Sporen (3)


foto M. Vonkeman



Er is een onbegrijpelijk gebeuren

dat het hart doet scheuren:

dit hakend hunkeren dat ontstaat

als jij mij laaft.

 

Honger krijgen terwijl je aan het eten bent. Dorst terwijl je drinkt. Zo is soms de ervaring van de mens in de ontmoeting met God. Juist op het moment dat alle licht en leven, alle zoete geluk, alle troost en vervoering ons leven binnenkomt, geschonken door de grootste minnaar aller tijden, juist op dat moment scheurt het hart. Hoe meer God zichzelf geeft, hoe heviger het hunkeren. Elke aanraking is het begin van een nog groter verlangen.

 We zijn mensen van behoeften en verlangens. We hebben eten nodig, veiligheid, respect, liefde, een leven dat we als zinvol ervaren. De dingen die we doen en de relaties die we opbouwen zijn erop gericht om deze behoeften vervuld te krijgen. Alle beweging en alle verandering hebben als motor een behoefte of een verlangen. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar. Ook onze relatie met God wordt voortbewogen door verlangens en behoeften. En daar zit het probleem. God komt met geen enkel verlangen van ons overeen: Hij is eenvoudig weg te groot voor de maat van onze behoeften en verlangens.
 

Hij past niet, zogezegd. Zijn liefde is zoveel groter dan waar wij naar verlangen, we beginnen te barsten als Hij zichzelf aan ons begint te geven Zolang het nog iets is dat God geeft, zoals een hart dat blijft kloppen, tijd van leven en beminnen, voedsel dat op de velden groeit, zolang gaat het nog wel. Zolang we iets van zijn weerglans ontvangen in het licht op de bladeren en de lach van een kind, zolang houden we het wel uit. Maar als God zichzelf gaat meedelen, beginnen onze problemen.

 De enige maat van de Godsliefde is het mateloze, zei Bernardus van Clairvaux al duizend jaar geleden. Alleen mateloos kan God die zonder maat is, ontvangen worden. Daarom blijft de relatie met God in ons beperkte menselijke bestaan dan ook onvoltooid. Meer dan een voorproefje van de vereniging met God kunnen wij niet dragen zolang ons lichaam en onze psyche zijn grenzen heeft. Elke aanraking van God zelf kan niet anders dan onze grenzen onder spanning zetten, het hart scheurt, alles haakt naar voltooiing, naar bevrijding van alle beperking. God, die de diepste verlangens van het menselijke hart bevredigt, voedt ons met honger en laaft ons met dorst.
 

God is niet inpasbaar in ons bestaan. We hebben geen andere keuze dan uit ons zelf weg te trekken, een onbekende ruimte in. De veiligheid van het bekende moet verlaten worden. Het is als dood gaan, alles wat we weten valt weg. Naakt en bibberend op onze blote voeten komen we naar buiten. Als Elia uit zijn spelonk treden we in een ander licht. Als God zelf ons niet beschermt tegen de grenzeloosheid van zijn wezen, zijn we verloren. Maar het suizen van een zachte koelte omvat ons..

 Waarom zouden we niet wachten tot we in de hemel zijn voordat we ons aan het avontuur van een Godsontmoeting wagen? Dat zou toch verstandig zijn? Maar soms lijkt God zelf een ongeduldig minnaar die niet kan wachten tot zijn geliefde haar bruidstoilet gereed heeft…



foto M. Vonkeman
  

 

The jazz-factor

Ritme

onderstreept de tijd

net als herinnering.

Alleen de tijd verlost de tijd.

 

Het leven is onvoorspelbaar. Er ligt een toevalselement in waardoor er goede dingen kunnen gebeuren, maar ook heel afschuwelijke. We houden niet erg van het toeval. Bijna al onze wetenschap is erop gericht om alle aspecten van het leven onder controle te krijgen. Daar is al veel goeds uit voortgekomen. We zijn beschermd tegen ziekten en rampen waar we vroeger weerloos tegen waren. Niet alles valt echter te herleiden tot oorzaak en gevolg. Dan zou het leven een soort grote machine zijn. Als we dat menen, missen we de jazz-factor.

