DRIE-OP-VRIJDAG (3)


22. Sajidah Abdus Sattar

 Er is een vraag die me al van kinds af aan bezighoudt: hoe verschillend nemen mensen de wereld waar? Mijn voorlopige conclusie is dat we allemaal door een raster kijken; iedereen door een raster met een ander patroon. We kijken naar elkaar en naar de wereld om ons heen, maar krijgen er geen van allen een volledig beeld van. In ieders visie ontbreken fragmenten. iedereen interpreteert het onvolledige beeld op eigen wijze en vult de lacunes op met veronderstellingen. Datzelfde geldt ook voor ons zelf beeld. Het is alsof we in een gebroken spiegel kijken. Ons gebrek aan helderheid van visie is er mijns inziens de oorzaak van dat we de fundamentele eenheid van het bestaan niet herkennen. Door de barsten in ons eigen beeld lijkt de wereld versplinterd en worden medemensen vertekend tot vijanden. Eén God, één einddoel en één wereld waar we allemaal in leven. Een dergelijke overweging is slechts een metafysische abstractie als het niet toegepast wordt in de praktijk van alledag.

 Kan eenheidsbesef polarisatie tussen mensen voorkomen? Roemi vertelt van de jongen met schele ogen. Op een dag wil zijn vader hem de waarheid onthullen. Als ze 's avonds buiten zijn, slaat hij zijn arm om hem heen en zegt: "Zoon, jouw ogen zijn onvolmaakt; ze zien alles dubbel." “Nee hoor", zegt de jongen, "als dat waar was, zou ik nu vier manen zien."

 Het blijkt nodig te zijn om steeds weer de eigen impressies aan te vullen met die van de ander. Alleen daarom al moeten we dankbaar zijn dat we met anderen en andersdenkenden samenleven. Als moslims in Nederland beleven we elke dag de maatschappelijke realiteit van een minderheidsgroep. Dat betekent te vaak dat wij ter verantwoording worden geroepen voor dingen die elders in de wereld door anderen gebeuren en waar wij geen controle over hebben. De meerderheidsgroep ziet zichzelf veel minder genoodzaakt zich te verantwoorden. Wie zwakker is, kan het bijna niet goed doen. Als je een laag profiel bewaart, ben je verdacht geheimzinnig en als je kritiek levert, wordt dat als vijandig­heid verstaan. Als je mening afwijkt van de gangbare, ben je fundamentalistisch, reactionair. Het uiten van een ideologisch standpunt is te opdringerig, eer, spirituele benadering te idealistisch en de menselijke invalshoek te zachtaardig.

 Als dit kritiek inhoudt, is het ook zelfkritiek. We zijn immers allemaal geneigd ons eigen ideaal te vergelijken met de gebrekkige werkelijkheid van de ander. Misverstanden zijn waarschijnlijk onvermijdelijk, maar wie zwakker is, als groep of als individu, lijdt er meer onder. Dit verschijnsel komt voor binnen elke gemeenschap en in alle externe relaties. Dat het een algemene zwakheid is, neemt niet weg dat we oog moeten hebben voor de gevolgen ervan. Hoe meer macht en invloed iemand heeft, des te zwaarder drukt de verantwoordelijkheid.

 In de brieven die ik ontvang en die in deze krant worden gepubliceerd zijn veel voorbeelden te vinden van een haastige beoordeling van de"onbekende ander." Als het om de zwakkere gaat, wórdt die beoordeeld en mag zelf blijkbaar geen oordeel uitspreken. Je menselijkheid en individualiteit verdwijnen achter het etiket dat anderen je opplakken. Je wordt niet meer gezien als persoon, maar als lid van een groep: De anderen die toch zo gevaarlijk zijn. Het vervelende is dat vooroordelen vanzelfsprekend worden. Ze lijken steeds weer te worden bevestigd door nieuwe berichten, omdat die telkens in het oude, scheve kader worden geplaatst. Het kan tot wanhoop drijven als je constateert dat, watje ook doet, het heersende beeld praktisch niet veranderd of genuanceerd kan worden. En dat het steeds weer leidt tot onzinnige meningen.

 Het is als met molla Nasruddin in een oosters leerverhaal. De molla strooide, midden in de stad, avond na avond broodkruimels op straat. Zijn buurman vroeg hem waarom hij dat toch deed. "Dat is om de tijgers weg te houden", was het antwoord. "Maar er kómen hier nooit tijgers", opperde de buurman. "Zie je wel dat het werkt!" zei de molla.



23 Marianne Vonkeman

 In de vorige column beschreef Sajidah hoe het is om als lid van een minderheidsgroepering steeds onder vuur genomen te worden door de meerderheid. Ze vertelt hoe het bijna niet mogelijk om tot een werkelijk gesprek te komen omdat vooroordelen een open luisteren verhinderen. Haar verhaal doet me denken aan andere emancipatiebewe­gingen. Als het gaat om gelijkberechtiging, om burger­rechten, om onderwijs, om sociale gerechtigheid, dan kunnen misstanden niet genoeg bestreden worden. In een voortdurend veranderende samenleving zullen er steeds groeperingen zijn die achtergesteld worden (of raken), en waar actie voor gevoerd moet worden. Vrouwen en zwarten in een blanke mannenwereld; gelovigen van allerlei soort in een geseculariseerde maatschappij; werkelozen en zieken in een prestatiegerichte omgeving; ouderen in een jongerenwereld, jongeren in een ouderen­wereld (om nog maar niet te spreken over rechtdoen aan het milieu of de derde wereld). Waar het mij om gaat is dit: is het nodig dat er per definitie een machtsstrijd ontstaat tussen minderheid en meerderheid? Dat het soms en misschien wel vaak, nodig is omwille van gerechtig­heid, ontken ik niet.

 Maar hoe zit het met de stereotypering van de meerder­heid? Is dat wel zo'n homogeen blok als de minderheid denkt? En heeft de minderheid niet wat anders te doen dan zich te verdedigen tegen de misvattingen van ande­ren? Ik moet denken aan een opmerking van een jonge feministische theologe. Er werd haar de welbekende vraag voorgelegd of het man-zijn van Jezus Christus en zijn leerlingen niet een obstakel vormt voor de openstelling het kerkelijk ambt voor vrouwen. "Het man-zijn van Jezus is tot probleem gemaakt door mannelijke theologen. Laten zij het ook maar oplossen.", zei ze eenvoudig en doel­treffend. "Laten wij zelf onze eigen agenda bepalen en onze eigen bijdrage leveren." En vervolgens zette zij uiteen hoe er vanuit feministisch perspectief andere soorten van vragen ontstaan. Vragen die andere mogelijk­heden openen voor de samenleving als geheel. Vragen die binnen het 'meerderheids-perspectief' niet eens ontstaan kunnen.

