Vasalis



Een witte ochtend, eerste dooi
de lucht wit-grijs, egaal gespreid
en aan de lange horizon
welt nu een witte zon.

Geen wind, beweging of geluid.
Er botten waterdruppels uit:
aan iedre tak en iedre struik
zijn knoppen licht.

Een hartstochtloze en totale aanwezigheid
maakt zich nu kenbaar en het is
of in een diepe adempauze van de tijd,
dichtbij, een pasgeboren kind
zich stil, volmaakt en ademend bevindt.

 
 M.Vasalis. Uit: De oude Kustlijn 



 Weer wordt alles anders,

Nu word ik weer betoverd,
Door ’t allerluchtigste, waar niets van overblijft.
Nu lijkt het weer of dat het enig levende is
En al ’t eenvoudige en harde, alleen décor,
Een bodem waar het leven boven drijft.
Een gouden haar,
Haperend op een donkerblauwe mouw,
Een hiëroglief.
Sporen van vogelpootjes in de sneeuw,
Een ondertoon van lachen in een stem.
Vreemd, dat het leven zo terug gaat komen,
Achterstevoren,
In schaduwen, echo’s, lichte sporen.

 

M.Vasalis, uit: Vergezichten en gezichten.


Kennen

Ik hoor de wind, omdat hij door de blaadren sleept,

Ik zie de blaadren waar het licht op breekt.

Maar welke blaadren hangen er in stilte en 't donker

en welke oren sluimren waar geen stem tot spreekt.

Ik voel de oude wanhoop van het instrument,

dat tot het uiterste gedreven

niets dan zijn eigen grens herkent.

 

M. Vasalis, uit Vergezichten en gezichten 


UITTOCHT

De koningen zijn koningen gebleven,
ik heb hun tronen weggenomen;
de slaven bleven slaven,
ik nam de ketens af.
Des avonds zijn zij weggetrokken.
Zo konden zij niet in mij wonen.

Wie schrijden kon schreed,
trots en bemind tot op het laatste ogenblik;
wie strompelen moest strompelde,
dieper bemind en tot het eind toe ondersteund.
Het laatst verdween, gezogen door de sluis der poorten,
een draaikolk paarden, met een zwiep der staarten,

en toen het stof was neergezegen
en ook het laatste gruis geruis,
hoorde ik alleen mijn hart nog slaan,
als zocht het kloppende hen in te halen,
maar ‘t hart kon ik niet laten gaan.
In ‘t duister zag ik toen de poort verdwijnen,
de hoge wallen krulden terug als blaadren
en ‘k stond alleen zoals een stamper doet.

Kom! Lopende op blote voeten...

 

M.Vasalis, uit: Vergezichten en gezichten 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.