sporen van God
mystiek
ervaring
sporen deel 1
sporen deel 2
sporen deel 3
notities
marjaatjes
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

 

SPOREN

photo:m.vonkeman

 

Er trekt een spoor

van binnen;

het trekt

als een wond.

Ik ben de weg kwijt.


Misschien begint het met een onrust van binnen. Of met een ingrijpende gebeurtenis in je leven. Maar je merkt dat er iets aan de hand is, alsof je gewond bent geraakt. In het leven met God is dat een belangrijk moment. Je beseft: ik volg geen spoor op weg naar God, maar er wórdt in mij een spoor getrokken. Degene die het spoor trekt, wordt niet gezien. Het spoor zelf lijkt aan het werk. In de menselijke ervaring is het werk dat God doet niet te scheiden van wie God is: het is één en dezelfde beweging. God is niet anders dan wat Hij doet, maar tegelijk blijft het geheim van God voor het menselijk oog verborgen. Alles wat wij van God kunnen merken is hetgeen in het voorbijgaan van God aan ons gebeurt: wij zien het achteraf, als kringen in het water als de steen al gevallen is, als voetstappen van iemand die voorbij is gegaan.

 

Het spoor lijkt zelf ook onderweg te zijn. Dit onderstreept dat onze omgang met God een levenslang proces is. De weg ontwikkelt zich gaandeweg en ligt niet lang van te voren uitgestippeld kant en klaar op ons te wachten. Er is niet een spoor getrokken dat nu gevolgd moet worden, nee, het spoor dat zich dagelijks in ons uitzet, trekt ons stap voor stap het leven door.

 

Het spoor trekt van binnen. Van binnenuit wordt er aan ons getrokken. Dit wijst op een leven dat niet door impulsen van buitenaf wordt geregeerd maar van binnenuit zijn weg vindt. Het gaat om een groeibeginsel dat al potentieel in de mens aanwezig is, niet om een aangeleerd gedrag. De mens is geschapen naar het beeld van Gods Zoon en tót zijn gelijkenis, zeggen de mystieken. De trekkracht van de Geest is voortaan onze diepste motivatie. Zo worden we wie wij in aanleg zijn.

 

Het spoor trekt als een wond. Nu wordt er gespeeld met een derde betekenis van trekken. Een wond trekt als het aan het genezen is. Het spoor dat zich uitzet in de mens en ons voorttrekt, is een wond. Het doet zeer als God zijn weg met ons gaat, eenvoudigweg omdat ons innerlijk te nauw is en bovendien vaak volgepropt met allerlei onzin. Geen wonder dat de aanraking van God aanvoelt als een wond die geslagen wordt. Er komt als het ware een gat in het omhulsel van onze ziel, in het pantser van zelfbescherming waarmee wij ons staande houden in het leven. Maar ik ervaar: het is een wond die trekt. Met andere woorden: het spoor dat in ons wordt uitgezet is een spoor van genezing. Het spoor dat trekt als een wond stuurt het proces waardoor wij heel worden. Toch blijft het ook altijd een wond.

 

Ik ben de weg kwijt. Een gewaagde uitdrukking. Wij hebben toch juist de weg gevonden als wij God vinden? Toch is het niet anders dan een voortzetting van de gedachte in het eerste gedeelte. Niet wij volgen een spoor, maar het spoor trekt óns voort. Niet wij geloven maar God gelooft in ons. Het initiatief ligt niet meer bij ons. Ik ben de weg kwijt zoals ik die zelf in mijn hoofd had. Nu begint de reis écht.

 

 

photo:m.vonkeman

 


Waarmerk (bij Exodus 3)

Dit heeft zich ingebrand:

Zonder jouw naam

Kan ik de mijne niet uitspreken.


Liefdestaal. Het zouden de romantische woorden van een verliefde minnaar kunnen zijn. Ze zijn echter geschreven bij Exodus 3, het verhaal van een Godsontmoeting.

 

Mozes ontmoet God bij de brandende braambos en krijgt daar zijn levensopdracht. Als hij vraagt wie het is die hem op pad stuurt, onthult God zijn naam. Die naam zal het waarmerk zijn waaraan het volk Mozes kan herkennen als door God gezonden. Een waarmerk is het stempel waarmee de echtheid, de authenticiteit van iets wordt bevestigd.

 

Doordat God zijn naam uitspreekt, kan Mozes zijn levensopdracht uitvoeren. Iemands naam kennen betekent in de bijbel dat je het meest wezenlijke van iemand kent. God treedt uit de verborgenheid en maakt zich bekend. Als dat gebeurt, komt er een nieuwe fase in de omgang met God en de mens. Niet alleen verschijnt God als Schepper. Nu zijn het persoonlijke beelden van vriendschap, liefde - en soms ook afwijzing - die de relatie met God gaan tekenen.

