De weg van discipelschap
De waardigheid van ieder mens
Uitgangspunt voor kerken bij het denken en spreken over democratie en rechtstaat is de
waardigheid van ieder mens. Ieder mens is geschapen naar het beeld van God. Ieder
mens is door God geliefd en gewild om zichzelf en is daarom onschendbaar in haar of
zijn waardigheid. Het is het diepe verlangen van God dat ieder mens tot zijn recht komt
en kan bloeien voor zijn aangezicht.
Daarom is de rechtstaat, waarin ieder mens gelijkelijk beschermd wordt, van grote
waarde. De democratie is van grote waarde. Het is de politieke orde waarin mensen als
dragers van waardigheid en rechten erkend worden, waarin macht gespreid is en waarin
zwakkeren bescherming krijgen. Democratie doelt op een samenleving die gericht is op
het gemeenschappelijke welzijn.
In de afgelopen jaren is de sympathie voor radicaalrechts gedachtegoed toegenomen.
We merken dat in de in de samenleving en in de kerken. Het vraagt van de kerken een
positiebepaling. In de eerste plaats voor de leden van de kerken en voor de leiding van
de kerken, landelijk en plaatselijk. In dit rapport willen we maatschappelijke ontwikkelingen benoemen en een aanpak aanreiken voor de kerken voor de omgang met radicaalrechts gedachtegoed en met de mensen die hier gevoelig voor zijn.
Radicaalrechts gedachtegoed is vaak niet vast omlijnd, verandert nogal eens in uitingsvormen en is vaak onderling tegenstrijdig, maar het bevat één of meerdere van de volgende kenmerken. Er is geen innerlijke gebondenheid aan of zelfs minachting voor democratische waarden en procedures. Het hangt niet aan de waarheid en schaamt zich niet voor een leugen. Kracht en macht worden verheerlijkt, dienstbaarheid en kwetsbaarheid worden geminacht. Het heeft geen respect voor de rechtstaat. Het is racistisch, antisemitisch en verheerlijkt masculiniteit. Het is een bedreiging voor democratie en rechtstaat, voor minderheidsgroepen en voor zwakkeren in de samenleving. Het is daarmee ook een bedreiging voor het christelijke geloof.
Het spreken van de kerk
De kerken moeten hierover spreken. Dat geeft helderheid aan hun leden waar kerk en
geloof voor staan. Dit is een steun aan voorgangers en individuele christenen die
aarzelen om te spreken of niet goed weten hoe te spreken. Het spreken van de kerken
levert een bijdrage aan het maatschappelijke debat en daarmee aan de vorming van de
toekomst van ons land. Als kerken niet spreken en niet ook onderscheidend spreken
dekken kerken onrecht toe en misverstaan ze hun roeping. De Europese en met name de
Duitse geschiedenis van de 20e eeuw laat zien dat kerken die te lang zwijgen in politieke
crises mensen buiten en binnen de kerken in de steek laten en ook hun
geloofwaardigheid verliezen.
Maar als we als kerken gaan spreken komen we voor een dilemma te staan. Een
duidelijke veroordeling van radicaalrechtse politici en partijen is helder. Je laat zien waar
je voor staat en waar je niet bij wilt horen. Maar daar zit ook een keerzijde aan. Zodra je
politici en partijen veroordeelt, wordt het gesprek heel moeilijk. De ander is geen
gesprekspartner meer en ontmoeting of toenadering wordt vrijwel onmogelijk.
Dat geldt voor aanhangers van radicaalrechtse politici en het geldt ook voor mensen die
misschien niet stemmen op radicaalrechtse politici, maar wel deels de dezelfde
gedachten hebben en enigszins met hen sympathiseren. Deze mensen zijn buiten en
binnen de kerken te vinden. Uitsluiting en stigmatisering kunnen ook gevoelens van
onrecht versterken. Dat kan weer leiden tot verdere radicalisering. De kerken kunnen zo
– zonder dat ze dat willen – bijdragen aan meer polarisatie in de samenleving.
Uit dit dilemma komen we enigszins doordat we de kerken voorstellen om zich niet
primair te richten op partijen en politici, maar vooral een omgang te zoeken met
radicaalrechts gedachtegoed. Daarvoor moeten we de huidige ontwikkelingen duiden –
en daar beginnen we mee in dit stuk – maar als kerken moeten we vooral ook onze eigen
taal blijven spreken. Niet te zeer meegaan in het politieke jargon van het moment, maar
in de eerste plaats woorden gebruiken die passen bij het christelijk geloof.
