sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
wat is het?
bijbel
lectio divina
kracht onderweg
stem van verlangen
preken
bijbelpreken
wie ben ik?
bach-preken
popsongpreken
preek en kunst
kerstverhalen
atheïsme en geloof
crucifixen
lam van God
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Kunst als preek

 

Veel bijbelverhalen zijn door kunstenaars uitgelegd; niet in woorden maar in schilderkunst, etsen, litho's, beelden. Het zijn geen illustraties bij de tekst, maar hun kunst gaat een gesprek aan met het bijbelverhaal. 

 

Hieronder enkele voorbeelden, met een paar gedachten erover.

 

Een ets van Rambrandt bij het verhaal van Jezus die offerdieren en geldwisselaars uit de tempel wegdrijft. En twee litho's van Marc Chagall bij het verhaal van Job.

 

Bij Johannes 2

Het loopt tegen Pasen en Jezus gaat naar Jeruzalem, naar de tempel – daar waar God woont onder zijn volk. En dan zien we een Jezus zoals we niet vaak zien: met de zweep in de hand.

Op de voorgrond de geldwisselaars, die de munten uit het land – met de afbeelding van de keizer erop, een onreine munt dus - inwisselden voor de tempelmunt, de shekel. En daar winst bij haalden natuurlijk. Rechts onder grijpt een man naar een kip die weg wil vliegen en links holt een verkoper met een mand van duiven op zijn hoofd gauw weg. Rechts boven staan de vrome wetsgeleerden wat misprijzend te kijken. Jezus drijft met zijn in elkaar gevlochten touwen de schapen en de runderen de tempel uit. En keert de tafel van de geldwisselaars om.

De tempel is de woonplaats van God – waar God en mens met elkaar verkeren. 

‘Mijn huis is een huis van gebed’. 

 

Hier is geen gebed maar handel. Handel op het plein van de tempel, niet erbuiten, maar erbinnen, alsof het deel is van het heilige dat daar gebeurt. Maar God is geen handelswaar, God is gebedswaar.

 

Er is geen woonplaats voor God als alles ruilhandel is geworden. 

Mensen komen naar de tempel om te offeren. Een offer is iets dat je weggeeft, zonder dat je er wat voor terugkrijgt. Je geeft een offer aan God als dank voor dat wat hij gegeven heeft, als teken van een nieuw begin als je verkeerd bent geweest en je weer opnieuw mag beginnen. 

En dus beslist geen ruilhandel: geen voor wat hoort wat. Dienst aan God is geen plicht maar een voorrecht, een vrolijke reactie op de genade – het vrije geschenk van God die ons liefheeft. Dat je weet dat alles wat je ontvangen hebt, van God komt, zomaar, en dat je voor het aangezicht van God leeft, als rentmeester, geen eigenaar maar beheerder van je tijd, je talenten, je leven. 

 

Er is geen woonplaats voor God als alles ruilhandel is geworden want dan is er geen God en geen mens meer, alleen nog maar handelswaar.

 

Kijk nog eens naar de tekening. Zie je die stralenkrans in het midden, bij Jezus? Dat aureool zit niet om zijn hoofd maar om zijn hand. Alsof Rembrandt zegt: dit is heilige daadkracht. Er is geen heiligheid meer als het gebed is verdwenen en niemand meer iets offert, alleen maar iets terugbetaalt of God probeert om te kopen. De hartstocht voor Gods woonplaats onder mensen verteert Jezus, eet hem op, staat er. Er is niets meer over van Jezus’ wil. Niets beweegt hem meer behalve de hartstocht, de beweging van de Geest van God. Want die wappert er flink op los in de tekening van Rembrandt. 

 

Kijk maar. Rechts boven wappert een gordijn, daar in de richting van de vrome geleerden. Het verhaal van Johannes zegt: het is net voor Pasen dat Jezus zo te keer gaat. Nog is het tempelgordijn niet gescheurd. Dat zal gebeuren op het moment dat Jezus sterft aan het kruis. Nu wappert het al in de hartstocht van Jezus, de tocht van de Geest die hem drijft. Het tempelgordijn dat het heilige der heilige afschermt, het is nu nog heel, maar het licht erachter, dat goddelijk licht schijnt al vast een beetje ons tegemoet.

 

Jezus drijft de offerdieren de tempel uit. Alsof het verhaal wil zeggen: nog even en dan is er alleen nog maar een lam over: Hij, dat ene offerlam dat wegdraagt de zonde van heel onze wereld. Als het rumoer verstomt, en de offers die mensen willen brengen verdwenen zijn, staat daar Jezus, weerloos tegen de machten die nu zo misprijzend kijken. Hier ben ik, zegt hij, om uw wil te doen God. En nog even en hij offert zichzelf en dan scheurt het voorhangsel en het licht schijnt over de wereld en de Geest van God wordt uitgestort, de kerk wordt geboren en ieder mens wordt geroepen om woonplaats van God te zijn. Zoals Jezus.

