sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
natuurfilmpjes
ecol.spiritualiteit
keltische wijsheid
natuur en geloof
verwondering
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

VERWONDERING BIJ ABRAHAM JOSHUA HESCHEL 

 

In diens boek "God zoekt de mens" 

Uitg.: De Haan/Unieboek, Houten, 1987 

 

Samenvatting en annotaties: Kees Both 

==================================================================== 

"De mensheid zal niet omkomen door een tekort aan informatie, maar alleen door een tekort aan waardering. Het begin van ons geluk ligt in het begrijpen dat een leven zonder verwondering niet waard is om geleefd te worden. Wat we missen is niet een wil om te geloven maar een wil om ons te verwonderen" (p. 70) 

 

 

1. VOORAF 

Rond "verwondering" in het algemeen en verwondering in de Joodse- en Christelijke traditie is heel wat te doen. De verwondering zo schrijft Heschel zelf, lijkt te verdwijnen, zeker in het Westen. Andere auteurs, die kritisch staan tegenover onze westerse cultuur, wijten dit aan onder andere de Joodse- en Christelijke wortels van deze cultuur. Zo bijvoorbeeld Ton Lemaire: 

"Het Joodse volk heeft de ontgoddelijking van de ruimte voortgezet en voltooid; het Christendom heeft het grotendeels overgenomen en eerst over Europa, daarna over de rest van de wereld verbreid. De God van Israël wil immers volstrekt niet met de zichtbare natuur vereenzelvigd worden. Voortdurend wordt er in het Oude Testament voor gewaarschuwd om niet terug te vallen in het 'bijgeloof' van de omringende heidenen, die de natuur zouden aanbidden......het Joodse patriarchale monotheïsme heeft een in wereldhistorische opzicht beslissende ontgoddelijking en onttovering van het landschap teweeg gebracht, waarvan we ons pas sinds de milieucrisis de fatale proporties zijn bewust geworden"1.

 

Lemaire citeert dan de Joodse filosoof Emmanuel Lévinas, die waarschuwt tegen het 'bijgeloof van de plaats'...... "De heilige bossages vernielen en daarmee het 'mysterie van de dingen' wordt door Levinas als voorwaarde van menselijke bevrijding gezien. Daarom juicht deze de techniek toe: omdat ze de natuur heeft gedemystificeerd en zo de ruimte heeft vrijgemaakt voor de mensen en de geschiedenis"2.........."Ik meen dat de ecologische beweging pas dan radicaal is, wanneer ze zich niet alleen keert tegen de kapitalisten en industriële maatschappij, maar zich ook afwendt van het Christendom en haar geseculariseerde afstammelingen: loten van een boom die niet in de aarde is geworteld"3..... "Onze waarneming is verzakelijkt en ontnuchterd, zodat we de stemmen van de bomen en de bronnen niet langer vernemen. Hoe weer gevoelig te worden voor het heilige dat 'door de wereld heen sijpelt?"

 

"Kunnen we weer gevoelig worden voor het 'mysterie van de dingen', voor het sacrale van de natuur dat zoveel volken voor ons hebben beleefd? In ieder geval kan het Christendom nooit de religie zijn voor een ecocentrische maatschappij; het heeft de aarde, de lichamelijkheid en de vrouw verdacht gemaakt".5 

 

Voor de natuur- en milieueducatie ligt hier een uitdaging voor mensen die zich niet willen losmaken van de Joodse en Christelijke traditie. Het gaat om de relatie tussen God, mensen en de aarde in het kader van opvoeding en leren. Daarbij wordt ook van pedagogische zijde de betekenis van de verwondering voor mens-zijn en -worden benadrukt. Het is goed om eerst naar Heschel te luisteren. 

 

 

2. EEN FILOSOFIE VAN HET JODENDOM 

Aldus luidt de ondertitel van het boek "God zoekt de mens". Het gaat hier om een redelijke verantwoording van het Jodendom. Het verstand is ook van belang. In het boek wordt een kennistheorie ontvouwd, worden mogelijkheden en grenzen van het kennen verkend. Ook de grenzen dus. 

 

"De uiterste redelijkheid kan worden omschreven als de mislukking van de rede om zichzelf haar alogische wezen en haar meta-logische oogmerken te begrijpen. We dienen te onderscheiden tussen onwetendheid en gevoeligheid voor het mysterie, tussen het subredelijke en superredelijke". (p. 40) 

 

"Rede" wordt ten onrechte vak vereenzelvigd met "wetenschap". Wetenschap is beperkt, geeft niet de hele waarheid over het leven. 