Dat roept meteen de vraag op: wat is die taal dan precies? Die vraag is extra urgent
omdat “christendom” in het publieke debat wordt gebruikt voor doelen die weinig met
het geloof te maken hebben: eng nationalistisch, anti-islam, identitair. Termen als
‘joods-christelijke beschaving’ en ‘cultuurchristendom’ worden dan alleen gebruikt als
identiteitsmarker. Dat schuurt, omdat het niet het christelijke geloof is zoals kerken dat
beleven en belijden.
Daarom is het onderscheid tussen ‘christendom als cultuur of erfgoed’ en ‘christen-zijn
als het volgen van Jezus’ belangrijk. Het is de taak van kerken om die taal weer terug te
pakken van mensen die haar achteloos of strategisch gebruiken. Het woord
‘discipelschap’ kan daarbij helpen. Het sluit aan bij verlangens naar houvast en richting,
maar is tegelijk kritisch en niet zomaar inzetbaar voor macht of identiteitspolitiek.
Maatschappelijke veranderingen
In Nederland en Europa moeten we onze weg zien te vinden in een samenleving die
fundamenteel veranderd is. We komen uit een wereld waarin westerse beschaving,
christelijk geloof en materiële vooruitgang nauw met elkaar verbonden waren. Dat
zorgde voor fundamenten en doelen in het leven zoals individuele of intergenerationele
lotsverbetering, geloof in een betere toekomst in of na dit leven en trots op de westerse
beschaving. Banden met familie en buurt waren vanzelfsprekend, al was het maar
omdat daar je welbevinden of zelfs overleven van af hing.
Allerlei factoren hebben dit zelfbeeld en dit welbevinden aangetast. Economische
zelfstandigheid heeft de afhankelijkheid van anderen verminderd, maar daarmee ook de
verbondenheid met anderen. In het leven van veel Nederlanders is het christelijke geloof
als zin stichtende factor weggevallen. Aan decennia van economische vooruitgang is
voor een groot deel van de bevolking een einde gekomen en het lijkt er op dat komende
generaties het eerder slechter dan beter gaan krijgen. Stemmen uit de voormalig
gekoloniseerde landen hebben ons zelfbeeld als beschaafde en beschavende natie
aangeklaagd. De digitalisering van de samenleving heeft tot nieuw analfabetisme geleid
van mensen die slecht kunnen meekomen of zich vervreemd voelt van de samenleving.
De klimaatcrisis en zorgt voor een verder gevoel van onzekerheid. Daar komt de
toegenomen dreiging vanuit Rusland en de VS bij.
Een veel besproken factor is de komst van buitenlanders naar Nederland. In de jaren
zestig, zeventig en tachtig waren dat arbeidsmigranten uit Marokko en Turkije met hun
gezinnen. In de afgelopen decennia zijn dat veelal ook werknemers uit andere EU-
staten, voor een kleiner deel zijn dat hoogopgeleide werknemers van buiten de EU en
vluchtelingen. Voor mensen aan de onderkant van de samenleving levert de komst van
buitenlanders concurrentie op de arbeidsmarkt op. Voor een deel van de bevolking zorgt
het voor concurrentie op de woningmarkt. Voor mensen met een Nederlandse
achtergrond, met name in de grotere plaatsen in het land, betekent dat een verandering
van de dagelijkse leefomgeving: andere mensen en andere talen om je heen. De
opkomst van de radicale Islam heeft wantrouwen richting moslims versterkt. De komst
van groepen buitenlanders heeft behalve voordelen, zoals meer arbeidskrachten en een
ruimere blik, ook nadelen: verbinding ervaren of verbinding maken kost meer moeite.
Heimwee
Als reactie op al deze ontwikkelingen is er bij delen van de mensen met een
Nederlandse achtergrond een gevoel van onbehagen ontstaan dat zich vertaalt in
heimwee naar een wereld waar ze zich meer thuis voelden. We onderkennen ook iets
mythisch’ in visoenen van een verloren gegane ‘gouden eeuw’.
