sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
religieuze dialoog
islam
joodse verhalen
boeddhisme
inleiding
verborgen bloei
kloosterreis
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

tibetaans klooster in friesland
Tibetaans klooster bij Hantum (Friesland)

Verborgen bloei

Han F. de Wit


over de psychologische achtergronden van spiritualiteit.
(samenvatting door M.Vonkeman)


Kok Agora. Kampen 1993.


DEEL I

Inleiding.


Het doel van spiritualiteit: fundamentele menselijkheid tot bloei brengen.

Kenmerken hiervan zijn: levensmoed, mededogen, levensvreugde, helderheid van geest.

- Helderheid = onbevangenheid = het universeel menselijke vermogen en verlangen om te leren kennen, te doorzien, wakker zijn.

- Levensvreugde: onafhankelijkheid van onze verlangens (dit in tegenstelling tot bevrediging).

Uitgangspunt: levensmoed, mededogen, levensvreugde, helderheid van geest komen niet van buitenaf maar van binnenuit als geboortebezit.


1.Contemplatieve psychologie

benadrukt de kneedbaarheid van de menselijke geest. De mens heeft de vrijheid om zijn geest (zichzelf) te vormen en de vrijheid om zichzelf in deze vorm vast te zetten (d.m.v. gewoontevorming). De ingeslepen vormen kunnen zo psychologische wetmatigheden voor ons worden.


Verschil conventionele (1) en contemplatieve (2) psychologie.

(1)   doet onderzoek in de 3e persoon (dwz de ander).Objectiviteit van de onderzoeker noodzakelijk.

(2)   Onderzoekt 1e persoon ( zichzelf) en stelt: mensen bezitten een (weliswaar gebrekkig) onderscheidingsvermogen dat hen in staat stelt hun ervaring te verhelderen, een vermogen om illusie en werkelijkheid, zelfbedrog en waarheid van elkaar te onderscheiden. Dit onderscheidingsvermogen ontwikkelen en trainen is doel van de contemplatie.

(1)   zoekt voornamelijk informatie (2) zoekt transformatie.

(1)   derde persoonspsychologie ziet de mens als object (dat wat bestudeerd wordt is immers buiten mij, buiten de bestudeerder). Dit heeft als gevolg dat we ook onszelf als object gaan zien: via de ogen van een ander. Levert indirecte zelfkennis. Dit kan soms strijdig zijn met onze eigen beleving van onszelf als subject, en oorzaak van een innerlijk conflict. Ook kan indirecte zelfkennis onze zelfbeleving verhelderen (therapie).

(2)   Eerstepersoonspsychologie ziet de mens als subject. Geen ‘kennis van’ maar ‘bekend zijn met’, is de zelfkennis die uit directe zelfobservatie voortkomt. Dit omvat specifieke ( aan onszelf gebonden) kennis, maar ook kennis van algemeen menselijke verschijnselen (dwz: indirecte kennis over anderen).


Dus: contemplatieve psychologie ziet 2 bronnen voor de ontwikkeling van ons mensbeeld: onze directe 1 e persoonskennis; en : directe derde-persoonskennis.


Vraag: hoe reëel is ons mensbeeld? In hoeverre is het beïnvloed door verwachtingen die voortkomen uit onbegrip, naïviteit of egocentrische verlangens?


Contemplatief perspectief:  we kunnen ook de ander als subject leren beleven, zodat we onszelf in de ander in leren leven: vanuit fundamentele verbondenheid. ( de 'naaste liefhebben als onszelf' wordt dan mogelijk)


Materialistische mensbeelden: mens wordt door verlangens danwel behoeften gedreven (utilitair of hedonistisch).


Mensbeelden in de contemplatieve tradities zijn niet vast, maar graadmeters voor de ontwikkeling van de eigen mentaliteit. Het gaat er steeds om een mensbeeld aan te reiken dat concrete ervaring van onze fundamentele menselijkheid in ons wekt. Ook een negatief mensbeeld is een noodzakelijk stadium op de weg. (dat is wel relatief: verderop verandert het, als we ontdekken dat we op een vruchtbare manier met onze negativiteit om kunnen gaan. Dat is noodzakelijk om te leten, want negativiteit is deel van onszelf.)


