sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
religieuze dialoog
drie-opvrijdag twee
drie-op-vrijdag-drie
islam
joodse verhalen
boeddhisme
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

Drie-op-vrijdag was een dialoog-column in het dagblad Trouw tussen een jood: Abraham Soetendorp, een moslim: Sajidah Abdus Sattar en een christen: Marianne Vonkeman. De dialoog werd gevoerd in 1994-95, maar heeft nog altijd niets van hun actualiteit verloren. Op de deze en de volgende twee bladzijden staan alle 77 columns.

 

Voor een introductie op het soefisme van  Sajidah Sattar, KLIK HIER voor een interview met haar.

 

Voor introductie op het gedachtegoed van rabbijn Soetendorp, KLIK HIER voor een interview met hem.


Als je onderstaande columns wilt downloaden als pdf, KLIK HIER

of HIER voor het Word document


 

 

SAJIDAH ABDUS SATTAR

AWRAHAM SOETENDORP

MARIANNE VONKEMAN

 

EEN INTERRELIGIEUS DRIEGESPREK

gevoerd in het dagblad Trouw

van 15 april 1994 - 29 september 1995


Sajidah Abdus Sattar

 

 

 

Sinds mijn deelname aan de drie-weg-dialoog “Drie op vrijdag” zijn er zestien jaar verstreken. Slechts een ogenblik in de geschiedenis, maar veel tijd voor persoonlijke evolutie. Mijn diepe betrokkenheid, sinds mijn zestiende jaar, bij de meest spirituele stroming in de islam bracht me inmiddels een aanstelling bij het Nimatullahi Soefi Huis in Leiden. Eerst als coördinator, daarna als hoofd. Er worden meditatieve bijeenkomsten gehouden en er wonen ook enkele derwisjen. Mijn agenda, vroeger gevuld met afspraken voor lezingen en debatten, registreert nu vooral persoonlijke gesprekken. De vroegere stroom van publicaties is nu gereduceerd tot druppels. Wel is mijn vertaling van een boek over soefisme uitgekomen. En verder? Ouderdomklachten dienen zich aan. Maar wie weet wat er in weerwil daarvan nog tot stand kan komen ….

 

Awraham Soetendorp

  

 

Ten tijde van het schrijven van de column rabbijn van de liberaal joodse gemeente in Den Haag, momenteel stichter en director van het Jacob Soetendorp Institute for human values.

 

Marianne Vonkeman

 

 

 

Ten tijde van deze dialoog hervormd predikant in de Ichthuskerk in Vlaardingen. Momenteel predikant van de protestantse gemeente in Santpoort-Velserbroek, wijkgemeente het Kruispunt, en beheerder van deze website.

 

 


1. Sajidah Abdus Sattar

 

Veel goedwillende christenen proberen hun medemens te begrijpen en zich bij voorbeeld te verplaatsen in het geven van moslims hier in Nederland. Dat gebeurt voornamelijk door het zoeken van parallellen: het ene heilige boek en het andere; de ene inspirerende persoon en de andere; de ene 'kerk' en de andere. Merkwaardig eigenlijk, dat het woord voor een gebouw, een kerk, ook als benaming voor een gestructureerde gemeenschap wordt gebruikt. Geeft dat misschien aan dat de betrokken gemeenschap die structuur blijkbaar zo vast en solide, als een bakstenen constructie wil laten zijn? En misschien zegt het ook wel iets over een onomstotelijke kerkelijke autoriteit.

 

Een soortgelijke associatie ontbreekt bij mijn weten in andere godsdiensten. ik heb nog nooit gehoord dat een hindoe met 'mandir' iets anders zou willen aangeven dan een plaats van eredienst, een tempel of een jood met de synagoge iets anders dan een leer en gebedsplaats. Wat de moskee betreft. daarmee wordt door moslims slechts een 'masdjid' bedoeld. een plaats voor de buigingen in het rituele gebed. Hoewel op beide plekken de ene God, Schepper van hemel en aarde, wordt aanbeden, zijn er heel opvallende verschillen tussen een kerk en een moskee. Terwijl een kerk toch vrijwel uitsluitend bedoeld is voor de eredienst, wordt een moskee door moslims ook beschouwd als plaats van onderwijs, discussie en ontmoeting. En dan zijn er nog die culturele verschillen van vorm en etiquette.

 

Een kerk heeft meestal een stenen vloer en staat vol banken of stoelen. Een moskee vertoont een lege ruimte met tapijten op de vloer. Alvorens er naar binnen te gaan, doet men de schoenen uit; niet vanwege die tapijten, maar als teken van eerbied en onthechting. Katholieke kerken staan veelal vol beelden. Een moskee kent geen versiering behalve geometrische patronen en kalligrafieën. Vrouwen bidden in een gedeelte van de moskee dat op een of andere wijze is afgeschermd van de mannenruimte. In een kerk zitten mannen en vrouwen nu bij elkaar, maar vroeger zaten zij wel apart. Ook het gebruik van moslims om zich ritueel te wassen is opvallend.

 

Het jodendom, de oudste tak van deze familie van monotheïstische godsdiensten, kent de rituele wassing voor bepaalde momenten van het leven. De daarvan afgeleide christelijke doop lijkt één maal in het leven voldoende te zijn, hoewel katholieken daarnaast nog wel eens vaker gebruikmaken van wijwater. Daarentegen blijven moslims aan het wassen: een kleine wassing vóór elk ritueel gebed (vijf maal per dag), rituele baden voor speciale gelegenheden en ook tussendoor wordt er veelvuldig gewassen. De participatie van het lichaam in de eredienst bij moslims valt elke buitenstaander direct op. Het vaste rituele gebed gaat gepaard met staan en zitten, buigen en knielen. In een kerk wordt veel gezongen en orgel gespeeld. In een moskee wordt weliswaar met melodieuze stem gereciteerd, maar muziek in de gangbare zin van het woord is er niet te horen.