Op dat heimwee valt flink af te dingen. Zo ideaal was dat verleden niet en zo eensgezind
was Nederland nooit. Nederland voerde koloniale oorlogen, vrouwen waren
achtergesteld en homoseksuelen werden gediscrimineerd. Ook in het verleden liepen er
kloven door de samenleving, waarschijnlijk nog veel diepere. De verschillen tussen arm
en rijk waren veel groter. De scheiding van de sociale klassen was veel harder en de
tegenstelling tussen katholieken en protestanten of tussen protestanten onderling
waren fors. En de mythische visoenen konden leiden tot fascisme en nazisme met
verstrekkende gevolgen. Het is van belang dit alles te onderkennen.
Tegelijkertijd geeft dit heimwee een goede indicatie van enkele positieve waarden waar
veel mensen naar verlangen: bezieling en gemeenschap. Voor ons als kerken is het
belangrijk om voor ogen te houden dat in het heimwee-gevoel, dat zich ook
problematisch uit, een verlangen naar positieve waarden zit. Er ligt een taak voor kerken
om dit verlangen naar meer gemeenschap te honoreren en daartoe initiatieven te
nemen, zonder de soms duistere keerzijden daarvan uit het oog te verliezen.
Internationaal
Nederland is niet uniek in deze ontwikkelingen. Hoewel elk land weer anders is zijn er
vergelijkbare ontwikkelingen in de VS, Rusland, Hongarije, Italië, het Verenigd Koninkrijk,
Frankrijk en Duitsland waarneembaar. In de VS leidt dit tot racistische intimidatie door
de overheid en uitsluiting van kiezers. Soms leidt dit zelfs tot terreur door de overheid.
Het geeft aan wat ook ons voorland kan zijn als we als samenleving onze waarden niet
beschermen en niet op een goede manier optreden tegen radicaalrechtse krachten.
Internationaal heeft het recente optreden van Rusland en de VS ervoor gezorgd dat de
internationale samenleving, die voor een deel altijd op rechtsregels gebaseerd was,
vervangen dreigt te worden door een wereld waarin de macht van de sterkste regeert.
Het leidt tot geweld, oorlog en mogelijk een ondergang van de westerse beschaving.
Bedreigde democratie
Rechtstaat, democratie en christendom zijn nauw met elkaar vervlochten. De
overtuiging dat in Christus iedereen gelijk is, is een fundamentele overtuiging van het
christendom. Dat een gemeenschap gebaseerd moet zijn op recht en rechtvaardigheid
is een overtuiging die door het hele Oude- en Nieuwe Testament heen loopt. In onze tijd
worden deze waarden vormgegeven in het nationale en internationale recht en in een
democratische organisatie van een samenleving. Nederlandse kerken zijn daarom
terecht zuinig op de democratie en de rechtstaat. Mocht de Nederlandse overheid
antidemocratisch of anti-rechtstatelijk optreden dan dienen de kerken samen met
anderen daar krachtig tegen te protesteren.
De laatste jaren komt in Nederland een andere opvatting van democratie in zwang
volgens welke de meerderheid haar opvattingen kan opleggen aan minderheden. Dit in
tegenstelling tot een tot voor kort algemene opvatting van democratie die uitgaat van
grondrechten die minderheden en individuen beschermen. Geloofsgemeenschappen
ervaren dat (seculiere) meerderheden meer invloed willen op lichamelijke gezondheid,
opvoeding, onderwijs en geloof zoals o.a. blijkt uit de voorstellen voor de Wet toezicht
informeel onderwijs, de voorgestelde maatregelen op het gebied van het
burgerschapsonderwijs en de weigering om openbare gebouwen aan religieuze groepen
te verhuren. Voor moslims en joden staan de rituele slacht en wellicht in de toekomst
ook de jongensbesnijdenis onder druk. Als kerken komen wij op voor het goed recht van
alle levensbeschouwelijke organisaties om in vrijheid hun geloof of overtuiging vorm te
geven en maatschappelijk een rol te laten spelen.
Nederlanders met een migratieachtergrond, vooral als ze niet oorspronkelijk uit Europa
komen, hebben te maken met discriminatie. Tot nu toe hebben veel mensen met een
migratieachtergrond geprobeerd om zich aan te passen om zo een plaats in de
Nederlandse samenleving te veroveren. Dat is voor een groot deel van de derde en
vierde generatie succesvol geweest, maar nu discriminatie en wantrouwen blijven,
ontstaat het idee: ‘wat we ook doen, het is nooit genoeg’. Het is belangrijk om dit serieus
te nemen.
