DRIE-OP-VRIJDAG (6)


58. Sajidah Abdus Sattar

 Godsdienstige tradities spreken elk een eigen taal. De waarde van religieuze verhalen en rituelen ligt in hun vermogen om de benauwdheid van ons alledaagse, ingesleten denken te doorbreken.

 Zonder pijnlijke prikkels en schokken die ons tot bezinning brengen verschralen wij ongemerkt. Wij zijn als verweesde prinsen en prinsessen, die geen besef hebben van de enorme erfenis waarover wij eigenlijk beschikken. De mogelijke grootsheid van inzicht, diepte van gevoelens en weidsheid van bewustzijn blijven buiten het bereik van verkrampte realisten en materialisten. Religieuze symbolen zijn sleutels waarmee we de poort naar innerlijke vrijheid kunnen openen. Leven in een godsdienstige traditie is onder meer het leren verstaan van die symboliek. En hoewel vrijheid voor de meeste mensen zoiets betekent als de gelegenheid te doen wat je wilt, is het toch eigenlijk het kunnen zijn wie je bent. Ontdekken wie we werkelijk zijn, dat is een levensopdracht.

 Het beeld van het offer is in alle godsdiensten te vinden. Abrahams offer was niet het levende vlees van zijn zoon, maar het aanmatigende ego. Vandaar dat het offer volbracht was nog voordat het mes zijn zoon raakte. Het was geen wreedheid van God om een dergelijk offer te verlangen, maar een gunst. Met de christelijke beeldspraak van de Volmaakte die een goddelijke zoon heeft en hem een pijnlijke, vernederende kruisdood laat sterven kan ik niet overweg. Deze zwaar te verteren paradox was een van de redenen waarom ik voor de islam heb gekozen en niet voor het kerkelijke, theologische christendom.

 Maar welke weg en welke discipline iemand ook kiest, het beeld van het offer is universeel. Wel veronderstelt het vermogen om te offeren enig eigendom. Men kan immers niet iets offeren - geven - dat men niet bezit. Maar een man als Abraham moet zich gerealiseerd hebben dat de offersteen, het brandhout, het mes en het leven van zijn zoon in werkelijkheid eigendom waren van God. Wat heeft een mens anders om te offeren dan zichzelf? En wie inspireerde hem tot dit offer anders dan God? De Schepper heeft geen behoefte aan giften en gaven; Hij is zelf de opperste gever. Offering en zelfopoffering zijn dan ook ingesteld ten bate van mensen. Door middel van discipline, bewustwording, onthechting en zelfopoffering kunnen wij ontdekken wie we werkelijk zijn. Dit standpunt is niet populair, want men hoort liever spreken over hebben en consumeren dan over opofferen en inleveren. Maar bij mijn weten heeft nog niemand alleen met luxe en gemak grootse dingen gerealiseerd. De prijs van innerlijke vrijheid is het offeren van het kleinzielige ego en het opgeven van zelfbedrog. Het is niet acceptabel om anderen voor ons te laten betalen met hun welzijn of hun leven. Het enige legale offer is het zelf-offer dat wordt op al die verschillende manieren door religies onderricht. Wreedheid in naam van een godsdienst is nooit verdedigbaar.

 De vraag doet zich voor waarom God ons als onvolmaakte wezens heeft geschapen en waarom lijden en dood bij het leven horen. Ook al kunnen wij de goddelijke motivering niet bevatten, wij kunnen worden gerustgesteld door alle schoonheid en goedheid waaruit Gods genade blijkt. In een hoofdstuk van de Koran dat de titel 'De Barmhartige' draagt (soera 55) worden allerlei genadegiften van de Schepper opgesomd en daarbij hoort ook onze vergankelijkheid in deze wereld en het andere leven daarna. Hoe kan de dood een teken van genade zijn? “God wil niet de dood maar het leven”, schrijft Awraham Soetendorp.

 Er is een legende over een soefi die bezoek kreeg van Azraël, de engel des doods. “Ga weg”, zei de soefi, “raak me niet aan, want ik behoor tot de vrienden van God. En ik weet zeker dat God zijn vrienden niet de dood toewenst.” Azraël verdween, maar was spoedig weer terug. “Mijn Opdrachtgever zendt u deze boodschap: Hoe kun je je mijn vriend noemen en niet popelen van ongeduld om mij te ontmoeten?” Toen smeekte de soefi: “Neem mij mee”, “neem mij mee!”

  

59. Marianne Vonkeman

 "Ik wou maar dat het afgelopen was", zei de man en wierp een blik vol haat op zijn doodzieke vrouw. "De dokter zegt dat ik eraan onderdoor ga, maar ik heb haar beloofd dat ze in haar eigen bed mag sterven." Zestien jaar geleden begon zijn vrouw permanent het bed te houden - minstens tien jaar te vroeg volgens de arts. Dat was niet lang na een huwelijkscrisis. Sedertdien was hij dag en nacht verzorger en wilde dat ook niet anders. Hij offerde zijn leven en dat was precies wat zijn leven voor hem betekenis gaf. En zijn vrouw deed hetzelfde, letterlijk tot haar dood. Liefde en haat waren vermengd in hun relatie en werden beide openlijker geuit dan ik ooit eerder meegemaakt heb. Het was een zieke situatie, zonder twijfel geworteld in een duister en voorbij verleden. Maar het was ook meer dan dat. Wat ze deden voor elkaar was zinloos en zinvol tegelijk, onontwarbaar met elkaar verweven.

