Het eeuwige Nu en de vruchtbaarheid van de maagd
Spiritualiteit en filosofie bij Meester Eckhart
door Frans Maas
Inleiding
Van Heidegger stamt de visie dat wijsgerig en theologisch denken zich verhouden als nabij gelegen bergtoppen, die van elkaar gescheiden zijn door een diepe onoverbrugbare kloof. Meester Eckhart, voor wie Heidegger overigens groot respect had, lijkt daar niet zo zwaar aan te tillen. Hij is dan ook Middeleeuwer, voor wie in het ene grote verband beide denk¬vormen vanzelfsprekend uitwisselbaar zijn. We zien hem met het grootste gemak wijsgerige begrippen in theologische constellaties plaatsen, we horen hem filosofische ideeën uitleggen om een spirituele praktijk te onderbouwen, hij citeert zonder enige gêne argumenten en onderscheiden uit het wijsgerig debat om een vruchtbare Godsrelatie aantrekkelijk in beeld te brengen. Eén van de teksten waaraan dat goed te illustreren is, is een passage over maagd- en vrouw-zijn, in een van de bekendere preken: Intravit Iesus in quoddam castellum' . Een opvallend woord in deze preek is 'eeuwig nu'. Zonder enige gêne gebruikt Eckhart deze term om ook in de praktijk de kracht en de aantrekkelijkheid van de Godsrelatie aan te geven.
Onthechting in platoonse en aristotelische termen
In de genoemde preek stelt Eckhart de geslaagde godsdienstige mens voor als maagd-vrouw. Maagd is de mens die niet bevangen is door eigen beelden en projecten en dus ruimte heeft om te ontvangen. Vrouw is de mens in wie deze gave vruchtbaar wordt. Daartoe te komen is een spiritueel proces, maar voor het begrip ervan gebruikt hij de filosofie. Daardoor krijgt de oude patristische beeldspraak - over het geboren worden van de het Woord in de harten van de gelovige - een uitgesprokener en meer geprofileerde inhoud. In de tekening van deze religieuze mens grijpt Eckhart terug op wijsgerige tradities maar gaat daar ongekend creatief mee om . Hij concentreert zich eerst op wat maagd-zijn betekent.
"Welaan, luistert nu goed naar dit woord: noodzakelijk moet het zo zijn dat ze een 'maagd' was, deze mens, door wie Jezus ontvangen werd. Maagd betekent zoveel als een mens die van alle vreemde beelden leeg is, even leeg als hij was toen hij er nog niet was. Zie, nu zou men kunnen vragen hoe een mens die geboren en tot de jaren van verstand gekomen is, leeg kan zijn van alle beelden, even leeg als toen hij er nog niet was. Hij weet toch immers veel en dat zijn allemaal beelden; hoe kan hij dan leeg zijn?
Luistert nu naar het onderricht dat ik u wil geven. Was mijn verstand zo alomvattend, dat ik alle beelden welke de hele mensengemeenschap ooit in zich opgenomen heeft, in mijn verstand bewaarde en bovendien ook nog de beelden die in God zelf zijn, doch deed ik dit zo dat ik vrij bleef van ik-binding ten aanzien van dit alles, dan was ik maagd zonder enige hinder van deze beelden. Bewaarde ik al deze beelden zo in mijn verstand dat ik in doen en laten, zowel met betrekking tot het verleden als met betrekking tot de toekomst, geen enkele van deze beelden mij toegeëigend had, zodat ik in dit tegenwoordige nu vrij en leeg stond voor de liefste wil van God om die zonder ophouden te vervullen, dan was ik waarlijk maagd zonder enige hinder van al deze beelden, precies zoals ik het was toen ik er nog niet was ."
Maagd-zijn betekent vrij zijn van beelden. De preek gaat over Jezus, die door Martha in haar huis ontvangen wordt (Lc 10,38). Om te kunnen ontvangen moet men vrij zijn, niet bezet door andere zaken, ontdaan van alles wat de ontvankelijkheid zou kunnen verhinderen. Dat betekent niet dat men geen enkele beeld mag hebben. Ten aanzien van deze objectie maakt Eckhart een nuancering: men hoeft absoluut geen naïef leeghoofd te zijn, men kan gerust alle mogelijke beelden in zich opnemen - de retorische climax spreekt voor zich - zolang men zichzelf maar niet vastgezet heeft in die beelden en men ze elk moment van zich af kan zetten.
Kentheorie
Hier verschijnt het 'tegenwoordige nu' reeds in de context van spirituele groei. Op de achtergrond staat de door Thomas gangbaar gemaakte aristotelische kentheorie . Volgens deze kenleer werkt het menselijk kenvermogen in twee momenten, een ontvangend en een activerend moment. Hier gaat het om het eerste moment, dat Thomas vertaalt met intellectus possibilis . Anders dan bij God en anders dan bij de engelen, bezit het menselijk verstand, uit zichzelf geen kennis. Het moet en kan die die vergaren via de zintuigen. Om keninhouden te kunnen opnemen is het op de eerste plaats nodig dat de menselijke geest niet bezet en afgesloten maar leeg en open is: in potentia, possibilis. Wil het oog kleuren kunnen zien, dan mag het niet zelf door een gekleurde bril kijken. Het intellect moet vrij zijn van beelden, wil het nieuwe beelden kunnen opnemen. Onbevangenheid als voorwaarde voor ontvankelijkheid, dat is de betekenis van maagdelijkheid.
Zo transponeer Eckhart hier Thomas' kenleer naar het vlak van spirituele theologie. Eerder dan met bijbelse connotaties is het woord maagdelijkheid door het epistemologisch begrip geladen. Dat wordt nog sterker wanneer daar nog een denkbeeld uit de platoonse traditie aan toegevoegd wordt.
Zoon-moment
Maagd is wie van alle vreemde beelden leeg (is), even leeg als hij was toen hij er nog niet was. Hier citeert Eck-hart de platoonse gedachte van de preexistente ziel, die hij waarschijnlijk via Origenes kende. Vooraleer de mens - en eigenlijk alle werkelijkheid - geschapen werd in tijd en ruimte, d.w.z. in de fragmentatie, versplintering en vreemdheid ten opzichte van de andere schepselen, was hij er al in de eenheid van het goddelijk leven. In de voortkomst van de Zoon uit de Vader immers was alle schepping reeds geïmpliceerd.