 

Wat moeten we nu met deze verschillen? Als het zo zou zijn dat diversiteit van gebruiken een onoverkomelijk obstakel is voor wederzijds respect, dan zouden alle pogingen tot begrip vruchteloos blijven. Maar diversiteit is vooral interessant, leerzaam, uitdagend. Als de dialoog stroef verloopt, doet ons dat realiseren hoe gebruik maken van één taal met eenzelfde grammatica en vocabulaire nog geen garantie biedt voor wederzijds begrip. Wat een Aziatische of Afrikaanse moslim associeert met godsdienst en wat een westers christen daarmee verbindt kan sterk verschillen.

Het routinematig functioneren in onze religie betekent vaak dat we onze eigen invulling van begrippen automatisch veronderstellen bij de ander. Zo wordt 'moskee' gezien als een parallel van 'kerk' en de imam als een soort priester of dominee. Dan is het ook logisch om te verwachten dat de religieuze structuur en beleving van moslims heel sterk zouden lijken op die van christenen.  Natuurlijk, als het erop aankomt hebben we als mensen altijd meer met elkaar gemeen dan dat we van elkaar verschillen. Maar tegelijkertijd blijft de eigenheid van de ander, als groep en als individu, een fascinerende uitdaging voor een respectvol avontuur van ontdekking.


2. Marianne Vonkeman

 

Waarmerk (bij Exodus 3)

 

Dit heeft zich ingebrand:

zonder jouw naam

kan ik de mijne niet uitspreken.

 

Ze was heel onrustig. Er was zoveel in beweging in haar leven. Dat schijnt rond je vijfen­dertigste wel vaker te gebeuren. Ze keek me aan en zei: "Zeg me hoe je heet!" Lichtelijk verwonderd over de urgentie in haar stem zei ik: "ik ben Marianne." Weer zei ze: "Zeg me hoe je heet!" We waren al jaren vriendinnen, moest ik haar mijn naam nog vertellen? Maar haar vraag resoneerde in diepe lagen van mijzelf. In die lagen waar een braambos brandt. Waar een man zijn schoenen uittrekt omdat hij op heilige grond staat. Waar hij dringend vraagt: "Zeg mij Je Naam." Met een huivering zei ik: "ik ben Marianne omdat jij ... bent." en ik noemde haar naam. Toen was het goed, het was heel goed. Het maakte een onuitwisbare indruk op me. ik besefte hoezeer ik alleen maar mijzelf kan zijn, als de Ander zichzelf is, niet‑mij. Later schreef ik de woorden die hierboven staan.

 

Aan dit gebeuren moest ik denken bij het lezen van de column van mevrouw Abdus Sattar. Ze signaleert hoe goedwillende christenen moslims proberen te begrijpen door vooral te zoeken naar overeenkomsten. Bijvoorbeeld een moskee is zoiets als een kerk, en dat kunnen we begrijpen. Terecht stelt ze de vraag of wij zo niet het avontuur van een echte ontmoeting mislopen. Dan hanteren we wel dezelfde taal, maar vergeten dat we een verschillende betekenis aan de woorden hechten. En dan verstaan we elkaar niet werkelijk.

 

Deze constatering roept de vraag op of het wel mogelijk is een ander te verstaan zonder het eigen voorgevormde begrippenkader als dwangbuis over de communicatie te leggen. De filosofen en hermeneuten zijn hierover nog niet uitgedebatteerd. Uit de christelijke mystiek heb ik geleerd dat er maar één manier is waarop echte ontmoeting mogelijk wordt, namelijk door excen­trisch te worden (dat lijkt op excentriek, en dat is het ook wel een beetje). Het gaat erom dat wij uit ons eigen middelpunt verplaatst worden. Dat mijn begrippenkader, mijn angsten, behoeften, verwachtingen enzovoorts niet langer als een soort verborgen agenda meegenomen worden in het contact met de buitenwereld. Ze mogen wel meegenomen worden, maar niet verborgen, of albeheersend. De joodse filosoof Buber noemt dit oningevulde ontrnoetingsgebied de 'tussenruimte" tussen het 'ik' en het 'jij' (tussen mijzelf en de ander).

 

Het is een soort ontvankelijke ruimte die openkomt, als ik even niet op mijn hoede ben. Dat zijn die momenten dat ik op een stille ochtend door het bos loop ‑ en ineens lijken de bomen en de vogels voorzien van een nieuwe diepte van betekenis. Of die keer dat de weerloze ogen van een medemens mijn eigen weerloosheid openleggen en er iets in mij zich omkeert. Dan is het dat er grote verhalen, symbolen en mythen gaan meeklinken als mij een wezenlijke vraag wordt gesteld. Dan hoor ik meer dan ik horen kan, zie ik meer dan ik zien kan. Leer mij door jouw ogen te zien, en dan zal ik je verstaan zoals jij jezelf verstaat. De voorwaarde daartoe is dat ik niets van mijzelf te verdedigen heb, en de ander evenmin. Dat ons verlangen naar 'waar zijn' groter is dan de meningen en opvattingen die wij momenteel naar beste inzicht verworven hebben.

 

Alleen zo kan volgens mij een vruchtbaar gesprek gevoerd worden. Dan weet ik niet of ik zal begrijpen waarom moslimvrouwen in een van mannen afgeschermde ruimte bidden. Maar dan zal ik wel verstaan wat het betekent voor Sajidah Abdus Sattar om een moslimvrouw te zijn, die in afgezonderde ruimte bidt. En dan spreek ik mijn eigen naam met nieuwe diepte uit.

