sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
westwijkcolumns1
westwijkcolumns2
westwijkcolumns3
vermoeden
lichaamstaal
liefhebben
heldendom
erotiek
dit is mijn lichaam
burnout
sterven
gastvrijheid
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap


nieuwe beelden bij het sterven



Zo, aan de rand van het nog niet en niet meer zijn
En van het tomeloze leven,
Voel ik voor ‘t eerst in zijn volledigheid
En aan den lijve het vol-ledig zijn:
Een orde, waarin ruimte voor de chaos is,
en voel de vrijheid van een grote liefde,
die plaats voor wanhoop laat en twijfel en gemis.
 
 

(Vasalis)

 

 





Ik bezocht hem regelmatig de laatste maanden van zijn leven. Op een keer was spraken we over zijn sterven en hoe hij daar tegenaan keek. “Ik wil erdoor”, zei hij hijgend. “Naar buiten”. Zijn vrouw vertelde me later dat hij vlak voor zijn dood zijn ogen wijd opende, zijn stijfgebalde vuisten ontvouwde, “ja” riep en kort daarna zijn laatste adem uitblies.

“Mijn leven trekt zich samen”, vertelde een andere vrouw die niet zo lang meer te leven had. “Het trekt naar binnen, steeds meer naar één centrum.” “En dan?”, vroeg ik. Ze kantelde haar handen. “Een soort implosie”, zei ze. 


Sterven als buitenstebinnen keren.

Het leven trekt zich geleidelijk terug totdat het als het ware in zichzelf implodeert, naar binnen keert. Dit is op te merken bij mensen die gaan sterven. De wereld wordt steeds kleiner tot het samenvalt met het eigen lichaam en de volgende ademhaling. Totdat ook die op is. Dan, zo zou je kunnen zeggen, zakt men door het weefwerk van het bestaan en keert buitenstebinnen en wordt ingezogen in dat wat de bron van alles is. Ingetrokken in een zwart gat, maar dan zoals we het uit de hedendaagse natuurkunde leren: iets dat zo krachtig is, zo gevuld, zo wervelend van energie dat onze stralendste zonnen er maar flauwe lampjes bij zijn. Beelden bij het leven ná de dood zijn bijvoorbeeld opgenomen worden in een oceaan, of een machtige wind waar je deel van wordt. Zouden we in bijbelse termen kunnen zeggen: opgenomen in de Geest van God? Sterven is in dit beeld net zoiets als ingeademd worden door God.


Sterven als binnenstebuiten keren.

Het valt te vergelijken met de ervaring dat je graag iets wil zeggen, een diep gevoel dat zich wil uiten, maar je weet niet hoe. Soms, zo is onze ervaring, is onze innerlijke beleving en waardering en liefde veel groter dan we in staat zijn naar buiten te brengen. In dit beeld betekent sterven dat wie wij ten diepste zijn nu vrijuit naar buiten kan stromen. Ons lichaam dat de grens vormt tussen ons en de buitenwereld, keert zich als een herinnering naar binnen. Zo vormt de lichamelijke herinnering de kern van de eigen identiteit zonder dat het een afgrenzing betekent. Ons wezen keert zich naar buiten. We zijn volledig communicatie geworden. Sterven als fundamentele uitademing.


Ik vermoed dat deze twee beelden aanvullend zijn. Buitenstebinnen is de ervaring vanuit ons lichaam gezien, vanuit onze begrensde werkelijkheidsbeleving. Binnenstebuiten is de beleving van de menselijke geest die wortelt in de onbegrensde werkelijkheid van God.

Het doet mij denken aan een oude term uit de theologie: perichorese. Dat woord wordt gebruikt voor de relatie binnen in de Drie-Ene God. Het betekent zoiets als: wederzijdse doordringing zonder verlies van eigenheid. De droom van de kerk is dat de hele schepping zal worden opgenomen in het liefdesleven van de Drie-Ene God: eenheid in verscheidenheid. Eenheid zonder versmelting, zoals je soms, heel even, in een liefdesrelatie mee kunt maken. Een voorproefje van de werkelijkheid die onze bestemming is.


Zou het zo kunnen zijn: mensen die sterven worden opgenomen in het liefdesleven van God die alles-in-allen aan het worden is: volledige communicatie, volledig kennen en gekend worden, zonder verlies van eigen identiteit?


 In het leven maken wij hiermee een begin. In het sterven komen we tot voltooiing. In het Johannes evangelie blaast de opgestane Jezus over zijn leerlingen en zegt: ontvangt de Geest. Dat is een prachtig beeld. Jezus brengt als het ware in zijn laatste adem zijn wezenlijke inspiratie naar buiten als een blijvende aanwezigheid. Al heeft hij ons verlaten, hij laat ons nooit alleen (Gez. 234). In het spoor van Jezus is de dood niet langer het tegendeel van leven. Sterven, of we nu jong als Jezus of oud als Sara zijn, is de voltooiing van ons leven en niet de ontkenning ervan.