 Het behoren tot een meerderheid kan onze identiteit vormen. Maar ook het behoren tot een minderheid kan tot identiteit worden. Polarisatie ontstaat in de eerste plaats door ongerechtigheid. Maar minstens zo belangrijk is het verschijnsel dat mensen hun persoonlijke identi­teit aan uiterlijke zaken ontlenen. Aan hun prestaties, aan de goedkeuring van belangrijke personen, aan identi­ficatie met een sub-groep. Aan het afgrenzen van zich­zelf tegenover een ander door stereotypering. Het is alsof het hart van mensen ingepakt wordt door een schil. Een harde buitenkant waardoor de dynamische, creatieve en kwetsbare innerlijke mens zich niet vrij aan de wereld kan meedelen.

 Jezus vergeleek het koninkrijk van God met een mosterd­zaadje, "het kleinste van de zaden op aarde, dat toch, als het gezaaid is, opkomt en groter wordt dan alle tuingewassen en grote takken maakt, zodat in zijn schaduw de vogels van de hemel kunnen nestelen." Zaad dat sterft in het zaaien en alleen dan veel vrucht voortbrengt, is een veel voorkomend beeld in het nieuwe testament. De christelijke kerk heeft dit in de eerste plaats verstaan als een beschrijving van Jezus zelf. De identiteit van Jezus bleek niet uit afgrenzing te bestaan. Zijn verwelkoming van heidenen was voor hem geen ontkenning van zijn jood-zijn. Zijn man-zijn bracht hem niet in een positie tegenover vrouwen, zijn vrij-zijn niet tot een zich distantiëren van slaven. "Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussen­muur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft," schrijft Paulus. Daar waar de christelijke kerk zichzelf kent en handhaaft door afgrenzing en vijand­schap, daar is zij niet langer verbonden met Jezus. Zo simpel is het en zo moeilijk is het. Inzet voor het rijk van de ene God zal misschien altijd 'minderheidswerk' blijven. Maar geen enkel zaad draagt vrucht als het in zijn eigenheid blijft opgesloten.


24. Awraham Soetendorp

 Prinsjesdag viel dit jaar samen met Soekot, het joodse loofhuttenfeest. Een gelukkig 'toeval'. Soekot is bij uitstek een feest met een universele betekenis. De hut, breekbaar, die men met eigen handen bouwt, waarin men vertoeft. Met de dadelpalm, de beekwilg en de mirte‑takken, de etrog, een citroenachtige vrucht in de hand, wordt in de synagoge de zegen afgesmeekt over de hele schepping. In bijbelse tijd werden zeventig offers gebracht in de tempel om voorspoed te vragen voor de zeventig volken van de aarde.

 Soekot: het feest van de mensheid. Maar ik betwijfel het of iemand van de kerkgangers die de dienst voorafgaande aan de troonrede bijwoonde van dit alles op de hoogte was. En het verzuim is symptomatisch. In de voorbereiding van het lofwaardige initiatief om de bijzondere zitting van de Staten Generaal te laten voorafgaan door een dienst van bezinning zijn vertegenwoordigers van niet-­christelijke groeperingen niet werkelijk betrokken. En is dit niet in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de kerken om uitdrukking te geven aan de gelukkige pluriformiteit van onze Nederlandse samenleving?

 In plaats van zich druk te maken over het feit of de troonrede wel of niet door een bede zou worden besloten had men zich bezig moeten houden met wat wel in de macht van de kerk ligt. Het vormgeven aan een inclusieve liturgie. De zegeningen van een samenleving waarin zo veel verschillende geestelijke stromingen naast elkaar in harmonie verkeren, worden wel met de mond beleden, maar wat gebeurt er in de praktijk? In hoeveel scholen op confessionele basis wordt door boeddhisten, hindoes, moslims, joden zelf onderwezen wat de betekenis is van hun religieuze overtuiging, hun tradities? Het gaat om de opvoeding tot de erkenning van elkaars levenshouding en innerlijk begrip. Tot compassie.

 De misplaatste cartoon in de Volkskrant van gisteren 'Bij Groen Links schijnen nu stemmen op te gaan om: een koningin die de troonrede voorleest en zegt “in het vertrouwen dat velen u wijsheid toewensen, ‘allah akbar’,” laat nog steeds zien hoezeer er behoefte is aan deze opvoeding. Er wordt van ons die uit kerken, moskeeën en synagogen naar voren komen om met elkaar te spreken meer verwacht om stereotypen en stigmata te doorbreken.

Is onze dialoog slechts een marginaal verschijnsel, een luxe waarvan wij ons aan het eind van de dag als al het belangrijke werk verricht is mogen overgeven? Of is het essentieel voor ons overleven als religieuze gemeenschap, als samenleving met een menselijk gezicht?

 Een verhaal. De baal sjem tov, de man met de goede naam, oprichter van de chassidische beweging, ging een synagoge binnen. Na korte tijd kwam hij weer naar buiten met de mededeling 'het is te vol, er is geen plaats meer voor mij'. De leerlingen gingen zelf de synagoge binnen om de woorden van hun leraar te toetsen en waren verbijsterd. Er zaten maar enkele mannen in een hoek van een verder lege synagoge gebeden te zeggen. Op hun verontwaardiging antwoordde de rebbe: "Als woorden, gebeden, werkelijk uit het hart komen stijgen zij hoger en hoger tot Gods troon van luisteren. Als woorden slechts mechanisch worden gezegd en niet uit het hart komen zijn ze te zwaar om te stijgen en blijven ze liggen. Deze mensen hebben zoveel zware niet echt gemeende gebeden gezegd die in de synagoge zijn blijven liggen dat het propvol is. Er zijn zoveel woorden, er is geen plaats meer voor mij.”

 Het verhaal is een blijvend kritisch commentaar op de onbeholpen ­routineuze wijze waarop we vaak vergaderen, praten en bidden en waarop we het ritueel van de dialoog beijveren. De woorden van de troonrede blijven ook gevaarlijk zwaar op de bodem van de Ridderzaal liggen. We moeten er als burgers leven in blazen. "De regering wenst een positieve bijdrage te leveren aan het oplossen van mondiale problemen." Hoe statisch, afstandelijk. Waarom niet de harde kreet: “wij burgers, die verantwoordelijk zijn voor burgers, nemen ons voor om een eind te maken aan de mensonterende hongersnood!" Maar dan moeten wij als mensen die om zegen bidden, ons met hoofd en hart voor dit omhoog laten stijgen van de woorden inzetten en daarvoor hebben wij elkaars inspiratiebronnen broodnodig.