 Hieraan moest ik denken toen Sajidah de 'engel van de dood' als dienaar van God beschreef. Alleen de dood was in staat te ontwarren wat in die levens aan liefde en haat ineen gevlochten was. "We geven haar uit handen, in de handen van de levende God", zeiden we bij de begrafenis. En dat was tegelijk onze bede dat er niets van het goede dat er óok in haar levensoffer had gezeten, verloren zou gaan.

 Soms is de dood een genadegift van God, zoals Sajidah schrijft. Maar het lijden dat aan veel sterven voorafgaat, hoort voor mij niet bij de goede schepping van God. Ik vraag me af of hier een wezenlijk verschilpunt met de islam ligt. Hoe kunnen schoonheid en goedheid mij vandaag geruststellen als ik morgen lijden of dood uit Gods hand moet ontvangen (zoals ik Sajidah hoor zeggen)? Het bovenstaande voorbeeld illustreert hoe vaak wij zelf lijden veroorzaken, juist vanuit onze meest menselijke behoefte aan overgave en zinvolheid. Dan voel ik mij meer verwant met Awraham's eenduidige uitspraak: God wil niet de dood maar het leven.

 Jezus vertelde eens een verhaal over een akker waarin koren werd gezaaid. 's Nachts kwam er een vijand en die zaaide er onkruid door heen. Toen de plantjes opkwamen zei de eigenaar tegen de arbeiders die het onkruid wilden verwijderen: "Bij het bijeenhalen van het onkruid zou je ook het koren kunnen uittrekken. Laat ze samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: haal eerst het onkruid bij elkaar en bindt het in bossen om te verbranden, maar breng het koren bijeen in mijn schuur."

 Wanneer ik denk over goed en kwaad, zinvolheid en zinloosheid, leven en dood, dan komt dit verhaal bij mij boven. Een verhaal vol respect en zorgvuldigheid, wijze zorg en een scherpe blik waar het om gaat: het behoud van het koren. De akker is een beeld dat Jezus gebruikt voor de wereld, maar ook voor het menselijk hart. De oogst is de voleinding van de wereld. Die voleinding is niet alleen aan het einde van de tijden, of na de dood. De oogst is ook nú, zegt Jezus. En arbeiders die koren en onkruid kunnen scheiden, die de wereld helpen voltooien, zijn er te weinig.

 Dat wat een offer vraagt, verleent ook betekenis, zin. Zonder offer geen beleving van zin. Het is een onuitroeibare menselijke behoefte om als graan gezaaid te worden en als koren geoogst. Maar een mensenleven bestaat uit graan en onkruid inéén. Deze tweeheid wordt in het christendom zichtbaar gemaakt door de 'zwaar te verteren paradox' (Sajidah) van het kruis van Christus. Daar zien we waartoe een mens in staat is. Ons leven én sterven te geven als graan, voedsel voor de wereld. Of als onkruid het leven verstikken en beroven. Beide mogelijkheden leven in onze fundamentele (en religieuze) behoefte ons bestaan voor iets anders in te zetten. Jezus' leven en dood als geschenk ontvangen is dan ook een nooit eindigend louteringsproces waarin onze eigen drang tot zelfgave gericht, gezuiverd en verwijd wordt.

 Een mens die voor je sterft. En zo een drijfkracht tot zelfgave ontketent. Mag ik je vragen, Awraham, hoe jouw ervaring van de dood van de pleegvader die jou in de oorlog verborg, je denken over offers, schuldgevoel en dankbaarheid heeft beïnvloed en wellicht gelouterd?

  

60. Awraham Soetendorp

 Vorige week nam ik deel aan het congres georganiseerd door Joods maatschappelijk werk 'Over zwijgen gesproken - brug naar de toekomst', waarin op wonderbaarlijke wijze het zo lang gestokte gesprek tussen de verschillende generaties in de schaduw van de oorlog op gang kwam. Non-verbale communicatie is in het algemeen een uitkomst. Maakt dieper contact voorbij hortende woorden mogelijk. Maar wanneer deze nonverbale communicatie het enige is dat overblijft, foto's van vermoorde familieleden op de schoorsteen, een diepe zucht wanneer een naam wordt genoemd, opkomende en weer snel verdrongen tranen bij het zien van een documentaire, werkt het verstikkend.