 Jazz wordt gekenmerkt door ritme en improvisatie. Er is een grondritme en daarbinnen spelen de verschillende instrumenten hun eigen ter plekke geïnspireerde partij. In een wereld die geregeerd wordt door vaste wetten is geen plaats voor improvisatie. Als wij menen dat alles een oorzaak heeft en een gevolg dat ons noodzakelijkerwijs overkomt, is er geen ruimte voor een  eigen antwoord, geen ruimte voor vrije wil, geen ruimte voor dat wat ons zomaar onverdiend toevalt, geen ruimte voor God.

 Wat wij herinneren uit het verleden is een selectie. Veel is niet tot ons doorgedrongen, zijn we vergeten of worden door andere herinneringen overschreeuwd. We onderstrepen onze levenstijd door onze herinneringen en de gevoelswaarde die wij daaraan toekennen. Herinneren is het persoonlijk interpreteren van het grondritme, de gebeurtenissen van ons leven. Daar ligt dan ook de ruimte voor improvisatie. Want wij zijn meer dan het resultaat van de dingen die ons overkomen. Er is speelruimte in de wijze waarop wij herinneren. De speelruimte van God.

 Verlossing gebeurt niet in een verre toekomst, in een hemel weg van de aardse tranen. Verlossing is geen vorm van geheugenverlies. In de tijd wordt de tijd verlost. Niet het vergeten maar het op de juiste wijze herinneren maakt ruimte in het verdriet en de pijn van het verleden. De tijd heelt alle wonden, maar niet omdat wij vergeetachtig worden. Het gaat erom op welke wijze wij het verleden opnieuw in ons innerlijk tegenwoordig maken.

 Alles komt goed, alles is goed en alle dingen zullen goed zijn, zegt de mystica Julian van Norwich in het door de pest geteisterde Engeland van de 14 e eeuw. Alles is goed. Niet omdat er niets meer mis is, maar omdat het kwaad beperkt blijft tot het verleden en het goed ook in de toekomst bewaard blijft en God alles omvat. De dood maakt een einde aan het lijden maar niet aan de vreugde. Op een fundamenteel niveau zijn wij onaantastbaar, voorgoed bewaard in de hand van God. In God die groter is dan de tijd, is het mogelijk om het verleden als het ware vanuit de toekomst te herinneren. En dan ziet hetzelfde er heel anders uit. Er opent zich een ruimte om onze herinneringen heen waardoor ze op een andere manier ons te binnen komen.

 Levend vanuit God worden andere zaken onderstreept. We leven niet meer op het ritme van onze voor- en tegenslagen. Die zijn niet anders dan de golven van de zee. Maar wij zíjn die golven niet, wij zijn deel van de zee. De gebeurtenissen die een eeuwig aspect in zich dragen onderstrepen zichzelf in ons leven. Nu wordt onze eigen unieke melodie, improviserend met de rest van het leven en afgestemd op het grondritme van God, hoorbaar. Ons leven krijgt  jazz-factor.


foto M. Vonkeman


 Beelddrager

Alleen in het duister

wordt de afdruk ontvangen;

en dan ontwikkeld

en zichtbaar voor de ander.

 

Hoe God zijn invloed uitoefent onttrekt zich aan ons zicht. Het is duister voor ons verstand. Beeld en afdruk zijn bekende begrippen in de mystieke traditie. God heeft de mens naar zijn eigen beeld geschapen, zegt de bijbel. We zijn beelddragers, gevormd door het stempel dat God op ons heeft gezet. Die voorgegeven afdruk oefent een bepaalde werking uit die ons doet neigen naar God. Het ontwikkelen van gevoeligheid voor die werking is het handwerk van de mysticus.

 In het duister gebeurt God aan ons, op verborgen lagen. Net zoals het licht waarmee een foto wordt gemaakt in het donker van de camera opgevangen wordt, zo moet het donker zijn voordat God zijn werkingskracht kan uitoefenen. Dat wil zeggen: het licht van ons zelfbewustzijn kan er niet bij. Het licht van ons verstand, ons gevoel, onze eigen wijze van liefhebben en handelen, ze staan erbuiten. De afdruk wordt ontvangen. Het is Gods eigen initiatief, wij kunnen er niets toe bijdragen, we hóeven er ook niets toe bij te dragen. Wij ontvangen door te vertrouwen op God. Dat kost ons de grootste inspanning: om zover te komen dat wij werkelijk ons vertrouwen op God alleen vestigen. Soms zijn we ons leven lang bezig om af te leren alles naar onze eigen hand te willen zetten. We kunnen niet geloven dat God ons naar zijn beeld geschapen heeft en dat hij het werk dat hij begonnen is, ook zal voltooien.
 