Daar was de mens niet vreemd aan alle 'andere' schepping, want de oorspronkelijke oerbeelden van alle schepselen zijn niet vreemd ten aanzien van elkaar doch één. Dit is het oorspronkelijk Zoon-moment van alle werkelijkheid. Daar is de mens nog niet bezet door de beslommeringen van de tijd. Die beslommeringen hangen immers samen met het overbruggen van opposities, en die zijn er nog niet. Alle mensen hebben dat Zoon-moment in zich, ook in dit aardse leven, maar meestal nemen mensen dat moment niet op.
Maagdelijkheid als "even leeg zijn van vreemde beelden als hij was toen hij er nog niet was" moet bij Eckhart begrepen worden in de context van een neoplatoons gekleurde christelijke scheppingsvisie. Het neoplatonisme is de wijze waarop Eckhart het met Plato opneemt. Ik probeer in een paar lijnen die scheppings¬metafysiek in beeld te brengen, met name ook hoe filosofische begrippen in een triniteitstheologie geïntegreerd worden.
Oorsponkelijke eenheid
Centraal staat de neoplatoonse intuïtie van een oorspronkelijke en uiteindelijke eenheid aller dingen. De veelheid is slechts schijn en afgeleide. Hoe verder de schepsellijke veelheid verwijderd is van het ene, des te dichter nadert zij het niets. De eenheid is leven, ánder leven is er niet. Om dat leven gaat het Eckhart dan ook. Dat leven is God - of God-heid, zoals Eckhart op een gegeven moment zal zeggen. Rustend in zichzelf, is het tevens absolute overvloed: het welt op in een uitstuwende beweging die tegelijk binnenblijft - zo luidt één van zijn veel voorkomende paradoxen.
In trinitaire interpretatie: de Vader baart de Zoon als totaal evenbeeld van zichzelf; daarom kent de Zoon de Vader. Even wezenlijk als de barende uitstuwende is de 'terug¬barende' ingaande beweging van liefde: de Zoon wordt voortdurend ver-een-d met de Vader en dat is de Geest. Deze stroom van trinitair leven verbeeldt de overvloed van de Ene Verborgene. Nu komt een belangrijk gewrichtsmoment.
In deze trinitaire stroom is in principe - d.i. als oerbeeld aller dingen - de hele schepping reeds gegeven: in de Zoon ligt de hele uitgaande mogelijkheid der schepping besloten. Deze identiteit van oer¬beelden der schepselen met het ene beeld - de Zoon - noemt Eckhart de eerste voortbrenging. Het trinitaire leven wordt 'vervolgens' - de aanhalingstekens wijzen op de niet-temporele betekenis - werkzaam als God-Schepper. In een tweede scheppingsmoment wordt de uitgaande beweging verder uitgevoerd. Dat is de eigenlijke schepping en hier komt de drie¬voudige oorzakelijkheid uit de aristotelische filosofie in het geding.
Vader. Zoon en Geest corresponderen met respectievelijk werk- formele en doeloorzakelijkheid se habet ad res omnes et singulas secundum triplex genus cau¬sae efficientis, formalis et finalis (In Joh. 231, LW III 274).
De Vader brengt de schepping voort in tijd en ruimte, als iets ánders dan Hijzelf is. Dat is de versplintering in de veelheid, wat Eckhart meestal schepsellijkheid noemt. Het is afval van de ene, particulariteit en dus - bezien vanuit de ene volheid - eigenlijk niets.
Toch wil de mens zich graag vastklampen aan deze schepsellijke fragmentering, in talloze vormen van stukjes veiligheid, zo blijkt in de praktische zielzorg telkens weer. Hij wil houvast zoeken in bijvoorbeeld deugdbeoefening, in ascese, in gebed, in bezit. Dat zijn allemaal fragmenten. Eckharts pleidooi voor afgescheidenheid vraagt om afscheid te nemen van dit soort zelfbehoud. Niet dat deze praktijken op zichzelf verkeerd zijn, integendeel, maar fout gaat het als een mens daarin veiligheid zoekt. Dan verkleint hij zich. Dat is zich vastklampen aan het schepsellijke en dat is uiteindelijk niets. Hij gaat in zijn pleidooi voor afgescheidenheid zeer ver: je niet ophouden in de geschapen fragmentatie houdt ook een afscheid in van God-als-Schepper, d.i. de Vader die als werkoorzaak het schepsel naar buiten tot stand bracht, als iets ánders dan Hijzelf.
Dit naar buiten toe werken echter doet de Vader overeenkomstig de voortgebrachte oerbeelden in de eerste voortkomst. Die zijn één in de Zoon. Deze exemplarische oorzakelijkheid van de Zoon houdt in dat de schepping wezenlijk gevormd is naar de Zoon. Daarom is in de grond de schepping niét iets anders dan God, hoezeer zij zich ook in fragmentatie van tijd en ruimte be vindt. De mens die juist afscheid neemt van deze verstrooiing, komt bij zijn grond die hij in de schepping heeft meegekregen: daar baart God zijn eeuwiggeboren Zoon, als permanent goddelijk leven. Wanneer de pastor ('Lebemeister') aan het woord is, heet dat: Godsgeboorte in de ziel. In die vorm is de mens ook we¬zenlijk één met God en alle schepselen, in het oerbeeld.
Terugkeer
De Schepper-Geest stuwt de terugkerende ingaande beweging in de Vader. Als doeloorzaak leidt de Geest wat buiten was - hoewel in de Zoon toch één en binnen - terug in de Ene Verborgene, voorbij de Vader als Schepper en oorzaak van uitgaan. Dit is het thema van de 'doorbraak in de Godheid' - het uiteindelijk doel. Daar blijkt dat de mens - dit wordt inderdaad alleen van de mens gezegd - op zijn omweg door de schepping nog iets méér aan eenheid in huis had dan de geschapen eenheid van de vormoorzaak: hij had 'iets' ('Etwas in der Seele') van de Ene Verborgene in zich, de eenheid nog 'vòòrdat' - niet temporeel doch in de zin van oorspronkelijker - zij als het ene oerbeeld toch reeds in relatie tot de veelheid staat. Voor ons voorstellingsvermogen geldt dit als een eenheid die nog 'áchter' God als trinitair leven ligt: de 'Deus absconditus'. Dit is in de preken het thema van de Adel der ziel.