 

---------

 

 

Dit zijn twee litho's van Marc Chagall bij het bijbelboek van Job. 

 

Bij Job 10 - zijn grote klaagzang.

 

Vervuld van afschuw voor het leven laat ik mijn klacht de vrije loop.

De joodse kunstenaar Marc Chagall heeft kleurenlitho’s, steendruk, gemaakt bij het verhaal van Job. De linker heet: Job in wanhoop. De tweede, rechts, heet: Job in gebed. 

 

Hij maakte het in de periode na de tweede wereldoorlog. Een jood na de tweede wereldoorlog – die heeft wel recht van schilderen over de inktzwarte wanhoop van Job, de rechtvaardige die lijdt. 

Want wat een wanhoop. Job schreeuwt het uit: uw handen hebben mij gevormd en nu wilt u mij verdelgen? Het rijmt niet, hoe kan het dat de goede God zijn tegenstander is geworden? U zelf schonk mij het leven en de liefde – waarom overkomt mij dan nu al deze ellende? Job weet dat hij dit leed niet over zichzelf heeft heengehaald - het overkomt hem. 

 

Job in wanhoop, je ziet het verbeeld door Chagall. De kleuren zijn paars als in de lijdenstijd in de kerk. Job is naar binnengekeerd, opgesloten in zijn eigen verdriet. De lijnen in de litho zijn allemaal naar binnen alsof Job zichzelf bij elkaar moet houden om niet uit elkaar te vallen van ellende. Zijn mond is verdwenen achter zijn hand. Zijn ogen staren naar het niets dat ineens zijn leven is geworden.

Het is de eenzaamheid van de wanhoop – en mensen kunnen daar lang in zitten en onbereikbaar blijven voor hun omgeving. Er kan een engel ergens achter je aankomen, maar je ziet het niet, je voelt het niet. Je stem is verdwenen, je zit op slot. Chagall tekent Job’s wanhoop als een afgesloten zijn van God en zijn boodschapper, als iemand die geen stem heeft en geen relatie kan leggen. Alsof hij wil zeggen: de kern van wanhoop is het zwijgen, het afgesloten zijn voor God, voor de wereld om je heen.

 

Maar kijk: zacht groen licht speelt op Jobs gezicht, groen als de kleur van de hoop. Job zelf ziet het niet, maar het is er wel. Als een klein gevleugeld woord is er iets van God aanwezig. Een engel staat achter hem, alsof er gezegd wil worden: je bent niet onbeschut, hoe je ook opgesloten zit in wanhoop. Je bent gezien en gekend ook al maak je jezelf onbereikbaar. En dat is troost – voor al die mensen die een onbereikbare geliefde hebben bij wie de wanhoop het steeds weer wint. Onmacht en gebrokenheid zijn niet zonder God. De man van smarten draagt ook onze wonden met zich mee.

 

De tweede litho, rechts, heet: Job in gebed.

En nu zie je een andere Job. Zijn mond is open, zijn wanhopig zwijgen is doorbroken. Hij bidt, hij bidt in de vorm van een klacht, een klaaglied. Ik wil niet klagen, zeggen we soms, maar eigenlijk is klagen heel bijbels, want het is een vorm van gebed. En elk gebed maakt God present, elk gebed maakt contact, elk gebed brengt in relatie. Het groen van de hoop zet de toon en zijn ogen lichten op en de engel komt in beeld. Job komt uit zijn eenzame verstarring en dan kan hij meer gaan horen en zien en ontvangen dan hij zelf kon bedenken.

 

Job krijgt geen antwoord, zo lezen we in dit bijbelboek. God geeft geen antwoord op de ‘waarom’ vraag. De zin van het lijden wordt ons niet uitgelegd, en gelukkig maar. We horen iets over struisvogels en nijlpaarden en krokodillen en daar moet Job het maar mee doen. En daar doet hij ook mee. Of liever gezegd: dat doet wat met hem.

Het draait allemaal niet om hem, dat is wat hij begrijpt en dat is genoeg om hem uit zijn beknellende wanhoop los te weken. Het draait niet om hem. Het mysterie van het leven is groter dan hij kan begrijpen.

 

Zijn klacht is het begin geweest van die opening. Toen hij zweeg in wanhoop, was er geen beweging. Maar nu verandert er iets. Hij begint te spreken. Hij blijft in contact met God staan door zijn wanhoop en boosheid uit te spreken. Gods vertrouwen in Job wordt niet beschaamd. Job blijft in relatie. Hij  opent zijn mond en zijn leven, zijn ogen zien de boodschapper van God. Zijn leed is niet langer alles wat er is – het onbegrijpelijke wonder van het bestaan kan weer tot hem doordringen.  Ook zijn leven en zijn lijden is deel van dit grote geheel. En dat maakt hem open. En uiteindelijk zal hij zeggen:

 

'Eerst kende ik God alleen van horen zeggen. Maar nu heb ik u met eigen ogen gezien.'