25. Sajidah Abdus Sattar

 Van twijfel en achterdocht tot menselijke herkenning en welgemeend respect; ontmoeting en dialoog kunnen verrassende resultaten opleveren. Het overkomt me nogal eens dat ik meer overeenkomsten ontdek bij andersdenkenden dan bij sommige geloofsgenoten, en ik weet zeker dat ik niet de enige ben.

 De vraag is, wat het onderscheid in godsdiensten feitelijk inhoudt. De wereldgeschiedenis toont een overvloed aan rivaliteit en strijd tussen groeperingen, soms zelfs binnen eenzelfde godsdienst. Daarbij draait het vooral om het dogmatisch gelijk, het verscherpen van grenzen en het vestigen van macht. Misbruik van godsdienst voor politieke of demagogische doeleinden blijkt de mens eigen te zijn en is in de geschiedenis van alle religies te vinden. Maar het gemeenschappelijke dat ik herken in anderen heeft niets te maken met de gebruikelijke indeling. Mij gaat het niet zozeer om de vlag waaronder je vaart, maar om de koers die je kiest. Naar welk doel streef je in feite, wat doe je met je religieuze ideaal en maakt het je tot een vollediger mens, een beter medemens? Verhalen als die van de hoogmoedige farizeeër zijn ook in de volksliteratuur van moslims te vinden.

 Een molla en een rijke zakenman waren beiden gestorven en stonden voor de brug die de aardse wereld van het hiernamaals scheidt ‑ een brug zo smal als een haar. De molla, een moslimgeestelijke, was vol trots over de zorgvuldigheid waarmee hij de rituele verplichtingen had vervuld. Hij plaatste zijn voet op de brug, maar met zijn neus in de lucht zag hij niet waar hij ging en tuimelde, onder het uitschreeuwen van protesten, de diepte in. De zakenman was zich bewust van zijn tekortkomingen en zei: "Ik heb geen enkel recht op vergeving, maar ik geef me over aan God, de barmhartige." Hij keek berouwvol naar zijn voeten en slaagde er in de overkant te halen.

 Elke godsdienst bevat aspecten die aansluiten op menselijke eigenaardigheden, zoals de behoefte aan sociale context, religieuze methodiek en identiteit. In dat kader is het zinvol dat godsdiensten hun eigen, unieke traditie handhaven. Daarnaast is er een kant aan elke godsdienst die alleen gericht is op God en zich niet bekommert om menselijke opvattingen en verschillen. Voor het gemak noem ik ze de sektarische en de universalistische facetten van religie. Beide zijn belangrijk en functioneel, maar moeten niet worden vereenzelvigd.

 Wanneer het onderscheid niet wordt erkend, functioneren ze geen van tweeën meer. De dogma's, tradities en rituelen zijn dan niet langer middelen tot een doel, maar worden aangezien voor het doel op zich. Alleen de eigen weg wordt als waar en waardevol beschouwd en al het andere wordt afgewezen. Alsof God een soort hemelse ambtenaar zou zijn, die mensen vooral beoordeelt naar de vraag of zij de goede documenten bij zich dragen en de juiste procedures hebben vervuld. De neiging om onze bekrompen menselijke visie te projecteren op de onmetelijke wijze God is begrijpelijk, maar niet doeltreffend, want een dergelijke voorstelling kan ons hele blikveld vullen en ons zo het zicht op de zelfopenbaring van God ontnemen.

 De verhalen en symbolen van elke godsdienst zijn als sleutels die de poort van de schatkamer van wijsheid kunnen openen. De religieuze tradities onderrichten ons in het hoe en het wat en het waar van die ontsluiting. Maar wanneer de sleutel wordt behandeld als een nationaal trofee in plaats van een bruikbaar instrument, blijft de grote wijsheid verborgen en blijft de mens gevangen aan de verkeerde kant van de poort.

Zo beschouwd, zijn bij voorbeeld Mozes, Jezus en Mohammed allemaal sleuteldragers. Voor elke groep volgelingen is de eigen meter de grote leider, en dat is juist. Maar wie durft te beweren dat de goddelijke gastheer ook niet anderen aan Zijn tafel verwelkomt? Wie kent het goddelijk perspectief behalve God zelf?


26. Marianne Vonkeman

 "God kastijdt alleen zonen en dochteren en geen bastaar­den. Ik wens u een ontvankelijk hart voor Gods genade." Dit stond op een kaart die ik ontving nadat ik een ongeval had gehad.

De kaart is mij dierbaar. Niet alleen omdat de persoon die het schreef mij dierbaar is. Niet alleen omdat ik deze taal zo prachtig en rijk vind. Maar ook vanwege de gedachte die erachter zit. Al heb ik er ook mijn beden­kingen bij.

'God kastijdt zijn zonen' zegt de spreukendichter, en na hem de Hebreeënschrijver. Het is een wijdverspreide gedachte (bij mijn weten in alle godsdiensten voorko­mend) dat negatieve gebeurtenissen begrepen kunnen worden als een pittig lesje van God. De bovenstaande tekst zou dan betekenen: moeilijke tijden zijn een teken van Gods liefde omdat zonder tegenspoed en lijden onze menselijkheid niet tot volle bloei komt. Toch gaat het in dit bijbelwoord om iets anders: namelijk om het lering trekken uit eigen foute daden. Als je zondigt, berokken je schade niet alleen aan je medemens maar ook aan jezelf. En de gevolgen daarvan zul je ondervinden. Verzet je daar niet tegen, maar leer het te verstaan als een aanwijzing van God hoe je het beter kan doen. Deze wijsheid geldt voor personen maar ook voor volken: Europese koloniale winsten in vorige eeuwen vragen nu om herstelbetalingen in de vorm van vluchtelingenhulp en kwijtschelding van schuld aan derde wereld landen.