2.De weg als metafoor voor onze veranderende werkelijkheidsbeleving.


Contemplatief perspectief: het is mogelijk om zo met de realiteit van ons leven om te gaan ( geboorte, ziekte, ouderdom, dood, omgang met onze omgeving, elkaar, onszelf ) dat we groeien in de richting van zachtmoedigheid, inzicht, levensvreugde, levenswijsheid, i.p.v. kortzichtigheid, angst.


Dit heeft te maken met een ontwikkeling van een grondhouding tegenover ons leven in zijn totaliteit: het scheppen of toelaten van een bepaalde geestelijke ruimte of openheid.

Ons concrete werkterrein is: wijzelf zoals we nu zijn ( niet zoals we willen zijn) .


Twee kanten (bermen) aan deze weg:   kant van het inzicht ( geest )

                                                              kant van de barmhartigheid ( handelen).

Het gaan van de weg impliceert een gelijktijdig groeien in inzicht en barmhartigheid.

Kerninteresse van de contemplatieve tradities: het verschuivend perspectief op onze levenssituatie. Het perspectief bepaalt onze beleving. Daarmee is onze werkelijkheidsbeleving relatief, subjectief, persoonsgebonden.


Contemplatief standpunt: Er is een mogelijkheid van een mentale ruimte waarin onze werkelijkheidsbeleving volslagen onthuld is, zodat de relativiteit ervan ter plekke en in detail zichtbaar is.

Ook: ontwikkeling is mogelijk die de omvang en werking van deze relativiteit onderkent en te boven komt.


Doel van de contemplatieve traditie: omvormen van onze profane werkelijkheidsbeleving (die de richting heeft van afweer, angst etc) tot sacrale werkelijkheidsbeleving (richting menselijkheid) : dit is een weg van voortgaande bekering, van een materialistische levensinstelling naar een spirituele; van schijn naar zijn; van verbeelde werkelijkheidsbeleving naar werkelijke; van relatieve naar absolute; van egocentrische naar egoloze werkelijkheidsbeleving.


Echter: dit zijn relatieve begrippenparen d.w.z. : het gaat om dezelfde werkelijkheid met met een ander perspectief. (opeenvolging van werkelijkheidsbelevingen: op het moment dat ik door heb dat mijn ervaring van de werkelijkheid relatief is, bevind ik mij in de absolute werkelijkheid) .


Opbouw van onze werkelijkheidsbeleving: via de 6 bronnen van ervaring.

-          via de 5 zintuigen ( stroom van zintuiglijke ervaring)

-          mentale ervaring ( dwz: denken,voelen, willen, verbeelding,angsten,fantasieën etc)


Vergelijkbaar met: film van zintuiglijke indrukken die intern door ons (onbewust) geregisseerd zijn. We hebben niet genoeg ruimte of distantie om het zintuiglijke van het mentale te onderscheiden.


Wel: intellectuele distantie, in de vorm van doorlopend commentaar, dwz: innerlijke reporter, beoordeler. Dit is geen werkelijke distantie want het maakt deel uit van de situatie van het moment ( als ondertiteling van een film).


Blindheid van de mens = de eigen zelfgeschapen werkelijkheidsbeleving als absoluut te beleven. Dit kan op elk moment van de weg optreden. (dwz: er is geen begin en einde aan de contemplatieve weg).


Weg : maar niet voorgebaand, vol onzekerheid en risico’s.


3.Ontwikkeling van ego.


Zelfbeleving: alle verschijnselen die zich in de eerste persoon ( voor jezelf) voordoen:

Innerlijk landschap: gedachten, emoties, verwachtingen, dromen, voorstellingen, beelden etc. Dit mentale domein bevat ook het 'ik’, of 'ego’, en kleurt onze zelfbeleving. Onze werkelijkheidsbeleving omvat onze zelfbeleving. (solipsistisch: de werkelijkheid is wat met mij verbonden is – het bestaat zolang ik besta).


Doel contemplatieve tradities: transcenderen, overstijgen, doorzien, afleggen van EGO.

