Kerkbladmeditaties (2)


Slow food

 

Het is al een tijdje een rage: langzaam. Langzaam koken, langzaam eten, slow food. Tegen de trend van al het moderne gehaast is de ‘slow-movement’ ontstaan. Er bestaat slow sex (ja!), slow education, slow travel, zelfs zoiets als langzame mode en langzaam bankieren - dat laatste lijkt me trouwens een héél verstandige zaak.

 Geloof is ook slow food. Voedsel voor de ziel is iets dat langzaam groeit en dat je maar langzaam eigen maakt. Het krachtigste beeld daarvan is het Kerstkind. De wijsheid van God wordt geboren als een baby. God verschijnt niet op aarde als een kind omdat we allemaal in katzwijm vallen bij kaarslicht en kerststerren. Het wijze woord van God wordt als kind geboren omdat het zo gaat. Omdat het woord van God als iets kleins, kwetsbaars en volkomen nieuw geboren wordt, in ieder mensenhart en in iedere wereldtijd opnieuw. En omdat het tijd nodig heeft om op te groeien, langzaam, op een manier die bij jouw en mijn individuele levensritme past.

 Waarom komt God als een baby? Omdat die creatieve en bevrijdende aanwezigheid van God handen en voeten wil krijgen op aarde. Dat soort geloof kan alleen maar ontvangen worden en het heeft zorg en tijd nodig. Het gaat er niet om dat we een plekje voor God inruimen in ons leven. Dat is namelijk onmogelijk: het past niet. Het gaat erom of wij zélf woonplaatsen van de Allerhoogste zullen zijn. Of we zijn het helemaal, of we zijn het niet.

 Ieder jaar oefenen we het opnieuw: van verwachting, naar geboorte, naar volwassenheid, naar de dood en de invloed die daarna vrijkomt, tot aan de voleinding als God alles-in-allen zal zijn. Het langzame ritme van de groei van je ziel, de groei van geloof, de groei van God-in-jou-en-mij. Geloof wordt geboren als een baby, groeit tegen de verdrukking in, deelt zich aan de wereld, leert zichzelf uit handen geven in het lijden en komt tot voltooiing door de dood heen. Langzaam is dit stijgen naar het licht van de eeuwigheid. Als we deze langzame groei niet in onszelf kunnen herkennen, zou het kunnen zijn dat we deze Kerstbaby nog nooit werkelijk ontvangen hebben?

 Slow food. Langzaam voedsel voor de ziel. Geen instant verandering, instant wijsheid, instant geluk, maar langzame wijsheid - dat is wat het Kerstkind komt brengen. Misschien denken we zelf nog te instant-snel over God: alsof geloof alleen maar een aan-of-uit stand kent. Misschien is onze geloofsbeoefening (zoals kerkgang, gebed, bijbellezen, lofprijzing, liefdewerk) nog te onregelmatig en te onrustig, om die langzame wijsheid eigen te maken. Onze kinderen zullen het wellicht saai vinden, net als langzame kerstdiners trouwens. Maar waar zullen ze leren dat er zoiets als langzame wijsheid en langzaam geluk bestaat? En waar leren wij het?

       

Jezus en de liefde

 

 Vanaf mijn vroegste jeugd was ik – waarschijnlijk onuitstaanbaar – vroom. Jezus was mijn held en grote liefde. Ik las onophoudelijk in de kinderbijbel van Anne de Vries en huilde bij het paasverhaal en droomde bij Jetses’ pentekeningen van engelen. Jezus was mijn God, hoogverheven en toch dichtbij. God zelf was te ver weg, te onvoorstelbaar. Ik leefde met Jezus, maar wist nog niet dat hij niet het einddoel van mijn verlangen wilde zijn, maar de weg naar God zelf. Ik was als Maria van Magdala in de tuin, die zich vasthield aan wat ze kende, maar aan wie toch gezegd werd: houd mij niet vast, mijn God is úw God, mijn Vader is úw Vader.

 In mijn tienertijd bleek het geloof uit mijn jeugd niet toereikend om de confrontatie met de moderne wetenschap en met het onvoorstelbare lijden van de wereld aan te kunnen. Mijn geloofszekerheid verdween en werd een verlangen, soms zelfs een pijnlijke hunkering. Dat veranderde toen ik via een pinkstervriendin over de Heilige Geest hoorde. Jezus als historisch menselijk persoon die bemiddelde tussen God en mij, leerde ik nu kennen in zijn inspiratie, als een nieuwe gloed in mijn eigen hart en verstand. Je hoort niet veel over de Heilige Geest in onze kerken. Zijn we te bang voor  gezweef, extatische toestanden? Het is waar, nuchtere onderscheiding is nodig. Maar dan vàlt er tenminste wat te onderscheiden…

 Zo werd Jezus voor mij meer de Geest van Christus, die in de lijn van de verhalen over Jezus mijn eigen leven in de war gooit en steeds weer op het juiste spoor zet. De mens Jezus verdween meer en meer als centrum van mijn beleving en mijn gebed richtte zich als vanzelf op God. Over God nadenken kan eigenlijk niet goed, maar Hem liefhebben kan wel. Eigenlijk is het met God net zoiets als met de liefde: iedereen heeft er weet van, maar als je het probeert te definiëren gaat het mis.