 Dat lijden veroorzaakt wordt door God, is echter geen christelijke gedachte (zo leerden we van het jodendom). We groeien niet door onze tegenspoed, maar door wat we doen aan de tegenspoed van anderen. Ik heb het niet nodig om allerlei ellendigs mee te maken om als persoon uit te rijpen. Alles wat er te leren valt, is te leren door voldoende inlevingsvermogen en daadkracht ten aanzien van mensen die lijden. Voor een dergelijke verbondenheid is geen mystieke verlichting nodig maar het simpele erkennen van onze verantwoordelijkheid. Zover ik het begrijp is dit misschien wel de kern van wat - ook binnen het christendom - heidendom genoemd moet worden: de gedachte dat lijden en kwaad in zichzelf betekenis zouden hebben. De betekenis zit echter niet in het lijden maar als het ware aan de buitenkant.

 Namelijk in de uitwerking die het kan hebben. Negatieve gebeurte­nissen kunnen soms een positieve uitwerking krijgen, maar dat is geen kwestie van oorzaak en gevolg. Daar is nog iets meer voor nodig. In de eerste plaats een rechtvaardige, creatieve en gelovige respons op de situatie, niet alleen van het slachtoffer, maar ook, en misschien nog meer, van de omgeving. Zo'n respons creëert een soort open ruimte om het kwaad heen. Een niet-ingevulde, ontvankelijke ruimte waarin er meer is dan kwaad en lijden. In die ruimte kan het soms zijn dat er betekenis gehoord wordt en betekenis gegeven wordt aan dat wat in zichzelf zinloos is. En dát heeft wel met God te maken. Dat heet in bijbeltaal: genade.

 Een ontvankelijk hart voor Gods genade. Ruimte voor de gein die van God komt. Voor het onverwachte geschenk waar je niets voor hebt gedaan maar dat je zomaar toevalt. Zoals het leven en alles wat in het leven de moeite waard is, een geschenk is van de Ene God die ondubbelzinnig goed is. Het gaat er in ons leven en in de wereld niet om dat geluk en verdriet als een optelsom geteld moeten worden. Het gaat - veel radicaler - om een wereld waar de genadige gein van God de toon uitmaakt. "Ik weet een planeet waar een vuurrode meneer woont," zegt de kleine Prins (uit het gelijknamige boekje van de Saint-Exupéry). "Hij heeft nooit aan een bloem geroken, nooit naar een ster gekeken. Hij heeft nooit van iemand gehouden maar altijd alleen maar optelsommen gemaakt. En net als jij zegt hij de hele dag: 'Ik ben een ernstig man. Ik ben een ernstig man.' En dan zwelt hij van trots. Maar dat is geen man, dat is een paddestoel!"

 

27. Awraham Soetendorp

 Waar vinden wij de gouden regel: 'houd van de ander als van jezelf, ik ben de Altijdaanwezige'? Ik ga er vanuit dat de meerderheid van de lezers spontaan zal reageren, 'in het nieuwe testament'. Zo is het in ons bewustzijn ingeburgerd. Dat dit vers het eerst voorkomt in het beroemde hoofdstuk 19 van Leviticus, in de Tora, is nog voor velen nieuw.

 Vervolgens zullen zij die de herkomst wel herkennen op de vraag naar de betekenis, in meerderheid antwoorden dat het hier gaat om de liefde voor de eigen volksgenoten. En daarmee wordt het stereotiep van het joodse volk dat steeds aan zichzelf denkt bevestigd. Zij die verder kijken dan hun dogmatische neus lang is zullen het juiste, inclusieve antwoord vinden in de verzen verderop in hetzelfde hoofdstuk. "En als een vreemdeling bij jou woont in jullie land, zullen jullie hem niet onderdrukken. Als een echte burger te midden van jullie zal hij zijn, de vreemdeling die bij jullie woont en je zult van hem houden als van jezelf, want vreemdelingen zijn jullie geweest in het land van Egypte, ik ben de Altijdaanwezige, jullie G'd (19, 33, 34). Er is geen oproep, die vaker herhaald wordt dan deze opdracht om borg te staan voor de vreemdeling "want jullie kennen het hart van de vreemdeling."

 Andreas Burnier schrijft naar aanleiding van commentatoren op haar Abel Herzberg lezing die willen aantonen dat wel degelijk sprake is van een joods‑christelijke traditie " ... nu ik mij in het jodendom ben gaan verdiepen, heb ik daar talloze mijns inziens zeer gefundeerde bezwaren tegen." Gemeenschappelijk hebben joden met hun westerse, i.c. christelijke landgenoten, een deel van de uit het jodendom voortgekomen ethiek. Voor het overige zijn de (religieuze) verschillen in de loopt van tweeduizend jaren immens geworden.

 Het bovenstaand misverstand over de gouden regel, illustreert haar stelling. Waar het nu om gaat is vanuit de gemeenschappelijke ethiek met voortvarendheid te handelen. Het Vlaamse Blok claimt op grond van de verkiezingsuitslag de burgemeesterszetel op van Antwerpen. Een coalitie van kleinere partijen zal dit onzalige streven nog wel verijdelen. Maar voor hoe lang nog. In Oostenrijk voorspelt de brallerige Haider, blakend van zelfvertrouwen dat hij in 1998 kanselier zal zijn. Het monster van de vreemdelingenhaat kruipt gevaarlijk naderbij. En in Europa zijn onze moslim broeders en zusters, het eerste doelwit.

 Wij dienen als joden en christenen op grond van onze historische ervaring, het initiatief te nemen tot activiteiten veelal op het gebied van onderwijs, om de rassenwaan tegen te gaan. Te beginnen in België en in Nederland. Het is te prijzen, dat we elkaar gevonden hebben, in de verdediging van de zondagsrust, en daarmee naar ik aanneem de sjabbat en vrijdagsrust, maar we zijn onrustbarend stil gebleven na 'het verdriet van België'. Het minste wat we kunnen doen is gemeenschappelijk onze zorg tot uitdrukking brengen en een oproep doen tot 'liefde voor de vreemdeling'.

 Ook in een andere discussie die als een bliksem bij heldere hemel, over ons heengekomen, zouden we ons moeten roeren. Christenen en moslims laten het nu aan de joodse gemeenschap over, om zich uit te spreken tegen de aanwezigheid van een officiële Duitse delegatie bij de herdenkingsdagen van 4 en 5 mei. Jaren van dialoog voeren, van het houden van leerhuizen, in de lange schaduw van de grote dood moeten althans bij de Raad van Kerken het begrip gebracht hebben, voor wat een degelijke discussie in het hart van de joodse gemeenschap teweeg brengt.