De Schepper-Geest stuwt de terugkerende ingaande beweging in de Vader. Als doeloorzaak leidt de Geest wat buiten was - hoewel in de Zoon toch één en binnen - terug in de Ene Verborgene, voorbij de Vader als Schepper en oorzaak van uitgaan. Dit is het thema van de 'doorbraak in de Godheid' - het uiteindelijk doel. Daar blijkt dat de mens - dit wordt inderdaad alleen van de mens gezegd - op zijn omweg door de schepping nog iets méér aan eenheid in huis had dan de geschapen eenheid van de vormoorzaak: hij had 'iets' ('Etwas in der Seele') van de Ene Verborgene in zich, de eenheid nog 'vòòrdat' - niet temporeel doch in de zin van oorspronkelijker - zij als het ene oerbeeld toch reeds in relatie tot de veelheid staat. Voor ons voorstellingsvermogen geldt dit als een eenheid die nog 'áchter' God als trinitair leven ligt: de 'Deus absconditus'. Dit is in de preken het thema van de Adel der ziel.
In maagdelijkheid als "leeg-zijn van vreemde beelden zoals men was toen men er nog niet was" wordt dus een aristotelisch-thomische kenleer en een neoplatoonse ontologie bijeengebracht en getransponeerd naar spirituele zielzorg. In deze wereld moet een mens ontvankelijk zijn en dus vrij van alles wat vreemd is, zoals de ziel dat in haar oorspronkelijke staat was: als oerbeeld één met de 'andere' oerbeelden en vooral met het ene Beeld, het Zoon-moment in de mens. Zoals hij daar was, zo moet hij in zijn hele schepsellijke bestaan worden.
De vruchtbaarheid van de maagd
Wanneer Eckhart spreekt als pastor en geestelijk leider, klinken er altijd voorstellingen en ideeën mee die hij als magister bestudeerd en gedoceerd had. De 'Lebemeister' verloochent zichzelf als 'Lesemeister' niet. Als zielzorger blijft hij ook filosoof en spe-ulatief theoloog. Omwille van de zielzorg maakt hij constructies en verbindingen, die z'n geestelijke leer een eigen diepzinnigheid geven en die vervol¬gens weer aanleiding zijn tot nieuwe verbeelding. Zo komen in de voorsteling dat in de goede mens God geboren wordt, beelden uit de patristiek samen met door hem zelf speculatief geprepareerde griekse begrippen. De visie op de religieuze mens als maagd die vruchtbare vrouw wordt, heeft datzelfde circuit meegemaakt.
Van daaruit komt hij op de gedachte dat maagdelijkheid alleen niet volstaat. Zij moet voltooid worden in vruchtbaarheid. De maagd moet vrouw worden.
"Let nu op en luistert goed! Wanneer de mens altijd door maagd zou zijn, komt er geen vrucht van hem. Om vruchtbaar te worden is het nodig dat hij vrouw is. 'Vrouw' is de edelste naam die men de ziel kan toekennen, veel edeler nog dan 'maagd'. Dat de mens God in zich ontvangt, is goed en in deze ontvankelijkheid is hij maagd. Dat God echter vruchtbaar in hem wordt, is beter. Want het vruchtbaar worden van de gave, dat alleen is dankbaarheid voor de gave. En daar is de geest vrouw in de terugbarende dankbaarheid, waar hij Jezus terugbaart in Gods vaderlijke hart.
Veel goede gaven worden ontvangen in de maagdelijkheid, maar worden niet in vrouwelijke vruchtbaarheid met dankbare lof weer terug geboren in God. Deze gaven bederven en gaan allemaal teniet, zodat de mens er nooit zaliger of beter van wordt. Zijn maagdelijkheid dient hem dan tot niets, want hij is boven zijn maagdelijkheid uit geen vrouw in volle vruchtbaarheid. Daarin ligt de schade. Daarom heb ik gezegd: 'Jezus ging op naar een stadje en werd ontvangen door een maagd, die vrouw geworden was.' ...
Een maagd die vrouw is, die vrij en ongebonden is, zonder ik-binding, die is voortdurend God en zichzelf even nabij. Zij brengt veel vruchten voort en die zijn niet gering: niet minder en niet meer dan God zelf. Deze vrucht en deze geboorte brengt de maagd-vrouw tot stand en zij doet dat alle dagen honderd of duizendmaal, ja zelfs ontelbare keren, barend en vruchtbaar wordend uit de alleredelste grond. Nog beter gezegd: voorwaar, uit dezelfde grond waaruit de Vader zijn eeuwig woord baart, wordt ook zij vruchtbaar en meebarend. Want Jezus die het licht en de weerglans is van het vaderlijk hart, ... is met haar vereend en zij met hem. En zij licht en straalt met hem als een enkelvoudig één en als een klaarhelder licht in het vaderlijk hart" .
Vrouw- en vruchtbaar-zijn, dat is de actieve kant van de ontvankelijke maagdelijkheid. Zonder deze vruchtbaarheid blijft de openheid halverwege steken. In openheid heeft de mens de Zoon ontvangen van de Vader, dat is: zij heeft het altijd al geboren zijn van de Zoon in de ziel gezien en erkend. Nu baart zij de Zoon terug in de Vader.
We herkennen hier 's mensen deelnemen aan het trinitaire leven: van de Vader ontvangen (ab alio), één en dezelfde Zoon zijn (non ab alio) en door de Geest teruggeven aan de Vader (in alio).