 En toen kreeg ik op een nacht een droom. Ik droomde van alle mensen waar ik van heb gehouden en dat zijn er heel wat in de loop van mijn vele verhuizingen. Iedereen was er, de doden en de levenden, degenen die nu nog deel van mijn leven zijn en degenen die uit mijn gezichtsveld zijn verdwenen. Ik zag ze allemaal tegelijk en toch ook één voor één. En al die mensen samen vormden één lichtende Gestalte die mij naderde. Christus! klonk het als een trompet die schalde, vol triomf en vol majesteit. Ik werd overweldigd door vrees en ontzag en grenzeloos geluk. Met een schok werd ik wakker.

 Het besef van die droom is mij nog steeds nabij, al is het alweer jaren geleden. Uiteraard is een persoonlijke impressie van iets dat het begrip te boven gaat: Christus als beeld van universele eenheid en verbondenheid. Voor mij is het alsof alles wat ik ooit aan Jezus beleefde, opgenomen is in deze gestalte van Christus. Het gaat niet meer om iets buiten of binnen mij. Er is geen keuze tussen Jezus óf de Geest óf God óf mensen. Als de kerk spreekt over het lichaam van Christus dan raakt het mij. Hoe meer mensen ik liefheb – en ook: hoe meer liefde ik toelaat en ontvang - hoe groter Christus voor mij is. Heel eenvoudig eigenlijk. Waarom de kerk ooit die ingewikkelde leer van de Drie-Eenheid heeft ontworpen, begrijp ik nu ook. Nu besef ik hoe wij mensen door de liefde-die-God zelf is, opgenomen worden in dat grote lichtende en eeuwige Geheim. Dat heet: Pinksteren.

       

Kerst en Carnaval

 Carnaval: vaarwel vlees (carne vale). Kerst: welkom vlees! Nee, niet de kalkoen. Maar het wonderlijke welkom van God die mens wordt: incarnatie. Kerst als het omgekeerde carnaval van God.

 Rembrandt - Heilige Familie

 Eén van de drie geloofsbelijdenissen die de PKN kerk officieel aanhoudt, is het credo van Athanasius, een kerkvader uit de vierde eeuw. In deze geloofsbelijdenis (die in feite twee eeuwen later pas werd geschreven) staat het mysterie van de menswording centraal. Hoe zit dat nu eigenlijk met Christus? Hoe kan hij goddelijk en menselijk tegelijk zijn? Er komt een prachtige zin in voor, die een belangrijk inzicht hierover weergeeft: non conversione divinitatis in carnem, sed assumptione humanitatis in Deum. In vertaling: niet doordat zijn goddelijke natuur in de menselijke veranderde, maar doordat Hij als God de menselijke natuur aannam. Deze zin is de kortste samenvatting die ik ken van het goede nieuws. En Kerklatijn heeft iets zwierigs dat geschikt is om te zingen. Want dat moet je natuurlijk met geloofsbelijdenissen doen, anders denk je nog dat het wiskunde is.

 Het credo wil iets zeggen over hoe het goddelijke en het menselijke zich tot elkaar verhoudt ‘van God uit gezien’. Wat betekent de menswording van Jezus voor de wereld, voor ons menszijn? En in het verlengde daarvan: wat betekent verlossing? Niet dat de Godheid in vlees is veranderd, zegt Athanasius. Niet dat God in ons wereldje getrokken wordt. Niet dat wij God in ons denken of voelen of geloven of agenda moeten passen, als een apart hoekje in ons bestaan. Ook niet dat wij op de één of andere manier naar de hemel moeten zien te klimmen. Of ons uit onze haren uit het moeras zien te trekken. Je tilt je een breuk als je dat probeert voor jezelf of voor een ander. De menswording van Christus betekent dat God de mensheid in zich heeft opgenomen, zegt het credo. Assumptiones, dat is hetzelfde woord als voor hemelvaart wordt gebruikt.

 Het is een omkering van alles wat wij meestal denken.