 Een oproep tot de Nederlandse regering om de intieme rust van de gedenkdagen niet te verstoren zal heilzaam werken. Een groot politicus, maar vooral een groot Mensch, Jan de Koning, heeft het voorbeeld gegeven hoe te luisteren naar het hart van de ander.


28 Sajidah Abdus Sattar

 Alweer staan de kranten vol van weerzinwekkende daden van geweld en terrorisme. Hoewel radicalen zich willen beroepen op godsdienst of ideologie, terrorisme blijft terrorisme. Weldenkende mensen van elke gezindte keuren een dergelijke blinde haat af, waarmee het dan ook wordt gelegitimeerd. De meest gewelddadige incidenten gebeuren tot nu toe in het buitenland, iets wat beslist niet tot zelfgenoegzaamheid mag leiden. Ook in Nederland komt intolerantie voor en wordt inbreuk gemaakt op andermans eigenwaarde. De vormen mogen subtieler zijn, maar daarom niet minder potent. Er wordt niet altijd gehandeld naar de geest van de grondwet. Niemand weet dat beter dan degene die het zelf ervaart.

 Awraham Soetendorp wees vorige vrijdag op de rechten van vreemdelingen in de Bijbel. Ook de Koran kent soortgelijke instructies ten aanzien van armen, weduwen, wezen en thuisloze reizigers, die 'kinderen van de weg' worden genoemd. De islam geeft hen recht op steun en bescherming, want het is zwaar om een toestand van machteloosheid te moeten verduren.

 Het lijden, dat voor Marianne Vonkeman gesymboliseerd wordt door het kruis, wordt helaas nog wel eens veroorzaakt door volgelingen van dat kruis. Hoewel er op elke geloofsgemeenschap wel wat is aan te merken, gaat het in dit geval om leden van een invloedrijke groepering in Nederland. Het probleem is als volgt. De moslimgemeenschap in dit land voelt zich verontrust door recente berichten over toenemende druk van christelijke zijde. Daarbij zouden geslepen methoden niet worden geschuwd. Veel begrip voor islamitische waarden verwachten we al niet meer, maar de opzet voor een gecoördineerde bekeringscampagne gericht op moslims klinkt zorgwekkend militant. Moslims die bekend zijn met het kerkelijke veld herkennen hierin christelijk fundamentalisme en weten dat er ook andere stromingen zijn. Toch overheerst bij zowel moslims als christenen de wederzijdse onbekendheid met elkaar.

 Grootschalige zendings­plannen kunnen de nekslag betekenen voor de kwetsbare interreligieuze dialoog in Nederland. Daarvoor is vertrouwen immers een sine qua non. Mijn vraag als moslim aan de Nederlandse christenen is dan ook: zijn uw gastvrijheid en tolerantie afhankelijk van een bekeringsverwachting? Zelfs wanneer christenen zich geroepen voelen hun eigen boodschap uit te dragen, moeten ze toch beseffen dat een agressieve benadering de harten eerder sluit dan opent. Bovendien veronderstelt die eenrichtingsbenadering dat moslims wel van christenen te leren hebben, maar omgekeerd niet. Sinds wanneer is een dergelijke arrogantie bewijs van spiritualiteit?

 Naar mijn mening worstelt de (neo‑)christelijke westerse wereld met een onbruikbaar, maar door de historie ingeslepen homogeniteits-ideaal. In de tijd dat in Europa (christelijke) godsdienstoorlogen woedden en de kerkelijke inquisitie haar bloedige scepter zwaaide, waren in de moslimwereld minderheden ‑ en soms meerderheden ‑ van joden, christenen, druzen, hindoes enzovoorts heel gewoon. Natuurlijk verliep de relatie tussen de diverse groeperingen niet altijd vlekkeloos, maar na eeuwenlange moslimheerschappij was er in Spanje nog steeds een meerderheid van christenen en joden en in India een meerderheid van hindoes. Tot op de dag van vandaag bestaat die religieuze verscheidenheid in de moslimwereld (met als grootste uitzondering Saoedi‑Arabië) nog steeds. Over het algemeen geldt dat moslims veel meer vertrouwd zijn met traditioneel muiti‑religieuze samenlevingen dan de westerse christenen. Dat is een van die dingen die Nederlanders nog van moslims kunnen leren. Dé meerderheid van de moslims houdt zich voornamelijk bezig met bezinning op eigen islambeleving, niet met externe bekering. Opdringerigheid van christelijke zijde wordt dan ook ervaren als een gebrek aan tolerantie en respect.

  

29 Marianne Vonkeman

 Ik ben blij dat ik niet in een christelijk land woon. Dat is wat ik denk als Sajidah Sattar schrijft over christelijke fundamentalisten die moslims willen beke­ren. Of als ik uitspraken van de paus lees over homofi­lie, of voorbehoedmiddelen of euthanasiewetgeving. Of als de winkelsluiting op zondag niet bespreekbaar gemaakt kan worden. Iedere keer dat christenen hun geloofsopvattingen en hun ethiek dwingend aan anderen willen opleggen, ben ik dankbaar dat ik niet in een christelijk land woon.

 Ik ben blij dat ik in een land woon waar godsdienstige en burgerlijke wetgeving van elkaar gescheiden zijn. Waar een kind dat ik adopteer de Nederlandse nationali­teit kan krijgen, ook al is het niet uit christelijke ouders geboren. Waar mijn dochter niet met de dood bedreigd zal worden, mocht zij ooit tot een andere godsdienst overgaan. Waar drugs, aids, abortuspraktijken enzovoorts niet ondergronds blijven woekeren wegens kerkelijke taboes.

 In een multiculturele en multireligieuze samenleving kan het niet anders dan dat er spanningen bestaan tussen de verschillende belangen. Intercreatie, het woord dat Fadime Örgü deze week introduceerde, vind ik een vondst. Het maakt direct duidelijk dat een samenleving voortdu­rend gecreëerd wordt, in een nooit eindigend proces. Nieuwe mensen, nieuwe ontwikkelingen, nieuwe ideeën, ze hoeven niet bedreigend te zijn als het scheppend poten­tieel ervan erkend en herkend kan worden. Waar gods­dienst ingeschakeld wordt om oude samenlevingsvormen te bewaken, wordt zij zelf een bedreiging. Niet de vormen, maar de waarden die er door gedragen worden, dienen bewaard te worden.