 

Het waarmerk zelf 'brandt zich in'. Dit is een verwijzing naar een bekend beeld uit de mystiek: de vurige schroeiwond die God toebrengt aan de mens die hij liefheeft. Johannes van het Kruis, een Spaans dichter en mysticus uit de 16 e eeuw, noemt de aanraking van de Heilige Geest een 'zoetstrelende wonde', die blijft schroeien 'totdat de wonde zo groot is, dat heel de ziel één liefdeswond wordt.' Het is een wond die geneest doordat alle onzuiverheid in de liefde wordt weggebrand.

 

Waaruit bestaat dit merkteken? Het is het onvermogen om de eigen naam uit te spreken als de ander niet zichzelf óók uitspreekt. Deze wezenlijke verbondenheid is het waarmerk dat hier genoemd wordt. Als de ander niet tot zijn of haar recht komt, aan het licht komt, dan kan ik zelf ook niet volledig zijn wie ik ten diepste ben. Deze verwevenheid noemt de bijbel: liefde. De liefde tot zichzelf is niet anders dan de liefde tot de naaste en die is niet anders dan de liefde tot God.

 

Deze liefde leren wij aan God zelf, zoals hij zich heeft laten kennen in de geschiedenis van Israël en in de persoon van Jezus. God zelf vraagt vanaf het begin naar de mens: wie ben je? hoe heet je? kom te voorschijn! Zonder de mens die aan het licht komt, blijft God verborgen.

De tekst laat open of het God is die spreekt, of de mens. Zonder de bijbelse verwijzing zouden de woorden ook over een menselijke liefdesrelatie kunnen gaan. Aan de liefde voor God wordt de liefde voor mensen geleerd en andersom.

 

Ware liefde naar het model van God is herkenbaar aan dit fundamentele uitgangspunt: alleen sámen komen wij tot ons hoogst persoonlijke recht. Niet door mijzelf te ontkennen kan ik werkelijk beminnen. Niet het ontkennen van de ander geeft mij de ruimte om mezelf te zijn. Ik kom pas werkelijk aan het licht in zoverre en in de mate dat ik een ander aan het licht laat komen - en visa versa. In de gewaarmerkte liefde is geen competitie, geen machtsstrijd, geen recht van de sterkste. Zonder jouw naam kan ik de mijne niet uitspreken. God heeft zich uitgesproken. Nu wij nog.

 

 

photo:m.vonkeman

 

Genesis

De tijd heeft zich gekromd:

Weer kom ik

waar ik begon;

verder

ontmengd aan de bron.


Genesis, het eerste boek van de bijbel. Als om te zeggen: daar begint het verhaal van God met mij. Wij beginnen bij onze geboorte. Maar blijkbaar is het niet genoeg om éénmaal geboren te zijn, zoals Jezus uit legt aan Nicodemus (Johannes 3). Er is een tweede geboorte mogelijk en misschien nog wel meerdere. Genesis (dat betekent: wording) vindt plaats waar Gods Geest over de chaos broedt. Schepping vindt plaats 'in den beginne', waar de tijd teruggebogen is, waar de gewone natuurwetten zijn opgeheven en het bestaan een eeuwig karakter heeft. In de menselijke ervaring is dat 'woest en leeg', met 'wateren die onder en boven de aarde zijn', waar geen vaste grond onder je voeten is, een tijd waarin het duister is en het licht nog geschapen moet worden.

 

'Weer kom ik / waar ik begon'. Dit roept de ervaring op van iemand die steeds dezelfde fouten herhaalt en in een cirkelbeweging vastzit, als een muis in een draairad. Zo gaat het ook vaak in het menselijk leven. Steeds weer botsen we tegen dezelfde patronen op, dezelfde onhandigheden, dezelfde angsten. Het lijkt wel of we nooit verder komen en van ouder op kind dezelfde neurosen doorgeven, generaties lang, 'van geslacht op geslacht tot in de vierde generatie'.

 

De 'tijd heeft zich gekromd'  wijst echter niet op een cirkelbeweging, maar op een spiraal: ik kom verder. Het gaat hier juist om het doorbreken van de menselijke vicieuze cirkel. Ik kom terug naar 'in den beginne', ik kom daar waar schepping plaats vindt, daar waar God zijn verhaal met mij is begonnen en nu weer opnieuw begint. Je zou ook kunnen zeggen, we komen terug bij dat moment waarop we voor het eerst ontwaakten aan God. Want waar is het eigenlijk dat 'ik begon'? Dat blijft open. Geboorte en wedergeboorte zijn niet strikt gescheiden, maar vormen blijkbaar één continue proces van schepping.

