sporen van God
mystiek
artikelen
klassieke teksten
eckhart
wolk van niet-weten
hammarskjöld
johannes vh Kruis
theresia van avila
thomas a kempis
de st. exupéry
simone weil
simoneweil2
beatrijs v nazareth
joodse verhalen
Christus visioen
thomas merton
augustinus
miskotte
mp3 cursussen
aanbevolen boeken
podcasts
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Thomas van Kempen

 

Uit: De Navolging van Christus

 

Werkvertaling: Rudolf van Dijk in samenwerking met de werkgroep mystagogie van het Titus Brandsma Instituut

Thomas van Kempen
Thomas van Kempen

 

Boek 1: Wenken, dienstig voor een geestelijk leven Hoofdstuk 1: Over de uitbeelding van Christus en het niet achten van alle ijdelheden van de wereld

 

1. Wie Mij volgt, wandelt niet in duisternis, zegt de Heer.

 

2. Dit zijn woorden van Christus, waardoor wij worden aangezet in zoverre zijn leven en gedrag uit te beelden, als wij waarachtig verlicht willen worden en van alle blindheid van hart bevrijd.

 

3. Ons hoogste toeleg moet dus zijn: in het leven van Jezus Christus te mediteren.

 

4. De lering van Christus gaat alle leringen van de heiligen te boven, en wie de geest zou hebben, zou daar het verborgen manna vinden.

 

5. Het gebeurt evenwel, dat velen aan het veelvuldig horen van het Evangelie weinig verlangen ervaren: omdat zij de geest van Christus niet hebben.

 

6. Wie echter ten volle en met smaak de woorden van Christus wil waarnemen, behoort er zich op toe te leggen zijn hele leven aan Hem gelijkvormig te maken.

 

7. Wat heb je eraan hoogdravend over de Drievuldigheid te disputeren, als je de nederigheid mist en jij de Drievuldigheid dus tegenvalt?

 

8. Werkelijk, hoogdravende woorden maken niet heilig en rechtvaardig, maar een deugdzaam leven maakt bij God geliefd.

 

9. Ik voel me liever getroffen worden dan dat ik weet hoe dit gedefinieerd moet worden.

 

10. Als je de hele bijbel en de gezegden van alle filosofen van buiten zou kennen, wat zou je er allemaal aan hebben zonder de genadige Godsliefde?

 

11. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdel; behalve God beminnen en Hem alleen dienen.

 

12. Dit is hoogste wijsheid: door de wereld niet te achten reikhalzen naar de hemelse heerlijkheid.

 

13. IJdelheid is dus: vergankelijke rijkdommen zoeken en daar je hoop op stellen.

 

14. IJdelheid is ook: om erebaantjes heendrentelen en je tot een hogere positie opwerken.

 

15. IJdelheid is: de begeerten van het vlees volgen en datgene verlangen waarvoor je later zwaar gestraft moet worden.

 

16. IJdelheid is: een lang leven wensen en voor een goed leven weinig zorg hebben.

 

17. IJdelheid is: alleen oog hebben voor het huidige leven en niet voorzien wat toekomst is.

 

18. IJdelheid is: liefhebben wat met grote snelheid voorbijgaat en je niet daarheen haasten waar de eeuwige vreugde blijft.

 

19. Breng je vaak die spreuk te binnen: het oog krijgt nooit genoeg van zien, zoals het oor nooit gevuld wordt met horen.

 

20. Leg je er daarom op toe je hart van de liefde voor de zichtbare dingen los te maken en jezelf te laten overgaan naar de onzienlijke dingen.

 

21. Want die hun zinnelijkheid volgen, bevlekken hun geweten en verliezen Gods gunst.

 

Hoofdstuk 2: Over het nederig voelen van jezelf

 

1. Elke mens verlangt van nature naar weten, maar wat doet wetenschap ertoe zonder de vreze Gods?

 

2. Een nederige boer die God dient, is werkelijk beter dan een hoogmoedige wijsgeer die de baan van de hemellichamen waarneemt, maar aan zichzelf voorbijgaat.

 

3. Wie zichzelf goed leert kennen, begint voor zichzelf onbetekenend te worden en schept geen genoegen in de loftuitingen van mensen.

 

4. Als ik alles wist wat in de wereld is en ik was niet in de liefde, wat zou mij dan helpen ten overstaan van God, die mij op dit feit zal oordelen?