 


3. Awraham Soetendorp

 

Als ik ik ben omdat jij jij bent en jij jij bent omdat ik ik ben, dan ben ik niet werkelijk ik en jij niet werkelijk jij. Maar als jij jij bent omdat jij jij bent en ik ik ben omdat ik ik ben, dan ben ik werkelijk ik en jij werkelijk jij.

Een eenvoudige chassidische uitspraak die de basis vormt van een volwassen relatie waarin immers de versterking van de eigen identiteit de ontmoeting met de ander waarachtig maakt. Om het met andere woorden te zeggen: er zijn drie wijzen van in relatie treden waarvan slechts de derde volwaardig is. In de eerste maakt de een de ander ondergeschikt aan zichzelf, overmeestert volledig de ander. in de tweede maakt de een zichzelf onderschikt aan de ander, wordt als het ware zijn slaaf. In de derde treedt de een de ander tegemoet en aanvaardt het volledig anders zijn van de ander.  In de visie van Emmanuel Levinas, die verder gaat dan Martin Buber, moet de mens het gelaat van de ander op zich laten afkomen. Het is de hoogste tijd dat wij, afkomstig uit verschillende spirituele tradities en zeker vanuit de drie monotheïstische religies, een volwassen relatie met elkaar aangaan, het aanvaarden van het anders zijn van de ander. En deze zal bevorderd worder door het instellen van een moratorium, een althans tijdelijke opschorting van actieve zending.

 

Laten mijn gesprekspartners mij niet misverstaan. Het blijft natuurlijk het onvervreemdbare recht van een ieder om te kiezen voor een overgang, een bekering tot een andere religie. Maar in principe dienen wij uit te gaan van de overtuiging dat wij niet alle waarheid in pacht hebben, dat we allen gaan naar de berg van God, maar ieder met zijn eigen gedachten, dat de ziel van de ander niet gered behoeft te worden, dat de rechtvaardigen van de andere volkeren op precies de. zelfde plaats voor God staan als de rechtvaardigen van het eigen volk. De van geheime agenda's ontdane kamer wordt zo een zindelijke dialoogruimte waarin ook plaats is voor ongedwongenheid van humor.  Tijdens een studiedag over racisme in het Haagse stadhuis, enige jaren geleden, zei een hindoe‑deelnemer: "De bijbel zegt: 'God heeft de wereld in zes dagen geschapen.'Als ik naar de chaos in de wereld om me heen kijk, denk ik: God, had je niet er wat langer over kunnen doen . Je hebt heel veel werk niet afgemaakt." Een deel van de christelijke deelnemers verliet beledigd de zaal. Welk gebrek aan humor.

Een van de hoogtepunten van het synagogale jaar is de Simchat Tora‑viering ‑ Vreugde der Wetfeest ‑ waarop wij uitbundig dansen met de torarollen in opperste verrukking om het feit dat we de tora weer hebben mogen afsluiten en weer mogen beginnen en dat voor het drieduizendste jaar. Wanneer ik daaraan toevoeg dat het nog wel heel lang zal duren voordat men in de kerk achter de Statenbijbel zal dansen, geef ik geen waarde‑oordeel over de altijd wat statige kerkdienst maar benadruk ik slechts de verschillen in stijl van onze verschillende tradities. En dat is verrijkend. En het streven naar een volwassen relatie tussen de godsdiensten is geen luxe.  In het hart van Sarajevo staan zusterlijk bij elkaar een warme majestueuze moskee' nu in steigers, een gastvrije kerk en een trotse synagoge, nu een museum, herinnerend aan eeuwenoude nabuurschap. De geraamtes van de eens zo tolerante, nu vermoorde stad zijn een waarschuwing ook aan ons die ons veilig wanen. Het kan ook bij ons verkeren. Het gevaar van extremisme, rassenhaat bedreigt ook onze steden en daarin onze gebedsruimten.

 

Er is één verhaal dat ik een leven lang met mij meedraag op elke reis. Laatst vertelde ik het in een stadion in New Delhi. Mijn moeke, mijn pleegmoeder, die mij als baby redde in de oorlog, was Duits van geboorte en vroom katholiek. En daarmee alleen al breek ik de stereotypen af. Enkele dagen geleden ontmoette ik mevrouw Klumper, 95 jaar pud, die al meer dan 70 jaar woont in hetzelfde huis in Amsterdam. In de oorlog redde zij 60 joodse kinderen "omdat je toch niet zomaar kon toekijken. Soms voelde ik me zo machteloos. Dan ging ik mee met de trein in mijn verpleegstersuniform. Gewoon afscheid nemen, meer kon ik niet. En ze zeiden dat het troost gaf." Hun voorbeeld geeft licht. Er is Godzijdank nog hoop wanneer we elkaar recht in de ogen durven te kijken.


4. Sajidah Abdus Sattar

 

Soms lijkt het alsof godsdienst zich voornamelijk bezig houdt met sombere zaken: de vergankelijkheid van het aardse bestaan, de menselijke onvolmaaktheid, disciplinaire regels en beloften voor een nog zo ver weg liggende toekomst. Maar godsdienst is er ook om te vieren. Joden dansen met Simchat Tora en christenen verheugen zich met Kerstmis en Pasen. Het feest dat voor moslims het meeste telt is 'ied‑ul-adha', de herdenking van het offer van Abraham, dat dit jaar midden mei wordt verwacht. 's Morgens wordt er een speciale gebedsdienst gehouden. Daarna wordt door draagkrachtige families een schaap of ander dier ritueel geslacht (in Nederland volgens afspraak op het abattoir) en wordt het vlees daarvan met behoeftigen en anderen gedeeld. Mensen gaan bij elkaar op bezoek of sturen kinderen rond om aan buren en verwanten vleesgerechten aan te bieden. Er heerst een algemene stemming van vreugde en verzoening. In bijbel en 'koran wordt het verhaal verteld van onze gemeenschappelijke (geestelijke) aartsvader, die zo ver ging in zijn toewijding aan God dat hij bereid was zijn zoon te offeren. Maar juist op tijd werd het hem duidelijk gemaakt dat zijn intentie al voldoende was en een ram acceptabel werd bevonden als offergave. Abraham en zijn zoon werden beproefd, zodat zij zichzelf zouden leren kennen en bevestigd zouden worden in hun vertrouwen op God.

