sporen van God
mystiek
ervaring
sporen deel 1
sporen deel 2
sporen deel 3
notities
marjaatjes
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

SPOREN vervolg 

 

 

 

 

photo:m.vonkeman

 

De zon komt op
Jij bent het
De schaduw strekt zich uit
Jij bent het
Lome zomerhitte, trilt de lucht
Gemaaid gras, zegt de wind
Jij bent het
Torende stokroos wiegend kruid,
De voetbal stuitert het konijn ontsnapt
Jij bent het
Naderend onweer stille avond
De nacht valt koud
Jij bent het.


Er is een bekend joods verhaal. Een jochie zegt uitdagend tegen de rabbi: ‘ik geef u een stuiver als u me kunt laten zien waar God is’. De rabbi kijkt hem vrolijk aan en antwoordt: ‘en ik geef je een tientje als je mij kunt laten zien waar God niet is’.

 

De bovenstaande tekst spreekt over deze alomtegenwoordigheid van God.


Vaak is de natuur de aanleiding voor een dergelijke intuïtie. Een rijzende zon, het begin van de dag, alles is fris en het is een wonder dat er telkens weer dag is en wij er zijn om die te begroeten. De schaduwen strekken zich uit, de tijd verstrijkt. Ook dat is verwonderlijk en mysterieus. Wat is tijd? Wat is leven? Hoe bestaat het dat wij zijn? De lucht en de wind krijgen een stem en vertellen wat er gebeurt. Alle zintuigen staan op scherp, het denken doet mee en weeft een verhaal. Alles verwijst naar Jij, naar liefde-in-persoon. Vrede en veiligheid, spel en humor, alles is teken en Aanwezigheid.


Maar niet alleen de zomerse ontspanning verwijst naar God. Er nadert onweer. De avond is stil, er klinkt geen stem, niets of niemand vertelt een verhaal. De nacht is koud, de warmte van menselijke aanwezigheid is weg, misschien is de kille dood gekomen. En toch is het ook dan: Jij. Niets van het menselijk bestaan staat buiten de tegenwoordigheid van dit onbenoemde en alles doordringende Jij.

 

Wie de Jij is wordt niet gezegd. Elke naam zou een beperking zijn. De Jij waarover gesproken wordt is Degene die aan alle namen voorafgaat. Aan Gods persoon-zijn ontleent alles zijn naam en stem. Het is niet zo dat ‘in alles een stukje God zit’. De tegenwoordigheid van God is niet zo rechtstreeks te herleiden. Eerder zou je kunnen zeggen: alles zit in Gód. Wie daarvan doordrongen is geraakt, komt God overal tegen, in ieder moment van het hier en nu.

 

In zomerse warmte en nachtelijke kou, in stuiterende voetballen en ontsnappende konijnen. Niet omdat daar iets van God in zit, maar omdat er niets is dat niet naar God verwijst; voor wie ogen heeft om te zien en een hart om te ontvangen. Het openen van de ogen en het ontvankelijk worden van het hart kan alleen wel een leven lang duren..

 

 

 

 

photo:m.vonkeman

 

 

 Diffuus verdeel ik mijn persoon
in zo en zo en hier of daar;
 —
een veelgezicht.


Maar nu en dan
-- heel aandachtig en per ongeluk --
zie ik in je blik
dat zwartstil licht dat onder alle kleuren is.


Meer dan ooit in de geschiedenis hebben mensen vele gezichten. Een gezicht voor je gezin, op je werk, in je sport, bij je ouders, je verschillende vrienden, in de politiek, in de kerk, in je studie, als je op een feest bent, of als je alleen bent. En al die ikken zijn wij. Sommige gezichten zijn iets meer echt, sommige zijn meer als een carnavalsmasker waarachter wij onze kwetsbare kanten verbergen. Maar toch, alles is een aspect van onze persoonlijkheid. We zijn veel gezichten geworden, als een diamant met vele kleuren en veel facetten. Sommigen wellicht ongepolijst, maar ook dat hoort er op dit moment bij. Toch is er in al die veelheid een besef van een wáár gezicht, een vermoeden van wie we ten diepste, wezenlijk zijn. De liefde die ons heelmaakt, raakt ons daar.