 

Verder / ontmengd aan de bron

Een dubbelzinnige uitdrukking. Ik kom verder, het gaat dus vooruit, de weg ontwikkelt zich in mij. En tegelijk: ik word verder ontmengd. Ontmenging roept allerlei bijbelse beelden op: van goud dat gelouterd wordt, van koren en kaf, schapen en bokken die gescheiden worden, van graan dat van onkruid wordt ontdaan. Allemaal beelden van Gods oordeel dat ons bevrijdt van onze ballast. Het ontmengingproces duurt een leven lang. Steeds weer, op steeds diepere lagen van de ziel, raken wij van onzuiverheden bevrijd.

 

We worden ontmengd aan de bron. Ook hier een dubbele betekenis. De bron in ons wordt gezuiverd: datgene waaruit we leven, ons hart, de diepe motivaties van ons bestaan, zelfs ons inzicht in wie God is, wordt ontdaan van allerlei beelden en projecties. Aan de bron vindt de uitzuivering plaats. Tegelijkertijd is het de Bron zelf die ons zuivert. Wat is de bron van ons bestaan anders dan God zelf? Aan God leren wij het nieuwe leven. Dat werkelijk nieuwe leven ligt niet in het verlengde van ons natuurlijke bestaan. Schepping vindt altijd plaats 'in den beginne'. Dat is Genesis, een voortdurend proces van wording.

 

 

photo: m.vonkeman


Genade

Als het eb is,

Zien wat de vloed bracht.


Ieder leven kent tijden van eb en vloed. Er zijn tijden van uitbundig naar buiten open staan en tijden waarin je in jezelf keert. Tijden waarin je de levenskracht en de inspiratie voelt stromen en tijden waarin je leeg bent en dor. Ook in het geloofsleven kennen we zulke wisselende tijden. Soms is ons geloof en vertrouwen krachtig en spreken de woorden uit de bijbel ons sterk aan. Soms twijfelen we aan alles en hebben het gevoel dat God verdwenen is of misschien wel nooit bestaan heeft.

 

In de mystiek is eb en vloed een veelgebruikt beeld, net als in- en uitgaan. Het leven met God wordt vergeleken met een grote ademhaling, een beweging van onze geest naar binnen en weer naar buiten. Ze houden elkaar als het goed is in evenwicht.

 

Ruusbroec, een 13 e eeuwse Vlaamse mysticus, vergeleek niet alleen ons geloofsleven, maar God zelf met een zee: ‘God is een vloeiende, ebbende zee, die zonder ophouden in al zijn beminden uitvloeit naar ieders nood en waardigheid’.

 

Blijkbaar is er geen greep te houden op onze beleving van het geloof. Het is niet zo dat we het goed doen als we vol geloofsvertrouwen zijn en slecht als dat niet het geval is. Omdat God werkelijk God is en geen afgod die we naar believen kunnen oproepen, gaat er een eigen werking van zijn aanwezigheid en zijn afwezigheid uit. Juist dat komen en gaan heeft ons wat te zeggen.

De tekst gaat hierop in. Het beeld is dat van een strandjutter die de vloedlijn afspeurt naar schatten uit de zee, een bijzondere schelp, overboord geslagen huisraad of scheepslading. De vloed heeft het als geschenken achtergelaten op het strand. Genade is wat ons zomaar gegeven wordt, zonder dat we het verdiend hebben of zelf gefabriceerd. Genade verbinden we meestal met gelukkige tijden, met genezing na een ziekte, met de geboorte van een kind.

 

Hier wordt genade gevonden in tijden van eb, als de zee van Gods aanwezigheid zich heeft teruggetrokken. Daar zitten twee kanten aan. Eb doet ons de vloed waarderen en het geeft ook eigen geschenken

Je waardeert pas iets als het weg is, zeggen we wel eens. Juist als wegvalt wat vanzelfsprekend leek te zijn, juist dan beseffen we hoezeer een mens fundamenteel afhankelijk is van wat zomaar ons toevalt. En dat is niet erg, dat is niet beschamend, dat is niet anders dan wat we echt zijn. We zijn schepsel, mensen die niet zichzelf hebben voortgebracht maar gegeven zijn aan elkaar en die leven uit wat gegeven wordt. Dat besef zouden we ook in vloedtijden eigenlijk niet moeten verliezen.

 

Maar eb heeft ook eigen geschenken, eigen mogelijkheden. Als strandjutters zouden we daar naar kunnen speuren, in plaats van mopperen op alles wat er is weggevallen. Je weet niet van te voren wat je vinden zult. Maar er is altijd iets.

 

Echt menszijn is eigenlijk één groot ‘dank-je-wel’zijn. Zo beamen we wie wij zijn en wie God is.  Genade: als het eb is, zien wat de vloed bracht.