 

In de islam wordt deze bijzondere en dramatische toenadering tussen God en mens verbonden aan de toenadering van mensen onderling. Op spectaculaire wijze is dat te zien bij de hadj, de bedevaart naar Mekka, die direct aan het offerfeest vooraf gaat. Tijdens de hadj volvoeren gigantische drommen moslims ‑ mannen en vrouwen door elkaar ‑ de zevenvoudige ommegang rond de Ka'aba. Dit lege, kubus‑vormige gebouwtje wordt geassocieerd met de namen van grootheden als Adam, Abraham, Ismael en Mohammad en symboliseert de aanwezigheid onder de mensen van de ene, onzichtbare God. De pelgrims die dit 'huis van God' bezoeken, bevinden zich in een bijzondere rituele staat waarin elke vorm van geweld, seksuele omgang en zelfs het knippen van haren of nagels zijn verboden. Bovendien geldt voor de pelgrims een strikte kledingcode: vrouwen kleden zich sober in het wit en mannen in slechts twee ongenaaide witte doeken die respectievelijk het onderlichaam en het bovenlichaam omhullen. Het zijn dezelfde twee doeken die ook gebruikt worden om een overledene in te wikkelen; doeken die lijken op de windselen van een pasgeborene.

 

Wie zich voor de almachtige, zorgzame Heer presenteert, hult zich in de symbolen van onthechting en overgave. Daarin zijn alle pelgrims ook uiterlijk gelijk. Maar de gelijkschakeling van rangen en standen verandert niets aan de individualiteit van elke mens. Ieders gezicht is immers anders en dat is wel zichtbaar. Zelfs in die kringen waarin het nog gebruikelijk is dat vrouwen hun gezicht bedekken, is dat gedurende de hadj nadrukkelijk verboden. De voorschriften die de hadj en andere aspecten van het leven van moslims regelen, zijn niet bedoeld om persoonlijke vrijheid en eigen initiatief te onderdrukken, maar om een kader te vormen waarbinnen er voor een ieder menselijke gelijkwaardigheid en eerlijke kansen op zelfontplooiing ontstaan.

 

Maar onderling gelijkwaardig zijn, wil nog niet zeggen 'identiek zijn'. Dat geldt voor mensen en ook voor de verschillende godsdienstige wegen die zij kunnen volgen. Zoals ieder mens als individu op wonderbaarlijke wijze uniek is, zijn ook godsdiensten uniek in hun eigen bijzonderheid. Wel onderstrepen alle godsdiensten het unieke van mensen. Zonder individuen en dus ook persoonlijke beslissingen zou er geen morele verantwoordelijkheid denkbaar zijn. Zonder persoonlijke verantwoordelijkheid waarop mensen kunnen worden aangesproken, zouden wetten en regels zinloos zijn. Zonder regels zouden alleen de sterksten aan hun trekken komen en zou er geen redelijke mate van vrijheid zijn voor iedereen. En zonder vrijheid waren er ook in Nederland nu geen dansende joden, zelfs geen zingende christenen en al helemaal geen feestvierende moslims.


5. Marianne Vonkeman

 

Hemelvaart. Jezus ging weg zodat hij beter bij ons kon zijn. Raadselachtig. Net zo raadselachtig als een lege kubus die in Mekka de aanwezigheid van God beduidt. Of de in het jodendom voorkomende gedachte dat God aanwezig is als de zich teruggetrokken-hebbende. Of de uitspraak van de christenmystica Hadewijch dat het genieten van God samenvalt met het ontbreken van God.

 

Ik vierde gisteren het hemelvaartsfeest op een conferen­tie van de charismatische beweging. Daar zingen, dansen en bidden we vrolijk en uitbundig met elkaar, omdat de ten hemelgevaren Jezus Christus levend aanwezig is waar mensen zich door de Geest van God aan elkaar verbinden. De charismatische- en pinksterbewegingen vertegenwoordi­gen inmiddels één van de grotere en snelstgroeiende stromingen binnen het christendom. De traditionele dogma's van het geloof worden herontdekt en beleefd als levende waarheden. Maar het vurige geloof gaat vaak hand-in-hand met de overtuiging dat de eigen waarheid de enige is. De "dialoog" met andere godsdiensten is zending en getuigenis, geen gesprek. Geloofsijver en fundamentalisme lijken wel onlosmakelijk met elkaar verbonden, in welke religie dan ook.

 

Op deze pagina willen een moslim, een jood en een christen met elkaar het gesprek aangaan. We hebben in de eerste schrijfronde zo'n beetje de dialoogruimte ver­kend. Het unieke van ieders godsdienst wordt in principe positief gewaardeerd, en we gaan ervan uit dat we 'allen gaan naar de berg van God, maar ieder met zijn eigen gedachten', zoals Soetendorp het zo mooi formuleerde. De vraag is nu: hebben we nog wat om over te praten onder­weg?

 

Het is natuurlijk heel aardig om van elkaar te horen over de verschillende feesten en rituelen, en de symbo­liek in de gebruiken. Het is ook noodzakelijk om ver­keerde beeldvorming te corrigeren, dat ruimt de hinder­nissen tot verstaan uit de weg. We zullen dat soort informatie altijd nodig hebben. Maar het probleem van werkelijke communicatie ligt volgens mij veel dieper. Het gaat om het hele proces van beeldvorming. Waarom vormen we eigenlijk een beeld van iemand anders?