 God moet bij óns komen, God moet in onze wereld de boel op orde brengen. We bidden God naar beneden, maar Zijn bedoeling is nu net omgekeerd. De hemel moet niet in de aarde veranderen, dat schiet niet veel op. Maar de aarde in een hemel: die kant gaat het op. Wij bidden niet om God naar beneden te krijgen maar om onszelf omhoog te laten brengen. Sursum corda, zeggen we bij het avondmaal, verheft uw harten, wij hebben ons hart bij de Heer. Dan kun je echt leven, wat er ook gebeurt

Het kindje in de kribbe is geen zoet plaatje maar een wereldschokkende verklaring: God wordt mens om mensen goddelijk te maken. Dat is onze hoge bestemming, dat is wat de komst van Jezus laat zien: die kant gaat het op, als het aan God ligt. God en mens staan niet tegenover elkaar, maar doordringen elkaar, van Godswege. Al ons menselijk gedoe, al ons menselijk lijden - het speelt zich niet af buiten God om, maar wordt in Hem opgenomen en getransformeerd. Assumptione humanitatis in Deum. Kerst is het omgekeerde carnaval van God. Volgens mij schateren de engelen van het lachen om zoveel goddelijke dwaasheid. Verhef je hart, misschien hoor je het..

       

Pasen: één groot doorgeefsysteem

   

Daar staat Jezus. Het bevel om hem te doden is al uitgevaardigd. Eén van zijn beste vrienden zal hem verraden. Aan wie kan hij zich toevertrouwen? Daar staat Jezus, “wetende dat de Vader hem alles in handen gegeven had en dat hij van God was uitgegaan en tot God heenging. En hij pakte een kom met water en een handdoek en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen”.

 Sommige mensen vragen: kun je nog wel in God geloven als je alle ellende in de wereld ziet? Wat doet God om mensen tegen te houden? Als je de bijbel leest, weet je het antwoord. God grijpt niet in. De aarde zal doorgaan met draaien, er zullen geen hemelse engelenmachten te hulp schieten. Het was Jezus' probleem niet of God wel betrouwbaar was. God had alles in zijn handen gelegd. Alles aan goeds wat God in de wereld wilde verrichten, had Hij in de handen van Jezus gelegd.

 Het geloof in God was niet de moeilijkheid waar Jezus voor stond. Maar het is iets heel anders of wij in de mensen geloven. Hoe zal het verder gaan, als de mensen steeds weer het mooiste en kostbaarste in zichzelf uitroeien? Hoe zal het gaan als de dood het wint? God de Vader heeft de liefde en bevrijding die Hij aan zijn mensen wil geven, in handen van Jezus gelegd. Jezus, die nog deze nacht in de handen van de soldaten zal vallen. Hoe zal het verdergaan, in wiens handen kan Jezus leggen wat Hij aan goeds en bevrijding aan de wereld te geven heeft?

 Er is alleen deze kleine kring van leerlingen. Jezus hoeft hen maar in de ogen te kijken om te weten hoe broos en kwetsbaar zij zijn, hoe breekbaar alles wat hij heeft trachten op te bouwen. Aan God kun je je toevertrouwen, maar aan mensen? In God kun je geloven, maar in mensen?

 Daar zit Petrus, zelfverzekerd en blind in zelfkennis, een rots die zo veranderlijk is als woestijnzand. Alles of niets, en het wordt dan meestal niets.. En Thomas, die zich zo blind staart op de feiten, Thomas die zijn eigen verbeeldingskracht niet durft te vertrouwen. Judas, de man die de armenkas beheerde wie weet precies wat de motieven waren die hem ertoe brachten Jezus te verraden? Johannes, de jonge geliefde vriend van Jezus, die hem zal volgen tot het kruis en daarmee uitbeeldt hoe machteloos de liefde is op deze aarde. Hoe kan een mens in staat zijn in mensen te geloven? Dat is de vraag waartoe Jezus staat deze vooravond van zijn dood.

 God heeft hem alles in handen gegeven, zoals God steeds zichzelf in de handen van mensen legt. Jezus rest niets anders dan zich toe te vertrouwen aan de handen van zijn leerlingen. Zijn lot op aarde, alles wat hij heeft geprobeerd te betekenen, zal van hén moeten afhangen. Ze kunnen verraders, machtelozen, leugenaars worden. Ze kunnen zichzelf opsluiten in hun eigen twijfels, hun eigen bitterheid. Maar als ze dat doen, zullen ze steeds weer, op hun tong, in hun hart, de smaak proeven van het ware leven dat Christus in hun handen heeft gelegd. Het ware leven dat zichzelf uit handen geeft. De meeste die de minste dient. Dit is mijn lichaam, voor jullie verbroken.