 Neem nou die zondagsrust. Ik woon vlak naast een super­markt die om zes uur 's ochtends bevoorraad wordt. En dan die winkelkarretjes.. en de glasbakken niet te vergeten.. Eén dag kan ik wat langer slapen (niet langer dan half tien, want dan zijn er kerkklokken aan de andere kant van mijn huis). Maar goed, ik stel prijs op een dag vrijaf van de supermarkt.

 Het is een gelovig gebruik om een dag apart te zetten van de rest van de werkweek en deze te wijden aan God en geliefden. Ik vind het niet genoeg om een oproep naar de regering te sturen de zondagsrust te bewaren, zoals Awraham Soetendorp schreef. Het lijkt mij van veel groter belang om de essentie van dit godsdienstig gebruik te verstaán. Dan kan het misschien ook gecommu­niceerd worden naar niet-gelovigen en opgenomen worden in het algemeen menselijke bewustzijn. Rituelen zijn geen doel in zichzelf maar middelen om een bepaald doel te bereiken. De vormen blijven ondergeschikt aan de waarde die erin gelegen ligt. Dwingend opgelegd door kerkelijke of religieuze wetgeving worden ze inhouds­loos. Wil de waarde opgenomen worden in het algemeen ethisch bewustzijn, dan dient ze inzichtelijk gemaakt te worden ook voor niet-gelovigen.

 "Zondag is zo'n doodse dag, zo stil", zei iemand die graag de winkels open had. Geluiden om de stilte te verdrijven. Herrie om de innerlijke onrust niet te voelen. Stilte is voor velen als een voorproefje van de dood. Toch, "Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft" zijn gevleugelde woorden van Gezelle. Dat stilte een eigen taal heeft en verstaan kan worden, is een in verdrukking geraakt besef. De vlakheid van het levensgevoel, het gebrek aan zin en betekenis die velen in onze maatschappij ervaren, de wachtlijsten van de RIAGG's met mensen vol chaotische gevoelens, de verhar­ding ten aanzien van vreemdelingen, het staat niet los van het onvermogen om met 'de ziel te luisteren'. En zonder een ziel die luistert horen wij geen betekenis, alleen maar nut. In de stilte waar de zondagsrust op aangelegd is, valt te vernemen dat mensen en dingen betekenis hebben omdat ze zijn, niet om wát ze zijn of doen. Dit is een fundamentele beleving die een algemene ethiek van respect en rechtvaardigheid kan voeden. En dat is dringend nodig.

 

30. Awraham Soetendorp

 Wonderen die de gedaante aannemen van de dagelijkse werkelijkheid. De ondertekening van het vredesakkoord tussen Jordanië en Israël op het grensgebied van de Arawa. Bijbelse contouren. Eens, een honderdvijftig generaties geleden, gooiden Filistijnen de waterputten dicht met zand, die aartsvader Jitschak had gegraven. Liever sterven van de dorst dan de anderen het leven te gunnen.

 Nu zijn de vijanden van weleer tot overeenstemming gekomen over het delen van het beschikbaar water, en het gezamenlijk werken aan nieuwe watervoorzieningen. De Midrasj verhaalt: Waarom werd de Tora in de woestijn gegeven? Opdat geen enkel land trots zou kunnen zeggen in mijn gebied is G'ds aanwijzing ten leven gegeven.

 Waarom werd de vrede getekend in de woestijn, in de droge Arawa? Omdat de uitdaging verenigt. Alleen wanneer de energie van beide landen vrijgemaakt wordt voor de vrede kan de halsstarrige woestijn worden omgevormd tot een vruchtbare tuin. En terecht sprak koning Hoessein over het dal van de vrede. De klimtocht naar de top van de berg verloopt langzaam. Maar wanneer deze eenmaal is bereikt gaat de afdaling razendsnel. in de komende jaren zal het masker van de vijandschap veel sneller worden afgeworpen, dan we nu kunnen voorzien, zullen de wederzijdse stereotypen vervliegen onder de brandende woestijnzon. "De woestijn en de verdorde aarde zullen blij zijn, de Arawa zal juichen en bloeien als een lelie ... want in de woestijn is het water uitgebroken en rivieren stromen in de Arawa (Jesaja 35 : 6).

 Wat een tijd, welk een voorrecht om nu te leven. En welke grote kansen worden ons, joden en moslims, gegeven om vanuit onze spirituele bronnen dit proces van toenadering, deze inspanning tot heelmaking te voeden. Wij dienen wel alert en actief te zijn, opdat de krachten van geweld worden geïsoleerd en tegengehouden. Er dienen zo spoedig mogelijk topontmoetingen tussen religieuze leiders te wor­den georganiseerd, de dochters en zonen van lsmaël en Jitschak. Sajidah Abdus Sattar, laten we elkaar veel sterkte en wijsheid wensen. Er staat veel op het spel, niets meer of minder dan het realiseren van een messiaanse droom. En eindelijk zal de droom van de een niet de nachtmerrie van de ander worden.

 Een van de ervaringen waaruit ik veel hoop heb geput in momenten van terugslag, van hevig verdriet om het wrede verlies van leven, is een boomplanting in het verre Okayama in Japan. Het was tijdens een conferentie van het Global Forum van Spirituele en Politieke leiders. Ter afsluiting van dagen van discussie en studie, werd symbolisch een boom van vrede door ons allen geplant. De Groot Mufti van Syrië, Sheik Kuftaro, een wijze warme vriend nodigde mij uit om tezamen de spade in de grond te steken en de jonge boom te stutten. Het was vlak voor het uitbreken van de Golfoorlog. Wij handelden in de geest van de Tora en de Koran wij plantten toekomst in het heden. En ik ben ervan overtuigd dat de politieke leiders van Israël en Syrië spoedig zullen volgen. Wij voelen de wind van verandering, maar wij weten niet hoe wij ermee moeten omgaan.

 Het joweljaar is begonnen, het vijftigste jaar waarin verstoorde relaties tussen mensen en volkeren zullen worden hersteld. Marianne en Sajidah, laten we de ballast van misverstanden, triomfantalisme, zelfverheffing van ons afgooien en elkaar tegemoet treden als partners in G'ds schepping. Niet alleen de zondag, de vrijdag en de sjabbat zijn geheiligd, deze hele tijd heeft een unieke bestemming.

 Gaat het optimisme met mij op de loop? Verwar ik hartstochtelijke wensen met de werkelijkheid? Ik weet alleen dat in de Arawa werd bevestigd dat hij die niet in wonderen gelooft, geen realist is.