 Mijn inleiding ging over 'Eer je vader en je moeder'. Ik vond troost in het eerste boek van de Tora. Wat hebben onze voorouders een puinhoop van hun opvoeding gemaakt. Adam en Chawa, Jitschak en Rifka met noodlottige gevolgen. En over zwijgen gesproken. Awraham die zijn mond vol had met overtuigingskracht, toen hij ten strijde trok tegen God om de onschuldigen in Sedom en Kemorra te beschermen (“Zal de Rechter van heel de aarde geen recht doen”) kon geen woord uitbrengen, die vroege ochtend toen hij Hagar met Jismael de woestijn in moest sturen, omdat het thuis door rivaliteit tussen Jitschak en Jismael niet meer te houden was. En op weg naar de Moria, om het uiteindelijke niet gewilde offer van zijn zoon Jitschak te brengen, stikte hij in het zwijgen. De Midrasj verhaalt dat het ook nooit meer helemaal goed gekomen is tussen vader en zoon. Zij gingen na de traumatische confrontatie - de jongen gebonden op het altaar, de vader het mes in de hand - ieder hun eigen weg. Tot een gesprek is het nooit meer gekomen. En wat te zeggen van Joseef, het verwende produkt van een mislukte opvoeding die pas na twintig jaren van verdringing het zwijgen wist te doorbreken. “Ik ben Joseef. Leeft mijn vader nog?”

 Wij behoeven ons niet te schamen wanneer wij met vallen en opstaan de relatie met onze kinderen, onze ouders, trachten in balans te houden. Een formidabele taak na de Shoah. Kinderen die de rol overnemen en ouders worden van hùn ouders. Ouders die zich schuldig voelen omdat ze hun kinderen hebben afgegeven aan de ondergrondse, opdat zij in leven konden blijven. Maar toch. Kinderen die hun ouders blijven verwijten in de meest welsprekende stilte, dat zij hen in de steek gelaten hebben. Het kon niet anders, maar toch. Ik heb het woordeloos getracht weer te geven. “Omdat jij bent geweest waar jij bent geweest. En ik nu ben waar ik nu ben zal ik nooit helemaal zijn waar jij bent geweest. En zul jij nooit helemaal zijn waar ik nu ben. Maar we kunnen elkaar het verhaal vertellen en dat zal voldoende zijn”. In de wandelgangen zag je ouders, kinderen en kleinkinderen lopen. Fier. Bij het dansen eeuwig grenzeloos, een wervelende kring van vereenzaamden die voor elkaar broers en zusters waren geworden. Am Jisraeel chai, het volk van Israel leeft. Lamrot hakol, ondanks alles. En hoe.

 Deze week nam ik deel aan een werkgroep discussie om te komen tot een formulering van een nieuwe ethisiche gedragscode ten opzichte van de natuur. In het vredespaleis waren vertegenwoordigers uit vele landen, culturen en spirituele tradities samengekomen. Een wereld van verschil? En toch niet. De discussies werden gepassioneerd gevoerd omdat het leven er van afhangt. Kunnen wij de verdroging, de verdorring, de mateloze uitputting van de aarde tegenhouden? In een afsluitende toespraak sprak ik over de deur die door mijn pleegmoeder opengehouden werd voor een onbekende baby. Over het levensoffer van mijn pleegvader. Ik was niet van plan om er weer over te spreken maar denkend aan de twaalf miljoen kinderen onder de zes jaar die elk jaar sterven aan de gevolgen van bestrijdbare ziekten, longontsteking, dysenterie, vaak de gevolgen van vervuild water, kon ik niet anders. Het gaat om hetzelfde kind, om dezelfde ouder, steeds weer. En om het toekijken, het gevoel van machteloosheid.

 Op deze wijze werkt in mij, Marianne, de ervaring van mijn pleegvader die zijn leven voor mij gaf, nog altijd door.

 

61 Sajidah Abdus Sattar

 Nu in Bosnië VN-peace keepers gegijzeld zijn, komt West-Europa eindelijk in actie. Dit is niet de eerste keer dat Westerse levens kostbaarder worden gevonden dan niet-Westerse. Des te verbazender is het dat het wapenembargo tegen de Bosniërs, de meest kwetsbare partij, niet gedeeltelijk wordt opgeheven zodat zij zichzelf kunnen verdedigen. Al in een vroeg stadium was het duidelijk dat de Serviërs een enorm overwicht aan wapens hadden. Herhaaldelijk hebben de Bosniërs gezegd dat zij niet willen dat anderen hun leven voor hen riskeren. De onuitgesproken reden is het Westerse wantrouwen tegen moslims met wapens. Karadzic maakt daar slim gebruik van. Moslims vragen zich af hoe de Westerse wereld gereageerd zou hebben als de Bosnische moslims de ergste agressoren waren geweest. Zouden zij niet veel eerder hebben geïntervenieerd of het wapenembargo hebben opgeheven voor de zwakste groep als dat christenen waren geweest?