Het is alleen in het duister dat Gods afdruk ontvangen kan worden. Niet alleen is het donker, verborgen voor ons zicht, maar ook alleen. Het stempel dat God op ieder van ons zet is hoogst persoonlijk. We worden geen massamensen die allemaal hetzelfde zijn. Integendeel, de werking van God maakt ons juist tot de unieke personen die we zijn. Om de werking van God in het diepst van ons wezen te ontvangen, dienen we dan ook vrij te zijn van overmatige binding aan anderen. Als wij ons leven nog via anderen leven (onze partner, onze ouders, onze kinderen, onze leermeesters of onze clubgenoten), zijn we als zwemmers die willen zwemmen met één been op de wal.
 

De groei naar beelddrager van God is geleidelijk. We zijn niet ineens heilig omdat God zijn stempel op ons zet. De werking van God is als gist, geleidelijk aan trekt het door alle lagen van ons bestaan heen. Alle aspecten van onze persoon worden meegenomen: ons inzicht, onze emoties, onze driften, onze deugden en ondeugden, onze kwetsuren en onze talenten. Dit is een levenslang integratieproces waarbij steeds nieuwe kanten van ons boven komen en omgevormd worden, mee-gevormd naar de afdruk van Gods eigen wezen.

Wat zichtbaar wordt voor een ander is niet de oorspronkelijke afdruk, maar de uitwerking daarvan. De onzichtbare en onzegbare God drukt zich uit, hier en nu, door een mens, door ons. Dat is het wonderlijke geheim van Gods komst in de wereld.


foto M. Vonkeman


Optelsom

Als ik 1 ben en jij 1 bent

zijn wij samen 3.

3 in 1 is meer

dan alles bij elkaar.

 Mensen komen moeilijk tot heelheid. Het valt niet mee om één zijn in je gevoel, je denken, je daden, om één zijn in de grond van je bestaan, in de diepe drijfveren waardoor je voortbewogen wordt.

 Over het algemeen vullen wij de gaten in onze heelheid met andere zaken dan onszelf. We verdrijven de gedachte aan onze zekere dood (het enige dat we zeker weten in dit leven) door ons zo actief mogelijk op te stellen. We verdringen ons besef van vergankelijkheid door kinderen te krijgen, een huis te bouwen of werk te doen dat ons zal overleven.

 Ook vullen we ontbrekende of onderontwikkelde delen van onze psyche door het aangaan van relaties met een aanvullende partner of vrienden. Ik ontleen stabiliteit aan mijn rustige echtgenoot, terwijl hij meedrijft op mijn vlugge energie. Jij voelt je minderwaardig dus klamp jij je vast aan iemand die gerespecteerd wordt. In gezinnen zie je hoe de verschillende leden elk een eigen plekje in het weefwerk innemen: de ‘slimme, de domme, de ambitieuze, de driftige, de moeilijke, de makkelijke’. Onze karaktereigenschappen worden door elkaar beïnvloed en versterkt – en soms zelfs vastgespijkerd. Als het relationele netwerk verbroken of verstoord wordt, kunnen mensen dan ook volledig uit balans raken.

 Toch is het, om heel te worden, nodig om uit deze veilige maar ook eenzijdige en daarom beperkende patronen los te komen.

‘Verlaat je land, je stam, je familie en ga naar het land dat ik je wijs,’ zegt God tegen Abraham. En Jezus zegt: ‘wie vader of moeder liefheeft boven mij, is mij niet waard.’ Deze woorden hebben natuurlijk niets te maken met het ontkennen van familiebanden, maar met de juiste prioriteiten: God is degene die bepaalt wie wij ten diepste bedoeld zijn: niet de belangrijke mensen in ons leven.