31. Sajidah Abdus Sattar

 De column die elke vrijdag op deze plaats verschijnt, maakt deel uit van de grote samenspraak van gelovigen, gebaseerd op respect voor ieders eigen traditie. Als ik wel eens kritisch ben, is dat wegens de vele misverstanden over de islam en de bijzondere kwetsbaarheid van de moslims in de Nederlandse samenleving. Onlangs drukte Marianne Vonkeman haar tevredenheid uit over de tolerantie in Nederland. In zekere mate deel ik haar gevoelens, maar het zou nog veel beter kunnen. Awraham Soetendorp schreef over het geheiligd zijn van de tijd. Inderdaad, tijd is iets heel bijzonders. Er is een tijd voor overeenstemming en een tijd voor kritiek. En er is altijd weer tijd voor verbroedering.

 Vanuit de islam bekeken zijn tijd én plaats heilig, eenvoudig omdat ze geschapen zijn door God. Alleen de mens is in staat ze te profaniseren door misbruik. In de klassieke teksten van de islam komen drie verschillende tijdsbegrippen voor: de vliedende tijd ('asr), de bepaalde tijd (wakt) en het moment (al‑án). Het 103e hoofdstuk van de Koran luidt als volgt: “Bij de vliedende tijd. De mens is waarlijk in verlies. Behalve zij die geloven en deugdzame werken doen en elkaar aansporen tot de waarheid en elkaar aansporen tot geduldige volharding.”

 Wij lijden verlies als we niet zien hoe de seizoenen en de onvervangbare momenten in de tijdstroom worden weggevoerd. En we lijden verlies door alsmaar aan het verleden te hangen of ons overdreven zorgen te maken over de toekomst. Alleen in het heden, het nu, kunnen wij handelen en op het fundament van de geschiedenis een goede toekomst bouwen. Dat is een vorm van heiliging van de tijd; een samenspel van Schepper en schepsel waarin wij onze positieve inspanning en intenties toevoegen aan elk door God geheiligd moment. Door die toewijding aan de Allerheiligste concretiseren wij de potentiële heiligheid van de geschapen tijd.

 Wat voor tijd geldt, geldt ook voor ruimte en plaats. Door het werkelijk heiligen ‑ en niet alleen

het 'heilig verklaren' ‑ van deze of gene plek, wordt ruimte geheiligd. Tijd en plaats heiligen gebeurt door onze toewijding en vredevolle overgave aan de almachtige en barmhartige God, die zelf boven alle beperkingen van tijd en plaats verheven is. Het ritueel dat moslims gebruiken voor deze dubbele heiliging is salát, het rituele gebed. Menigeen zal dat wel eens hebben gadegeslagen. De salát wordt vooraf gegaan door een rituele wassing en wordt gepreciseerd door een bepaalde richtingname (naar Mekka) en door voorgeschreven tijden (vijf maal per dag). Daardoor wordt symbolisch de gehele leefsfeer van mensen omvat. De gelovige werpt zich letterlijk ter aarde voor God en laat zich geestelijk in vervoering brengen (vervoeren) door de Opperste Heer. Het gebedskleed wordt zo als een vliegend tapijt dat de toegewijde gelovige door Gods genade tijdelijk transporteert naar het eeuwige en grenzeloze ‑ tenminste, als God het wil. Misschien is het daarom dat moslims hun gebed beëindigen met het uitspreken van de vredeswens, 'salám alaikum', naar rechts en naar links, als een begroeting na terugkomst van een reis. Of misschien is het om de spirituele vrede, die de vrucht is van het gebed, aan iedereen op aarde mee te delen.

 Het is dan ook geheel in de lijn van de islam dat ik mij aansluit bij de oproep van broeder Awraham om ons gezamenlijk in te zetten voor de vrede. Alleen door samenwerking van alle gelovigen kunnen de ontheiligende krachten van profaniteit en haat worden overwonnen. God is de Waarheid, de Werkelijkheid. Wie niet in God gelooft, is geen realist. Het wonder dat door de optimist wordt opgemerkt, is dat het destructieve werk van mensen zo vaak door God gekeerd wordt en tot onderdeel gesmeed wordt van de voortdurende schepping. En is het geen wonder dat mensen, ondanks alle tekortkomingen, steeds weer mogen deelnemen aan de heiliging van plaats en tijd?

   

32. Marianne Vonkeman

 Ik hou van jazzmuziek. Eén van de meest intrigerende aspecten ervan is de improvisatie. Je weet bij een goeie band nooit precies hoe een bepaald lied zal worden weergegeven. Ieder instrument speelt zowel begeleiding als solo, afgesproken akkoorden én een eigen melodie. Die speelruimte wordt mogelijk gemaakt door het ritme. Het ritme is de dragende en oriënterende factor in jazzmuziek.

 Als er in deze column gesproken wordt over tijdsheiliging, in de vorm van zondagsrust of jubeljaar of de salât, dan gaat het over een ritme dat bewust gecreëerd wordt. Dit is iets anders dan het natuurlijke biologisch ritme dat voor sommige mensen de enige en toereikende ordening in hun leven is. Dat zijn die gelukkigen die in het bezit zijn van een suf klein libidootje en een bijbehorend lief klein godje (om even Selma Schepels vocabulaire te lenen). Voor mensen met een grote levensdrift is het biologische ritme niet genoeg. Aan het einde van het leven staat de dood. Het bewustzijn daarvan heeft al heel wat ellende én heel wat cultuur voortgebracht. De wereldgodsdiensten zijn niet geboren uit de angst voor de dood (zoals weleens gezegd wordt). In hen vinden we het nuchtere besef dat de menselijke levensdrift bevrijd kan worden van haar schaduw (de doodsangst) en aangewend tot heilzame creativiteit. Dat wordt gedaan door het individuele en natuurlijke levensritme op te nemen in een groter en doodsoverstijgend geheel. Het is zoals in jazz-muziek: een grondritme maakt vrije improvisatie mogelijk zonder dat het een chaos wordt.

 Komende zondag is voor de christelijke kerk de laatste van het kerkelijk jaar. Daarna begint de adventstijd. We leven verwachtingsvol toe naar geboorte, we maken groei en bloei mee en dan de tegenstand als een mens zich inzet voor het rijk van God. Zelfs de dood maken we mee, om dan toch en uiteindelijk tegen elkaar te zeggen: Hij leeft! Zijn Geest inspireert ons nog steeds. Ieder jaar opnieuw wordt dit ritme herhaald. Ieder jaar opnieuw wordt ons de kans geboden om nog dieper en vollediger de weg van een messiaans mens te gaan tot ook ons leven voltooid zal zijn. Dit is het christelijk grondritme van het jaar. Hier doorheen klinkt het besef dat de voortgang in een mensenleven spiraalvormig verloopt: er zijn steeds weer nieuwe aspecten van onszelf en onze werkelijkheid die "geboren worden", die groei behoeven, die tegenstand te verduren krijgen, die één of andere vorm van 'dood' meemaken voordat ze permanente kwaliteit krijgen.