 

5. Kom eens tot rust van het buitensporige verlangen om te weten; daar wordt immers een hoop verstrooiing en misleiding in gevonden.

 

6. Weters willen graag wijs gezien en genoemd worden.

 

7. Veel van wat er te weten valt, heeft weinig of geen voordeel voor je ziel.

 

8. Heel onwijs is iemand die zich op andere zaken toelegt dan op die welke hem aan zijn heil verknocht maken.

 

9. Woordenbrij bevredigt de ziel niet, maar een goed leven verkwikt de geest en een zuiver geweten wekt een vast vertrouwen op God.

 

10. Hoe meer en beter je weet, des te harder zul je erom geoordeeld worden, als je niet heiliger geleefd hebt.

 

11. Laat je daarom niet voorstaan op welke bekwaamheid of wetenschap ook, maar wees liever beducht voor de aandacht die je gegeven wordt.

 

12. Als je denkt dat je veel weet en goed genoeg begrijpt, realiseer je dan dat er nog veel meer is wat je niet weet.

 

13. Geef niet hoog op van je verstandigheid, maar kom eerder uit voor je onwetendheid.

 

14. Waarom wil je je boven iemand stellen, als er veel gevonden worden die geleerder dan jij zijn en meer onderlegd in de Schrift?

 

15. Als je tot eigen profijt iets wilt weten en leren, houd er dan van onbekend te zijn en niet mee te tellen.

 

16. Dit is de hoogste en nuttigste les: waarachtige zelfkennis en zelfverachting.

 

17. Over jezelf geen vaste mening houden, van anderen een goede en diepe indruk hebben: dat is grote wijsheid en volmaaktheid.

 

18. Als je een ander openlijk ziet zondigen of ernstige misdrijven ziet begaan, moet je niettemin jezelf niet beter achten. Je weet immers niet hoe lang je zelf in het goede staande kunt blijven.

 

19. Allen zijn wij zwak, maar jij moet niemand voor zwakker houden dan je zelf bent.

 

Hoofdstuk 3. Over de onderrichting door de Waarheid

 

1. Gelukkig hij die door de Waarheid zelf wordt onderricht, niet door vluchtige beelden en klanken, maar zoals zij in zich is.

 

2. Onze mening en ons gevoel misleiden ons vaak: zo’n beperkte blik hebben ze.

 

3. Wat voor nut heeft grote spitsvondigheid over verborgen en duistere zaken? Wij zullen er bij het oordeel toch niet op worden aangesproken, dat wij die niet gekend hebben?

 

4. Grote dwaasheid is het, als wij met verwaarlozing van wat nuttig en nodig is, onze aandacht alleen richten op buitennissige en verderflijke zaken.

 

5. Wij hebben ogen, maar zien niet. En wat maken wij ons druk over de indeling in geslachten en soorten?

 

6. Hij tot wie het eeuwig Woord spreekt, wordt van veel meningen ontlast.

 

7. Uit het ene Woord komt alles voort; en van het ene spreekt alles. Dit is het begin dat ook spreekt tot ons.

 

8. Zonder dat Woord heeft niemand begrip, noch een juist oordeel.

 

9. Hij voor wie alles één is, die alles op het ene betrekt en alles in het ene ziet, kan onwankelbaar van hart zijn en vreedzaam in God blijven.

 

10. O Waarheid, God, maak mij één met Jou in altijddurende liefde.

 

11. Veel lezen en horen staat mij vaak tegen. In Jou is alles wat ik wil en verlang.

 

12. Laat alle geleerden hun mond houden, laat alle schepselen zwijgen voor jouw aangezicht. Spreek Jij tot mij, Jij alleen.

 

13. Hoe meer iemand met zichzelf één en van binnen vereenvoudigd geworden is, des te meer hij zonder moeite begrijpt wat meer en hoger is. Want van boven ontvangt hij het licht van het inzicht.

 

14. Een zuivere, eenvoudige en standvastige geest raakt bij veel werk niet verstrooid. Hij doet immers alles ter ere van God en streeft ernaar in zichzelf vrij van alle zelfzucht te zijn.

 

15. Wie hindert en stoort je meer dan je eigen onverstorven toeneiging van hart?

 

16. Een goed en innig levend mens regelt innerlijk zijn zaken voordat hij ze uiterlijk moet gaan verrichten.

 

17. Die [zaken] verleiden hem ook niet tot de begeerten van zijn zondige neiging. Hijzelf buigt ze immers naar het oordeel van het gezond verstand.