 

 

photo:m.vonkeman

 

 

Zwanger

Je draagt het hoog.

Weet: de zwaarte van de aarde

Helpt het baren.


Moederschap en geboorte zijn vaakgebruikte beelden als het over het geestelijk leven gaat. Het wonder van nieuw leven vergelijkt zich met het wonderlijke geboorteproces waarin een mens geleidelijk aan mens wordt naar Gods beeld en gelijkenis. Eckhart, een Duitse kerkleraar uit de 13 e eeuw, noemt dit: “Jezus terugbaren in Gods vaderlijk hart”. In zekere zin zijn alle mensen zwanger van Christus. Iedereen is geschapen naar Gods beeld en bestemd om op Christus te lijken. Wij allemaal zijn geroepen en bestemd om werkelijk voluit mens te worden, mens en medemens, partner van God in diens grote scheppingswerk. Niet alleen in Jezus, maar ook in ons wil Gods heerlijkheid zichtbaar worden. Er zijn tijden in ons leven waarin dit zich aandient.

 

Soms ontdek je dat je zwanger bent. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Er is iets in jou dat dringt om naar buiten te komen, iets in je dat zichtbaar wil worden. Dat kan een inspiratie zijn, een verborgen talent, maar ook iets onbekends, zelfs een oud leed, of een schaduwkant van je bestaan. Zolang het onderhuids blijft groeien, kun je er geen kennis mee maken en geen weg in zoeken. Ook met de negatieve kanten van onszelf kunnen wij alleen leren omgaan als we ze eerst aan het licht laten komen. Dan bestaat de mogelijkheid dat ze omgevormd worden tot een kracht ten goede.

 

Het nieuwe leven in Christus is geen jasje dat we aan zouden kunnen trekken. Het gaat om werkelijk nieuw leven dat gebaard wil worden. Maar liever verzetten we ons tegen alles wat ons bekende leven overhoop zou kunnen gooien. En vaak gaat onze omgeving bezorgd kijken als we zwangerschapsverschijnselen gaan vertonen.

 

Je draagt het hoog. Wil een kind geboren worden, dan moet het niet hoog in de buik blijven zitten maar indalen, het geboortekanaal tegemoet. Het hoog dragen wijst erop dat de geboorte nog veraf is. Veel geestelijke groei stokt omdat het innerlijk leven te hoogdravend is geworden en niet verbonden met het leven van alledag. Er is een eerste impuls geweest waardoor men ontwaakt is, maar het nieuwe leven is niet werkelijk geboren. Muurvaste geloofsopvattingen, vrome neigingen of verheven gevoelens hebben de plaats ingenomen van het bloed, zweet en de tranen die bij het aardse leven horen. Men trekt zich terug in een aparte wereld van spirituele activiteiten alsof die van hoger orde zouden zijn dan de notulen of het stofzuigen. Het nieuwe leven in Christus is echter niet iets anders dan het leven van déze wereld maar dan anders. Niet in hoger sferen maar in de weerbarstige werkelijkheid van onze alledaagse relaties liggen de mogelijkheden tot werkelijk nieuw leven.

 

De zwaarte van de aarde / helpt het baren. Het gewicht van het bestaan, de last van het leven, is ons snel te veel. Geen wonder dat we de werkelijkheid veelal vervangen door denkbeelden, fantasieën, dromen, herinneringen. De dagelijkse zorgen en plichten, de moeiten van het leven en het verdriet dat bij menszijn hoort zijn echter geen aanvechtingen die ons van het geloof afhouden. Integendeel, zonder deze aardse wortels wordt heel ons geloofsleven een illusie. Sterker nog, juist door de lasten die je te dragen hebt ook op je te nemen, juist door onder ogen te zien van wat er echt speelt, krijgt het geestelijk leven een kans om geboren te worden.

 

Moeilijke vragen en het geloof sluiten elkaar niet uit maar maken elkaar juist mogelijk. Wie heeft als Jezus de moed het leven in alle licht en donker ook echt te leven en niet te ontlopen? Dat is een mens in wie iets van Gods heerlijkheid zichtbaar wordt, hier en nu.

 

 

 

 

photo:m.vonkeman


Zoektocht

De weg loopt dood,

Jij bent een muur.

Ook adem jij

In en uit.


Je leven lang God zoeken. Niet blijven hangen bij al die geloofsbeelden van God die als ANWB borden de richting aangeven. Blijven zoeken naar de levende Werkelijkheid voorbij alle woorden. En dan, als je naar je gevoel de weg helemaal tot het einde toe hebt gevolgd, op een muur stuiten. De weg loopt dood. Dat is de ervaring die door de eeuwen heen gerapporteerd wordt door mensen die God als grote liefde in hun leven hadden. In alle geschriften van de mystici komt deze klacht voor: God blijft onbereikbaar ver van het hart dat hunkert naar zijn aanwezigheid. Wat is dat voor vreemd spel dat God met zijn schepselen speelt?