Deze participatie aan het goddelijke leven wordt hier in beeld gebracht met de schrifttekst van de preek: Jezus wordt ontvangen in het huis van Martha en Maria (Lc 10.38v). Vandaar dat het om Jezus gaat, die teruggebaard wordt, zoals een passage eerder men ook op de maagdelijke Jezus moest lijken om hem te kunnen ontvangen. In een andere preek over dezelfde tekst wordt Martha afgeschilderd als de maagd, die vrouw geworden is, terwijl Maria nog enkel ontvankelijk is en nog groeien moet. Enigszins tegen de strekking van het evangelieverhaal in - de ontvankelijke 'contemplatieve' Maria heeft daar het beste deel verkozen - acht Eckhart Martha geestelijk volwassener dan Maria .
Deze participatie aan het goddelijke leven wordt hier in beeld gebracht met de schrifttekst van de preek: Jezus wordt ontvangen in het huis van Martha en Maria (Lc 10.38v). Vandaar dat het om Jezus gaat, die teruggebaard wordt, zoals een passage eerder men ook op de maagdelijke Jezus moest lijken om hem te kunnen ontvangen. In een andere preek over dezelfde tekst wordt Martha afgeschilderd als de maagd, die vrouw geworden is, terwijl Maria nog enkel ontvankelijk is en nog groeien moet. Enigszins tegen de strekking van het evangelieverhaal in - de ontvankelijke 'contemplatieve' Maria heeft daar het beste deel verkozen - acht Eckhart Martha geestelijk volwassener dan Maria .
Intellect
In zijn denkbeeld van de vruchtbare de maagd-vrouw brengt Eckhart een aantal stromen heel oorspronkelijk bijeen: een aristotelisch thomistische, een augustijns neo-platoonse en griekse patristiek . Aangezien het intellect voor Eckhart een centraal vermogen is in de Godsrelatie, transponeert hij ook dit deel van de epistemologie naar de mystagogie. Het actieve moment van het intellect correspondeert op dit theologale vlak met de vruchtbaarheid van de maagd-vrouw, beeld¬taal die hij ontleent aan de griekse vaders en verstevigt met een filosofisch begrippelijk gebinte.
Ken¬nen betekent volgens Thomas dat het intellect de vormen der dingen uit de materialiteit tot intellibiliteit brengt. Daartoe moet het intellect zelf reeds 'in actu' zijn: er is dus een actief moment in onze rede . De actieve rede maakt dingen begrijpelijk, intelligibel. Dat gebeurt door een woord: de met de dingen verweven begrijpelijkheid ervan wordt tot een begrip. Voor Thomas is dat het phantasma, dat de geest ontleent aan de dingen: de vorm die de dingen maakt tot wat hij is wordt in de menselijke geest opgenomen. Bij de mens loopt dit altijd via de zintuigen en aposteriori. God daarentegen heeft apriori alle vormen in zich, Gods kennen is meteen het zijn der dingen. De mens echter moet het begrip los maken uit de materialiteit, want het begrip is onvermengd met de materie. Zo 'produceert' de kennende mens de dingen, door hun begrijpelijkheid tot begrip te brengen.
Tot zover is dit een op Aristoteles geschoeide thomistische gedachtengang.
Eckhart brengt daar een platoons element in en transponeert de gedachtengang naar de Godsrelatie. De eigenlijke begrijpelijkheid der dingen is volgens hem niet zomaar een aan de dingen ontleend menselijk phantasma. Zij is het oer¬beeld, dat in God één is met de Zoon, de Logos, waarnaar de dingen in het tweede scheppingsmoment geschapen zijn.
Eckhart brengt daar een platoons element in en transponeert de gedachtengang naar de Godsrelatie. De eigenlijke begrijpelijkheid der dingen is volgens hem niet zomaar een aan de dingen ontleend menselijk phantasma. Zij is het oer¬beeld, dat in God één is met de Zoon, de Logos, waarnaar de dingen in het tweede scheppingsmoment geschapen zijn.
Zo brengt de mens niet zomaar een woord voort maar juist hét Woord, de Logos. Zover was vóór hem nooit iemand gegaan, zelfs Augustinus niet die toch bij uitstek in het westen de stoïsche leer van het innerlijke woord vertegenwoordigde. Die benadrukte bij alle vergelijkbaarheid van de voortkomst van een menselijk woord en Gods Woord toch steeds de sterke ongelijkheid .
Eckhart gaat verder: "Uit dezelfde grond waaruit de Vader zijn eeuwig woord baart, wordt ook zij vruchtbaar en meebarend", en dat niet één keer, maar "alle dagen honderd of duizend maal, ja zelfs ontelbare keren". De overvloed van deze vruchtbaarheid, hier in beeld gebracht in een hyperbool van temporele verspreiding, wordt in deze zelfde preek ook meermalen geconcentreerd in het 'eeuwige nu'. Dat is het punt waar de eeuwigheid in¬breekt in de tijd en de hele temporele divergentie omvat. Van dat punt is sprake zowel bij de maagdelijkheid (in dit tegenwoordige nu vrij en leeg staan) als bij de vruchtbaarheid (het eeuwige nu) . Daarbij staan we nu wat langer stil.
'Eeuwig nu' en onbevangen omgaan met tijd
Maagdelijkheid als leeg zijn van beelden, brengt Eckhart uitdrukkelijk in verband met het leven in de tijd. Dat blijkt uit zijn retorische objectie tegen het begrip van maagd-zijn: hoe kan men leeg zijn van beelden, als men alleen al door het simpele feit in de tijd geleefd en geleerd te hebben toch allerlei denkbeelden en leefpatronen meegekregen heeft? Het springende punt komt volgens Eckhart te liggen op toe-eigening en ik-binding (Eigenschaft, Ichgebundenheit, Ich-Bindung). De kritische vraag is: hoezeer is men aan het netwerk van bepaaldheden, waarin een ieder onontkoombaar gesitueerd is, werkelijk gebonden? In welke mate heeft men in een of ander schepsellijk fragment - bezit, kennis, gevoelens, levenspatronen, enz. -werkelijk zijn identiteit ge¬zocht?
Eigenheid of identiteit zoeken in een particuliere gegeven verloopt altijd in de tijd. Het is een identificatie¬proces, verlopend in een uit te voeren project, zich uitstrekkend van 'voor' tot 'na'. Het begint met een plan en eindigt met het bereiken van de doeleinde. In het tijdsverloop daartussen moet het gebeuren.