We herkennen de liefde doordat wij ons gezien en gekend weten. We kunnen verliefd worden op iemand die ons bewondert, maar we voelen ons werkelijk bemind door mensen van wie we weten: die kent me echt én houdt van me. Iemand die negeert wie ik ben en alleen maar zijn eigen verhaal kwijt wil, zo iemand doet mij geen recht en houdt niet van mij. Het verschil tussen bewondering en liefde is dat de liefde niet blind is, al zegt het spreekwoord het tegendeel. Echte liefde kijkt scherp en doorziet de maskers die wij aanwenden om onszelf te beschermen - én respecteert deze zonder misleid te worden. Echte liefde houdt van de waarheid of deze nu aangenaam of onaangenaam is. Goede vrienden durven je tegen te spreken en vraagtekens te zetten bij ondernemingen die wellicht schadelijk voor je zijn. Wat niet wil zeggen dat ze altijd gelijk hebben.


Maar soms gebeurt er iets wat aan de psychologie voorbijgaat. Dan kan het zijn dat in een ontmoeting van twee kwetsbare mensen die zich aandachtig voor elkaar openen, een diepere laag van het bestaan verschijnt. Je kunt het niet oproepen of organiseren, het is een onverwacht geschenk dat zich aandient. Het is haast alsof het zwart van de pupil van de ander die mij aankijkt zich opent. Dan is er het plotselinge besef van een onder alle kleuren aanwezig licht. Mijn eigen veelgezichten en die van de ander zijn omvat door iets dat aan ons voorafgaat, ons draagt en verbindt. Er zijn geen woorden voor, het is als zwartstil licht, niet voor te stellen maar wel te ervaren.  Even zijn we in de bodem van het hele bestaan, de grond waaruit alles ontspringt en waar alles zijn kleur aan ontleent. Even raken we aan de bron van ons eigen diepste wezen.

 

Juist in die hartgrondige geopendheid, daar waar we onszelf vergeten en de ander - even kwetsbaar als ik - ontvangen, daar is het dat ons werkelijke zelf gegeven wordt. Daar is het dat mensenliefde en goddelijke liefde samenvallen. Niets is meer heelmakend dan dat.


photo:m.vonkeman

 

Met een rijtuig en vijf paarden

reis ik hoger op en dieper in

tot aan een poort vergrendeld

zevenmaal.

De eerste breekt mijn rijtuig;

ook de moegereisde paarden sterven snel.

Nog één blijft er gesloten,

en vraagt om mij, mijn zelf.

Dan opent zich het land waar

horen proeven is en denken voelen,

het zien geurt en begrijpen is verstaan.

Hier weet ik zonder weten

feilloos zeker

dat jij bent;

dat wij bestaan.


Mensen reizen op hun levensreis met behulp van vijf zintuigen en een verstand (dat wil zeggen: de rede, de emoties en de intuïtie samen). Onze zintuigen geven ons de informatie over onze omgeving en ons verstand coördineert onze reacties en daden. In de bovenstaande tekst wordt beschreven hoe onze gebruikelijke manier van reizen tot een einde komt. Op zoek naar wat boven mij uitgaat (hogerop) en wat aan alles ten gronde ligt (dieper in) doemt er een vergrendelde poort op. In de omgang met God moeten de zintuigen en het verstand ten volle meekomen, totdat ze op hun natuurlijke grens stuiten. De ruimte waar God ontmoet kan worden ligt niet in het verlengde van wat mensen op eigen kracht kunnen bereiken. Die grens wordt herkend als een poort: er is een doorgang, maar die vraagt een prijs.

 

Onze natuurlijke vermogens sterven als zij raken aan de absolute werkelijkheid van God. Het overzicht van het verstand is het eerste dat breekt: God ontregelt alles wat wij wisten of bedachten. Onze manier van kijken en luisteren, wat we opsnuiven, ons aanvoelen en onze eigen smaak sneuvelen ook: ze zijn tot het uiterste gegaan: maar nu is het op. De laatste grendel vraagt om overgave van ons diepste zelf. Sterven aan alles wat ons tot houvast dient, wat ons besef van identiteit vormt en daarmee een afgrenzing van God: dat is wat de laatste grendel vraagt. Het betekent niet dat wij niet goed genoeg zijn: het gaat erom dat wij niet de juiste ontvankelijkheid hebben, de juiste zintuigen, de juiste rede, emoties en intuïtie om met God te verkeren. Onze smaak is niet op Hem afgestemd. Zolang ons zelfbewustzijn nog alles filtert wat wij ervaren, denken of voelen, zolang zijn wij niet in staat om rechtstreeks onze eeuwige bestaansgrond in God te proeven.