 Op deze laatste zondag gedenken we de gestorvenen, in het bijzonder degenen die het afgelopen jaar overleden zijn. Bij ons in de kerk is dat een uitgebreide gebeurtenis. Het rouwbegeleidingsteam heeft de nabestaanden een uitnodiging gestuurd, op de liturgie staan de namen afgedrukt die voorgelezen zullen worden. We vieren de tafel van de Heer, een symbolische maaltijd van brood en wijn, teken van verbondenheid over de dood heen. Ook de niet-gelovigen die deze viering meemaken, zijn welkom aan de tafel omdat de ene God Schepper van alle levenden en doden is. Voorin de kerk staat een opstandingsicoon, aan de muur hangen schilderingen van gemeenteleden die hierin de psalm van deze zondag ("Uit de diepten roep ik tot U") persoonlijk interpreteren. We zingen oude en nieuwe liederen en we gedenken met dankbaarheid dat onze doden wel dood maar niet kwijt zijn. Ons persoonlijk leven en sterven wordt deel van een gebeuren dat alle tijden en plaatsen omvat. Je zou kunnen zeggen: onze individuele melodie wordt gedragen door een altijd doorgaand grondritme dat ruimte biedt aan samenwerking én aan eigenheid.

 Als ik Sajidah Sattar en Awraham Soetendorp lees, dan hoor ik in hun beschrijvingen iets van datzelfde grondritme terug. Het 'samenspel' vind ik verrijkend. Om een voorbeeld te geven: Awraham's gelovige duiding voegt toe aan mijn cynische bewondering voor Israëls verdeel-en-heers-politiek; de beeldende islamitische taal en gebruiken die Sajidah beschrijft, vullen mijn westerse analytische werkelijkheidsbenadering aan. Laten we verder spelen..

     

33. Awraham Soetendorp

Het venijn zit in de staart. Wat bedoelt Marianne Vonkeman met de slotzin dat mijn gelovige duiding toevoegt aan haar cynische bewondering voor Israëls verdeel‑ en heers‑politiek? Nu we er eindelijk aan toekomen om letterlijk het mijnenveld van misverstanden in het conflict in het Midden‑Oosten tussen recht en recht op te ruimen dienen we dit ook te doen in Nederland.

 De kerk heeft in ons land niet zo'n gelukkige hand gehad in het bespreekbaar maken van de politieke discussie over de legitieme rechten van de Palestijnen ten opzichte van het veilige bestaansrecht van de staat Israël. Vaak het verkeerde woord op het juiste moment of een stichtelijk appèl op een ongelukkig uur. Een enkel voorbeeld. in de eerste benauwende dagen van de Jom Kipoer, toen het leven van Israël aan een zijden draad hing, zwegen de kerken in alle talen. Deze laffe stilte, die beantwoord werd door een teleurgestelde reactie van de rabbijnen, werd pas onderbroken met een wat al te gemakkelijke oproep om financiële en humanitaire hulp te bieden aan alle slachtoffers in het conflict. Tijdens de strijd van de lange adem om joden in de Sovjet‑Unie bij te staan werd in besloten kring en in het openbaar door vertegenwoordigers van kerken er vaak op aangedrongen om steunbijeenkomsten alleen dan te laten plaatsvinden wanneer door organisatoren ook stelling werd genomen tegen de nederzettingenpolitiek van de toenmalige premier Begin.

 Aan het begin van mijn rabbinaat in 1969 vond een verhelderend voorgesprek plaats tussen mij en een verlichte vertegenwoordiger van de Nederlandse hervormde kerk. Hij wilde in zijn toespraak tot mijn gemeenteleden alles aanraken, maar niet zijn gevoelens over de staat Israël. Ik wees hem erop dat dit eenvoudig onmogelijk was. Na afloop van de lezing, waarin hij vol hartstocht over het jodendom had gesproken, vroeg een van de aanwezigen: "U bent waarachtig ons meest nabije. Wat is uw mening over de staat Israël?". Hevig in emotionele nood gebracht antwoordde hij "ik heb de oorlog als kind meegemaakt. Voor mij zijn de Israëlische machthebbers van nu de nazi's van het Midden‑Oosten”. Alles lag aan gruzelementen. De verbijstering en ontreddering was groot. Het heeft heel lang geduurd voordat mijn gemeente weer een dominee uitnodigde om te spreken.

 Gelukkig is nu de tijd om minder krampachtig met elkaar om te gaan. Want juist als je tracht de ander te sparen kwets je hem het meest. Het is goed mogelijk dat ik te gevoelig op jouw zin, Marianne, reageer. Mijn vader zei eens: "Ja, wij hebben als joods volk lange tenen. Maar mogen wij?" En we mogen van ons hart geen moordkuil maken. We hebben elkaar nog zo veel waardevols te geven.

 Ik lees over de betekenis van Advent in de kerken. "We leven verwachtingsvol toe naar de geboorte". En ik herken het grondritme van onze verschillende gebruiken. Aan het eind van Jom Kipoer, de grote ontzagwekkende dag, staan we als gemeente tegen elkaar aan, ouders en kinderen, in de intimiteit van ons Mikdasj meat, ons kleine heiligdom. We zeggen samen de woorden die we eens ieder afzonderlijk hopen te kunnen zeggen in ons stervensuur: sjma Jisraeel, hoor Israël, de eeuwige onze G'd, de eeuwige is één. Eechad. We benadrukken eechad, de eenheid. Eens hopen wij deze letters uit te spreken in onze laatste ademtocht. De altijd­zijnde is koning. Dan klinkt de sjofar‑toon, die ons als het ware weer tot leven wekt.

 Elke Jom Kipoer gaan wij tesamen door de poort van de dood die we eens in de uiterste eenzaamheid zullen overschrijden. En dan beginnen we onmiddellijk met het bouwen van de Soeka, de hut van vrede, van beschutting. Het leven in. Aan het werk als medewerkers in Gods schepping. Door elkaar te verstaan met alle hebben en houden dringt het eigene beter tot ons door. Is dat samenspel?

 

 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.