 

Het gaat bij mij kriebelen als ik bij Soetendorp lees dat een volwassen relatie bestaat uit het aanvaarden van het anders-zijn van de ander. Anders dan wat? Anders dan wie?

Dit is nu net de pointe van Buber,  en trouwens ook van Levinas (zover ik hem kan volgen). Het gaat niet om het ANDERS-ZIJN van de ander, maar het ANDER ZIJN, namelijk NIET IK. Een echte ontmoeting is daar waar we de ander niet meer zien als hetzelfde of anders dan wijzelf. Want dan blijven we zelf de maatstaf waaraan de ander wordt gekend en beleefd. Ten diepste blijven we in ons eigen middelpunt zitten.

 

Waarom hemelvaart? Waarom een lege kubus? Waarom een onuitsprekelijke Naam? Waarom spreken godsdiensten van offers, van tijden van onthouding, van loslaten, van sterven aan jezelf? Waarom is dit zo belangrijk? Ontzeg­gen we ons alleen iets zodat we er later met meer smaak van kunnen genieten? Of ligt er nog iets diepers achter?

Heeft het niet te maken met vrijheid? Met bevrijding van de altijd presente en dwingende roep van onze noden en behoeften? Bevrijding opdat er iets anders in ons kan ontwaken, namelijk een verlangen, een drijvende kracht, die niet gebaseerd is op iets dat we missen. En die dynamiek is het waardoor wij ons kunnen verenigen met dat/diegenen die niet wijzelf zijn. Dan kennen wij de ander niet meer als gelijk aan ons of verschillend aan ons. Als we verlangen elkaar te ontmoeten niet omdat ons iets ontbreekt, maar om de ander zelf, zullen wij dan niet eindelijk elkaar werkelijk vinden?

 

De vreugde in God staat niet los van onthechting, ascese, loslaten. Integendeel zelfs, vertellen ons de pelgrims en de asceten. Het heeft te maken met het vermogen om één te worden met God op zo'n manier dat ons mens-zijn niet oplost maar juist tot ontplooiing komt, en God niet ingelijfd wordt in onze behoeften en projec­ties. Is dit niet het patroon waar onze menselijke liefde op aangelegd is?

 

In de omgang met God is het duidelijk dat wij ons proberen te verhouden tot Iemand die geheel buiten onze eigen menselijke maat valt. Nemen we toch die menselijke maat mee, dan is het niet God, maar een beeld van God waartoe wij ons verhouden. En dan wordt 'God' weer al te gauw voor ons eigen karretje gespannen. Hetzelfde gebeurt met onze menselijke relaties. Als we niet komen tot een veel grotere openheid en onbevangenheid, dan blijven we gevangen zitten in de eenheid die geen verscheidenheid verdraagt, of een verscheidenheid die alle gevoel voor eenheid verloren is.

 

In een gesprek tussen de godsdiensten is dit waar het volgens mij om draait. Ik ben niet zo geïnteresseerd in de verschillen of overeenkomsten tussen islam, jodendom en christendom (als je al over zoiets kunt spreken, aangezien de veelkleurigheid ook binnen de eigen gods­dienst groot is). Maar wel interesseer ik mij mateloos voor de glimpsen van de Ene die mijn gesprekspartners bespeuren in en door hun geloof, en in de betekenis die zij daaraan ontlenen voor het leven van alledag.

 


6. Awraham Soetendorp

 

Aan het begin van deze week vierden wij Sjawoeot, het wekenfeest waarop de Thora werd gegeven. Er zijn twee tegengestelde midrasjiem die de achtergrond aangeven van de Matan Thora.  Het geven van de Thora aan dit volk Israël. in de eerste biedt God de tien uitspraken aan het ene volk na het andere. Allen weigeren, met verschillende motivatie: "Wij moeten wel moorden", "Wij kunnen niet in leven blijven zonder te stelen", "Wij zijn gehecht aan afgoden". Totdat het joodse volk zonder aarzeling zegt: "Naase venisjma", wij zullen doen en wij zullen gehoorzamen.

 

Het is de keuze van het joodse volk en deze moet elke keer opnieuw bevestigd worden. Het is belangrijk op te merken dat het bij Naase venisjma, doen en gehoorzamen, handelen en leren, over de achtergronden van het handelen, niet gaat om een chronologische volgorde. Dus niet eerst doen en dan denken, maar er is sprake van een gelijktijdigheid, al doende leren, al lerend doen.

 

In het jodendom wordt wel de daad, het hier en nu, de Tachlit, de concrete handeling benadrukt. En het moet mij van het hart dat soms bij het lezen van theologische verhandelingen ik mij ongeduldig afvraag 'Come to the point', wat moet er nu gedaan worden , waar blijft de Tacheles, het concrete, en is het niet een van de taken van het joodse volk door de geschiedenis heen de redetwistende in diepe meditatie of analyse verzonken mensheid wakker te schudden tot het handelen? Als het niet nu is, wanneer dan wel? Het is niet aan de overkant van de zee of in de hemel maar in je mond, in je hart, Laasoto, zoals mijn goede vader vertaalde: 'het is te doen'.

 

Deze week grijpt het me weer hevig aan bij het aanschouwen dag in dag uit van de verscheurende beelden uit Rwanda. Toen het vliegtuig neergeschoten werd en de twee presidenten omkwamen wisten toch velen tot welke miserabele uitingen van haat deze moord zou leiden. In de afgelopen decennia hebben Hutu's en Tutsi's vaak elkaar naar het leven gestaan, maar we deden weinig en te laat. Waar bleef de luchtbrug van militairen, om de be­dreigden te beschermen. We overwogen, onderhandelden en doen dat nog steeds. Het minste dat we nu kunnen doen is massale humanitaire hulp verlenen en geld en goederen, om de oproep van Pronk, die gelukkig is waar we allen moeten zijn, tegemoet te treden, snel en ruimhartig.