Leeg-zijn nu betekent precies zich onthechten van dit tijdsverloop, waarin mensen zelf iets willen bereiken. Het is kunnen leven in het 'tegenwoordige nu'. Wie daarentegen eigen identiteit zoekt in een geschapen fragment, bekent zich tot een tijdsverloop, waarin dat project ter hand genomen en uitgevoerd wordt. Het is eigen werk. Nu is 'eigen werk' niet per se verkeerd, zoals blijkt uit zijn preek 'Iustus vivet': "...de wijze zegt: 'de gerechte leeft'. Want juist omdat hij gerecht is, werkt hij en zijn werken léven" .
Beslissend daarbij is dat de zin en de ziel van het werk niet gelegen is in het einddoel. En juist dat is wel de meest normale en natuurlijke gang van zaken: men doet iets om daarmee iets te bereiken. Maar op spiritueel vlak leidt dat tot een verkeerd soort veiligheid en stagnatie. Het werkt het juist averechts, zelfs al zou dat einddoel nog zo religieus getint zijn.
"De gerechte zoekt niets met zijn werken. Want wie met hun werken iets zoeken of wie werken omwille van een waarom, zijn knechten en huurlingen. Wil je dus gevormd en omgevormd worden in de gerechtigheid, heb dan niets op het oog met je werken, en wees nergens op uit in tijd noch eeuwigheid, niet op loon noch op zaligheid, niet hierop noch daarop; want zulke werken zijn waarlijk allemaal dood. Ja, ik zeg: zelfs wanneer je God als je doel zou nemen, zijn alle werken die je zelfs daarom zou verrichten, dood, en je bederft er goede werken mee" .
Echtparen
Met dit voorbehoud ten opzichte van het eigen in tijd uit¬gezette project correspondeert in de preek over de maagd-vrouw een passage over de 'echtparen'. Zij worden als tegenpool van de maagd gedacht. Tijd en eigen werk spelen bij hen een grote rol, en de vruchtbaarheid is tamelijk gering: slechts één kind per jaar, terwijl de maagd-vrouw grenzeloos vruchtbaar is.
"Echtparen brengen nauwelijks meer dan een vrucht per jaar voort. Maar nu heb ik een ander soort 'echtpaar' voor ogen: namelijk al diegenen die eigenbatig gebonden zijn aan gebed, aan vasten, aan waken en aan allerhande uiterlijke oefeningen en kastijdingen. Elke ik-gebondenheid aan wat voor werk dan ook, dat je de vrijheid beneemt om in dit tegenwoordige nu God ter beschikking te staan en hem alleen te volgen in het licht waarmee hij je aanwijzingen geeft voor je doen en laten, vrij en nieuw in elk nu, alsof je niets anders had, wilde en kon - dat noem ik een jaar. Elke ik-gebondenheid, of elk voorgenomen werk dat je deze altijd nieuwe vrijheid herneemt, noem ik nu een jaar. Want je ziel brengt generlei vrucht voort zonder dat zij het werk verricht heeft dat je eigenbatig aangepakt hebt. Daarbij heb je geen vertrouwen op God noch op jezelf; je hebt alleen je werk volbracht wat je met ik-binding op je genomen hebt, anders heb je geen vrede. Daarom breng je ook geen vrucht voort, je hebt immers je werk gedaan. Dit streep ik aan als een jaar, en de vrucht is toch nog klein omdat zij uit het werk is voortgekomen in ik-gebondenheid en niet in vrijheid.
Zulke mensen noem ik 'echtpaar', omdat zij in ik-binding vast zitten. Zij brengen weinig vrucht voort en die is bovendien nog klein, zoals ik gezegd heb" .
Het werk is pas levengevend als het verricht wordt niet omwille de verdienste hier of hiernamaals, niet omwille van innerlijke rust, zelfs niet omwille van God, maar wanneer het 'zonder waarom' gedaan wordt, als een en hetzelfde werk dat God ¬ van alle eeuwigheid doet.
"Wanneer de mens boven de tijd verheven is in de eeuwigheid, verricht hij daar samen met God één werk. Veel mensen vragen hoe de mens werken kan verrichten, welke God voor duizend jaar verricht heeft of over duizend jaar verrichten zal, en ze begrijpen het niet. In de eeuwigheid is er geen 'vóór' en 'over'. Wat dus vóór duizend jaar geschied is en wat over duizend jaar geschieden zal en wat nu geschiedt, dat is in de eeuwigheid 'eens'. Wat dus God vóór duizend jaar gedaan en geschapen heeft en wat hij over duizend jaar zal doen en wat hij nu doet, dat is slechts één werk. Daarom verricht de mens die boven de tijd in de eeuwigheid verheven is, samen met God wat God vóór duizend en over duizend jaar verricht heeft" .
Eén werk met God verrichten, boven de tijd in de eeuwigheid, betekent niet dat men uitsluitend met hogere, geestelijke en niet-aardse zaken bezig zou zijn. Het is niets anders dan het gewone werk zó verrichten dat men niet bepaald wordt door het eindpunt ervan. Zo iemand is voortdurend bezig, voortdurend onderweg, maar de zin ligt niet in een vast-gesteld doeleinde. Het is vergelijkbaar met de kringloop van de hemellichamen.
"Zo is de hemelse mens, degene die zich onderweg bevindt en voortdurend onderweg is. ... Het betekent dat je geen eindpunt hebt en nergens afgesloten bent en nergens blijft staan" .
Zonder waarom
Onttrokken zijn aan de wetten van de tijd is werken alsof er geen einddoel mee bereikt moest worden. De realiteitszin lijdt daar niet onder. Integendeel, het gaat precies om de dagelijkse bezigheden, die men op zijn weg vindt. Maar ze worden nu verricht 'zonder waarom', niet gedefinieerd door hun einddoel maar levend vanuit de ene grond die zowel Gods grond als zilegrond is. Zo zijn ze concretiseringen van het Ene Leven dat God is.