We zien tenslotte de opkomst van een radicaalrechts gedachtegoed met een mythische
dimensie. Strijd en kracht worden verheerlijkt. Hardheid geldt als een deugd. Alleen
winnen levert respect op en verliezen is beschamend. De ondergang van onze
samenleving wordt niet betreurd, maar zal voorafgaan aan de wedergeboorte van de
verloren gouden eeuw, gebouwd op de puinhopen van de oude wereld.
Als kerken verwerpen we de gedachte dat de ene mens meer waard is dan de andere.
Het menselijke geslacht is één. Elke vorm van racisme of groepsbevoordeling is
ontoelaatbaar, welke verschillen er ook zijn tussen mensen. We verwerpen
radicaalrechts gedachtegoed dat we omschrijven als gedachtegoed dat
antidemocratisch of anti-rechtstatelijk is, dat racistisch is en dat masculiniteit
verheerlijkt.
Cultuurchristendom
Het christelijke geloof heeft de westerse cultuur diepgaand gevormd. Hoogtepunten van
de westerse cultuur – muziek, kathedralen - zijn onlosmakelijk verbonden met het
christelijke geloof. Ook zaken als gewetensvrijheid, individualisme, gelijkheid en vrijheid
zijn voor een groot deel aan het christendom te danken. Ook veel mensen buiten de
kerken zijn daar dankbaar voor.
Dat is op zich positief te waarderen. Er spreekt een respect voor het christelijke geloof
uit. Dankbaarheid en respect buiten de kerken voor hoe het christelijke geloof de
westerse samenleving heeft gevormd maakt het voor de kerken ook makkelijker om
gehoor te vinden en begrepen te worden. Bewondering voor het christendom kan ook
een eerste stap zijn in de richting van het geloof. Bach doet daar vaak meer dan een
catechismus.
Maar hoezeer het christendom ook verbonden is met de westerse cultuur, het christelijk
geloof viel en valt er nooit mee samen. De kerk heeft altijd opnieuw geweten dat Gods
Koninkrijk verder reikt dan de heersende cultuur, hoezeer ze daar ook mee verweven
was. Het christelijke geloof is ook niet alleen maar met de westerse cultuur verbonden
(geweest). Er zijn eeuwen geweest dat de Kerk van het Oosten (buiten het Romeinse of
Byzantijnse) rijk minstens zo groot was als de kerk in het Westen. Er zijn altijd kerken
geweest in Armenië, Egypte, Syrië, Ethiopië en India.
Ook in onze dagen is het christendom verbonden geraakt met culturen in Afrika, Latijns-Amerika en China. Migranten brengen die andere vormen van christendom de laatste jaren ook naar ons land. Het christendom in ons land is lang niet alleen maar een Westers christendom.
Waardering voor de verworvenheden van de westerse christelijke cultuur kan een goede
zaak zijn, maar mag niet gebruikt worden om het christelijke geloof in te zetten tegen
mensen met een andere achtergrond. Dat kan niet alleen de band tussen broeders en
zusters in Christus schaden, maar maakt van het christelijke geloof een afgod.
Ongeremde superioriteitsclaims verhinderen ook het moeilijke proces in de kerken om
de schaduwzijden van het verbond van het Westen met het christendom onder ogen te
zien, zoals het christelijke goedpraten van antisemitisme en slavernij.
Hoe blijven de kerken trouw aan hun roeping?
We stellen een tweeledige aanpak voor: openstaan voor dialoog met mensen van
verschillende politieke overtuigingen én duidelijk getuigenis van de christelijke waarden.
De kerk kan een ruimte scheppen waarin mensen van verschillende politieke
maatschappelijke overtuigingen elkaar tegenkomen en ontmoeten. Als ontmoetingsplek
kan ze de samenwerking van mensen stimuleren en faciliteren om zich in te zetten voor
“de voorspoed en de vrede.” (Jer. 29:7) in de eigen omgeving. De kerken kunnen daarbij
verbinden door hun rituelen, vieringen en culturele uitingen. De vieringen van de grote
feesten, zoals Pasen en Kerstmis, zijn een kans om mensen samen te brengen.
De kerken nodigen ook uit tot gesprek, waarin verschillende meningen aan de orde
kunnen komen en bevraagd kunnen worden op hun onderliggende verlangens en
angsten. Belangrijk is dat de vertegenwoordigers van de kerk een houding aannemen,
die uitnodigt tot gesprek en niet bij voorbaat meningen uitsluit.