 

In de omgang met God komt altijd een moment dat de Geliefde onbereikbaar blijkt te zijn. Een onoverbrugbare kloof scheidt God en mens. Niet zozeer de zonde van de mens is het obstakel, maar het zichzelf zijn van God. Het is niet zo dat er een rechte weg loopt van de mens naar God en als we die maar nauwkeurig volgen, dan komen we vanzelf aan de hemelpoort. Het goddelijke ligt niet in het verlengde van het menselijke. Nee, de weg loopt dood en God zelf is de muur waarop we stuiten.

 

Tot nu toe hebben we namelijk God gezocht aan de hand van onze eigen zoekcriteria. Wij zoeken God met behulp van onze eigen verlangens en verwachtingen, met onze ideeën en beelden die we geleerd hebben uit de bijbel, in de kerk, van anderen. Zelfs als het liefde was die ons dreef, dan nog was deze vermengd met menselijke bijmotieven. Wij zijn het die God zoeken, het is nog altijd onze eigen beweging. Maar onze activiteit heeft zijn einde bereikt. Nu houdt op wat we zelf kunnen (en behoren te) doen. Nu is het wachten op wat ons van de andere kant tegemoet komt: nu moet God zelf de beweging in ons worden. Alleen doordat we stuiten op Gods eigenheid worden wij uit ons eigen middelpunt geslingerd en bevrijd van ons fundamentele egocentrisme. Daar kunnen we zelf niets meer aan bijdragen. We lopen stuk op die muur van Gods eigen wezen. De weg loopt dood. We sterven aan onze beste bedoelingen.

 

En daar zitten we dan, als Jacob voor de Jabbok, als Job op zijn mesthoop, als Elia onder de bremstruik. God is een muur. Ondoordringbaar, onbeweeglijk, hard als steen. Daar zitten we, er valt niets meer te doen. De wanhoop is dichtbij. Maar nu is de tijd voor wachten en vertrouwen.

Dan, naar verloop van tijd, kan het zijn dat we iets anders gaan opmerken. De stilte krijgt een ander geluid. Nog steeds en altijd is er die muur. Maar geleidelijk aan dringt tot ons door: Iemand ademt. In en uit. In de muur is geen poort. Maar wel is er die wonderlijke Adem, naar binnen en naar buiten. En dan kan het zijn die wij ingetrokken raken in die beweging, die goddelijke ademhaling. Naar binnen, dichtbij het hart van God - maar hoe, dat ontsnapt aan ons inzicht -  en naar buiten, de wereld in, op de adem van de Geest. Maar ook dat hebben we zelf niet door. De bron van ons bidden en handelen ligt niet meer in onszelf.

 

Deze verschuiving is de moeilijkste bevrijding van de mens, een waarlijke geboorte. Van nu af aan ligt het initiatief in de omgang met God niet meer bij ons zelf. God blijft een muur. Maar wij leven op de adem van God. Af en toe tenminste..


 

 

photo:m.vonkeman


Niet-weten

Een deur is opengegaan

maar er is geen deur

en geen ruimte daarachter.

Sanctus Sanctus Dominus

klinkt,

ontledigt alles en zichzelf

totdat het alleen maar

is.


We zitten in de kerk, wandelen in de natuur, luisteren naar muziek of kijken in de ogen van een ander en ineens gebeurt er iets. We ontwaken. We wisten niet dat we sliepen, maar nu zijn we wakker. Alsof er een deur is opengegaan in ons innerlijk. We wisten niet eens dat we ons in een kamer bevonden, maar nu zijn we buiten. Als een rups kruipen we uit onze cocon en een frisse wind waait onze haren in de war. Natuurlijk is er geen kamer en geen deur en geen ruimte daarachter, maar daar lijkt het nog het meeste op.

 

Veel mensen herkennen deze ervaring. Meestal is het een snel voorbijschietend moment. Het maakt indruk, maar vreemd genoeg zijn we het ook weer vlug vergeten, alsof het nooit is gebeurd. Het is zo anders, zo níet op het gewone leven lijkend, dat het nergens in past. Toch bieden zulke momenten grote mogelijkheden. We zijn namelijk even niet bevangen door de gewone gedachtestroom die ons immer bezighoudt. Daarom lijkt het alsof we in een ruimte staan. Dat kan als een bedreigende leegte aanvoelen die we zo snel mogelijk weer opgevuld willen hebben.