"Zo waar als de Vader in zijn enkelvoudige natuur zijn Zoon natuurlijk baart, zo waar baart hij hem in het binnenste van de geest, en dit is de innerlijke wereld. Hier is Gods grond mijn grond en mijn grond Gods grond. Hier leef ik uit mijn meest eigene, zoals God uit zijn meest eigene leeft. Wie ooit slechts een ogenblik lang in deze grond zou kijken, voor die mens zijn duizend marken rood geslagen goud even veel als een valse penning. Vanuit deze binnenste grond moet je al je werken verrichten zonder waarom.
Voorwaar ik zeg: zolang je je werken verricht om het hemelrijk of omwille van God of je eeuwige zaligheid, dus om iets buiten je, zolang is het werkelijk nog niet goed met je gesteld. Men mag dat dan wel van je menen, maar het beste is het toch niet. Want werkelijk, wanneer je meent in diepe verzonkenheid, vrome stemming, zoete vervoering en uitzonderlijke begenadiging méér van God te bekomen dan bij het haardvuur of in de stal, dan doe je niets anders dan God nemen, een mantel om zijn hoofd wikkelen en hem onder een bank schuiven.
Want wie God op een bepaalde 'wijze' zoekt, die grijpt wel de wijze maar mist God die in de wijze verborgen is. Maar wie God zónder 'wijze' zoekt, die grijpt hem vast zoals hij in zichzelf is. Zo'n mens leeft met de Zoon en hij is het leven zelf. Als je duizend jaar lang aan het leven zou vragen: 'Waarom leef je?' - en als het kon antwoorden, zou het niets anders zeggen dan: 'Ik leef omdat ik leef'. Dat komt omdat het leven uit zijn eigen grond leeft en opwelt uit zichzelf. Daarom leeft het zonder waarom, zelfs hierin dat het voor zichzelf leeft. Als je nu een waarachtig mens die werkt vanuit zijn eigen grond, zou vragen: 'Waarom doe je je werk?' - en als hij goed zou antwoorden, zou hij niets anders zeggen dan: 'Ik werk omdat ik werk' .
Eén ogenblik lang met de binnenste zielegrond in aanraking zijn, daar gaat een enorme kracht van uit: een mens kan relativeren, heeft geen zinverlenende constructies meer nodig ('zonder waarom'), is bestand tegen afbraak en woont met het grootste gemak in het lijden.
"God is in deze kracht als in het eeuwige nu. Was de geest altijd met God in deze kracht vereend, dan kon die mens niet ouder worden. Want het nu waarin de laatste mens zal vergaan en het nu waarin ik spreek, die zijn gelijk in God en zijn niets anders dan één nu. Kijk, deze mens woont in één licht met God. Daarom is in hem lijden noch opeenvolging van tijd, maar een gelijkblijvende eeuwigheid" .
Maagd
Werken zonder waarom, werken zonder toeëigening van beelden omtrent doeleinden, zonder 'voor' en 'na': dat is onthechting, dat is niet in de tijd opgaan, dat is leven in het 'tegenwoordige nu', in het moment. De objectie - hoe maagdelijk en beeldloos zijn zou moeten samengaan met verstandig en realistisch leven - is daarmee beantwoord. Dat gaat zeer wel samen, want aan de orde is niet het beeld of het werk zelf, maar of men daarin zijn identiteit zoekt, of men met andere woorden "in dit tegenwoordige nu vrij en leeg" kan staan. Datzelfde 'vrij en leeg' wordt ook van Jezus gezegd, die overeenkomstig de leidende schrifttekst door Martha - de maagd-vrouw - ontvangen wordt.
"Dat de mens maagd is, ontneemt hem niets van alle werken die hij ooit deed. Dat alles laat hem toch maagdelijk en vrij staan voor de hoogste waarheid, zonder enige hinder, zoals ook Jezus leeg en vrij is en maagdelijk in zich¬zelf. Zoals de meesters zeggen dat slechts 'gelijk en gelijk' grondslag voor de vereniging is, daarom moet de mens maagd zijn, jonkvrouw, om de maagdelijke Jezus te ontvangen ."
Het 'tegenwoordige nu', het ene plotselinge moment in onderscheid tot 'vóór' en 'na', het 'eeuwige nu' is opnieuw een citaat uit de wijsgerige traditie. Met name in het neoplatonisme is dit 'ogenblikkelijke nu' verbonden met extatische vervoering, een weggerukt worden uit de tijd. Bij Eckhart gaat het duidelijk niet om een vlucht uit tijd en wereld, maar omgekeerd om een verzameling van de vluchtige tijd in het 'eeuwige nu'.
Lossky heeft erop gewezen dat deze traditie van het neoplatoonse exaifnys - het gelukvolle gebeuren van een plotseling zien en weten - bij Eckhart correspondeert met het 'ogenblik' . In het neoplatonisme betekent deze onverwachte verrukking dat zijn en denken, tijd en eeuwigheid tot in hun evidente oorspronkelijke eenheid gedacht en geschouwd worden . A.Haas heeft laten zien hoe deze traditie met het heils-historische accent van Pseudo-Dionysius - door wie dit plotselinge binnenbreken van de eeuwigheid in de tijd als het Christusgebeuren geïnterpreteerd wordt - bij Eckhart sterke weerklank vindt, ook al kende hij haar wellicht niet rechtstreeks .
Ogenblik
Het ogenblik is de plotselinge kering in de tijd, waarin alle temporele momenten die in hun veelvuldige versplintering vervluchtigen tot niets, opnieuw in hun ene centrum verzameld worden: "en in dit ogenblik wordt alle verloren tijd weer ingebracht" . Het 'ene' moet hier, in dit op schepping gericht perspektief , verstaan worden als de goddelijke voortbrenging van de ene Zoon, waaraan de schepping en in het bijzonder de mens deelheeft als aan haar eeuwig Oerbeeld.
Een ogenblik bewustzijn van het ene waaraan de mens deelheeft, relativeert alle schepselijke veelheid: "voor die mens zijn duizend marken rood gelagen goud evenveel als een valse penning" .