 Het is niet mijn bedoeling het Servische volk of de christenen te beschuldigen, maar wel dat het bestaande vijandbeeld over moslims wordt herzien. De huidige stigmatisering van moslims en islam is niet onschuldig en mag niet gebagatelliseerd worden. Er zijn mensen in Nederland die zich er niet voor generen provocerende onzin over de islam te publiceren. Een schoolvoorbeeld daarvan is de bewering van J. Brugman in HP/de Tijd (26 mei) dat de islam in oorsprong en wezen gewelddadig is en dat er nauwelijks variatie van interpretatie zou bestaan. Daarmee bombardeert hij in één klap alle moslims die zich beroepen op de spiritualiteit en vreedzaamheid van de islam tot leugenaars. Moslims en christenen die geloven dat intolerantie en moordpartijen niet passen in de geest van de islam zijn dromers volgens G. Driehuis in hetzelfde nummer. En zij zijn de enigen niet die dergelijke ideeën spuien.

 Wie weinig van het onderwerp af weet, wordt gemakkelijk meegezogen in een kolk van islamofobie. Berichten en beelden van afschuwelijke gebeurtenissen in het Midden-Oosten suggereren dat dat de norm is in plaats van uitzondering. Voor heel veel mensen is dat het referentiekader met betrekking tot moslims en de islam. We kennen de oude, spottende beelden van joden, negers en katholieken. Door de opvoeding geïmpregneerd met stereotypen, zag men in elke joodse winkelier een voorbeeld van de ‘gierigheid van de joden’ en in elke zwarte zakkenrolIer het bewijs van de ‘criminaliteit van de negers’. Stigmatisering van deze groepen komt nog wel voor, maar wordt nu gelukkig niet meer fatsoenlijk geacht.

 Daarentegen behoort het gechargeerde beeld van 'de gevaarlijke en achterlijke islam' nog steeds tot het geaccepteerde denken in Nederland. Sinds het lraanse doodvonnis tegen Rushdie is het kleineren en beledigen van moslims in bepaalde kringen een sport geworden. Dat moslims in Nederland niets met Iraanse beslissingen van doen hebben, verhindert niet dat zij er steeds weer op worden aangesproken en tot zondebok worden verklaard. En dan zijn er mensen die de islam niet kunnen respecteren omdat ze vasthouden aan het idee dat die godsdienst bij voorbaat mag worden veroordeeld. Alleen het humanisme of het christendom zou de moeite waard zijn. Zo lijkt hen gelijkberechtiging van religieuze groeperingen onaanvaardbaar relativisme.

 Het is menselijk zich te identificeren met het vertrouwde en eigen overtuiging superieur te vinden. Iedereen is daartoe geneigd. De vraag is echter, in hoeverre dat leidt tot onrecht, partijdigheid en misbruik van macht. Vooroordelen vernauwen het gezichtsveld. Niemand van ons kan alles proportioneel overzien. Daarom moeten wij zo nu en dan elkaars visies lenen. Als Karadzic zegt niet met moslims in één land te willen leven, wijst hij een dergelijke uitwisseling af. De geschiedenis leert dat overdreven nationalisme en godsdienstig exclusivisme vernietigend zijn voor humaniteit en spiritualiteit. Helaas komen ze in alle kringen voor. Het zou al een grote vooruitgang zijn als we onze onzekerheid over onszelf en onwetendheid over anderen niet langer zouden verbergen achter een masker van arrogantie en zelfgenoegzaamheid. 

  

62. Marianne Vonkeman

 De afgelopen weken bereidde een groep jongeren samen met mij een kerkdienst voor. Alle kerkdiensten zou ik het liefst met een groep voorbereiden, maar dat is momenteel nog niet altijd te realiseren. Wat mensen samen bedenken, samen verstaan in verhalen, bijdragen in vormgeving en uitvoering, is veel groter dan wat ik alleen kan doen. Het is verbazingwekkend dat dit zo vanzelfsprekende gegeven nog steeds niet richtinggevend is voor de algemene kerkelijke praktijk. De uitleg van de bijbel is nog altijd iets dat aan specialisten wordt gedelegeerd. Het gezamenlijk luisteren en leren begint vaker voor te komen. Of het voldoende is om de christelijke traditie in het westen te vernieuwen, is een open vraag. Maar dit terzijde.

 We lazen het verhaal uit Daniël 2. De koning van Babel droomt van een groot standbeeld met een gouden hoofd en zwakke voeten. Een steen rolt tegen de voeten en verbrijzelt het hele beeld. Later legt Daniël, een gevangen joodse balling, aan de koning uit hoe God hem zelfkennis wil bijbrengen via deze droom. De droombeelden van deze koning verschillen niet zoveel van de nachtelijke dromen van mensen in onze tijd. We spraken over nachtdromen en dagdromen en levensdromen.

 Het meest opvallende was het unanieme verlangen naar vriendschap. Geen toekomstdroom zonder vrienden en vriendinnen. Eén van de jongens zei over de droom van de koning: "Dat beeld met die zwakke voeten, dat betekent voor mij dat zijn basis niet goed was. Hij had geen vrienden." Daar spraken we over door. Over vriendschap en vrijheid. Wat moet je samen delen om vrienden te kunnen zijn en wat mag verschillen? Vrienden heb je maar bezit je niet. Wist de koning wel hoe je iets kunt hebben zonder het te bezitten? Hoe leer je dat eigenlijk? Tenslotte kwamen we bij Daniël uit. Een vreemdeling kun je nooit inlijven, je kunt er niet mee versmelten en zo in bezit nemen. Je kunt hem of haar wel gevangen nemen, zoals de koning van Babel dan ook met Daniël deed.