Dat betekent niet dat we onredelijk moeten zijn - verstand op nul, blik op oneindig - maar dat we, juist ter wille van de ware redelijkheid, weet moeten hebben van de grenzen daarvan. Er bestaat een dolgedraaide rationaliteit die uiterst irrationeel is. Zie bovenstaand citaat. Onwetendheid is sub-redelijk. Gevoeligheid voor het mysterie is super-redelijk. 

"Het gevoel voor het wonder en het bovenzintuigelijke moet niet 'een kussen voor het luie intellect' worden. Het moet niet in de plaats komen voor analyse als die mogelijk is; het moet de twijfel niet tot zwijgen brengen als die gewettigd is. Het moet echter een voortdurend besef blijven wanneer de mens trouw wil blijven aan de waardigheid van Gods schepping, omdat een dergelijk besef de bron is van al het scheppende denken". (p. 75) 

 

Vergelijk Wittgenstein: "We weten dat, ook als alle wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensvragen zelfs nog niet geraakt zijn". 

Ook in het Jodendom is er een empirische geest - op zoek gaan...... Er moet een bedoeling zijn, die wij nog niet kennen. Je moet je denken steeds willen toetsen, zelfvoldaanheid is niet passend. Het gaat om de "spirit" van de rede, de geest, die de waarheid wil over het hele leven. 

 

3. WIJ KUNNEN ZOEKEN! 

 

Wetenschap en geest 

Heschel stelt deze tegenover elkaar; 

Wetenschap  houdt zich bezig met relaties . houdt zich bezig met relatie tussen heelal en God tussen zaken in de kosmos 

Geest  zoekt de waarheid van het heelal, zoekt waarheid die groter is dan het heelal 

 

Rede en godsdienst 

Dit onderscheid ligt in dezelfde lijn: 

De rede heeft als doel het onderzoeken en vaststellen van objectieve betrekkingen. In de bijbel wordt de rede getekend als niet zelfgenoegzaam.

De godsdienst heeft als doel het onderzoeken en vaststellen van uiteindelijke persoonlijke betrekkingen. Het gevoel voor de grenzen van de wetenschap bewaart deze voor zelfgenoegzaamheid. 

Let wel: het gaat hier om polariteiten en niet om concurrerende zaken! Als we ons maar bewust blijven van hun onderscheiden taken en gebieden. 

 

"Zonder de rede wordt het geloof blind. Verering van de rede is aanmatiging en verraadt een tekort aan begrip. Verwerping van de rede is lafheid en verraadt een tekort aan geloof". (p. 42) 

Centrale gedachte van het Jodendom is de levende God. Kunnen wij als mensen de gronden voor dit geloof ontdekken? "Bestaat er een manier om een gevoeligheid voor God te ontwikkelen en een verknochtheid aan Zijn aanwezigheid"? (p. 49) 

Wij kunnen zoeken (p. 51), door vragen, door Gods geboden te houden, door te bidden. Bidden is niet alleen hulp zoeken, het betekent ook God zelf zoeken. 

 

En toch.......ondanks dat zoeken overkomt de verwondering je. Het Jodendom gaat niet op in het profetisch-kritische, de bijbel bevat ook woorden van menselijk zoeken en zorgen. Zie de wijsheidsliteratuur, met name Job en de Psalmen. De lofprijzing neemt daarin een centrale plaats in. 

De empirische geest van het Jodendom stoelt op twee bronnen van godsdienstig denken. De herinnering (traditie) en het persoonlijk inzicht. "We moeten vertrouwen op onze herinnering en we moeten streven naar nieuwe inzichten. We horen van de traditie, ook begrijpen wij door ons eigen zoeken.  

 

Hoe en waar te zoeken? 

Er zijn drie wegen tot God (p. 54): 

 

-  het leren, dit is de weg van het bespeuren van Gods tegenwoordigheid in de wereld, in de dingen; 

 

- dit correspondeert met de eredienst, het loven; 

 

- de weg naar het bespeuren van zijn tegenwoordigheid in heilige daden, dit correspondeert met het handelen 

 

Eredienst, leren en handelen zijn één, we moeten alle drie de wegen gaan om de ene bestemming te bereiken. "Want dit is de ontdekking van Israël: de God van de natuur is de God van de geschiedenis en de weg die naar Hem leidt is het doen van Zijn wil". (p. 55) 

 

 

4. SLA TOCH UW OGEN OP EN ZIE........... 

Volgens welke categorieën ziet de bijbel de wereld?

De wereld is 

- het verhevene 

- de verwondering 

- het mysterie 

- ontzag 

- luister. 