 

18. Wie voert een zwaardere strijd dan hij die tracht zichzelf te overwinnen?

 

19. Dit zou onze opdracht moeten zijn: onszelf overwinnen, elke dag onszelf meer in de macht krijgen en een beetje voortgang maken ten goede.

 

20. Alle volmaaktheid in dit leven is met een zekere onvolmaaktheid verbonden, en geen enkele bespiegeling van ons is zonder enige duisternis.

 

21. Nederige kennis van jezelf is een zekerder weg naar God dan diepgaand wetenschappelijk onderzoek.

 

22. Nu moet wetenschap niet worden afgekeurd, evenmin als welke eenvoudige kennis van zaken ook, want deze is in zichzelf beschouwd goed en door God geordend. Maar men moet voorkeur altijd geven aan een goed geweten en een deugdzaam leven.

 

23. Omdat echter velen er meer op uit zijn te weten dan goed te leven, gaan zij vaak dwaalwegen en brengen zij bijna geen of slechts geringe vrucht voort.

 

24. O, als zij eens net zoveel ijver aan de dag legden voor het uitroeien van ondeugden en het inplanten van deugden als voor het oproepen van problemen, dan gebeurden er niet zoveel slechte dingen en schandalen onder het volk en was er niet zoveel verslapping in de kloosters.

 

25. Als de dag van het oordeel komt, zal ons zeker niet gevraagd worden wat wij gelezen hebben maar wat wij gedaan hebben, ook niet hoe goed wij het gezegd hebben, maar hoe godbetrokken wij geleefd hebben.

 

26. Zeg mij: waar zijn al die heren en meesters toch, die je zo goed gekend hebt toen zij nog in leven waren en in studies uitblonken?

 

27. Hun prebenden zijn allang in handen van anderen.  En of die nog aan hen terugdenken, weet ik niet.

 

28. In hun leven leken zij heel wat te zijn; nu doet men over hen het zwijgen toe.

 

29. Ach, wat snel vergaat de glorie van de wereld!

 

30. Was hun leven maar in overeenstemming geweest met hun wetenschap! Dan hadden ze op een goede manier gestudeerd en gedoceerd.

 

31. Hoe velen gaan verloren door ijdele wetenschap in deze wereld: mensen die zich te weinig bekommeren om de dienst aan God.

 

32. Omdat zij eerder verkiezen groot dan nederig te zijn, verdampen zij in hun overpeinzingen.

 

33. Echt groot is hij die een grote liefde heeft.

 

34. Echt groot is hij die in zichzelf klein is en elk toppunt van eerbetoon voor niets houdt.

 

35. Echt verstandig is hij die al het aardse als afval beschouwt, om Christus te winnen.

 

36. En echt goed onderricht [door de Waarheid] is hij die de wil van God doet en zijn eigen wil opgeeft.

 

Boek 4: Boek van de innerlijke vertroosting

Hoofdstuk 5:

Over de wonderlijke uitwerking van de goddelijke Minne

 

1. Ik zegen Jou, hemelse Vader, Vader van mijn Heer Jezus Christus, want Jij hebt Je verwaardigd mij, arme, in je hart te sluiten.

 

2. O Vader van barmhartigheid en God van alle vertroosting, dank aan Jou, die mij, ofschoon alle vertroosting onwaardig, soms verkwikt met jouw vertroosting.

 

3. Ik zegen Jou altijd en verheerlijk Jou met je eniggeboren Zoon en met de Heilige Geest de Vertrooster, tot in de eeuwen der eeuwen.

 

4. Ach, Heer God, mijn heilige minnaar, wanneer Jij in mijn hart komt, zal heel mijn binnenste juichen.

 

5. Jij bent mijn glorie en de jubel van mijn hart.

 

6. Jij mijn hoop en mijn toevlucht op de dag van mijn benauwing.

 

7. Maar omdat ik nog zwak ben in Minne en onvolmaakt in deugd, daarom heb ik het nodig door Jou versterkt en vertroost te worden.

 

8. Daarom, bezoek mij telkens en onderricht mij met heilige leringen. Bevrijd mij van kwade hartstochten en genees mijn hart van alle ongeregelde begeerten. Dan zal ik, van binnen genezen en welgezuiverd, geschikt worden om te minnen, sterk om te dulden, standvastig om te volharden.