 

In de mystieke traditie wordt gesproken van een wolk van niet-weten. Daarmee wordt verwezen naar de wolk die Jezus onttrok aan het oog van zijn leerlingen toen hij opsteeg naar de hemel. Het gewone weten houdt op. Onze zintuigen en denkbeelden kunnen de hemel niet bereiken. Maar die wolk van niet-weten is ook een beeld van God zelf zoals Hij verscheen aan Mozes en aan Jezus op de berg. Dat niet-weten is óók het werkelijk raken aan God. Precies daar waar ons weten ophoudt en wij ons openen voor de levende werkelijkheid, raakt God ons. Nu komt het erop aan: is ons verlangen naar God groter dan onze angst om het vertrouwde los te laten?

 

Ergens klinkt er muziek. Als we goed luisteren horen we: Sanctus, Sanctus, Dominus: heilig, heilig, Heer. Want dit is zeker: we staan op heilige grond. Ontzag, misschien zelfs vrees bevangt ons. Als Mozes trekken we onze schoenen uit. Weerloos, op blote voeten, zonder dat we ons op iets kunnen beroepen staan we daar. De muziek klinkt, niet in onze oren maar in onze ziel, daar waar we niet weten maar wel kunnen proeven en verstaan. Daar horen we het grote Sanctus, niet slechts de vorm ervan maar ook de inhoud, wat het betékent. Die betekenis is levendig en werkzaam, het doet iets.

 

Het ontledigt. Het maakt alles, onszelf inbegrepen, leeg van aangekoekte betekenissen, herinneringen en verwachtingen. We worden onbevangen als kinderen. Gods heiligende aanwezigheid maakt zelfs alles leeg wat we ooit over heiligheid of over God en onze relatie met God hebben gehoord en gedacht. Twijfel en zekerheid zijn beide verdwenen. Als alles ontledigd is, blijft over wat is. En wat of Wie is dat anders dan God zelf, alles-in-allen, van eeuwigheid tot eeuwigheid de oorsprong, het doel en de betekenis van het hele universum?


 

 

photo:m.vonkeman


Oneindigheid

Genieten

van jouw genieten

van mijn genieten

van jouw genieten

van mijn genieten

van jouw genieten

ad infinitum.


Wat kunnen mensen aan God geven die alles al heeft? Hoe kan een relatie met God ooit werkelijk wederkerig zijn? Genieten is daartoe het sleutelwoord.

Als ik van iemand geniet, dan verheug ik mij in diens gezelschap. Ik ontvang wat deze persoon aan mij te geven heeft. Ik kan genieten van haar scherpe verstand, of van zijn warme humor, ik kan genieten van de aandacht die aan mij gegeven wordt. Ik geniet van de gever door middel van diens goede gaven. Soms beminnen we zonder dat er goede gaven aan te pas komen. Een grootmoeder die haar kleindochter vol overgave ziet spelen in de zandbank, geniet van het plezier van het kind. Ze geniet van háár genieten. Het kan nog een stap verder. Als de oma een gek verhaaltje voorleest waardoor het kind het uitschatert, ontstaat er een verdubbeling van het genieten. Oma geniet van het feit dat haar kleinkind geniet van wat oma geeft.

 

In de volwassen ontmoeting van twee geliefden komt er nog een dimensie bij. Ik ben mij niet alleen van mijn eigen gevoel bewust, maar ook van dat van de ander. Ik kan ontzettend genieten van het feit dat de ander ervan geniet als ik geniet. Ik zie: mijn blijdschap is de blijdschap van de ander geworden en andersom, er is geen verschil meer. En juist dat besef vormt een nieuwe bron van genieten voor beiden. Dit is het grootste welkom dat mensen elkaar kunnen bereiden. De liefde wordt steeds meer ontdaan van alle belangen, alle nut, alle behoeften, alle gaven. De liefde zelf geniet zichzelf..

 

In het menselijk genieten zit een noodzakelijk tekort ingebouwd. Hoe groot de vereniging ook kan zijn, altijd komt er het moment dat de verschillende behoeften van de partners zich aandienen. Niet alleen blijven de emotionele en lichamelijke verschillen hun eigen aandacht vragen. Ook is ons beminnen niet vrij van beperkingen. Eigenbelang, oude kwetsuren, onbegrepen of onontwikkelde aspecten van onze persoon komen ertussen. En minstens zo vaak ook de doodgewone eisen van het bestaan, met zijn grenzen aan tijd, ruimte, gezondheid en leven. Alleen God kent geen grenzen in zijn liefde. Zijn liefde stroomt onophoudelijk en zonder beperking uit naar zijn schepping. God doet wat Hij is, eindeloos beminnen.