Als ons innerlijk gesprek, alle conceptualisatie, begrippenkaders etc vervallen, komen we tot onbevangenheid, openheid, echtheid, heelheid.


Vanuit het perspectief van ego voelt dit aan als: dood, ondergang.

De doodsmomenten van ego zijn momenten van waarachtig leven.

Maar: ego is niet om te bestrijden ( als negatief ) maar om uit te ontwaken.


Contemplatieve definitie van ego: datgene wat ons zelfvertrouwen en zelfacceptatie ondermijnt.


Opbouw van ego: onze gedachtenstroom die zich vermengt met zintuiglijke ervaringsstromen vormt de gedachtenwereld. Binnen deze wereld is de hoofdrolspeler een 'ik', dat wat mensen ‘zichzelf’ noemen.

Alle ervaringaspecten worden verbonden met deze gedachte over onszelf. Dit vormt onze ego-centrische gedachtenwereld.


Tenzij op die momenten dat we samenvallen met onze handelingen ( zo   geconcentreerd zijn dat er geen commentaarstroom’of 'ik-besef’ meer aanwezig is).

Staat van geest voor ego: totale openheid waarin alle verschijnselen volgens hun eigen natuur op elkaar inwerken ( zonder ‘reporter’). Wij zelf zijn die ruimte.


- 1e beweging: onze geest buigt zich a.h.w. op zichzelf terug en scheidt zich af van het andere. Ontstaan van: ‘ik ‘ en ‘ander’. We worden zelfbewust. Niet langer één met de ruimte beleven we de ruimte als iets vasts, iets aparts. Dit is een dualistische breuk die angst oproept, en we gaan zoeken naar houvast en oriëntatie.

-   Ego-identificatie: we gaan zoeken naar wie wij zijn. Herkenningspunten, ‘aankleding’ van het ‘ik-besef. Bv.: lichaamsbeleving, of: emoties, of: onze beoordeling of reactie op emoties. De betekenis van ons ‘ik’ verschuift zo snel in elk ervaringsmoment dat het de suggestie van een zekere continuïteit heeft. Hiermee ontstaat het ‘ik’ als een object, een ding, in onze zelfbeleving.

-   Aankleding van het ego: een voortdurende gedachtestroom over onszelf in relatie tot wat we als niet-onszelf zien. Dit lopend commentaar schept onze werkelijkheidsbeleving: we kleden ons ego aan met ideeën over het ik, een definitie ( of meerdere ) van wie we denken te zijn. Dit is ons zelfbeeld.

-   Ego-identificatie met het zelfbeeld: (4 e beweging in de ontwikkeling van het ego).


Samengevat:


1 e : dualistische breuk: het openbreken van de open ruimte van de ervaring in ik hier dat daar.

2 e : ego identificatie: bepaalde aspecten toe-eigenen.

3 e : dit vormt ons ego tot iets identificeerbaars, een object, ding, ons zelfbeeld.

4 e : we zijn wie we denken te zijn: ego=zelfbeeld. We houden ons zelfbeeld voor onszelf en gaan vanuit die positie met de wereld om ons heen om. Ons zelfbeeld dat zijn wij.

Ego is niet  een eenmalig ontwikkeld iets, maar een voortdurende activiteit.

Ego kan zich als een web verder vertakken. Steeds meer aspecten van onze werkelijkheid  kunnen ermee verbonden worden. Hiermee controleren we psychologisch het gebied om ons ego veilig te stellen.


Daarmee worden steeds meer aspecten van onze ervaring potentieel bedreigend.

Tenslotte ervaren we ons ego als een burcht in ons innerlijk, waarin we veilig zijn maar ook opgesloten. Dan kan de rusteloosheid ontstaan om uit te breken. De afscheiding te overwinnen door te verenigen.


2 kanten:       - andere levensituatie proberen te scheppen

                        - ander zelfbeeld ontwikkelen


Beiden werken averechts omdat ze steeds de dualistische werkelijkheidsbeleving herscheppen. Ze zijn hier zelfs de uitdrukking van.


Ontwikkeling van egocentrische emotionaliteit.