 

Maar dan, als God het wil en de poort zich opent, wordt alles wat wij verloren op een nieuwe manier hervonden. Het is alsof we aan de bron van alle vermogens zijn gekomen: het zien geurt, het horen is proeven, het begrijpen is verstaan. Alle afzonderlijke manieren waarop mensen contact maken met hun omgeving, werken samen. Augustinus beschrijft dit zo: “(-) daar waar voor mijn ziel de lichtglans fonkelt die door geen plaats bevat wordt, daar waar die klank weerklinkt die door geen tijd wordt weggerukt, daar waar die geur hangt die door geen wind verstrooid wordt, daar waar die smaak bestaat die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar die omhelzing wordt gegeven die door geen verzadiging losraakt. Dat is wat ik liefheb wanneer ik mijn God liefheb.”

 

In deze ruimte van God is geen geloof meer nodig: zonder weten zijn we feilloos zeker van de werkelijkheid van de Ander en van onszelf. Of, in de woorden van Johannes van het Kruis: ‘ de ziel ziet in één enkele blik wat God is in zichzelf en wat hij is in zijn schepselen’. De diepste waarheid van het bestaan wordt geproefd, ervaren. Het is ‘zonder weten’: want het gaat niet om een nieuw soort informatie waar we ons aan vast kunnen klampen in onzekere tijden – die net zo goed weer zullen komen. Het gaat om het doorzien van de werkelijkheid tot op haar bestaansgrond. Die grond is jij en wij. Dat wil zeggen: eerst weet ik: God is. En dan versta ik: wij zijn. Er is geen zijn dat niet jij én wij tegelijk is. God is altijd met ons: daarom bestaan we echt.

 

 

 

 

 

 

 

Onderscheiden

Als een kiezel in een vijver

ziet een schaap gras

of geen gras.

En dan wordt het weer onbewogen.

Een koe daarentegen

kijkt zelf.

Geef mij maar een koe.


Onderscheiding is één van de belangrijkste elementen op de geestelijke weg. Weten waar het op aan komt, inzien wat er nu, op dit moment, echt aan de orde is. Onderscheiden of er gehandeld of gewacht moet worden, gesproken of gezwegen. Onderscheiding heeft met aanwezigheid te maken. Ben ik er wel echt bij met mijn aandacht, met mijn levenservaring, met mijn emoties en zintuigen, met heel mijn denken en aanvoelen? Wat merk ik werkelijk op? Wat dringt er echt tot mij door? Als wij ingepakt zitten in onze eigen gedachten, gevoelens, herinneringen, verwachtingen, angsten en dromen: hoe kunnen wij dan de situatie die zich aandient in alle volledigheid zien?

 

Onderscheiding heeft ook met nieuwsgierigheid te maken. Sommige mensen zijn als schapen. Er valt hen pas iets op als het rechtstreeks met hun eigen behoeften of leefwereld te maken heeft. Zoals een schaap ziet of iets gras is en dus eetbaar, of niet. Het zien is als een steen die in het water valt: er gebeurt iets en dus wordt er gekeken. Het kijken wordt van buiten af in gang gezet. Veel mensen leven zo hun leven: ze worden pas bewust als er iets van buiten af in hun vizier komt en als het in het verlengde ligt van wat ze menen nodig te hebben, of wat bedreigend zou kunnen zijn.

 

Een koe daarentegen kijkt zelf. Zelf kijken heeft met nieuwsgierigheid te maken. En wie nieuwsgierig is, is niet met zichzelf bezig maar met het voorwerp van zijn nieuwsgierigheid. Je vergeet jezelf, zo ben je geboeid door wat je aandacht trekt. Kinderen zijn van nature nieuwsgierig (tenzij ze het afgeleerd hebben, zoals helaas nog altijd gebeurt). Kinderen zijn helemaal aanwezig: met huid en haar betrokken op wat er zich op dit moment aandient. Misschien dat Jezus daarom wel een kind als voorbeeld stelt voor zijn leerlingen.