 

Zou deze lamlendigheid, het uitstellen van de totale daad, toch ook te maken hebben met het cultuurpessimisme dat soms ondanks zichzelf in de hand gewerkt is door interpretaties vanuit het christendom? Een zware, te zware beschuldiging? Ongenuanceerd? Zeker.

 

Maar als ik in deze krant lees dat geestelijken worden opgeroepen niet op het wereldnieuws te reageren, als ik ook bij Kuitert lees dat het gaat om de Overkant die wij als mensen toch niet kunnen bereiken, dan wordt 't me bang te moede. De anderhalf miljard christenen, de miljard moslims, de miljard hindoes en boeddhisten kunnen van de ene dag op de ander de wereld veranderen in een paradijs. Met joden en andere kleinere en grotere spirituele tradities tesamen.

Wanneer wij maar in een poëtisch beeld van Vonkeman-Vonkeman  'De glimpsen van de Ene' de ander bespeuren, zonder verschillen te verdoezelen en in hemelsnaam zonder superioriteitsgevoelens.

 

Vandaar het belang van de andere midrasj. God wilde de Thora, "de aanwijzing ten leve", geven, maar geen volk wilde deze aanwijzing aanvaarden. Ook het joodse volk niet. God was wanhopig. Immers, de Thora kon niet aan de perfecte engelen gegeven worden, maar slechts aan mensen die fout op fout maken, maar van de fouten weer terug kunnen komen. Hij liet het joodse volk tot onder de berg Sinaï komen, tilde de berg toen op en hief deze boven het volk. "Als jullie de Thora aanvaarden blijven jullie leven, als jullie weigeren laat ik deze berg op jullie te pletter vallen en is dit jullie graf. " Sinds de Sinaï: kiezen en geen keuze hebben, op weg naar de messiaanse tijd en die komt spoedig. Als het niet morgen is dan toch zeker overmorgen.

 


7. Sajidah Abdus Sattar

 

Telkens opnieuw blijkt dat mensen met verschillende religieuze achtergronden begrippen anders aanvoelen. Voor westerse christenen blijft, zoals ik proef uit het stuk van Marianne Vonkeman, godsdienst toch vooral een innerlijke en persoonlijke zaak. Voor praktiserende moslims omvat het nadrukkelijk ook het gemeenschappelijke en het alledaagse. Weliswaar koesteren zij niet dezelfde concrete verwachting van een Messias als Awraham Soetendorp, maar zijn verlangen naar vrede en sociale rechtvaardigheid is voor iedereen heel herkenbaar. Veel Nederlanders zullen een dergelijke hoop echter niet langer koppelen aan een religieuze visie. Godsdiensten worden vaak juist geassocieerd met conflicten en geweld. Het is hoog tijd dat wij als in God gelovende mensen daar antwoorden op geven.

 

Maar, hoe urgent het ook is, deze eendrachtige inspanning voor vrede stuit op een probleem. Filosoferen over godsdienst en vrede gaat een stuk gemakkelijker als je je veilig voelt en weet waar je volgende maaltijd te halen is. Voor wie leeft met bedreiging, verdachtmaking en spot kan dat een al te grote luxe zijn. Overal ter wereld ‑ ook in Nederland ervaren minderheden de druk van een dominante samenleving. Er bestaat nog steeds zo iets als een maatschappelijke scheidslijn. Wie zich zwak en afhankelijk weet, heeft onbegrip en verbale agressie maar te slikken. Blijkbaar is alleen die opvatting acceptabel, die van de heersende cultuur afkomstig is. Als je het daar niet mee eens bent en je stem er tegen verheft, kan je dat maatschappelijk de kop kosten. Toch is dat soms noodzakelijk om te voorkomen dat een groeiend vijandsbeeld nog monsterlijker proporties aanneemt.

 

Een treffend voorbeeld is de recente spraakverwarring rond de term djihad. Dit woord is gebaseerd op het Arabische stamwoord djahada, dat betekent: je inspannen, je ergens voor inzetten. De profeet Mohammad heeft de religieuze betekenis ervan verklaard door te spreken over de grote en de kleine djihad. Deze laatste, de minder belangrijke, is het verdedigen van de gemeenschap tegen gevaren van buitenaf. De grote en belangrijkste djihad is ieders inspanning om het eigen ego te beheersen en de ziel gericht te houden op God. Dat gewapende verdediging soms nodig is terwille van de fysieke veiligheid van een groep is evident. Zonder leven is er immers geen spiritualiteit. Maar de grote djihad is minstens even noodzakelijk, want zonder spiritualiteit is er in zekere zin geen leven.

 

De glimpen van de Allerhoogste die wij als mensen soms mogen opvangen zijn zeldzame kostbaarheden die men niet zonder meer kan onthullen. Edelstenen worden niet op de markt tussen de vis en de lompen te koop aangeboden. Zoals alle grote spirituele tradities bevestigen, hebben dergelijke subtiele ervaringen bescherming nodig, zodat ze kunnen groeien en vrucht kunnen dragen. De grote djihad speelt zich af in de intimiteit van het innerlijk, maar met een concreet effect op het maatschappelijk gedrag. Religieuze gebruiken die niet voortdurend van binnenuit worden bezield, verstarren en raken gecorrumpeerd. Bezieling zonder contact met het alledaagse blijft wereldvreemd. Willen we chaos en geweld een halt toe roepen, dan moeten we waar maken wat we als godsdienstige groeperingen zelf als ideaal hebben gekozen. Het overtuigen van onszelf en anderen om die ene stap te zetten van de kleine naar de grote djihad vraagt een spiritueel soort wijsheid. Wat we nodig hebben is religieuze 'geestigheid' voor alledag.