Met het verschijnen van ego in onze zelfbeleving ( aspecten van onze ervaring die we ons toe-eigenen als zijnde ‘onszelf’), komt de beoordeling van situaties als voordelig of nadelig voor ego. Dit brengt hebzucht, agressie en onverschilligheid mee. Deze drie emoties vormen de basisemoties van een mentaliteit waarin ego aanwezig is.


Emoties hebben een object ( zijn ergens op gericht), bv mens of situatie. Ook identificeren we onszelf niet altijd met onze emoties ( ik werd meegesleept), dan worden ze tot ‘buitenwereld’ vanuit ego gezien, en zelf ‘object’.


Dit is een verdere fragmentatie en complicatie: ik en mijn emotie.

Dan kan de vraag ontstaan wat ik vind van mijn emotie ( koesteren, bestrijden, ontkennen). Dan ontstaan emoties over emoties. Tegenstrijdige emoties enzovoort. Gedachten over emoties over gedachten etc. Tenslotte herinneren we niet meer wat de oorspronkelijke ervaring geweest is die dit bouwwerk ingang zette. Zo wordt de emotionele energie van onze fundamentele menselijkheid vervormd tot egocentrische emoties en elke geestelijke bloei verstikt. Dit alles leidt van egocentrische mentaliteit naar ego-emotionaliteit tot egocentrisch handelen.  ( zo ben ik nu eenmaal…. ), een mens die streeft naar bevrediging, persoonlijk gemak en vervulling van zijn ambities.


Eerste persoonspsychologie onderzoekt de dynamiek van het verschijnen van ego in onze zelfbeleving als ook de dynamiek van het verdwijnen van ego.


4. Geest en kennis.

‘Geest’ heeft te maken met denken, ervaren, bewust zijn van ons mentale denken.

  1. denken niet i.t.t. ervaren ( zoals in de gangbare psychologie) maar ervaren van onze gedachten. Denken is ervaarbaar.
  2. wij kunnen bewust zijn van onze mentale of zintuiglijke stroom, of onbewust ( bv: autorijden op de automatische piloot), bewustzijn duidt op een kwaliteit van ervaren.

We kunnen in gedachten zijn ( meegevoerd door onze gedachtestroom) en we kunnen onze gedachten zien : bewust ervaren dat we denken.

In het eerste geval beleven we onze gedachten als werkelijkheid, we ondergaan allerlei imaginaire vreugden en verdriet. ( Dit is een onbewust ervaren van ons denken).

In het tweede geval beleven we onze gedachten niet als werkelijkheid maar als gedachten. Hier bestaan ook graduaties in van helderheid.

Helderheid = kwaliteit van de ervaring: verschijnselen doen zich meer of minder bewust voor.


Twee aspecten van bewust zijn: A oplettendheid, aandacht, concentratie, éénpuntigheid, stabiliteit, rust. Dit verleend een zekere precisie aan onze wijze van ervaren. B. Onderscheidingsvermogen  ( het dynamische aspect van bewust zijn). Nieuwsgierigheid, interesse, onbevangenheid, belangeloosheid, helderheid van geest. Vrij van fixatie op onze conventionele werkelijkheidsbeleving. Onderscheidingsvermogen biedt inzicht en overzicht in de samenhang van de verschijnselen, zowel mentale als zintuiglijke - die zich in de stroom van onze ervaring voordoen.


Het is zowel een ongeconditioneerd bewust zijn, als een intensiteit van bewustzijn. Onze waarneming verandert tengevolge van een uiterst energieke wakkerheid. Het snelle en toegenomen bewustzijn verandert ook de tijdsbeleving ( slowmotion). Samenhang tussen stabiliteit ( onbewogen en dus helder water) en onderscheidingvermogen: hoe minder ons bewustzijn wordt meegesleurd door onze gedachtestroom, hoe onbevangener we deze kunnen zien, en des te levendiger manifesteert zich ons inzicht. Maakt energie vrij.


Denken

(mentale activiteit: alles wat door het hoofd kan spelen)

-          kan een object hebben, denken over iets

-          kan een inhoud van een gedachten zijn. Soms is een gedachte-inhoud een mentale representatie van het object ( een soort mentaal plaatje) Niet altijd correspondeert een gedachte-inhoud met iets objectiefs, het kunnen fantasiebeelden zijn, geloofsvoorstellingen, etc.