 Als onze identiteit wortelt in ons nationale gevoel, ons familiegevoel, of in het beeld dat geliefden van ons hebben, ontdekken wij nooit dat wij ten diepste in God geworteld zijn. In het laatste gebed dat Jezus uitspreekt voor zijn dood (in Johannes 17) bidt hij dat zijn leerlingen één zullen zijn zoals de Vader en hijzelf één zijn. Met andere woorden: dat zij opgenomen zullen worden in de liefdesrelatie van Drie-Ene God zelf. Werkelijk één worden is deel krijgen aan Gods eenheid, Gods heelheid. Alleen als we zo 1 zijn geworden, zijn we in staat tot echte relaties.

 Als ik 1 ben en jij 1 bent, zijn wij samen drie. God gebeurt tussen mensen. Liefde en vriendschap in alle vormen verwijzen naar God. God is de zuiverende kern in al onze liefdesrelaties. God is het verlossende geschenk in elke vriendschap of liefde. Tegelijk vormt deze kern het weerbarstige element in elke verhouding. Alleen in God is de eenheid te vinden die niet tegenover verscheidenheid staat. Daarom kunnen we aan de relaties die we hebben nuchter aflezen hoe het werkelijk staat tussen ons en God. Eenheid met God maakt ons heel op zo’n manier dat we één kunnen worden met een ander zonder zelfverlies en zonder de ander naar ons eigen model te kneden. Waar die eenheid in mij groeit, groeit ook het vermogen tot steeds waarachtiger samenzijn. Dit is de grote droom van de kerk: eenheid in verscheidenheid. De hele schepping opgenomen in het liefdesleven van God. 3-in-1 is meer dan alles bij elkaar.


foto M. Vonkeman


Wens bij het afscheid

Dat er ooit

één moment

zich opent, uitdijt

in aanwezigheid.

 Afscheid nemen is een beetje sterven, zeggen de Fransen. Geen wonder dat we daar niet van houden. Een klein kind begint te huilen als moeder de kamer uitloopt, we blijven wuiven tot onze geliefde de straat uit is en tellen de dagen wanneer ons kind weer eens op bezoek komt. En als we iemand aan de dood verliezen is het alsof we zelf een beetje doodgaan.

 Het is moeilijk voor ons om verbondenheid te blijven voelen als de ander niet lijfelijk aanwezig is. Het is nog veel moeilijker om ons verbonden te blijven voelen als de ander ons pijn doet of zelfs afwijst. De band die wij met anderen hebben bestaat vooral in wat de ander aan ons geeft of in de overeenkomst die we voelen. Als daar een kink in komt, breekt de kabel. Dat kan tot grote paniek leiden en tot overhaaste beslissingen. De angst voor afwijzing en eenzaamheid neemt het over en de liefde verdwijnt uit zicht. Bij het verlies van een beminde zijn de herinneringen even zovele pijnlijke tekenen van wat voorbij is.

 Hier wordt een andere mogelijkheid bij het afscheid beschreven, de mogelijkheid van Pinksteren. Jezus is ten hemel gevaren, zijn leerlingen blijven verweesd achter. Maar dan komt Pinksteren: het feest van de uitstorting van de Heilige Geest. Een nieuw soort aanwezigheid gaat voortaan met de leerlingen mee. Jezus is weg, maar in zijn afwezigheid is hij meer aanwezig dan ooit. Voortaan herinneren zijn leerlingen hem op een manier waardoor hij steeds weer nabij is. Tijd en ruimte zijn voorgoed met hem vervuld.

 Dit is een verbondenheid die nergens meer door verbroken kan worden. Aanwezigheid of afwezigheid heeft in zekere zin zijn betekenis verloren. Deze verbondenheid wordt ervaarbaar als wij alles in God beleven en herinneren. Als God zelf de verbindende factor is tussen ons en de wereld om ons heen, is niets vast te houden en niets te verliezen. Dat wil niet zeggen dat ik niet kan verlangen naar de concrete aanwezigheid van een geliefde. Maar afwezigheid doorbreekt niet langer de verbondenheid. Of de ander er is, of mij wel of niet begrijpt of aanvaardt, dat is niet langer de basis waardoor wij bij elkaar horen. Wij wortelen allen in God: dat is onze wezenlijke eenheid. Leven na Pinksteren is leven vanuit die fundamentele verbondenheid.