 

9. Iets groots is Minne, inderdaad een groot goed, dat alléén ál het zware licht maakt en al het ongelijke gelijkmoedig draagt.

 

10. Want last draagt zij zonder last en al het bittere maakt zij zoet en smakelijk.

 

11. Edele Minne van Jezus dringt aan om grote werken te verrichten en wekt op naar steeds volmaaktere te verlangen.

 

12. Minne wil in den hoge zijn en door geen dingen van beneden tegenhouden worden.

 

13. Minne wil vrij zijn en ver weg van alle wereldse begeerte, zodat haar innerlijk aanschouwen niet belemmerd wordt en zij niet door enig tijdelijk gemak verwikkelingen ondergaat of door ongemak bezwijkt.

 

14. Niets is zoeter dan Minne, niets sterker, niets hoger, niets wijder, niets aangenamer, niets voller noch beter in de hemel en op aarde. Want Minne is uit God geboren en zij kan slechts in God rusten, boven alle geschapen dingen.

 

15. Wie mint, vliegt, rent en is blij. Vrij is hij, en niet te houden.

 

16. Hij geeft alles om alles en bezit alles in alles. Want in het ene hoogste rust hij boven alles. Daar stroomt al het goede uit en vindt het zijn weg.

 

17. Hij let niet op de gaven, maar wendt zich tot de gever boven alle goede dingen.

 

18. Minne kent vaak geen maat, maar schiet vuur boven alle maat.

 

19. Minne voelt geen last, telt geen moeite, begeert meer dan zij kan, klaagt niet over onmogelijkheid, want zij meent alles te kunnen en te mogen.

 

20. Zij is dus tot alles in staat, vervult veel en zet het in werking, waar iemand die niet mint, mankeert en braak ligt.

 

21. Minne waakt en in haar slaap slaapt zij niet. Als zij zich afmat, wordt zij niet vermoeid. In de knel geraakt, wordt zij niet bekneld. Als haar schrik is aangejaagd, raakt zij niet in verwarring. Integendeel, als een levende vlam en een brandende fakkel schiet zij omhoog en gaat er onbekommerd doorheen.

 

22. Als iemand liefheeft, weet hij wat deze stem roept.

 

23. Een luid geroep in Gods oren is het: de brandende begeerte zelf van de ziel, die zegt:

 

24. ‘Mijn God, mijn Minne, Jij bent helemaal van mij, en ik ben helemaal van Jou.

 

25. Maak mij wijd in Minne; dan leer ik met de innerlijke mond van mijn hart proeven hoe zoet het is te minnen, in Minne te smelten en te zwemmen.

 

26. Laat mij door Minne geboeid worden, mijzelf overtreffend in onstuimige drift en verwondering.

 

27. Laat mij zingen het lied van Minne en Jou, mijn geliefde, volgen naar omhoog.  Laat mijn ziel in jouw lof bezwijken, jubelend van Minne.

 

28. Laat mij Jou beminnen meer dan mijzelf en mij alleen omwille van Jou en in Jou allen die Jou waarlijk beminnen, zoals de wet van Minne het eist, die uit Jou straalt.’

 

29. Minne is snel, oprecht, goedertieren, lief en bevallig, sterk, geduldig, trouw, lankmoedig, dapper, zonder ooit zichzelf te zoeken.

 

30. Want waar iemand zichzelf zoekt, daar raakt hij uit Minne weg.

 

31. Minne is omzichtig, nederig en recht door zee, niet week, niet lichtzinnig noch gericht op nutteloze zaken. Ze is ingetogen, kuis, standvastig, rustig in in alle gevoelens waakzaam.

 

32. Minne is onderdanig en gehoorzaam aan oversten. Voor zichzelf is zij gering en veracht; tegenover God is zij toegewijd en dankbaar, altijd vol geloof en hoop op Hem, ook als God haar niet smaakt. Immers, zonder smart kan men niet in Minne leven.

 

33. Wie niet bereid is alles te dulden en de geliefde ter wille te blijven, is het niet waard minnaar genoemd te worden.

 

34. Het hoort zo, dat een minnaar alles wat hard en bitter is, omwille van de geliefde graag omhelst en om geen tegenslag die hem overkomt, zich van hem af laat brengen.