-          gedachte-inhouden zijn gedachtevormen: korte of langer durende momenten in onze gedachtestroom, (vgl: wolken formaties). met een eigen dynamiek  gedachte-inhouden zijn geen  ‘dingen' , maar ‘kneedbaar’ a.h.w.


Verschil tussen denken en ervaren.

-          Ervaringen hebben wel een inhoud (vorm), maar geen object.

-          Gedachten hebben een inhoud en een object.

( vb: ik zie een koolmees = inhoud van een ervaringsmoment. De gedàchte: ik zie een koolmees = gedachte over die ervaring: de ervaring is dan het object van de gedachte; de mentale vorm: ik zie een koolmees is de gedachte-inhoud) OF: ik herinner iets= ervaring. Nadenken over de herinnering=denken.


-          Ervaringen stellen niet iets anders voor dan dat ze zijn: ze zijn . Het is geen voorstelling van iets anders. In het denken is dit wel het geval, er is een voorstelling ( bv: van een koolmees ) die we in onszelf kunnen vormen. De voorstelling ervan is dan de inhoud van onze gedachte, terwijl deze in de ervaring ( het object van de gedachte) afwezig is

-          Ervaren is dus altijd: hier en nu. Ervaring heeft geen tijdsdimensie, zoals het denken ( deze kan herinneren of verwachten bv)

(Vraag:  als er iets ervaren wordt, veronderstelt dit niet een ‘ervaarder? Wie of wat ervaart? Antw: kan niet beantwoord worden omdat dit een dualistische splitsing vereist; en het ‘ik ‘ dat ervaart is geen ervaring maar een gedachteconstructie, omdat erover gedacht wordt.)


Doel contemplatie: onderscheidend bewustzijn te cultiveren dat in staat is het effect van onze interpretaties (denken) op onze werkelijkheidsbeleving ( ervaren) van moment tot moment bewust te maken. Dit is de wijsheid die ons bevrijdt van egocentrische illusies: het herkennen ervan doet de greep ervan verliezen en de wereld van de verschijnselen verschijnt ons op een nieuwe wijze. Dan komt onze fundamentele menselijkheid tot bloei.


Kennis:

-          Conceptuele kennis, bv door helder na te denken over onze ervaring.

-          Perceptuele kennis ( non-conceptueel): door helder te ervaren wat er precies door ons hoofd speelt. ( 'bekend zijn met' ) Deze kennis werkt niet met begrippen, maar met eerdere ervaring, met herkenning.

Doel van de kennis: de mens te veranderen: ware menselijkheid tot bloei brengen. Kennis is altijd een middel.


Verwarring en onwetendheid:

-          Conceptuele: bv: we gaan met onze begrippen op een onlogische manier om.

OF: we weten gewoon iets nog niet: info ontbreekt.

-          Perceptuele verwarring: we zien onze gedachte over een situatie aan voor de situatie zelf.

-          Perceptuele onwetendheid: we hebben iets over het hoofd gezien, we letten niet op.

Conceptuele kennis kan perceptuele kennis in de weg staan: we nemen genoegen met onze ideeën en vermoedens. Intellectueel begrip wordt verward met levenservaring. Conceptuele kennis moet middel blijven.


DEEL 2


5. Op weg gaan.

Bekering: innerlijk en existentieel proces, omkering op een tot dan toe vanzelfsprekend gedachte levensweg, fundamentele herziening van de eigen werkelijkheidsbeleving.

Openheid, onbevangenheid ( beweging van ‘genade’) momenten die ons overkomen, waarin we niet bezig zijn ego op te bouwen. Momenten die niet binnen het fort van ego plaatsvinden; kleur van: verzoening, vereniging, zo totaal dat we onszelf niet terug kunnen vinden, daarom ook vaak angstwekkend.

Deze momenten (bv: niezen, lachen - of ook : een groot verlies - ) zijn ahw. scheuren in de muren van ego’s fort, waardoor licht valt op ons voortdurend bezig-zijn ego op te bouwen: we doorzien de trivialiteit ervan- ze zijn de basis voor bekering.