Het 'eeuwige nu', dat in een oogwenk voor mensen ervaarbaar kan worden, is de gelijktijdigheid van het moment van de schepping en dat van de incarnatie (de 'creatio' en de 'incarnatio continua'): elk 'nu' waarin God zich scheppend (zijn-gevend) en geboren wordend (zichzelf-gevend) aan de mensen toevertrouwt. In het concrete schepsellijke bestaan ligt alles uiteen, in tijdruimtelijke apartheid, een tegenstelling van belangen en identiteiten. Toch is deze wereld en elk bestaan daarin naar het ene Beeld geschapen. Dat ene Beeld is erin uitgedrukt. Zo strijden in elk mens respectievelijk de uiterlijke en de innerlijke wereld. Het 'eeuwig nu' is dát moment waarop een mens zich ín de uiterlijke tijd toewendt tot de innerlijke eenheid. Dat is het moment waarop 'creatio' en 'incarnatio' samengehouden worden in de ziel. Wat voor de uiterlijke mens uiteenligt, is voor de Godverbonden mens ineens present.
Het 'nu' wordt dan niet opgevat als kleinste tijdeenheid - ook die notie kent Eckhart - maar als de verzamelende concentratie, als volheid van alle tijd.
"Neem ik nu een stuk tijd, dan is dat de huidige noch de dag van gisteren. Neem ik daarentegen het nu, dan houdt dat alle tijd in zich. Het nu waarin God de wereld schiep, dat is deze tijd even na als het nu waarin ik momenteel spreek; en de jongste dag is dit nu even na als de dag van gisteren" .
"'Volheid van tijd' is er op tweeërlei wijze. Dán is een ding 'vol', wanneer het ten einde is; zo is 's avonds de dag vol. Zo dus is de tijd vol, wanneer alle tijd van je afvalt. De tweede wijze is: wanneer de tijd in z'n einde komt, dat betekent: in de eeuwigheid. Want daar heeft alle tijd een einde, daar be¬staat vóór noch na. Daar is al wat is tegenwoordig en nieuw en je ziet ineens tegenwoordig al wat ooit geschiedde en nog geschieden zal. Er is geen vóór of na, daar is alles tegenwoordig. En in dit tegenwoordige zien bezit ik alle dingen. Dat is 'volheid van tijd' en zo staat het goed met me, zo ben ik waarlijk de enige zoon en Christus .
Dit 'eeuwig nu' is dus het ontologisch statuut van al het temporele. Met het bewustzijn daarvan is aan de mens ook de kracht gegeven, die daarvan uitgaat. Dat is op de leerstoel in de universiteit te bedenken. Maar Eckhart combineert dit speculatief weten juist met de praktijk van het geestelijk leven. Het nut van leerstoel blijkt ook op de preekstoel. Wat speculatief bedacht kan worden laat zich ook realiseren in het vrij-worden. Dat is het 'tegenwoordige nu' van de maagd, waarin de mens zich vrijmaakt van de binding aan de eigen projecten en constructies, hoezeer die op zichzelf ook tot leven behoren. Het is de praktische toegang tot wat in wezen de vruchtbaarheid is van de mens, die reikt tot bij God. Maar dit vrij-zijn leidt bij Eckhart niet, zoals bij veel van zijn neoplatoonse bronnen, tot een resignatie ten aanzien van het tijdelijke en tot een vlucht uit de wereld.
De kracht van het 'eeuwige nu' raakt een mens precies daar waar hij in elk wereldlijk en tijdelijk nu vrij staat voor God. Het vrij-staan is niet zozeer voorafgaande voorwaarde van die kracht, het is er de toegankelijke buitenkant van. Zoals de kracht van het 'eeuwig nu' de binnenkant is van het open-staan. Het licht van het speculatieve denken en de praktijk van het reële leven, magister Eckhart heeft ze of fascinerende wijze ineen zien zijn.
Noten
Het is preek 2 in de gezaghebbende edities: Meis¬ter Eck¬hart, Die deut¬schen und la¬tei¬ni-schen Wer¬ke, hrsg.im Auf¬trage der Deut¬schen For¬schungs¬ge¬mein¬schaft, Stutt¬gart-Ber-lin 1936vv, DW I, 21vv (afgekort DW of LW, met romeins cijfer voor de band en arabisch cijfer voor de blz) J.Quint, Meis¬ter Ecke¬hart. Deut¬sche Pre¬dig¬ten und Trak¬tate, München z.j., 159-164 (afgekort Q) Geci¬teerd wordt uit: F.Maas, Van God houden als van nie¬mand. Pre¬ken van Eck¬hart, Kampen/A¬ver¬bode 1997, 39-44 (afge¬kort M).
Voor een uitvoerige analyse van deze preek, waarvan ik hier ¬ook gebruik maak, zie: R.Schürmann, Meister Eckhart. Mys¬tic and Phi¬los¬op¬her, Lon¬don 1972, 3-47.
Q 159, M 39.
Vgl. B.Welte, 'Meister Eckhart als Aristoteliker', in: Auf der Spur des Ewi¬gen, Freiburg 1965, 197-210.
STh I q 79 a 2 ad secundum.
Het filosofische oorzakelijkheidsconcept en de theo¬logische triniteitsterminologie worden in elkaar geweven. "Notandum ex iam dicto quod cum tantum sit triplex genus cau¬sae, consequen¬ter est trina et haec sola distinctio per rati¬onem sive rela¬tionem; pater 'ex quo' omnia effective, filius 'per quem' omnia for¬maliter, spiritus sanctus 'in quo' omnia ut in fine" (Serm.12, LW IV 14); "Hinc est tertio quod deus
.Q 159vv, M 40v.
Intravit Iesus in quoddam castellum (Lc 10,30): Q 280-289, M 87-99.
Vgl. Schürmann a.w., 19-26.