Daarbij is het belangrijk dat het eigen falen van de christelijke instituties en organisaties
aan de orde komt in de pogingen om deze waarden in de werkelijkheid van het leven hier
op aarde om te zetten. Zo een zelfkritische houding kan ook andere helpen om kritisch
naar het eigen denken en handelen te kijken en te herkennen waar de balk in het eigen
oog zit, dat het zicht op ander vertroebelt (Mat. 7:1-5).
Nu leert de ervaring dat het niet meevalt om in gesprek te komen met kerkleden die
gevoelig zijn voor radicaalrechts gedachtengoed. Er tekent zich wat dat betreft een
ongemak af binnen de kerken. Des te prangender de opdracht om naar wegen te zoeken
deze ontmoetingen te realiseren. In zo’n ontmoeting en gesprek stellen de kerken de
fundamentele christelijke waarden waarop de Kerk gebouwd is aan de orde, die ze de
samenleving van harte aanbieden als fundament voor een samenleven.
Als God zijn verbond aangaat met mensen zet Hij hen op het spoor van orde, vrijheid,
gerechtigheid, vrede en veiligheid. De verhalen en teksten over schepping van alles dat
bestaat en leeft (Genesis 1 en 2), het verbond met het marginale, Bijbelse volk Israël
(Exodus) en de profetische visioenen van een nieuwe schepping waarin vrede en
gerechtigheid heersen, zijn de bronnen waaruit de waarden gehaald kunnen worden.
In de ontmoetingen van Jezus is de waardering van elke mens belangrijk. Hij treedt op
tegen alle pogingen om deze menselijke waardigheid te weigeren of te beschadigen. In
de jonge kerk zien we het verlangen om gemeenschap te vormen die grenzen van
etniciteit, sociale status en religieuze overtuiging overstijgen. De kerken kunnen deze
verhalen in de gesprekken inbrengen.
Mensen die aansluiting zoeken bij de kerk moeten welkom zijn. Maar voor hen die zich
duurzaam willen binden is een zorgvuldige en liefdevolle inleiding in het geloof
noodzakelijk. Misvattingen als zou de kerk een plek zijn van mannelijke of raciale
superioriteit moeten in de doopcatechese opgehelderd worden. Dat vraagt om
duidelijkheid en geduld en inzet van de kerk en de geïnteresseerden.
In het eigen spreken en handelen moeten de kerken geloofwaardig zijn. Dat betekent
ook, dat ze aandacht moet hebben dat haar vertegenwoordigers de waarden van het
christelijke geloof omarmen en naleven. Verbondenheid met politieke organisaties, die
tegenstrijdige waarden of overtuigingen aanhangen hoeft niet bij voorbaat reden te zijn,
om niet als ambtsdrager van de kerk te mogen functioneren, maar moet wel aanleiding
zijn tot gesprek en kritische bevragen.
In individuele gevallen kunnen maatregelen gepast zijn tegen een ambtsdrager/
gemeentelid/ parochiaan die zijn racistische meningen uit blijft dragen. Deelname aan
gewelddadige acties rond de komst van azc’s moet scherp worden veroordeeld. Bovenal
moeten de kerken een veilige plek voor iedereen zijn. Kerkgangers mogen erop
vertrouwen dat zij niet met racisme van medegelovigen geconfronteerd worden.
Discipelschap
Een woord waarin de kerken hun eigen taal kunnen blijven spreken en tegelijk recht
kunnen doen aan de geschetste problematiek, is het woord discipelschap. Men kan hier
evengoed andere termen gebruiken die min of meer dezelfde lading dekken, zoals
‘inwijding’ of ‘navolging’.
Jezus roept in de evangeliën volgelingen, discipelen. Met hen gaat hij op weg, en leert
hun en vormt hen in wie Hij is. Dit is discipelschap. Discipelschap begint niet bij ideale
mensen, maar bij mensen zoals zij zijn. In de evangeliën roept Jezus vissers, tollenaars
en mensen met allerlei sociale achtergronden. Hij neemt hun bestaande leven als
vertrekpunt. Wanneer Jezus vissers roept en hen ‘vissers van mensen’ maakt, betekent
dat niet dat hun ervaringen worden genegeerd, maar dat zij worden omgevormd. Jezus
sluit aan bij concrete mensen, bij verlangens, angsten, frustraties en praktijken, maar
laat deze niet onveranderd. Discipelschap is daarom zowel een beweging van erkenning
als van verandering: mensen worden serieus genomen in wat hen beweegt, maar tegelijk
geprikkeld tot een nieuwe manier van denken, kijken en leven.