 

Nieuwsgierigheid is een drang tot kennen: je wilt iets weten dat je nog niet weet. In de bijbel wordt kennen met liefde in verband gebracht. Hieraan kunnen wij liefde onderscheiden van een gebruiksrelatie: echte liefde wil kennen wie zij bemint. Daarom is ‘zelf kijken’ kenmerk van de liefde, ook de liefde tot God. Zelf kijken betekent dat je er echt bent – en dat de ander er echt mag zijn. Dat is de voorwaarde voor alle kennen. In de verhalen van Jezus wordt vaak gesproken over zien. Blinden worden genezen, als teken voor een hele generatie die niet opmerkt het moment dat God naar hen omziet. Zolang mensen nog naar God uitkijken zoals een schaap naar gras, zolang zullen zij niets van Gods werkelijkheid kunnen zien. Alleen met het hart kun je goed zien, zegt de kleine prins in het sprookje van de St. Exupéry. Of koeien met het hart kijken weet ik niet. Maar nieuwsgierig zijn ze wel. Geef mij maar een koe.

 

 

 

photo:m.vonkeman


Vegetelheid

is een lome ruimte

vlak van stilte

niets nabij of scherp in focus

alles om het even

geen bewegen;

limbus

lokt met zijn verdoving

eindelijk

rust

zacht jij levend dode

onaanraakbaar, zonder taal,

zo buiten het verhaal.


De geestelijke weg is een  menselijke weg. Dat wil zeggen dat alles wat aan mensen eigen is, ook optreedt in de omgang met God. Daarom kunnen (en moeten) alle verschijnselen op meerdere lagen tegelijk verstaan worden. Er is een lichamelijk aspect, een psychologisch verhaal, een sociale dimensie en een geestelijke kant van de zaak. Hier onderzoeken we vooral de laatste.

Depressie kan een psychologisch probleem zijn dat met therapie behandeld dient te worden. Maar het kan ook een onderdeel zijn van de geestelijke weg.

 

God lijkt verdwenen alsof hij nooit bestaan heeft. Zijn verdwijnen uit de menselijke ervaring laat een lome ruimte achter. Er is niets meer de moeite waard om nog voor te leven. God was alles, de kern en het zin en het doel van je bestaan – maar nu is Hij weg en zelfs je verlangen naar Hem is weg. En op een vreemde manier ben je er misschien wel blij om, want de spanning van het onbemiddelde Godskontakt is te groot, te onverdraaglijk. Mensen die nog nooit alles op die ene kaart van God hebben gezet, zullen dit niet op deze wijze meemaken. Maar voor hen die dit herkennen: het is onderdeel van de weg. Want ook de weerslag van de Godservaring in het eigen gevoel is niet God zelf. De ‘nacht van de geest’ noemt Johannes van het Kruis deze verduistering van alles wat een mens beweegt. Het is de dood die aan de vereniging vooraf gaat.

 

Limbus is het voorportaal, het voorgeborchte, van de hel. In de oude verhalen is limbus de plek waar de zielen verblijven tot Christus neerdaalt en hen meeneemt op zijn hemelvaart. De hel is de plek waar geen God en dus geen relatie en geen communicatie is. Limbus is er als het ware een voorstadium van: er is nog hoop op redding. In psychologische taal: limbus is een depressieve, geïsoleerde staat. Geestelijk gezien noem ik het: vergetelheid. Het verleden geeft geen houvast, steun of richting en van de toekomst is geen verwachting. Het is alsof je uit de tijd geslingerd bent en in een eenzame leegte wacht zonder nog iets te zoeken. Er zijn gebieden in de menselijke ervaring waar geen taal meer is: je zou niet weten wat je zeggen moest en er komt niemand dichtbij genoeg om mee te kunnen communiceren: je bent als het ware levend dood. Er is geen verhaal meer, geen begin en einde, geen zin.

 

Er ligt een verleiding in deze ervaring. De rust van afzijdigheid, van de besloten wereld waarin geen stem meer tot je komt, is aantrekkelijk. Er is geen geluk maar ook geen pijn meer. Soms kom je mensen tegen die zich zo in een eigen wereldje hebben teruggetrokken dat ze zich niet meer bewust zijn van de depressieve gevoelens die daaraan ten grondslag liggen. Maar na het dodenrijk komt hemelvaart en dan Pinksteren. Geestelijk gezien gaat erom dit alles in vertrouwen uit te houden zonder dat je eraan gaat sleutelen. Wat nu wil komen kan niet op eigen kracht bereikt worden: Christus zelf moet ons bevrijden.