 Vriendschap sluiten met een vreemdeling is misschien wel de enige manier om ooit te leren hoe wij kunnen ontvangen zonder in bezit te nemen. Vriendschap met vreemden. Zo kwamen we vanzelf bij de grote vragen van onze samenleving uit. En bij de grote mogelijkheden van deze tijd. Een oud verhaal werd een eye-opener, precies zoals het bedoeld is.

 Een paar weken geleden vierden we het pinksterfeest. Eén van de merkwaardigste verschijnselen in het oorspronkelijke pinksterverhaal is dat mensen in vreemde talen begonnen te spreken. Dit geeft precies aan waar het bij God om draait: mensen die niet in hun eigen taalveld opgesloten blijven maar de taal van een vreemde leren spreken. Want dat is noodzakelijk als we vriendschap willen sluiten met iemand die niet aan ons gelijk is.

Awraham beschrijft de moeite met spreken die er kan zijn tussen ouders en kinderen na de Shoah. Vreemd aan elkaar geworden door het ondergane geweld. Tragisch en uiterst pijnlijk is het zwijgen tussen verwanten. "We kunnen elkaar ons verhaal vertellen, al is het met vallen en opstaan", schreef Awraham.

 Het zwijgen tussen volken en godsdiensten is desastreus voor de hele samenleving. Ten sterkste onderstreep ik Sajidah's pleidooi voor een uitwisseling van visies. Ook ik ontvang regelmatig brieven van mensen die menen dat geweld tot het wezen van de islam behoort. Ik wil echter eerst het eigen vocabulaire van de islam leren verstaan voordat ik een oordeel vorm. Ik wil eerst moslims helemaal laten uitspreken - net zolang totdat zij zelf de indruk hebben verstaan te worden. Hoe kunnen we ooit samen een maatschappij vormgeven als we elkaars taal niet verstaan? Dan houdt onze samenleving zwakke, verdeelde voeten. Dan zou het gouden hoofd van onze welvaart weleens topzwaar kunnen worden. Dan zou er ook weleens een 'steen kunnen losraken' zoals in Joegoslavië gebeurde, die de hele samenleving vernietigt..

 Sajidah, hoe wordt er in de moslimgemeenschap in Nederland vorm gegeven aan de opvoeding tot vreedzame universele dialoog? Kennen jullie vergelijkbare leersituaties zoals ik hierboven beschreef rond de Koran?

  

63. Awraham Soetendorp

 De gewetensvraag die jij Sajidah ons onlangs gesteld hebt, laat mij niet los. Heeft de onmachtige houding die wij in het Westen innemen ten opzichte van Bosnië ook niet te maken met het feit dat het om moslims gaat? Volgens NAVO-secretaris Willy Claes vormt het islamitisch fundamentalisme een even grote bedreiging voor het Westen als het communisme van weleer. En wanneer Radovan Karadzic de bestandlijn in Sarajevo een nieuw checkpoint-Charlie noemt in een muur die christendom en islam van elkaar scheidt, wordt er dan niet, ondanks alle verachting die wij voor hem voelen, ook een snaar in de westerse Europese ziel geraakt?

Aart Brouwer heeft in een recent artikel in de Groene de vraag gesteld of wij aan de vooravond staan van een nieuwe koude oorlog van het Westen en de islam. Zijn conclusie is dat wij ervoor moeten waken niet meegesleurd te worden door koude-oorloghitsers die het gevaar van een naderend moslimfundamentalisme benadrukken: “Onder de oppervlakte van alle publiciteit over een koude oorlog tegen de islam vindt een heel ander gevecht plaats; een gevecht tussen postmoderne vrijheid enerzijds en religieuze repressie anderzijds. De strijd voor een burgerlijke samenleving gebaseerd op principiële tolerantie, wettelijke gelijkheid en vrije ontplooiing van het individu vindt tegelijkertijd en op hetzelfde niveau plaats in het Westen en in de islamitische wereld.”

Hoewel deze beschrijving een teveel aan zwart-wit-denken verraadt - postmoderne vrijheid is niet alleen een zegen en fundamentalisme kent ook zijn intrinsieke waarde - wordt hier terecht gewaarschuwd tegen de koude-oorloghitsers. Zoeken wij weer een nieuwe vijand waartegen wij onze krachten kunnen mobiliseren?

Deze vragen zijn nu weer actueler geworden in het licht van de gebeurtenissen rondom de boortoren Brent Spar. Zonder afbreuk te willen doen aan het succes van Greenpeace - het niet doorgaan van het dumpen in zee is een overwinning voor het behoud van een schoon milieu en tekent de belangrijke mentaliteitsverandering - kunnen toch wel vraagtekens gezet worden bij de opwelling van gevoelens, de plotselinge alertheid van regeringsvertegenwoordigers. In enkele weken was het mogelijk om met televisie-uitzendingen en openbare debatten een publieke beweging zonder weerga op gang te brengen tegen het opdoemend kwaad van zware metalen van naar schatting 200 kilo, terwijl er nauwelijks meer een protest opklinkt tegen de gewelddadigheden in een oorlog die nu het vierde jaar is ingegaan.