 

De mens kan zichzelf en de wereld overstijgen, kan iets gewaar worden van het geheim van de wereld, kan bevrijd worden van gebondenheid aan het perspectief van tijd en plaats. Dat de mens dit kan is niet vanzelfsprekend, zeker niet in onze tijd. Geloof is (door Freud, e.a.) wel benoemd als vorm van egocentrisme, als projectie van behoeften. Wat zien we als de wereld 

zien? We zien in de natuur haar macht, haar schoonheid en haar grootsheid. "Dienovereenkomstig zijn er drie manieren waarop we ons met de wereld kunnen inlaten: we kunnen haar uitbuiten, we kunnen haar genieten, we kunnen haar gezag aanvaarden" (p. 57). In de loop van de geschiedenis hebben deze aspecten in wisselende accenten aandacht gehad. "Ons tijdperk beschouwt de nuttigheid van de natuur als haar voornaamste verdienste; het meent dat het voornaamste doel van de mens in Gods schepping het verwerven van macht is in het gebruiken van de natuurlijke hulpbronnen. 

 

Heschel noemt de hedendaagse mens een primair "gereedschappen makend dier" en de wereld van nu "een reusachtige gereedschapskist voor de bevrediging van zijn behoeften" (p. 58). Alles lijkt berekenbaar te zijn. Hardnekkig wordt het feit genegeerd "dat wij alleen omringd zijn door dingen die we waarnemen, maar niet kunnen begrijpen, dat zelfs het verstand een mysterie op zichzelf is" (p. 58). Godsdienstige kennis is (volgens Auguste Comte) primitieve en achterhaalde kennis. Dit leidt tot het centraal stellen van de mensheid in plaats van God. Antropocentrisme, functionalisme, utilitarisme (zelfs de tijd is handelswaar). 

De postmoderne mens beseft nu, vaak met een schok dat er, behalve winst, ook verlies is. We staan met huiver in een leeg heelal, een koude wereld, waarin waarden zijn verdrongen door belangen. 

 

"Als de wereld slechts macht voor ons is en wij alleen opgaan in een jacht naar goud, dan is de enige God die we kunnen tegenkomen het gouden kalf. De natuur als gereedschapskist is een wereld die niet verwijst voorbij zichzelf". 

"We leren de kinderen hoe te meten, hoe te wegen. We leren hun niet hoe te vereren, hoe verwondering en ontzag te voelen. Het gevoel voor het verhevene, het teken van de innerlijke grootheid van de menselijke ziel, in beginsel geschonken aan alle mensen, is nu een zeldzame gave. Toch wordt, zonder dit gevoel, de wereld plat en de ziel een vacuüm.......Het is veelbetekenend dat het onderwerp van de bijbelse poëzie niet de bekoorlijkheid of de schoonheid van de natuur is; het is de grootsheid, het is het verheven aspect van de natuur dat de bijbelse poëzie tracht te verheerlijken". 

 

5. HET VERHEVENE 

Wat is kenmerkend voor het verhevene? Allereerst is het zelf ook geschapen, het is niet God zelf. Het rust dus niet in zichzelf, maar is afhankelijk van God. Het staat in een relatie. Het is drama, het staat voor iets, voor iets dat groter is. Dat kan zelfs te bespeuren zijn in elke zandkorrel en elke waterdruppel. "Elke bloem in de zomer, elke sneeuwvlok in de winter kan in ons het gevoel van verwondering wekken dat onze reactie op het verhevene is". (p. 64) 

Ook in het kleine, het op eerste gezicht onopvallende, is het verhevene aanwezig. Zie Psalm 8, waarin het verhevene wordt beschreven als aanwezig in kleine kinderen. 

 

6. VERWONDERING 

Hoofdstuk 4 van "God zoekt de mens" heeft dit woord als titel, al is het in de voorgaande hoofdstukken al volop aanwezig. 

De westerse mens denkt alles in wetmatigheden en begrippen te kunnen "vangen". Heschel citeert hier Alfred North Whitehead, die spreekt over "de dwaling van de misplaatste concreetheid", waarin het abstracte begrip tot een concreet ding gemaakt wordt, de kaart wordt beschouwd als het landschap. Ook worden Plato en Aristoteles geciteerd, die aangeven dat verwondering het begin van alle filosoferen is. Verwondering is niet hetzelfde als nieuwsgierigheid. (p. 70)

 

Nieuwsgierigheid is een prikkel tot verwerving van kennis. Verwondering is een manier van denken, die kennis te boven gaat, die nooit eindigt. 

"Er is in de wereld geen antwoord op de radicale verbazing van de mens". 

Dat is: niet - aangepast zijn aan conventionele ideeën en woorden. 

"Het meest onbegrijpelijke feit is het feit dat we kunnen begrijpen" (p. 71). 

"De weg tot het geloof leidt door telkens opnieuw ervaren verwondering en radicale verbazing". (p. 71) Zie het bijbelboek Job, vooral Job 37. Dit verplettert niet, maar maakt nederig, bescheiden ('humilitas', dat qua betekenis komt van 'humus'). Zie Psalm 8 en Psalm 139. 