 

 


8. Marianne Vonkeman 

 

Er zijn twee zusters. Ze leven in alle tijden, alle godsdiensten en in ons innerlijk op gespannen voet met elkaar. In het christendom heten ze: Martha en Maria. Martha is praktisch en zorgend, ze let erop dat iedereen te eten heeft en maakt het mogelijk dat mensen een plaats in haar huis kunnen vinden. Maria is degene die ervoor gaat zitten om te horen wat de gasten te zeggen hebben, ze neemt de tijd om de ander te ontmoeten, om te leren en te ontvangen.

 

Als de ziel van de mens verenigd is met God dan "werken Martha en Maria altijd samen" zegt Theresa van Avila, een christelijke mystica uit de 16e eeuw. Het is een grote vergissing om de Martha-weg naar buiten te scheiden van de Maria-weg naar binnen. Om de concrete zorg voor de naaste tegenover het verstaan van de eigen subjectieve ervaring te plaatsen. Het doorzien van de dynamieken die werkzaam zijn in politiek en maatschappij is niet iets geheel anders dan het doorzien van de dynamie­ken van het menselijk hart. De godsdiensten leren ons dat zelfkennis en Godskennis nauw verbonden zijn. Willen we ons handelen voegen in Gods handelen met de wereld, dan is het noodzakelijk een scherp oog te hebben op de eigen achterlig­gende motieven en drijfveren.

 

De noodzaak daartoe is deze eeuw duidelij­ker dan ooit geworden. Om te handelen heb je macht nodig. En macht corrumpeert. Zestien eeuwen van politieke macht heeft het christendom duidelijk gemaakt dat ondubbelzin­nig goede politieke daden (bijna?) niet bestaan. In de praktijk blijken goed en kwaad hardnekkig aan elkaar verbonden. Dat is geen cultuurpes­simisme, maar een sobere constatering. En dat is één van de redenen waarom de binnenkant van het geloof momenteel weer in de aandacht staat. "Het is het enige en het enige, ik zie geen andere weg, dat ieder van ons inkeert in zichzelf en vernietigt al datgene, waarvoor hij meent anderen te moeten vernietigen." (Etty Hillesum)

 

Het gevaar dat het christendom zich op een eigen eiland­je terugtrekt en irrelevant wordt voor het wereldtoneel is zeker aanwezig. Maar ik zie ook een andere mogelijk­heid.

We zouden van het jodendom kunnen leren dat godsdiensti­ge interpretaties elkaar niet behoeven af te wisselen zoals in het christendom meestal het geval is. Als Martha en Maria, als elkaar tegenspre­kende midras­jiem, zijn ze allemaal samen nodig. Alleen de concrete situa­tie zal kunnen aanwijzen welke nadruk hier en nu gelegd moet worden om zoveel mogelijk recht te doen. Maar willen beleidsmakers die aanwijzingen kunnen verstaan, dan is ook het verstaan van het eigen innerlijk nodig.

 

De 'weg naar binnen gaan' is geen navelstaren waaruit we wakker geschud zouden moeten worden. Het is ook geen vrijblijvend en comfortabel filosofe­ren over gods­dienst en vrede. Het is met vallen en opstaan en met elkaar de werking van de Allerhoogste leren te verstaan, de Geest van God die onophoudelijk werkt in het menselijk hart zoals in de wereld.

Sajidah Abdus Sattar meent dat de kostbare momenten waarop we iets van God bespeuren als edelstenen zijn die niet op de markt tussen de vis en de lompen aangeboden moeten worden.

Bij mij ligt het anders. Ik heb wat met vis en lompen. Juist daar zie ik weleens edelstenen glinsteren. Of het nou de parelmoeren glans van zo'n glazig vissenoog is...?


9. Awraham Soetendorp

 

Ik heb mijn stem uitgebracht voor de verkiezing van het Europees Parlement zonder veel hartstocht. Er heerste een druilerige stemming in het nog vrijwel lege stemlokaal. Er is sprake van een treurige paradox. Als het nu niet het moment is voor het uiten van verantwoordelijkheid van burgers voor burgers in Europa, wanneer dan wel?

 

De burgeroorlog in Joegoslavië woekert nog steeds voort, de milieuproblemen kunnen alleen gezamenlijk voorbij de grenzen worden aangepakt, een barmhartig asielbeleid kan slechts in intensief gezamenlijk overleg gefundeerd worden en vanuit een verantwoordelijk Europa kunnen wij pas een wezenlijke bijdrage leveren aan de tikoen olam, de verbetering van de hele samenleving.

 

Waarom wordt dan het hart niet geraakt? is de verkiezingscampagne aan mij voorbij getrokken als een routineus gebeuren? Is er geen vonk overgesprongen? Beter dan vermoeide politici de schuld te geven van de apathie is het mijn hand in eigen boezem te steken. Wat heb ik zelf gedaan om mijn burgerlijke verantwoordelijkheid te tonen? Ik ben diep bezorgd over de opkomst van extreem‑nationalisme in eigen land en over de grenzen. Ik heb de waarschuwing van de premier van Bosnië niet naast me neergelegd, dat het monster van racisme en vreemdelingenhaat die aan de basis heeft gestaan van de instorting van de tolerante samenleving van Sarajevo, ook de poorten van de Europese welvaartsstaat gevaarlijk is genaderd. Maar tot een Europese bundeling van krachten heb ik geen afdoende bijdrage kunnen leveren.

 

En wat hebben wij als religies gedaan? Eens, in het nog zeer recente verleden, werd er gepassioneerd gediscussieerd en vergaderd over het conciliaire proces. Het bleef een in hoofdzaak christelijke bezigheid, waar jodendom en islam nauwelijks bij betrokken waren. Een pijnlijk gemis. Maar in ieder geval werd een begin gemaakt met het omvertrekken van de weerbarstige muren die om het fort Europa werden opgetrokken. Het conciliaire proces heeft zijn elan allang verloren. Wat overgebleven lijkt, zijn verdienstelijke bezigheden aan de basis zonder internationale verbindingen.