1e fase bekering: besef dat zulke momenten te vertrouwen zijn: richting wijzen, waar we ons open voor kunnen stellen. We kunnen leren erop in te spelen.


Gevaar:  

- we isoleren het moment als een bijzondere herinnering ( koesteren), dan wordt het deel van ego’s muren. Of: ze zijn zo beangstigend dat we ze beleven als horror vacui  ( de angst voor de leegte), en ervoor vluchten. Of: onverschilligheid: we laten ons niet van ons stuk brengen ( we noemen ze: irrelevant).


Aanvaarden van deze momenten is ook het erkennen van een egocentrische levenshouding. Als we erkennen dat zulke momenten essentieel voor ons zijn (zonder ze te willen vasthouden of opwekken) ontstaat er een ego-loze motivatie/inspiratie. (dwz: bron van beweging, energie, die niet rondom ego draait).

Daarnaast blijft ego-motivatie ons leven lang een rol spelen: wens tot zelfverheffing en zelfverbetering. Ego-gerichte motivatie binnen het contemplatieve leven is spiritueel materialisme. Dit is herkenbaar aan labiliteit: heen en weer tussen nihilisme en fundamentalisme. Nihilisme: als het niet ‘werkt ’voor ons, wordt alles (ook in de religieuze traditie) overboord gegooid. Fundamentalisme is: vastgrijpen aan wat onveranderlijk, absoluut wordt ervaren ( ideeën, ervaringen, vormen) : houvast.


Twee kanten aan deze onbevangen momenten:

-          Wát we helder zien: ons ego

-          Dát we helder zien: eigenschap van zulke momenten: ('Heilige Geest')

Aanvankelijk werkt het zicht op ego uit in een wantrouwende, kritische houding tegenover onszelf. Heilzaam en pijnlijk.

Nodig is: ruimte geven aan dit wantrouwen (zodat we niet opnieuw een houvast zoeken). Het is een eerste, eenzijdige, manifestatie van helderheid van geest. Wantrouwen ook t.a.v. anderen, de wereld om ons heen, de valse beloften, eisen, verwachtingen, denksystemen, religies. We gaan op zoek naar mensen die met ’dit soort dingen’ bezig zijn en stellen kritische vragen ( rol van de advocaat van de duivel).

Nodig:  ontwikkelen van onderscheidingsvermogen t.a.v. onszelf.


Zelfkennis als persoonlijke betrouwbaarheid.

Dit is het vermogen om ons eigen spiritueel-materialisme, onze egocentrische motivatie te kunnen onderscheiden van waarachtige inspiratie. Naarmate we onze momenten van openheid meer leren vertrouwen, kunnen we beter zien wanneer onze geest de snelle beweging in de richting van het scheppen van ego maakt. Daardoor zijn we beter in staat aan die beweging geen verdere voeding te geven.


Openheid als overgave: bereid zijn tot het blootgeven en opgeven van ons ego in de concrete feitelijke omgang met elkaar.

Blinde overgave:  ontwikkelt geen eigen onderscheidingsvermogen maar vertrouwt op die van de ander: escapisme! De basis ervan is: niet te hoeven zien wat of wie we zijn, en wat ons bestaan inhoudt en zin kan geven. Blinde overgave is ego’s poging om werkelijke overgave te imiteren (‘ik geef me aan je over, doe met me wat je wilt, ik heb er alle vertrouwen in…) Deze vorm van overgave is niet sterk genoeg voor een totale transformatie van onze levenshouding omdat zij niet ontstaan is uit een in de ervaring geteste band. Het ontwikkelen van een dergelijke band behelst dus in eerste instantie twijfelen, aftasten, toetsen van ons contact.


6 Disciplines van het denken.

Drie gebieden waarin deze ‘aanzetten tot bekering’ worden ontwikkeld:: het mentale domein, het domein van het spreken, het gebied van het handelen.

Mentale disciplines hebben betrekking op het ontwikkelen van inzicht in de aard van onze geest; onze omgang met onszelf, met onze gedachten, onze levensinstelling.

Spreken en handelen hebben betrekking op het gebied van het sociale, praktische leven: de wijze waarop we met onze omgeving omgaan.


