Wonen op gewijde grond



         

“Ik wil nog even een speciale, zogeheten ‘kwalitatieve verplichting’ onder uw aandacht brengen”, zei de notaris en schoof een papier naar ons toe. Ze las voor:    

“Koper verplicht zich jegens verkoper de aan hem, koper, verkochte onroerende zaak te gebruiken onder eerbiediging van de bestemming van het voorheen ter plekke gevestigde kerkgebouw (gebruikt voor de rooms-katholieke eredienst). Hieronder wordt met name verstaan dat koper in de gebouwen of gedeelten daarvan, of op het daarbij behorende perceel, nimmer een winkel in seksartikelen of wapens, een gokhal of casino, een seks- of nachtclub, een bordeel of iets dergelijks, alles in de ruimste zin van het woord, zal uitoefenen of zal doen uitoefenen. In de gebouwen of gedeelten daarvan of op het daarbij behorende perceel mag koper evenmin ooit een godshuis vestigen van een kerkgenootschap dat, of van een gelovige gemeenschap die, niet is aangesloten bij het interkerkelijk Contact in Overheidszaken.”    

Ons nog te bouwen appartement ligt op gewijde grond. En dat brengt een ‘kwalitatieve verplichting’ met zich mee. Er wordt letterlijk een bepaalde kwaliteit van leven geëist, anders mogen we niet op deze gewijde grond wonen. Het doet ons wat, dit besef.    

Ik ben predikant in een protestantse gemeente en we wonen in een huis van de kerk. Anderhalf jaar geleden bedachten we dat we na mijn pensionering de pastorie zouden moeten verlaten. Tegen die tijd hebben we dus een eigen huis nodig. Rondkijkend kwamen we op bouwplannen die ons wel aanstonden. “Laten we ons inschrijven”, zei ik tegen mijn man, “en dan zien we wel of we het ook echt gaan doen”. Op de plek waar het appartementsgebouw zou moeten komen, stond nu nog een inmiddels gesloten katholieke kerk, de ‘Heilige Geestkerk’. Dat trok mijn aandacht, aangezien onze eigen weg als predikanten begon in de pinkstergemeente. Die is ontstaan vanuit een hernieuwde aandacht voor de Heilige Geest. Toch wel bijzonder dan, als we op die plek zouden wonen.    

Een beetje dubbel was het ook. We hebben zelf eens een kerksluiting meegemaakt, in een gemeente waar we samen predikant waren. Ik herinner me nog goed die laatste kerkdienst, toen we het gebouw ‘aan de eredienst onttrokken’. Protestanten hebben meestal niet veel met gewijde grond en gewijde gebouwen, maar deze gemeente nu net wel. Hoog-liturgisch en oecumenisch, kerkend in een modern gebouw, prachtig ontworpen om juist dat vorm te geven. Zestien jaar lang hadden we met de gemeente meegevierd waar de liturgie om draait, Woord en Communie, Aanwezigheid en zoektocht, toewending naar mysterie en onderlinge verbondenheid. Wat een droevig moment was dat, aan het einde van de laatste viering. Met de gemeenteleden liepen we naar buiten, als een uittocht, de brandende paaskaars voorop. Daarachter kwam een ouderling met het evangelieboek, de rest van de kerkenraad met het Tafelgerei en de andere liturgische voorwerpen. Toen werden de deuren definitief gesloten. Het gebouw werd afgebroken en de grond verkocht om huizen te bouwen. Ik weet bijna zeker dat er geen ‘kwalitatieve verplichting’ in die koopcontracten stonden.    

Er kwam een kink in de kabel. We kregen bericht dat er iets mis was gegaan met onze inschrijving, en alle 40 appartementen waren inmiddels gereserveerd. Nou ja, volgende keer beter, dachten we toen.  

Een half jaar later een nieuwe mail. Er bleek een beschermde vleermuis te huizen in de kerk. Het broedseizoen moest worden afgewacht voordat er aan de sloop begonnen kon worden. Meerdere kopers haakten af en we kregen een nieuwe kans.    