 

De mogelijkheid van limbus is dat wij onszelf op een diepe manier verliezen. De vergetelheid strekt zich uit tot het zelfbeeld dat we hadden – en dat ons in de weg staat in de omgang met God en de werkelijkheid. Het kan beangstigend zijn om zo bewegingloos te worden. Er is niets meer om op te vertrouwen – er valt niets anders te doen dan vertrouwen te zijn.

 

Rust zacht. Dat is een tedere wens voor iemand die dood is gegaan. Als je in limbo blijft, is dat wat gebeurt: je gaat dood voordat je dood bent. Maar dit betekent het ook - en dan verandert alles - : rust zacht, want je eigen verhaal is gestopt, maar Gods verhaal wil beginnen. Laat je opnemen in het verhaal van Christus. Want mensen dragen het beeld van Christus in hun diepste wezen, als een afdruk, zegt de bijbel. Wil die afdruk ooit van mogelijkheid tot werkelijkheid worden, dan gaat het niet anders dan door de reis van Christus zelf te maken. Van leven naar dood naar leven. Totdat in ons Christus opstaat en ook óns leven zo opgenomen wordt door God, dat alles ervan wordt uitgestort als een stroom van levend water, als mensgeworden verhaal van God voor ieder te lezen. Keer je om naar het leven - iemand vraagt waar je bent...

 

 

 

 

photo:m.vonkeman

 

Schaamte

Dit vaalgeel vuur zoekt

immer brandstof

en blust

tot nevelig grauw

dat dwalen doet,

het onderlijf

verstijfd

van kou.


Schaamte hing vroeger vooral samen met gedragsregels die golden in de groep waar je in leefde. Als je je aan de regels hield, dan hoorde je erbij, dan had je je eigen plek in de gemeenschap. Maar tegenwoordig hangt onze identiteit niet meer zo aan gedragscodes. Ons zelfgevoel heeft meer van doen met een ideaal. Dit ideaal wordt ons van jongs af aan ingeprent: wij behoren mensen te zijn die succesvol in hun eigen behoeften kunnen voorzien. Of het nu gaat om het vinden van leuk werk, een goede partner of vrienden, het hebben van een goede gezondheid of het beleven van zin en betekenis in het bestaan: we moeten het zelf voor elkaar zien te krijgen: dat is onze plicht als mondige moderne mensen. En als dat niet lukt, dan schamen wij ons, want we hebben gefaald in wat iedereen moet kunnen.

 

Dit vooruitgangsgeloof – want het is een geloof – beïnvloedt ons meer dan we ons bewust zijn. De schaamte die volgt als we niet voldoen aan dit grotendeels onbewuste ideaal, gaat dan ook ondergronds. Je kunt het wel herkennen aan gevoelens van depressie die nergens vandaan lijken te komen. Alsof je een stukje van je ziel bent kwijtgeraakt en je weet niet waar het is gebleven. Soms,  in reactie daar weer op, kunnen er agressieve buien zijn zonder enige echte oorzaak. Schaamte heeft te maken met eer – met dat wat eerbaar is, wat respect verdient. Als je je eer verliest, verlies je je zelfrespect. Schaamte zegt: je mag er eigenlijk niet zijn, je bent een niemand.

 

Dit vaalgeel vuur zoekt immer brandstof. Als schaamte eenmaal heeft postgevat, dan lijkt het wel alsof alles dat bevestigt. Er gaat steeds meer mis en overal vang je tekenen op dat je eigenlijk minderwaardig bent. Het is belangrijk om te onderkennen dat de ondergrondse schaamte van onze tijd ons wezenlijk doof maakt voor de stem van God. Gods liefde is niet te verdienen of te verliezen: het leven zelf is genade, een onverdiend geschenk dat God niet anders kan dan geven want zo is God. Maar iemand die alles moet verdienen, ook wat God schenkt, kan niets zomaar ontvangen. Zomaar om niet ontvangen lijkt nog eens extra je eigen kleinheid te benadrukken. Je hand ophouden is een schande en toch is God niet te bereiken behalve door te ontvangen.