In de afgelopen jaren hebben velen van ons getracht acties te organiseren van miljoenen handtekeningen tot een massademonstratie in Straatsburg. Het lukt niet het protest het massale karakter te geven van burgers voor burgers in één Europa. Dat geeft te denken. Er zijn vele andere redenen te geven voor deze slapte dan een sluimerende anti-moslimhouding, zeker. Maar we ontkomen er niet aan om bij onszelf te onderzoeken of er ook geen vooroordeel in onszelf te vinden is. Het minste wat wij kunnen doen is uit de gebeurtenissen rond Brent Spar een les voor de toekomst trekken. Er sluimeren in ons krachten - in de miljoenen die zich gelukkig aansluiten bij one-issue-bewegingen zoals het milieu - die tot ontwikkeling kunnen komen en een echte burcht kunnen vormen tegen discriminatie en gewelddadigheid. Wij burgers in Europa kunnen een blijvend bestand in het verscheurde Joegoslavië afdwingen.

Tenslotte een herinnering. De eerste maanden van mijn rabbinaat (1968) werd ik geconfronteerd met het conflict in Biafra en de bedenkelijke rol die Shell daarin speelde. Ik schreef een brief aan de directie van Shell met mijn verontwaarding. Op 31 december 1968 werd ik gebeld door de directeur van Shell. Mijn brief was bij hem terechtgekomen. “Weet u wel wat het betekent om naar je werk te gaan en te weten dat je door de omstanders als duivel wordt gezien?” 27 Jaar later heeft Shell getoond de moed te hebben te veranderen. Er zijn geen duivels en er zijn geen engelen; dat geeft hoop.

  


64. Sajidah Abdus Sattar

 Ik ben erg blij met deze dialoog per column. In de media geldt niet alleen wat er gezegd wordt, maar vooral ook wie het zegt. Dat Awraham Soetendorp zich openlijk afvraagt wat de gevolgen zijn van het negatieve beeld ten aanzien van moslims, toont moed en integriteit. Zelf ondervind ik heel vaak dat iedere poging mijnerzijds om zaken toe te lichten en te nuanceren stuit op abrupte afwijzing of beschuldiging van goedpraterij. Dat is des te pijnlijker wanneer er sprake is van grote machtsongelijkheid. De geschiedenis en de actualiteit tonen aan wat er kan gebeuren wanneer er niet meer echt naar elkaar wordt geluisterd. De dialoog tussen personen en godsdienstige groeperingen kan alleen maar slagen op grond van geduld en wederzijds respect. Zodra een partij zich voortdurend aangevallen, gekleineerd of verkeerd begrepen voelt, verandert de discussie in het maken van verwijten over en weer.

 Mijn artikel over de sjari'a (Trouw, 24 juni) was bedoeld om ontwikkelingen te verklaren en, over de vele vijandbeelden heen, de dynamiek van communicatie te herstellen. Het is teleurstellend dat Jan Greven in zijn column in dezelfde editie deze bedoeling niet wist te herkennen. Hoe kan er ooit begrip groeien tussen groeperingen zonder wederzijdse erkenning en respect? En daarvoor zijn goede wil en kennis van zaken nodig. Wie de culturele bijdrage van de islam nog steeds karakteriseert als slechts een doorgeefluik van Griekse filosofie, negeert de vele originele bijdragen van de islam. Ik weiger als moslim steeds weer in de verdediging te worden gedrongen, maar zal altijd bereid zijn tot een inhoudelijke discussie.

 Of het nu gaat om Bosnië, Egypte of Nederland, problemen worden vooral door mensen veroorzaakt en zullen door mensen moeten worden opgelost. Wie het ook met me eens is en wie niet - voor mij is godsdienst een fundamentele probleem-oplosser. De redenering is simpel. De neiging tot conflicten en geweld komt uit de mens zelf voort. Het blijkt dat niemand daarboven verheven is, ook al willen we allemaal graag geloven dat de eigen groepering beter is dan de andere. Wie zichzelf wil vrijpraten, toont gebrek aan zelfkennis en zelfkennis is juist noodzakelijk voor de oplossing. Nog steeds is religieuze bezinning de meest wijd verbreide en meest toegankelijke weg naar inzicht in ons innerlijk functioneren. Alle godsdiensten houden er omvangrijke en zeer inspirerende wijsheidstradities op na. Zelfs mensen die zeggen niet godsdienstig te zijn, maken er gebruik van.

 Zo hebben bijbelse concepten de Europese culturen doordrongen en bouwstenen geleverd van de moderne humanistisch getinte maatschappij. Ondanks pogingen om het geloof grotendeels te rationaliseren, blijft toch de meest wezenlijke bijdrage van godsdienst de holistische, intuïtieve visie van de ziener. Leerstellige verschillen zijn in dit verband secundair. In plaats van het aanvallen of willen corrigeren van andermans dogma's, doen wij er beter aan onze eigen oceanen van wijsheid te bevaren op zoek naar zelfkennis.

