog eens langs en wordt het in de ruimte van God gelegd - dat geeft lucht bij al deze zorgverhalen.

Dan worstelen we ons het kerkgebouw uit, de deur blijkt mishandeld te moeten worden voordat we eruit kunnen en niemand heeft een sleutel vanwege de verzekering. De koster moet zijn kind uit school halen en dus zijn we aan onszelf overgeleverd. De dames trekken allemaal tegelijk een mobiel tevoorschijn om hulp in te roepen, maar het blijkt niet nodig. Dan  waaieren ze weer uit. Even hoor ik het gedruis van beschermende vleugels. Maar dat blijkt het hulpmotortje op een fiets.


Bord voor m’n kop
Pasen laat me altijd achter met een wat merkwaardig gevoel. Misschien komt het door het rondje in de kerk met een 'bord voor mijn kop'  - zoals ik eens hoorde fluisteren. De grote ommegang met de paasikoon is een hoogtepunt in de paasnacht, vol diep gevoelde betekenis - maar wel met een knipoog.

Dit is wat ik zo waardeer in mijn kerk: doorleefde hoge liturgie gecombineerd met ontnuchterende volkshumor - een uitzonderlijke combinatie in het protestantse kerkleven.

De tijd na Pasen heeft voor mij een bepaald soort oningevuldheid, als van een schone lei. We hebben de diepten van lijden, onrecht, schuld en dood meebeleefd via de rituelen van de paasweek. Het valt niet mee om deze kanten van het bestaan werkelijk onder ogen te zien en een plek te geven in je bewustzijn. We vierden de doorbraak van het licht, de wederopstanding van de hoop en het nieuwe begin dat je zomaar aangereikt krijgt. Zo gaat het in de kerk met Pasen - en zo kan het gaan in het leven. Vandaar dat het voelt als een schone lei, een echt nieuw jaar - alles is nog mogelijk.

Dat verhoudt zich soms maar moeilijk met de werkelijkheid van veel vergaderen over de fusie van drie wijkgemeenten, het afscheid van ons schitterende kerkgebouw en de verkoop van de pastorie. Alles is dan misschien wel mogelijk, maar zeker niet altijd even gewenst.



Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.