Op dezelfde manier kan ook vandaag het spreken over discipelschap aansluiten bij
oprechte verlangens en ervaringen van mensen in het algemeen. Ook bij mensen die
zich aangetrokken voelen tot radicaalrechts gedachtegoed kan dit spreken aansluiting
vinden. Achter zulke opvattingen gaan ook vaak reële ervaringen schuil van verlies aan
verbondenheid en van onzekerheid over de toekomst; gevoelens van maatschappelijke
achterstelling; verlangen naar erkenning en naar een gemeenschap waarin men zich
gekend weet.
Discipelschap spreekt deze verlangens niet bij voorbaat tegen, maar
neemt ze serieus. Het erkent dat mensen zoeken naar houvast, richting en betekenis in
een wereld die zij als onoverzichtelijk en bedreigend ervaren, en benoemt hun emoties.
Praktische hulp en handreikingen kunnen soms al kou uit de lucht wegnemen.
Tegelijkertijd is discipelschap geen bevestiging van bestaande overtuigingen of
identiteiten. Discipelschap is een weg van vorming en omvorming.
In de christelijke traditie is het volgen van Jezus onlosmakelijk verbonden met metanoia (omkeer): een
ingrijpende verandering van denken, kijken en leven. Jezus roept mensen weg uit een
leven in vervreemding van God en zijn liefde, en leert hen te bidden om de heiliging van
Gods naam, het geschieden van zijn wil, de komst van zijn Koninkrijk. De discipelen
worden in de Bijbel opgeroepen door Jezus om Hem te volgen en met Hem op weg te
gaan.
De metafoor van op weg gaan staat voor verandering. De radicaliteit daarvan valt niet te
onderschatten, zoals blijkt uit Paulus’ metafoor in Romeinen 6:4: leerlingen van Jezus
zijn ‘dood voor de zonde’ om een ‘nieuw leven te leiden’. Wie Jezus volgt, wordt niet
alleen bevestigd in zijn of haar verlangens en ervaringen, maar wordt ook gecorrigeerd
en op een nieuw spoor gezet. Dat geldt voor iedereen, ongeacht politieke kleur of
maatschappelijke positie.
Discipelschap is daarom nooit vrijblijvend. Het vraagt om zelfonderzoek, om het onder
ogen zien van bijv. angst, boosheid en ressentiment, en om de bereidheid deze niet te
laten uitgroeien tot uitsluiting of ontmenselijking van anderen. Discipelschap behelst
daarmee ook dat de ogen geopend worden voor de mythische dimensie van
radicaalrechts gedachtengoed. Dan zal geleefd worden vanuit het besef, dat er krachten
werkzaam zijn die alleen kunnen worden weerstaan wanneer de ‘wapens van God’
worden opgenomen (Efeziërs 6:10-17).
Het Koninkrijk van God dat Jezus verkondigt, is niet van deze wereld en valt daarom ook
niet samen met een vermeende joods-christelijke beschaving. Jezus’ Koninkrijk laat zich
niet inzetten ter bevestiging van de status quo, van macht of van culturele hegemonie.
Integendeel, in de verhalen over Jezus wordt steeds zichtbaar hoe Hij bestaande grenzen
doorbreekt en hoe Hij menselijke waardigheid niet afmeet aan afkomst, religie, status of
morele zuiverheid.
Discipelschap betekent daarom dat wij afstand nemen van pogingen
om het christelijk geloof te reduceren tot cultuur- of tot identiteitsmarker tegenover
anderen. Dat wil niet zeggen dat christelijke waarden zoals die in maatschappij en
cultuur gevonden kunnen waardeloos zijn; integendeel, daarvoor moet dankbaarheid
bestaan. Tegelijk blijft gelden dat het Koninkrijk van God niet samenvalt met deze
wereld.
Juist in deze spanning ligt de kracht van discipelschap als alternatief kader. Het biedt
ruimte om mensen serieus te nemen in hun ervaringen en zorgen, zonder die zorgen te
verabsolutiseren. Het biedt ruimte om dankbaar te zijn voor wat is en wie iemand is,
zonder het daarbij te laten. Discipelschap nodigt uit tot een langzame en trage weg van
verandering, waarop mensen dankbaar leren zijn en leren omgaan met complexiteit en
verantwoordelijkheid, schuld en zonde. Het verzet zich tegen de belofte van snelle
oplossingen en eenvoudige, radicaliserende antwoorden die kenmerkend zijn voor onze
tijd.