 Het voorbeeld van spirituele educatie dat Marianne Vonkeman twee weken geleden gaf, heeft ook parallellen in de praktijk van de moslims. Waar de juiste personen en structuren voor handen zijn, wordt ook aan de jonge moslim-generatie een religieuze basis voor die wijsheid, en dus voor vrede, doorgegeven. Bezinning op eigen geloof, gedrag en verbondenheid met andere mensen is een vaak terugkerend thema in de islam. In de Koran wordt bijvoorbeeld gewezen op de verwantschap tussen moslims en andersgelovigen. Hoewel historisch-specifieke groepen soms streng en waarschuwend worden toegesproken, is er, waar het gaat om hun religieuze basis, toch vooral erkenning en respect. Moslims worden geïnstrueerd beleefd en vriendelijk te blijven in discussies met andersdenkenden. Daarnaast mag wel worden verwacht dat de goede wil van twee kanten komt, en wordt er gewaarschuwd tegen vriendschap met mensen die de islam zwart maken en bespotten.

  

65. Marianne Vonkeman

 "Er sluimeren in ons krachten (-) die tot ontwikkeling kunnen komen en een echte burcht kunnen vormen tegen discriminatie en gewelddadigheid." Aldus Awraham. En Sajidah voegt daaraan toe: "Nog steeds is religieuze bezinning de meest wijd verbreide en meest toegankelijke weg naar inzicht in ons innerlijk functioneren." Beiden wijzen op de noodzaak tot zelfonderzoek. Ik zou hier de woorden van Jezus aan toe kunnen voegen: "Wat baat het de mens als hij/zij de hele wereld wint maar schade lijdt aan de eigen ziel?"

 Er sluimeren in ons krachten. Ten goede maar ook ten kwade. Pas als die krachten bewust worden, komt er een keuzemogelijkheid. Als we niet weten door welke gevoelens, ideeën en drijfveren we voortbewogen worden, zijn we niet in staat tot verantwoord kiezen. Ethiek begint en eindigt met het individuele bewustzijn. Een toename in het morele bewustzijn van een volk blijkt steeds veroorzaakt door slechts enkele zieners, profeten, "ontwaakte" personen die zich kunnen onderscheiden van de heersende denkbeelden en ideologieën. Zij bespeuren samenhangen en verbanden - of de mogelijkheden daartoe - die nog niet voor iedereen zichtbaar zijn. Kenmerkend is dat zij schijnbaar vastliggende tegenstellingen weten te overstijgen.

 "Wij worden in angstaanjagende mate bedreigd door oorlogen en revoluties, die niets anders zijn dan psychische epidemieën. Elk moment kunnen een paar miljoen mensen door een waan worden overvallen en dan hebben we weer een wereldoorlog." De psychiater Carl Jung, van wie dit citaat afkomstig is, vergeleek de snelle groei van het nazisme in de dertiger jaren met de middeleeuwse pestepidemie. Ideeën kunnen ineens besmettelijk worden. Dat kan massasteun voor een Greenpeace-aktie opleveren, maar ook een bloedige revolutie. Religie heeft, gezien de geschiedenis, grote aanstekelijkheid. Blijkbaar grijpt het aan bij oermenselijke zielenkrachten. Met alle tweeslachtigheid die daarbij hoort.

 Het dubbelzinnige van de menselijke ziel komt volgens mij het duidelijkst tot uiting in het groeiende wereldwijde fundamentalisme, het 'grootste gevaar voor de 21e eeuw,' zoals Trouw onlangs berichtte. In ijver voor een betere samenleving worden goed en kwaad scherp van elkaar gescheiden, door vaste regels, wettische naleving hiervan en door het opdelen van de mensheid in 'gelovigen' en 'ongelovigen'. De schaduwkanten van de eigen ziel worden geprojecteerd op de duivel en zijn vermeende menselijke aanhangers hier op aarde. En daarmee stokt alle individuele ontwikkeling. Waarom hebben mensen steeds weer zulke vijandbeelden nodig? Jung meent: om dezelfde reden dat ze steeds weer verliefd worden. We projecteren onze - onbewuste - gewenste én ongewenste kanten op een ander en kunnen er zo een relatie mee onderhouden. Als verliefden of als vijanden. Werkelijke persoonlijke ontwikkeling houdt altijd in we het eigen innerlijk beter leren kennen. Projecties kunnen worden herkend en teruggenomen, waardoor de relatie met de buitenwereld steeds werkelijker wordt. Er is geen andere manier om vooroordelen te doorbreken dan door toenemende zelfkennis. En dat is altijd een persoonlijke, individuele zaak.