 

In de relatie met God leren wij dan ook de meest volmaakte liefde. Door volop te genieten van de eindeloze liefde, schoonheid en goedheid die God aan ons geeft, geven wij dat alles weer terug. We zijn spiegels geworden die Gods eigen liefde weerkaatsen. We beminnen Hem met zijn eigen liefde. Zo alleen kunnen wij recht doen aan God. Want alleen Zijn liefde is volmaakt en alleen met volmaakte liefde doen wij recht aan God. De ziel geeft God aan God in God, zegt Johannes van het Kruis. Dan en zo alleen is de liefde tussen God en mens wederkerig én volledig gelijkwaardig. Opgenomen in een liefdesbeweging zonder einde genieten wij van elkaars genieten in een oneindige spiraal van vreugde. En zo is alle licht en leven een glimp van eeuwigheid, midden in de tijd.

 

 

 

photo:m.vonkeman

 

 


 

Welbezien

Zwart zwijgt naar binnen;

wit wacht op onderscheid.


Zwart zwijgt naar binnen. In het duister van het leven zit geen verborgen boodschap, geen verpakte zegen. Er zit geen sprankje licht verstopt, geen woord van leven is er in te vinden. Het is alleen maar zwart, donker en geen drager van Gods woord. Zwart is de ontkenning van alles wat licht en leven en geluk is. Zinloosheid bestaat werkelijk, ook in Gods goede schepping. Zwart is een donkere gave.

 

Meestal is onze drang tot leven sterker dan de kracht van leed en onrecht. We splitsen het zwart af, bergen het op in de kelder van ons bewustzijn, en proberen zo goed als het gaat weer verder te gaan. Er zijn talloze manieren waarop we overleven: we redeneren het weg, we buigen mee met de storm, we richten onze aandacht op andere zaken, we worden kwaad op iemand of op God. Gelukkig is er vaak voldoende goedheid, licht, liefde en vriendschap, zorg en werk, waardoor onze levensenergie opgeroepen wordt.

Maar soms werkt dat niet meer. Er zijn mensen die zich niet kunnen afschermen voor het zinloze leed. Het wordt hen persoonlijk aangedaan. Of ze zijn erg gevoelig voor het kwaad in het leven. Het pantser dat mensen beschermt tegen alles wat er aan negativiteit op hen afkomt, is zoekgeraakt. Mensen in crisistijden hebben dat, tieners ook vaak. Het lukt niet om zich met man en macht op wat anders te richten. En dan kan het zijn dat er geen afstand meer is tussen het zwart van het leven en de eigen persoon. Zulke mensen zijn er als het ware in.

 

In het zwart van het leven, binnenin de volstrekte leegte van de zinloosheid klinken eerst schreeuwende stemmen, dreigend gebrul, verdwaasd gekrijs. De gedachtestroom is onbeheersbaar geworden. Emoties gieren in het rond. Een psychiatrisch patiënt noemde het: de geluidsbarrière. Het ingaan van het zwart is als het binnengaan van een wervelwind: de stukken meubilair worden om je oren gesmeten. Zo kan het zijn voor iemand die zich zoekt te verstaan tot de werkelijk zwarte momenten van zijn of haar leven. Geen wonder dat mensen daar soms gek van worden. Als je een gesprek probeert aan te gaan met de vele stemmen die daar klinken, dan is het een warboel, onzin, nutteloos. Er is geen woord van wijsheid te vinden daar in dat diepe zwart.

 

Het is mogelijk om door die geluidsbarrière heen te komen. Niet door te redeneren maar door te vertrouwen. Niet ergens op, want alles is weggevallen. Maar door vertrouwen te zijn, al is het maar een beetje. Je bent vertrouwen wanneer je laat gebeuren wat er gebeurt zonder ervoor weg te lopen of er iets anders van te maken. Met zulk vertrouwen is het mogelijk om de stemmen achter je laten en ze te doorzien tot op hun leegheid, hun betekenisloosheid. En dan wordt het stil. En dan wordt het stil, doodstil, alle geluid is weg, er zijn geen stemmen uit je herinnering meer hoorbaar en ook je eigen gedachten zijn verdwenen. De stilte kan beangstigend zijn alsof je al dood bent, of wel prettig, als een zware verdoving.

 

Maar als je niet wegzinkt maar blijft luisteren naar de stilte, dan kan er uiteindelijk een woord van betekenis, van zin opklinken. Er komt iets in je op of naar je toe waarvan je voelt: dit is wezenlijk, dit is wat waarde heeft. Het is het woord dat we zelf zijn. Gods woord van in den beginne. Het zwart is tot zwijgen gebracht en is alleen maar wat het is. Maar wij, mensen van God, wij zijn drager van betekenis, wij zijn woord van zin. Wij zijn in staat om doodsgebieden door te gaan en leven te brengen: wij zijn het zelf. Zwart dat diep ontvangen wordt in zijn totale zinloosheid kan het menselijk hart verruimen. De tegenstellingen van het leven splitsen ons niet meer op, maar we vouwen ons er als het ware omheen. Het zwart trekt ons niet langer de schaduw in, maar wij wijzen het duister zijn plek in ons eigen hart.