 

Schaamte blust tot nevelig grauw dat dwalen doet / het onderlijf verstijfd van kou. Kenmerk van ondergrondse schaamte is verlies van erotiek. Erotiek, niet alleen sex maar in de brede zin opgevat als levenslust: lust die kan genieten en zich verbinden, die naar buiten toe kan open staan en ontvangen, lust om zich te geven, om risico’s te lopen, om zich uit te storten in het leven, erotiek als warmte van het open hart. Dat is de brede erotiek die dooft wanneer schaamte als ondergrondse nevel aanwezig is. Mocht je God kwijt zijn, ga dan eens na hoe het zit met erotiek en met schaamte. Het vuur van Gods onvoorwaardelijke liefde, de oerbron van alle erotiek, kan ons bevrijden van de kille afgoden van onze tijd, die valse idealen, waardoor het leven dat zomaar gegeven wordt, aan ons voorbijgaat.

 

 

 

 

photo:m.vonkeman


Haat

Nadat minne mij verliet

is min wat bleef, minder dan niets.

blind. Alsof

zien niet bestaat.

alleen maar haat.

stalen haat.

 

Haat is een taboe in onze samenleving – en al helemaal in de kerk. We praten er nooit over en liefst deden we alsof het niet bestaat. Geen wonder dat irrationele uitbarstingen van haatgevoelens – dichtbij of ver weg - ons verrassen. Maar wij kennen geen liefde zonder haat. Haat is de keerzijde van de liefde, de averechtse kant. Waar liefde aanvaardt, verwerpt de haat. Liefde wil verbinden, haat wil onderscheiden. Liefde is een oog waar mee je de ander kunt zien. Haat is zo blind dat zij niet eens herinnert dat er ooit iets als zien bestond. Waar liefde ons vult met zachte gevoelens, maakt haat hard als staal. Als haat een taboe is, gaat het onderhuids invloed uitoefenen. En wat begon als liefde kan heel wel uitdraaien op haat.

 

Het positieve van haat is dat het een krachtige energie is. Ik heb mensen ontmoet met zo’n verwoeste jeugd dat hun haat het enige niet aangetaste gevoel was. Haat is een reactie van iemand wiens wezen geweld aan wordt gedaan. Wij willen niet niets zijn. Haat is ons uiterste verweer. De grote leegte die veel mensen ervaren als zij diep van binnen zouden kijken is angstaanjagend: misschien zijn we wel niemand, misschien zijn we inderdaad niks waard. De leegte lijkt op de dood die ons leven uiteindelijk teniet zal doen. Logisch dat terroristen die zichzelf opblazen geheel vervuld met haat moeten zijn, anders lukt het niet om de natuurlijke doodsangst te overwinnen. Maar haat die wij voor onszelf verstopt houden verschijnt in vele vermommingen. Vreemdelingenangst, verstikkende zorg of claimende liefde bijvoorbeeld.

 

Wie kent niet de ervaring dat iemand van wie je het niet verwacht je laat vallen, of onrecht aandoet? Zijn we niet verbaasd over onze eigen heftige emoties? Wat een woede kun je voelen als je partner je diep krenkt, of je ouders of je kinderen je verstoten.. Juist als er diepe liefde is, ligt de haat dichtbij. In de minne lever je je kwetsbaar uit aan de ander. Je geeft als het ware een stukje van je ziel uit handen. Als daar onachtzaam mee wordt omgesprongen, kan de liefde omslaan in haat: een instinctieve manier om je ziel weer heel te krijgen en je eigenwaarde niet te verliezen. Wie wil zich minder dan min voelen?

 

Openlijke haat is vernietigend en een groot gevaar voor onze samenleving; maar verborgen haat is minstens zo verwoestend aanwezig in onze relaties. Het wordt tijd dat wij haat en liefde met elkaar in gesprek brengen. Haat zegt: jij en ik kunnen niet samen bestaan. Zo beschermt het ons tegen zelfverlies. Hier zit iets dat de minne nodig heeft. Zonder jou kan ik niet leven, zegt de liefde en dat is het onvolwassen aspect in ons beminnen.