. De 'Brief aan Diognetes' (XI,3-5) spreekt van de Zoon, die "altijd jong herboren wordt in de harten van de heili¬gen". Clemens van Alexandrië (De pedagoog III,1) betrekt dat thema op het doop¬sel, waardoor in het mensenhart het leven van het Woord ontstaat. Vooral Origenes geeft de gedachte van de Gods¬ge¬boor¬te in de mens en de geboorte van de mens in God een brede verspreiding, waarbij in het kennen de eenheid van Woord en ziel tot voltooiing komt. Deze theologie van de Godsvere¬niging wordt verder ontwikkeld door Methodius, Gregorius van Nazianze en Maximus Confessor. Eckhart kent deze traditie via Ri¬chard van St.Vic¬tor en Scotus Eriugena, die het denken van Maximus en Origenes in het westen ingang doet vinden. Ook Al¬ber¬tus Mag¬nus, leraar van Eckhart, en Thomas' 'Catena aurea' zijn onge¬twij¬feld kanalen geweest, waardoor de patris¬tieke termi¬nologie over de Godsvereniging Eckhart bereikte. Vgl. Hugo Rahner, 'Die Gottesgeburt. Die Lehre der Kir¬chenväter von der Geburt Christi aus dem Herzen der Kirche und der Gläubi¬gen', in: Symbole der Kirche: Die Ekklesiologie der Väter, Salzburg 1964,13-87.
STh I, q 79 a 3.
De triniteit XV,XI,20; vgl. Schürmann, a.w., 20. ***
Over eeuwigheid en tegenwoordig nu, vgl. F.Maas, 'De vluch¬tige tijd bijeenhouden in het moment van de ziel. De presen¬tische eschatologie van Meester Eckhart, in: Tijds.v.Theologie 28(1988)26-49.
Q 286, M 80.
Q 267, M 79.
Q 160v, M 40v.
Q 269, M 81.
Q 188v, M 61.
Q 180, M 53. De beeldspraak van God in een mantel wik¬kelen en onder de bank schuiven is waar¬schijnlijk ontleend aan het koorgebed: als de getijden beëindigd zijn, bergen de mon¬nikken koormantel en psalter op. Zou men godsdienstig¬heid aan die 'wijze' (koorgebed bidden) binden, dan bergt men a.h.w. ook God daarin op.
Q 162, M 41v.
Q 159, M 39v. Uit een aantal parallelplaatsen blijkt dat met de aangehaalde meesters vooral Boethius bedoeld is.
Vgl Vl.Lossky, Théology négative et cannaissance de Dieu chez Maître Eckhart, Parijs 1960, blz 378.
Vgl W.Beierwaltes, Exaiphnès oder: Die Paradoxie des Augen¬blicks, in: Philos.Jahrb.d.Görresges. 74/II (1967)271-283.
Vgl A.Haas, 'Meister Eckharts Auffassung von Zeit und Ewig¬keit',in: Freib.Zts.f.Phil.u.Theol. 27(1980)325-355, hier 346vv. In het 'exaiph¬nès'-be¬grip, zoals dat van-uit de tra¬ditie tot Eck¬hart komt, zijn drie elementen met elkaar ver¬bonden: een welis¬waar gezocht maar toch onver¬wacht door¬breken van het licht der evidentie (Plato, Brief 7, 341c), de moge¬lijkheid van een tijdloze over¬gang van het eeu¬wige Zijn uit het verbor¬gene naar het zijn in de tijd (Plato, Parmeni¬des 156b) en zodoende het element wat tijd tot heils¬geschie¬denis maakt, nl. het uit het verborgene openbaar gemaakte hele; en ten slot¬te komt plotseling ('exaiphnès)' de oud-testamen¬tisch aange¬kon¬digde genade in Christus. Deze plot¬se¬linge bin¬nenbraak van de eeuwigheid in de tijd gebeurt voor Eckhart in de "Fülle der Zeit', waarbij de mens telkens op-nieuw, dus niet eenmalig in de geschiedenis, vanuit zijn zie¬le¬grond ontolo¬gisch betrok¬ken is. Dit 'eeuwig nu' is de plaats van de per¬manente incar¬natie, vanwaaruit de schepping (zijns-toeken¬ning in de veelheid van de tijd) moge¬lijk is. In die zin is verlos¬sing oor¬spronkelij¬ker dan schepping: "Die Inkar¬nation ist die vollgül¬tige Weise, wie Gott in seiner Sohnes¬geburt dem Menschen Sein spen¬det" (348).
Q 181, M 54. Dit staat in de context van de vraag of de 'e¬dele wil', die aan elke mens in zijn oorspronkelijke ('exem¬plari¬sche') voort¬bren¬ging door de Vader toebehoort van¬wege de H.Geest als het terug¬streven¬de moment in de triniteit, nog ooit opnieuw terugkomt in de mens; immers, door de aanra¬king met de verstrooiing van de tijd en het creatuurlijke (de tweede voortbrenging, nl de schepping als 'exitus' uit de ene) is ook die edele wil vervluchtigd. I.t.t. andere theologen beant¬woordt Eckhart deze vraag positief. Quint brengt de tekst in verband met de vraag in een andere preek, of goede werken die verricht werden in staat van doodzonde, ooit nog verdien¬ste-lijk kunnen zijn (DW I 95, Anm 1).
Deze eenheid is Gods verzet tegen de normale schepselijk¬ke ten¬dens tot uiteenvallen¬. ¬Gods schep¬ping van de con¬creet-stof¬fe¬lijke tijd-ruim¬te¬lijke wereld kent bij Eck¬hart twee momen¬ten. In de eer¬ste voortkomst worden de oer¬beel¬den der dingen ge¬schapen en die zijn gelijk aan het ene Oer¬beeld: de Zoon, het Woord; op dit niveau is de hele schep¬ping één; de mug, de ziel en de hoogste engel zijn één; vgl DW I 463, Q 197,2vv; DW I 477, Q 215,26. In een tweede moment wor¬den de schep¬selen in hun con¬crete tijd-ruim¬telijk¬heid ge¬scha¬pen, en daarmee ver¬wij¬deren ze zich van het ene; ze worden echter wel geschapen naar hun beeld dat in God één is. Deze op de 'schep¬ping ge¬richte een¬heid' kan onder¬schei¬den worden van de funda¬mentele eenheid der Godheid, die ligt ach¬ter het tri¬nitaire leven en daarmee ver¬bonden schep¬ping.
vgl DW I 450 (***), Q 180, M 53.
Q 195.
DW I 526.