 Iedere keer dat je dit eet, besef dan dat jullie zelf dit lichaam zijn, jullie zelf zijn voortaan het lichaam van de Heer. Hierop vertrouwt Jezus, aan de vooravond van zijn dood. Dat mensen in hun eigen hart, in alle boosheid en laagheid, telkens weer sporen van barmhartigheid, van onschuld en waarheid en levensmoed zullen vinden. God gelooft in mensen. En daarom kunnen wij het. God geeft zichzelf uit handen. En daarom kunnen wij het. ZO is het dat God ingrijpt in de geschiedenis. Door mensen als u en ik, die zichzelf geven aan elkaar, op leven en dood.  Gods leven vloeit over naar Jezus, naar ons, naar de wereld. Jezus gaat naar de hemel en neemt onze doden mee en neemt hen op in het eeuwige leven van God. Dat is het leven dat aan ons en door ons heen doorgegeven wil worden. Het overvloedige leven van Pasen. 


Hier ben ik (Epifanie-meditatie)

 Hinneni - hier ben ik. Het is één van de sleutelzinnen uit de bijbel - en ook van mijn eigen leven. Dat komt omdat óns ‘hier ben ik’ verbonden is met Gods: Ik ben er. In Genesis zegt God: ‘laten we mensen maken naar ons evenbeeld’. Het is een grondgedachte van de bijbel: mensen zijn een afschaduwing van God zelf. Wil je bij de zin en bestemming van je leven uitkomen, onderzoek dan waar jij, met jouw eigen talenten en beperkingen, afbeelding van God bent. Waar jouw ‘zijn’ hangt aan Gods’ ‘zijn’.

   (schepping van Adam - Michelangelo)


  Hier ben ik. God zegt het over zichzelf. Daarom, op die dag, zal mijn volk mijn naam kennen, beseffen dat ik het ben die zegt: ‘Hier ben ik.’ (Jesaja 52:6). De naam van God is JHWH - en dat is een vervoeging van het werkwoord zijn. Ik ben er - ik zal er zijn. Ik ben Wezer - wees er, Ik ben Degene die er echt is, die er zijn zal, hier ben Ik. De Naam van God is niet zomaar een naampje, maar een vorm van Gods actieve aanwezigheid. God is wat God doet. Ons bestaan zelf is een antwoord op Gods roep: wees er! Dat jij geboren bent, is een rechtstreeks antwoord op God die zegt: wees er!

 Dit is allemaal geen wetenschap, Hoe eitjes en zaadjes en celletjes zich organiseren, dat is een ander verhaal. Maar de bijbelse manier van spreken zegt iets over zin en bestemming. Niet over natuurwetten, maar over geestelijke wetten. Over dynamieken die ons mens-zijn richting geven.

 Hinneni. Hier ben ik. Het Hebreeuws is niet triomfantelijk maar bijna objectief: ‘mij - daar’. Niet een ikje dat zich moet poneren, maar een mij dat antwoord geeft op een roep. Deze uitspraak heeft altijd met roeping en zending te maken. Het zijn de woorden van God, maar ook de woorden van de profeten. Mozes zegt het als God zijn naam roept bij de brandende braambos. De tiener Samuel zegt het als God hem roept in het midden van de nacht. Jesaja, ook al een jonge knul, zegt het. De psalmist zingt erover in psalm 40: u hebt mijn oren voor u geopend en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik. En volgens de Hebreeënbrief citeert Jezus deze psalm over zichzelf. Toen heb ik gezegd: “Hier ben ik,” want dit staat in de boekrol over mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’ 

 Blijkbaar kunnen we pas echt zeggen: ‘hier ben ik’, als onze oren voor God geopend zijn. En dat is niet iets dat we zelf kunnen doen, maar dat God bewerkt, door alles van het leven heen. Daarom zeggen we het begin van de kerkdienst in de liturgie van de kerk waar ik werk:

 V(oorganger): Onze Hulp is in de Naam van de Heer

G(emeente): DIE HEMEL EN AARDE GEMAAKT HEEFT

V: die trouw is tot in eeuwigheid

G: DIE NIET LAAT VAREN HET WERK VAN ZIJN HANDEN

V: die mensen roept voor Zijn Koninkrijk

G: DIE ONS DOET ANTWOORDEN: HIER BEN IK

 Er echt zijn op de manier van God is minder makkelijk dan op het eerste gezicht lijkt. Wie van ons is helemaal tevoorschijn gekomen? Wie van ons is op zo’n manier aanwezig dat anderen er óók meer kunnen zijn? Maar toch is dit de roep van God: om onze schaduwkanten, onze pijn en ons geluk, onze dromen en onze daden, onze angsten en onze talenten aan het licht te laten komen en mee te nemen in dit levenslange geboorteproces. Opdat ons ‘hier ben ik’ een uitdrukking zal zijn van Gods eigen naam. En wij levende woorden van God voor onze wereld en onze tijd. Dat is de hoge roeping van jou en mij.

 

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.