 


En nu is er betekenis te herkennen aan het zwart: niet van binnen, in zichzelf,  maar van buiten, in wat het uitwerkt, in het Woord dat het in ons wakker roept. Het leed wordt er niet minder van, maar het werpt niet langer zijn schaduw op de rest. Integendeel, het zwart maakt ons bewuster dan ooit van het witte geluk dat op talloze manieren aan ons verschijnt en door ons zichtbaar wil worden. Dat is de moeilijke gave van het zinloze zwart.

 

Wit wacht op onderscheid.

Het wit van het leven heeft zijn eigen moeilijkheden en mogelijkheden, als het gaat om de geestelijke weg. Wij houden van geluk, we zouden er elke dag in willen zwemmen als Dagobert Duck in zijn geld. Het lichte geluk dient zich aan in allerlei vormen: een kind, een partner, een vriend of vriendin, een nieuwe baan, huis, auto, een creatieve daad, gezondheid, een indrukwekkend moment in de natuur. Geluk bekleedt zich met talloze vormen en klopt steeds weer op onze deur. De vraag is alleen: wat doen wij ermee? Onze neiging is om het geluk zo snel mogelijk binnen te halen, de deur op slot te draaien en de ramen dicht te spijkeren, zodat het ons nooit meer kan verlaten. Maar de grootste gave van de goede dingen van het leven zal ons ontgaan wanneer wij dat lichte geluk in een gouden kooi proberen te zetten. In het geluk ligt namelijk een werkingskracht te wachten, het wil ons iets doen. Wit verlangt naar veelkleurigheid.

 

Wit wacht op onderscheid. Zoals bekend is wit de verzameling van alle kleuren bij elkaar. Wit dat onderscheiden wordt, wordt veelkleurig. Hiermee wil gezegd worden: de goede dingen van het leven, de zaken die ons gelukkig maken, hebben de mogelijkheid om ons nog veel meer te laten zien dan deze kleur alleen. Want wat is de bron van alle waar geluk, van alle werkelijke goedheid? Is niet God zelf de kern en eigenlijke inhoud van alles wat er aan levensgeluk zichtbaar wordt? Wie zo het geluk - in welke vorm dan ook - kan doorzien tot op zijn bron, proeft iets van het witte licht van God uit wie alle leven voortkomt. De ware betekenis van geluk is God zelf die verrukt is van zijn schepping en zich in alle kleuren van de regenboog aan ons vertoont – indien ons oog dit kan onderscheiden.

 

En dat is belangrijk. Het voorkomt dat wij de gaven verwarren met de Gever en zo de gaven tot afgoden laten verworden. Het doet ons tegelijk iets van de hoge waarde van al deze gaven beseffen: dragers van een goddelijk geheim. De essentie van onze geliefden is niet dat zij ons gelukkig maken, maar dat zij kleurige uitdrukkingen zijn van Gods witte licht. Daarmee roepen zij ons op tot eindeloos respect èn tot ons eigen ‘kleur bekennen’. De unieke vorm waarin het geluk tot ons komt vraagt nog meer toewijding dan we al meenden. Elke gestalte van geluk is onvervangbaar en nooit inwisselbaar voor iets anders.

 

Tegelijk is er een relativering: God is groter dan de unieke vorm waarin wij iets van Hem ervaren. Ook als we onze gezondheid verliezen, of onze geliefden, of wat ons ook gelukkig maakt, daarmee verliezen wij nog niet de bron waar alle geluk aan ontspringt. Voor degenen die onze liefde ontvangen geldt hetzelfde. Ook wij zijn niet de bron van alle geluk. Ook wij zijn maar één van de kleuren waarin het licht van God zich vertoont aan de wereld. Dat maakt ons waardig en bescheiden tegelijk. Een dergelijk besef maakt relaties mogelijk die op de werkelijkheid zijn gebaseerd en zich kunnen verheugen in ontwikkeling en groei van veelkleurigheid.

 

Wit wacht op onderscheid: wit is aldoor maar aan het breken in talloze kleuren. Want God is wat Hij doet: zichzelf breken en delen. Zo is Hij voortdurend bezig onze wereld te scheppen, te onderhouden en te vernieuwen. Wit licht dat breekt openbaart een veelkleurige schepping. En welbezien kan zwart niet anders doen dan dát onderstrepen.

 

 

lees meer sporen op de volgende bladzijde