“Laten we gaan kijken”, zei ik tegen mijn man. Op een regenachtige dag togen we naar de andere kant van het land. We zagen een wat mistroostig aandoend gebouw uit de jaren zestig met een hoge klokkentoren, een soort loods-achtige kap en een uitvaartcentrum in de zijvleugel. Niet echt een gebouw dat de schoonheidsprijs zou winnen, vonden we alletwee. De klokken waren er al uit en vervoerd naar de plaatselijke begraafplaats, zo hoorden we.  Klok Anna (uit de 16e eeuw), Maria (uit 1945) en Paraclete (1965) wachten daar op een nieuwe bestemming.          


We liepen rond. Best een fijne plek om straks te gaan wonen. Winkels, park, openbaar vervoer, een klein cultureel centrum, een school en een uitvaartbedrijf, alles wat deze aanstaande bejaarden zou kunnen interesseren. Zelfs nog een kerk op loopafstand. Maar ja. Toch jammer van de Heilige Geest die weer een plekje kwijt is. Toen zagen we de gevelsteen. Een witte steen met de inscriptie: ‘Christus de hoeksteen. In Hem wordt ook gij opgebouwd tot een woning van God in de Geest’.          


 Ik moet bekennen: de tranen sprongen in mijn ogen toen ik dat las. Gewijde grond. Als het niet zo regende had ik mijn schoenen uitgetrokken, zo geraakt voelde ik me. Niet alleen een kerk, maar een mensenleven als gewijde grond. Dat is de waarheid die blijft, die niét afgebroken wordt. Mensen als woningen voor God. Samen in een kerk maar misschien ook wel in een appartementsgebouw.   

In de pinksterbeweging is het heel gebruikelijk om op vreemde plekken kerk te zijn. In parkeergarages, schoolgebouwen, buurthuizen, woonhuizen. We hebben weleens een doopdienst gehouden in het zwembad van een gemeentelid. “Waar twee of drie in Mijn naam aanwezig zijn, daar ben Ik in uw midden”, zegt Jezus. Dus overal kan de lofzang aangeheven worden, het brood gedeeld en het Woord verkondigd. En dat deden we dan ook. In de loop van de jaren ben ik de liturgie van de oude kerk gaan waarderen. Met apart gezette liturgische voorwerpen, plaatsen, teksten, liederen en tijden. Als een bedding die vanzelf al iets doet, zelfs zonder mijn geloof of aandacht. Er komt iets naar mij toe, voorgegeven door de traditie van de kerk. En dat heb ik leren ontvangen en het verandert mij nog dagelijks.    

“Ik ga bellen met de projectontwikkelaar”, zei ik. “Ik ga vragen wat ze gaan doen met die steen en of ik hem anders mag hebben.” De dame die de kopers begeleidt, wist waar ik het over had toen ik de dag erop contact maakte. “O”, zei ze gelijk, “die steen blijft bewaard. We gaan hem verwerken in het tuinontwerp.” Ik was er even stil van. Wat een mooi idee. Daar was ik niet opgekomen, komend uit het Westen waar christelijke tekens vrijwel geheel uit het openbare zicht zijn verdwenen. Mijn eigen nieuwbouwkerkje mocht geen klokken, dat was storend voor de buurt. Zelfs de naam van de kerk aanbrengen op de gevel was al lastig geweest. Eigenlijk had ik dat kunnen verwachten, we verhuizen tenslotte naar de ‘bible belt’.    

Een ‘kwalitatieve verplichting’ dus. Een appartement op gewijde grond vraagt om een levensstijl die recht doet aan God die heilig is. Een levensstijl die de kwaliteit van leven beschermt. De katholieke kerk heeft het nog verder toegelicht: geen exploitatie van mensen door seks, gokverslaving, wapens of ketterij. Daar mogen we ons niet mee bezig houden als we eenmaal verhuisd zijn. Onze buren ook niet. En als we gaan barbecueën in de tuin, dan herinnert een witte steen ons eraan dat wij allemaal geroepen zijn om gewijde grond zijn, mensen waarin God wil wonen, stevig gebouwd op die hoeksteen van alle tijden: Christus. Daar wil ik wel het glas op heffen, straks.        

(eerder gepubliceerd in Herademing 2020)       

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.