"Het diepe en onafgebroken besef van te zijn is een deel geworden van het godsdienstige bewustzijn van de Jood" (p. 72). 

Dit besef van creatuurlijkheid doortrekt de hele bijbel, maar met name het boek Job en de psalmen. De herhaalde lofprijzing is daar een uitdrukking van. Daarom moet dit dagelijks herhaald worden in de eredienst. Omdat er dagelijks behoefte is aan verwondering. 

"Het gevoel voor 'wonderen die dagelijks bij ons zijn', het gevoel voor de 'voortdurende wonderdaden', is de bron van het gebed. Er is geen eredienst, geen muziek er geen liefde wanneer we de zegeningen of de nederlagen van het leven als vanzelfsprekend beschouwen". Routines zijn nodig, maar ook gevaarlijk, namelijk als ze ons gevoel van verrassing afstompen. 

"Telkens wanneer we op het punt staan om een glas water te drinken, herinneren we ons aan het eeuwige mysterie van de schepping".....een alledaagse handeling en een verwijzing naar het allergrootste wonder" (p. 73).

"Dit is een van de doeleinden van de Joodse levenswijze: het beleven van alledaagse handelingen als geestelijke avonturen, het gevoelen van de verborgen liefde en wijsheid in alle dingen" (p. 73). 

En dan te bedenken dat we niet eens alle wonderen kennen! 

 

7. NASCHRIFT 

Het verwijt van Lemaire, Lynn White, e.a. van extreem antropocentrisme aan het Christendom en ook aan het Jodendom is op zijn minst weinig genuanceerd. In het Christendom en zijn inderdaad sterke natuurvijandige stromingen aan te wijzen. Maar die gaan historisch gezien eerder terug op Perzisch/gnostische wortels en op de (Griekse) Stoa dan op het Jodendom 7 Het Jodendom is, in zijn grote veelvormigheid, eerder theocentrisch dan antropocentrisch. Niet de mens is volgens Genesis 1 (zoals Jürgen Moltmann weer heeft laten zien) "de kroon van de schepping", maar de sabbath. Op de zevende dag wordt de schepping voltooid met de rustdag.8 

 

In verband met de natuur- en milieueducatie wordt gewezen op het belang van verwondering 9

"eerbied voor het leven": 

- als besef dat het leven gegéven is; 

- erkenning dat er grenzen zijn in het manipuleren van de dingen; 

- geduld hebben, uitstellen, iets kunnen opofferen; 

- zelfstandigheid in oordelen, verantwoordelijkheidsbesef; 

- deemoed. 

Kort gezegd: schepsel-zijn. 

Deze verwondering kan gevoed worden, door onder andere respectvol met de dingen leren omgaan, verbonden met verhalen die vertellen over levenszin, geborgenheid en uitdagen tot solidariteit. 

 

 

 

1 .Ton Lemaire - Een nieuwe aarde 

in: W. Achterberg (W. Zweers (red.), Milieufilosofie tussen theorie en praktijk, Van Arkel, Utrecht 1986, p. 280 

2 .Lemaire t.a.p., p. 28, De tekst van Lévinas die geciteerd wordt is "Heidegger, Gagarin en wij" in E. Lévinas. Het menselijk gelaat, Ambo, Baarn 1982. 

3 .Lemaire t.a.p., p. 282. 

4 .Lemaire t.a.p., p. 283 

Zie hierover ook het boek van Morris Berman - De terugkeer van de betovering, Bert Bakker, Amsterdam 1987. 

en H.P. Santmire, The travail of nature - the ambiguous ecological promise of christian theology, Fortress Press, Philadelphia, 1985. 

5 .Lemaire t.a.p., p. 285. 

6 Vgl. ..."Iedere natuurlijke handeling leidt, wanneer zij geheiligd wordt, tot God, en de natuur behoeft de mens, om datgene aan haar te voltrekken wat geen engel aan haar voltrekken kan: haar heiligen". 

uit: Martin Buber, "De weg van de mens" 

Zie hierover ook de tekst van de lezing 'Het heiligen van de natuur', door van Paul van Dijk tijdens de gelijknamige studiedag voorjaar 2000. 

Op www.stoutenburg.nl / publicaties 

7 Zie hierover Santmire, 1985, t.a.p. 

8 J. Moltmann – Gott in der Schöpfung. Kaiser, München, 1986. 

9 I. Heck – Die Fähigkeit des Staunens und Sich-Wundern als Voraussetzung für ökologisches Denken und Handeln im Bereich der Schule. Der Biologie Unterricht, jrg. 18 (1982). Deze auteur grijpt met name terug op het boekje van Rachel Carson – The sense of wonder, Harper: San Francisco.