 Hoewel het individualisme ongekend toegenomen is, is de 'kennis van de ziel' bijna evenredig afgenomen. Iedereen mag doen wat hij of zij wil, maar wát iedereen wil is vrijwel voorgeprogrammeerd door onze massacultuur. Deze is daarmee feitelijk even fundamentalistisch als sommige godsdienstige stromingen. In de godsdiensten vinden we wegen waarop de schaduwzijden van de menselijke ziel bewustgemaakt én geïntegreerd kunnen worden. Spiritualiteit en mystiek houden zich daar met name mee bezig. In gesprek met andere godsdiensten én met de psychologie zie ik mogelijkheden tot herontdekking van de ziel. En daarmee tot bevrijding van de sluimerende krachten ten goede, zó massaal dat er geen burgeroorlogen meer getolereerd zullen worden. Als de duivels en engelen in ons eigen hart leren samenwerken, hebben we geen vijanden meer nodig. En goedheid zal niet meer saai en burgerlijk zijn, maar creatief en aanstekelijk!

 

66. Awraham Soetendorp

 "Problemen worden door mensen veroorzaakt en zullen door mensen worden opgelost ( ... ) Voor mij is godsdienst een fundamentele probleem‑oplosser". Een gedurfde uitspraak van Sajidah, wanneer je deze tegen het licht houdt van godsdienstig fanatisme die broedertwisten verscherpt en van de timiditeit van religieuze leiders om tegen dit misbruik van Gods naam op te treden. Maar je hebt wel gelijk. De mogelijkheden liggen in onze handen.

 Vandaag rijden vrachtwagens af en aan in Srebrenica, worden mannen en vrouwen van elkaar gescheiden, terwijl de stilte vanuit de christelijke gemeenschap oorverdovend is. Maar het kan en het moet anders. Srebrenica, een veilige zone. Een van de fundamentele opdrachten aan het volk Israël is het instellen van veilige steden. Daar kan wie zonder opzet de dood van een ander veroorzaakt had, veilig toeven, tot het eerlijke proces uitsluitsel, over schuld of onschuld had gegeven, ‑ om de mens te vrijwaren van bloedwraak. Het conflict dat Joegoslavië verscheurt kan teruggebracht worden tot de uitbraak van verlate bloedwraak voor werkelijk of vermeend aangedaan onrecht, eeuwen her. Veilige zones, waar VN soldaten soms met de moed der wanhoop toezicht houden, moesten althans enige bescherming bieden tegen de haat. Het bestormen en overmeesteren van deze vluchtstad, is een flagrante aantasting van de humaniteit van de samenleving. Het schendt ook het religieuze recht op bescherming.

 Er is dan ook alle aanleiding voor religieuze leiders zich ondubbelzinnig en massaal in deze zin uit te spreken. Dat geldt voor christelijke leiders in Servië; dat geldt zeker voor de Wereldraad van kerken, die al lang in spoedzitting bijeen had moeten zijn. De Wereldraad en andere internationale godsdienstige organisaties hebben toch lering kunnen trekken uit het weinig verheffende verleden tijdens de koude oorlog.

 Ik heb mij enigszins verbaasd over de reacties van Pax Christi en IKV op de recente onthullingen dat de christelijke vredesconferentie in Praag (CVC) sinds 1968 als spreek­buis heeft gefungeerd in de Tsjechoslowaakse geheime dienst. We wisten wat voor vlees we in de kuip hadden. Maar het ging ons er onder meer om dat dissidenten van Charta 77, die het regime monddood had gemaakt, via de CVC aan het woord konden komen. Natuurlijk, er is goed en moedig werk verricht. Maar waarom niet ronduit toegegeven, dat balancerend op het smalle koord tussen trouw en verraad, wij ons ook hebben laten misbruiken. En vooral, dat wij van tijd tot tijd, onszelf monddood hebben laten maken, door niet te protesteren tegen de schending van mensenrechten. Een wrange persoonlijke herinnering.

 Begin jaren '70, tijdens een vergadering van de conferentie voor religie en vrede tezamen met de Wereldraad van kerken hekelde ik de onderdrukking van Russische joden en dissidenten en riep ik de Sovjetautoriteiten op om deze helden van de geest vrij te laten. De Sovjetautoriteiten reageerden met verbaal geweld. Ik werd een oorlogshitser, en slachtoffer van Amerikaanse propaganda genoemd. Binnenskamers werd mijn interventie door de voorzitter van de organisatie voor religie en vrede, die ik medevertegenwoordigde scherp afgekeurd. Het getuigde van naïviteit, was tegen de afspraken en zou een averechtse werking hebben. Na afloop wachtte ik buiten op vervoer. Plotseling kwam de Sovjetdelegatie op mij af. Handen werden geschud. De voorzitter zei in vlekkeloos Engels: laatje niet afschrikken, dit is de goede weg.

 En naast de officiële reacties, die geen uitstel duiden, is er de noodzaak ‑dat ben ik met Marianne eens ‑ voor de herontdekking van de ziel, die bevorderd wordt door samenspraak van de verschillende godsdiensten. Hier in Israël, waar ik nu vertoef, is er een hartstochtelijke behoefte om de krachten vrij te maken van de angst, tot het aangaan van vrede met risico's. Een taak voor rabbijnen en imams tezamen met psychologen.

  

Sporen van God
Kun je iets van God merken ? Misschien wel.