Disciplines van het bewustzijn :verbreden en verdiepen onze perceptuele kennis, door het vergroten van de innerlijke stabiliteit en daardoor het verscherpen van ons onderscheidingsvermogen. Dwz: door de disciplines van de aandacht en de disciplines van het inzicht.


Disciplines van het denken:  werken met het scheppen en hanteren van mentale inhouden: begrippen, ideeën, voorstellingen, beelden, symbolen. Dwz: ze vergroten onze conceptuele kennis ( intellectuele discipline) en ze gebruiken onze verbeeldingskracht ( discipline van de verbeelding).

Het belang van begeleiding is groot wegens de kracht van verbeelding: we zouden in fantasiewerelden terecht kunnen komen. Ook zijn beelden altijd cultuur- en tijdgebonden. Herijking blijft nodig.


7. Disciplines van de aandacht

Deze hebben ten doel de verwarring in onze waarneming op te heffen: we worden oplettender.

problemen met onze aandacht:

- we worden vaak meegesleurd worden door emoties, hartstochten, vrees, verlangens

- we zijn met onze gedachten elders

Training: we oefenen met een aandachtspunt, vaak de adem, meestal via zitmeditatie. Telkens leiden we onze aandacht weer terug naar het bewustzijn van onze ademhaling. Of: een meditatie-object is focus van onze aandacht: loopmeditatie, een meditatie woord waar je steeds naar terugkeert, of een objectmeditatie (beeldje, afbeelding, kaars), of gewoon je aandacht houden bij de handeling die je op dat moment verricht.

3 aspecten: het ontwikkelen van rust (stabilitas, vrede, stilte), van eenvoud (simplicitas) en zuiverheid (purificatio).

Het doel van aandachtstraining is niet het stoppen van gedachten maar het voorkomen dat je door je eigen gedachten bevangen wordt, zo ingepakt dat je het verschil tussen werkelijkheid en gedachten óver de werkelijkheid niet meer (goed) herkent.


8. Disciplines van inzicht

Het doel hiervan is het aanleren van zuivere, onvoorwaardelijke onbevangenheid. Dit vormt de basis van onderscheidingsvermogen dat tot inzicht leidt. Je zou ook kunnen spreken van geestelijke overgave, dwz. het loslaten van de beelden over wie we denken te zijn. Dit opent voor een egoloze werkelijkheidsbeleving, een soort naakt bewustzijn. En dat voert tot een andersoortig perspectief, in theïstische termen ook wel Godskennis genoemd. In de Shambhala traditie heet dit de wijsheid van de kosmische spiegel. Het ontmaskert onwerkelijkheid en het onthult werkelijkheid.

9. Disciplines van handelen en spreken

Alle religieuze tradities hebben richtlijnen voor gedrag en spreken: om mensen tot een sociale cohesie te voeren en voor het cultiveren van onze fundamentele menselijkheid. De mentale disciplines en de gedragsdisciplines zijn wederzijds ondersteunend voor elkaar en beïnvloeden elkaars bloei. (dwz: regels zijn niet om onze vrijheid in te perken maar om onze ware aard tot bloei te brengen.)

Het gaat om het bevorderen van gunstig gedrag en het nalaten van ongunstig gedrag. Er zijn tijdgebonden, persoonsgebonden, cultuurgebonden en universele voorschriften. Samen geven ze vorm aan het contemplatieve leven.

Vier algemeen voorkomende regels uit monastieke tradities: op één plaats blijven (zoals retraite, meditatie, klooster, maar in essentie: je toewijden aan déze plek en déze tijd);  gehoorzaamheid; zwijgen;vrijgevigheid; de waarheid spreken.

10. Begeleiding en ontwikkeling

 - de vertrouwensrelatie tussen mentor en leerling: kenmerken en valkuilen, de noodzaak van onvoorwaardelijk (maar niet blind!) vertrouwen die voert naar het ontdekken van de eigen innerlijke meester

- ontwikkeling en begeleiding, bekeringsmomenten en groei (uitwendige en inwendige stabiliteit); de veranderende relatie tussen leraar en leerling.