 Daarom deze wens als een pinkstergebed, bij elk moeilijk afscheid: dat er een moment zal komen waarop een herinnering aan de geliefde en aan de verbondenheid die er ooit was, zich zal openen tot een nieuw soort aanwezigheid nú. Terwijl ik de pijn van het verlies draag kan het gebeuren dat een moment van herinnering uitdijt tot een tijdloze verbondenheid, over de dood of de scheiding heen. Dat is mogelijk in God.


foto M. Vonkeman


 In het begin

ligt

het einde

dieper

erin

erin.

Wat zijn zal hongert naar wat was,

Dood is eerst en toen het leven.

 

Vooruitgang in het geestelijk leven heeft een heel eigen richting. Je kunt niet zeggen: eerst was ik hier, bij kilometerpaal 3, en nu ben ik bij paal 8, dus ik ben al een eind verder. Beweging in geestelijke zin heeft eerder de vorm van een spiraal. We komen niet echt verder, maar eerder dieper, of hoger, of wijder, of geconcentreerder. Alles is in het begin al gegeven, het is nu een kwestie van uitpakken en ontwikkelen. In het zaad ligt de boom besloten. Het einde, ons doel, is niet anders dan God zelf, die ook het begin is.

 Dieper - erin – erin. De woorden stapelen zich op elkaar, buitelen over elkaar heen. Het naderen tot God is als het binnengaan van een kamer, en dan nog een keer naar binnen. Of, net zo waar: naar buiten gaan en dan nog een keer naar buiten. Binnenstebuiten of buitenstebinnen. Dat is de beleving van een mens die uit zijn of haar eigen begrenzingen wordt getrokken in de ruimte van de Godsontmoeting. Erin-erin, als een herinnering waarvan men de binnenkant ervaart, dat wil zeggen: de betekenis ervan.

 Leven dat zich uitsluitend in een horizontale lijn voortbeweegt, is plat. Dan gaan we van oorzaak naar gevolg, van opstaan naar slapen, van geboorte naar dood. Pas als men erin en dan nog eens: erin, gaat, ontsluit het bestaan zijn meerdere dimensies. Elke gebeurtenis, elk moment van het leven, draagt deze mogelijkheid van verdieping in zich. Wat zich aandient, wil beluisterd worden tot op de onderste lagen. Niet alleen ikzelf dien mijn eigen beperkte wijze van zien en proeven los te laten. Ook de gebeurtenissen zelf dienen van hun verpakking ontdaan te worden. Soms komen er verschrikkelijke dingen op mijn pad die toch – in de ruimte van God - een geschenk kunnen meebrengen. Soms gebeurt er iets dat mij totaal verbijstert. Maar als ik goed luister, naar mijzelf en naar wat er gebeurt - erin en nog eens erin – dan hoor ik muziek. Pas dan is er de ruimte waarin betekenis zich ontsluit, de ruimte waarin God spreekt.
 

Wat zijn zal hongert naar wat was. De toekomst wil het verleden verlossen. Er raakt niets verloren, alles wordt meegenomen. Wat we hebben laten liggen, zal zich weer opnieuw aandienen. Wat aan goeds is kwijt geraakt, vindt zich weer terug. Voltooiing draagt heel het verleden in zich mee. De God die mij vandaag vond, verlangt ook naar mij toen ik nog geen weet van hem had. Ik verlang ernaar om Hem te kennen in al die momenten van mijn verleden dat ik niet door had hoe dichtbij Hij was. Ik verlang ernaar om alsnog recht te doen aan al die goede gaven die mensen en het leven mij gaven zonder dat ik er ontvankelijk voor was.

 Dood is eerst en toen het leven. Een graankorrel sterft voordat hij vrucht draagt. Om te leven moeten wij sterven aan alles in ons wat de dood in stand houdt. Levend met God gaan wij steeds dieper de dood in om tot het leven te komen. Maar ook dit is waar: eerst bestonden wij niet, maar toen zijn wij geboren. De dood ligt al achter de rug, zelfs als wij gaan sterven. Op het moment van onze dood gaan wij alleen maar dieper het leven in: erin en nog eens erin. Voorgoed geboren, voorgoed verenigd met Degene alle begin en einde omvat.
 


 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.