Discipelschap is dan ook niet alleen een antwoord op radicaalrechts maar vormt een
kritische spiegel voor iedereen. Ook wie zichzelf als bijv. progressief of gematigd
beschouwt, wordt in de navolging van Jezus geconfronteerd met de vraag waar eigen
overtuigingen verharden, waar morele superioriteit ontstaat en waar de ander wordt
gereduceerd tot tegenstander. Discipelschap is een weg waartoe allen worden
geroepen. En daarom kan op die weg het wonderlijke gebeuren dat mensen, zo
verschillend als zij zijn, elkaar gaan herkennen als broeder of zuster in Jezus Christus.
Zo verstaan is discipelschap een taal die verbindt en tegelijk kritisch vormt. Het neemt
mensen serieus in hun verlangens en laat geen ruimte voor onverschilligheid. Het is een
weg waarop de Kerk, in woord en praktijk, getuigt van een Koninkrijk dat ons allen
overstijgt en bevraagt. Het is een weg waarop wij de Heer zoeken, en wij al zoekend zelfs
elkaar kunnen vinden. Vanaf het begin roept Jezus mensen met verschillende en soms
zelfs botsende achtergronden – onder wie Johannes de visser, Simon de Zeloot en
Mattheüs de tollenaar. Hij roept hen om zich om te keren, Hem te volgen en samen, op
weg met Hem, een nieuwe gemeenschap te vormen en genezend te werken. Daarin
leren zij elkaar herkennen als broeders en zusters in zijn Naam (Matteüs 10:1-4).
Contact tussen christenen met een migratieachtergrond en christenen
met Nederlandse achtergrond
Een eerste praktische vorm van vorming en dialoog in onze samenleving is het contact tussen christenen met Nederlandse achtergrond en christenen met een migratieachtergrond. Die laatsten zullen vanuit hun
kunnen voorhouden. Samenwerking tussen gemeentes van christenen met en zonder
migratieachtergrond kan op allerlei niveaus. Voorgangers kunnen elkaar ontmoeten,
kerkbesturen kunnen met elkaar in gesprek gaan, er zijn mogelijkheden voor
gezamenlijke zangmiddagen. Voorgangers uit migrantenkerken kunnen gastvoorganger
zijn. Dit schept allemaal mogelijkheden om verbindingen aan te gaan en elkaars
verhalen te horen.
Interreligieuze dialoog
Kerken kunnen in Nederland niet in hun eentje de democratie behoeden en bewaren. Ze
moeten samenwerken met alle democratische krachten. Speciaal is samenwerking en
overleg met andere godsdiensten en levensbeschouwelijke groepen van belang, zowel
landelijk als plaatselijk. Plaatselijk kan dat in een raad waar veel godsdiensten in
vertegenwoordigd zijn, maar ook directe contacten met de lokale moskee kunnen
verbondenheid bevorderen. Landelijk is het van groot belang om met
vertegenwoordigers van de islam, jodendom, hindoeïsme, boeddhisme en humanisme
goed contact te hebben en samen op te treden in de richting van overheid en
samenleving.
Aanbevelingen
Tot slot doen we op basis van dit beleidsstuk de volgende aanbevelingen aan de
Nederlandse kerken:
- zoek het gesprek in de kerken over de veranderde maatschappelijke situatie en
doe dat dialogisch
- spreek de eigen taal van de Kerk
- zet in op lange wegen van discipelschap
- draag zorg voor een zorgvuldige inwijding in het christelijk gedachtegoed van
(nieuwe) kerkleden en treed vanuit ons getuigenis op tegen leden die zich
hardnekkig racistisch blijven uiten of zelfs participeren in geweld.
- protesteer krachtig tegen overheidsoptreden dat antidemocratische en/of anti-
rechtstatelijk is
- preek en bid voor christelijk gedrag, preek en bid niet tegen mensen en partijen
- bevorder het contact tussen christenen met een migratieachtergrond en met
Nederlandse achtergrond
- bevorder de interreligieuze samenwerking landelijk en plaatselijk
Raad van Kerken, april 2026 10
Beraadgroep Geloof en Kerkelijke Gemeenschap april 2026