 

In al onze menselijke liefdes zit een deel projectie: de ander moet iets aanvullen in ons zelf. Of: de ander moet iets toedekken dat wij niet onder ogen willen zien. De ander moet in ieder geval de ondraaglijke eenzaamheid van het jezelf-zijn verlichten. Soms is ons zelfgevoel zo onzeker dat wij geen enkel verschil kunnen verdragen tussen onze geliefde en onszelf, of onze kinderen en ons. Maar niemand kan de grond onder onze voeten zijn. Niemand is altijd aanwezig, niemand is altijd begrijpend, niemand is nooit ziek of zelf behoeftig. Niemand is een verlengstuk van onze behoeften, ook God niet. En alleen God die zich voortdurend onttrekt aan onze greep is werkelijke grond van ons bestaan. Alleen die God kan ons leren onze liefde uit te zuiveren en de haat om te vormen.

 

Dus laten wij onze liefde opvoeden. Ons liefhebben heeft de energie van de haat nodig, de hardheid en scherpte ervan, wil het onderscheid tussen mij en de ander rechtgedaan worden. Laat ons bewust worden van de negatieve gevoelens die er in ons huizen en laten wij hun stem vernemen: ze wijzen ons de weg naar zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid. Zij wijzen erop hoe wij onze zelfwaardering proberen te kopen door ons aan een ander aan te passen met verlies van onszelf. Of door de ander te dwingen zich aan mij aan te passen. Het is mogelijk om de leegte in ons innerlijk met Godsvertrouwen te doorgaan. Misschien ontdekken we dan hoe de leegte tot groeiruimte kan worden.

 

Laten wij het vreemde in onszelf tot vriend maken. Liefde die de energie van de haat in zich heeft opgenomen en omgevormd, is krachtig, helder en doordringend. Als wij vriendschap sluiten met de bron van vijandschap in onszelf, wie weet, lukt het ook in onze samenleving.

 

 

 

 

photo:m.vonkeman

 

Grammatica

o.v.t. of v.v.t.,

dat is een hemelsbreed verschil.


Grammatica ordent de taal. Grammatica bepaalt de betekenis van een zin. Het geeft regels hoe je werkwoorden moet vervoegen en waar de woorden in een zin behoren te staan. Grammatica leert ons dat er verschil is tussen onvoltooid verleden tijd en voltooid verleden. Het geloof is ook een soort grammatica. Het leert ons de dingen van het leven te begrijpen en een plek te geven. En in de geloofsgrammatica is het heel belangrijk of we het verschil kennen tussen de onvoltooide tijd en de voltooide tijd. Onvoltooid hoort bij tijdelijk. Voltooid bij eeuwig. Onvoltooid hoort bij menszijn, voltooid hoort bij God. Onvoltooid is de aarde, voltooid is de hemel.

 

Wij zijn ons levensverhaal niet zelf begonnen (dat deden onze ouders) en we voltooien het ook niet zelf (dat doet God). Alles wat wij over onszelf of over de gebeurtenissen van het bestaan denken hoort bij het onvoltooide. We kennen niet het hele verhaal, al ons weten is voorlopig. Dat is belangrijk om in de gaten te houden als wij een oordeel proberen te vormen over onszelf of een ander. We weten niet alles, het verhaal is nog niet af. Dat besef kan troost geven als je denkt dat alles misgelopen is of dat je leven alleen maar uit falen bestaat. Het maakt ook bescheiden want wie weet denk je er later heel anders over.

 

Voltooid verleden tijd: dat is als de hemel al onze onaffe verhalen voltooit met een happy end: “en ze leefden nog lang en gelukkig”. Dat moet je wel goed verstaan. De hemel is niet een pakketje geluk als beloning voor alle ellende die we doorstaan hebben. Nee, het aardse leven wordt voltooid en dat is iets anders dan de donkere stukjes eruit knippen. Voltooien is vol-maken wat er begonnen is en dan vérder. Tussen nu en later zit niet alleen de breuk van de dood, maar ook iets dat doorgaat. Iets dat met eeuwig te maken heeft en dus met God-in-ons.

 

Daar is nu al iets van te merken, zo af en toe. Want het geloof is niet voor de hemel maar voor de aarde. Daarom zijn er nu al voltooide ogenblikken. Voltooid verleden tijd is wanneer Gods toekomst al even in ons nu terecht komt. Dat zijn momenten waarop je je deel voelt van het grote geheel, waarop je vrij bent en verbonden tegelijk. Momenten waarop je merkt dat oud zeer in het verleden is terechtgekomen en je nu niet meer dwarszit. Momenten waarop er een grote schoonheid over het leven ligt waarin al het donkere óók opgenomen is en daar niet mee in tegenspraak is. Hoe dat kan, dat weet ik niet. Voor het logische verstand is het niet te volgen, maar het hart springt er van op. Het leven is nog precies hetzelfde en toch: een hemelsbreed verschil. Zulke momenten zijn richtingaanwijzers voor het leven.

 

Alles van ons verleden, het goed en het kwaad, het geluk en de pijn, ze gaan mee de hemel in, maar voltooid. Alles wordt rechtgedaan, gezien voor wat het is, een plaats gegeven in het grote geheel van Gods werkelijkheid. De Engelse mystica Julian van Norwich heeft hierover een visioen van God: Ik bezit de macht om alles ten goede te keren zegt God de Vader. Ik kán alles ten goede keren, zegt God de Zoon. Ik wil alles ten goede keren, zegt God de Heilige Geest. Samen zeggen ze: ik zál alles ten goede keren. Zo is de Drie-eenheid voortdurend bezig de schepping te voltooien. Als dat zo is, waarom zouden we niet alvast uit dat perspectief leven?

 

 

 

 

 

 

 

photo:m.vonkeman

 

 

Nu rijst de zee van dankbaarheid

Waarop de wereld vaart.

Tropaeolus steekt haar loftrompet;

Een merel zingt;

Gij zijt bewaard.


Mensen worden weleens vergeleken met golven op een uitgebreide wereldzee. Je bent maar kort hier en dan verdwijn je weer, het leven gaat door, de oceaan maakt weer nieuwe golven. Voor sommigen is dat een troostend beeld: alles gaat toch wel door. Voor anderen is dat juist beangstigend: je bent niet blijvend en uniek, waar ligt dan je waarde?

Het bovenstaande gedicht gebruikt ook het beeld van een wereldzee, maar met een verschil. De wereld, of het leven, is niet zelf de zee, maar váárt op een zee. Onder het wereldgebeuren ligt nog iets anders dat net als de zee een beweging van eb en vloed maakt, van rijzen en dalen in de menselijke ervaring.  Alles beweegt: van sterren tot atomen, van  het plankton in de zee tot mensen op aarde, niets is vastgetimmerd. Er ligt een zee onder die de bron is van alle beweging. Een zee waarop de wereld vaart.

 

En dat roept een tweede betekenis op: van oriëntatie en richting. Waar vaar je op, waar koers je op aan, waar wijst je kompas naar toe? De zee die koers biedt in alle beweging van het leven is een zee die je herkent aan dankbaarheid. Dankbaarheid is de grondtoon, de kleur, het kenmerk. Dankbaarheid heeft met geschenk te maken, met ontvangen. Het leven ontvangen van God, je dag, je uur, je bestaan ervaren als een geschenk, zomaar gegeven, zonder dat je er iets voor hoefde te doen. Mensen verliezen hun koers als ze geen voeling houden met dit grondbesef.

 

In onze huidige samenleving staat doen boven zijn. Als je niet meer kunt zorgen, werken, dingen ondernemen, dan lijkt het leven algauw leeg, een leegte die snel opgevuld moet worden door naar andermans activiteiten op tv te kijken. Dankbaarheid is niet bepaald een kenmerkend gevoel voor de meeste mensen, behalve op uitzonderlijke momenten als ze aan de dood ontsnapt zijn, of hun dochter een gezonde baby krijgt. Dan dringt even het besef door dat het leven niet vanzelfsprekend is, ook al doen wij ons best om dat te vergeten. Geen wonder dat we soms zo richtingloos ronddobberen.

 

Als je met keuzes te maken hebt in je leven, kijk dan eens naar je besef van dankbaarheid. Waardoor wordt dat vergroot? Wat maakt ruimte om je daar bewust van te worden? Welke keuze komt meer overeen met het leven als geschenk? Welke geschenken zie je over het hoofd of durf je niet aan te nemen? In alle beweging van het leven klinkt een loftrompet, oranje toeterend in de bloemen van de Oost-Indische kers, of trillend in de zang van een merel. Soms rijst dat diepe gevoel van dankbaarheid en dan weten we: we verdrinken niet, we verdwalen niet, wij zijn bewaard.

 

m.vonkeman 2003