 

Of om een ander voorbeeld te noemen: tijdens de Golfoorlog kwam er een zeer bemoedigende ontmoeting tot stand tussen joden en moslims. De door mij zeer betreurde Ien Dales heeft het initiatief tot dit treffen genomen. Waarom hebben wij dit contact dat er toe diende om elkaar te ondersteunen in het terugdringen van stereotiepen, die in toenemende mate de kwade kop opsteken, niet verbreid tot een Europese ontmoeting?

Laat ik deze negatieve bespiegelingen over het falen in het verleden omdraaien naar de toekomst toe. Het is aan ons om in deze periode van een nieuw Europees Parlement te werken aan een actief gezamenlijk programma van ontmoetingen in Europees verband tussen joden, christenen en moslims met nadruk op het onderwijs.

 

Een persoonlijk voorbeeld om de noodzaak aan te duiden. Hoewel ik kennis genomen heb van de koran en ook enige commentaren ken, was ik tot kort geleden onbekend met het feit dat het begrip van de grote djihad samenvalt met het joodse begrip jetser tov. Het gaat bij beide om de innerlijke strijd van de mens om het goede boven het kwade, het creatieve boven het destructieve te laten prevaleren. Het heeft niets te maken met een zogenaamde vernietigingsdrang om anderen te overmeesteren. Een ander voorbeeld: tijdens een van de bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap en de moslim gemeenschap in ons land, tijdens de Golfoorlog, werd mij een boekje ter hand gesteld waarin uitspraken over dit onderwerp uit cie koran waren verzameld. Bij het lezen kwam ik plotseling de zin tegen: "Hij die één mensenleven redt, heeft de wereld gered, hij die één mensenleven verwoest, heeft de wereld verwoest." Altijd was ik ervan uitgegaan dat deze zin uit de talmoed uniek is voor het jodendom. Nu begreep ik dat deze ook de basis vormt van de islam. Aan het werk. Laten we tot een Europese samenkomst komen van burgers, joden, christenen, moslims die een onderwijsprogramma tot stand brengen dat ondersteuning verdient van alle politici, opdat bij de volgende verkiezingen het hartstochtelijke percentage van 80 procent wordt gehaald.


10. Sajidah Abdus Sattar

 

Merkwaardig hoe selectief ons geheugen is en hoe vlug we vergeten. Veel zaken die een paar jaar geleden belangrijk werden gevonden, zijn inmiddels gerelativeerd door de alles verdoezelende mist van de tijd. Sterker nog, wanneer iemand sterft, verdwijnen al zijn levenservaring en herinneringen van deze aardbodem. De enige manier om dat te voorkomen, is het mee te delen aan anderen. De hele menselijke cultuur, en in het bijzonder de taal, is ingesteld op het verzamelen en doorgeven van kennis. Het opbouwen van een collectieve herinnering en de bereidheid tot leren vormen de basis van alle beschaving. Niet alleen de ontwikkeling van wetenschap en techniek zijn op die manier mogelijk geworden, maar ook geschiedenis als vak en als leidraad voor toekomstig handelen.

 

Godsdienstig zijn bestaat uit  leren en vereren. Het woord voor mens in de Koran is insaan. Het houdt mogelijk verband met nisyaan, dat 'vergeetachtig' betekent. Vergeten is menselijk, maar soms ook heel gevaarlijk. Wanneer we bijvoorbeeld vergeten wat joden, zigeuners, homo's en anderen is aangedaan door de nazi's zal de geschiedenis van haat en moord zich ongehinderd blijven herhalen. Als we vergeten hoe godsdiensten en ideologieën in het verleden misbruikt zijn voor politieke, demagogische doeleinden, kunnen we niet geleerd hebben hoe religie wel kan bijdragen aan waarachtige vrede. Zolang we als gemeenschap van mensen de innerlijke beschaving missen die ons doet herinneren en leren, zullen naast Rwandese burgers, Bosnische moslims, Algerijnse intellectuelen, moslims in Kasjmir nog vele anderen daar slachtoffer van worden.

 

Geweld begint klein, maar in een klimaat van vergeetachtigheid groeit het ontstellend snel uit. Voordat de aanslagen op buitenlanders in Möln en Solingen plaatsvonden, waren die voorafgegaan door haatliteratuur, sociale pornografie en stigmatisering van weerloze minderheden, niet alleen door rechts‑radicalen, maar ook door 'fatsoenlijke' politieke leiders. Ook in Nederland zijn nu actievoerders, ophitsers, meelopers en profiteurs. En er zijn vooral veel twijfelaars die zonder het te beseffen, meedoen aan stemmingmakerij. En dan zijn er nog de burgers die het allemaal niets kan schelen; die mee lachen met de nieuwste Turkenmop en gewoon doorlopen als moslimvrouwen om hun kleding worden uitgescholden of een buitenlander om niets in elkaar wordt geslagen.

 

Ik zou willen dat ik kon zeggen dat alle godsdienstige mensen en kerkgenootschappen in Nederland zich van dat soort vergeetachtigheid hebben gedistantieerd. Ik zou willen dat alle mensen die zichzelf als godsdienstig betitelen sektarisme hadden ingeruild voor naastenliefde en respect. En ik zou willen dat de huidige graad van godsdienstige beschaving voldoende afweer bood tegen het voortdurend stereotyperen en problematiseren van bevolkingsgroepen, maar helaas, voor heel veel mensen zijn Turken dom en vies, joden rijk en sluw, Marokkanen en Antillianen crimineel en moslims achterlijk en gevaarlijk. Ik vraag me af of we überhaupt wel in staat zijn om te leren.

 

De 13e‑eeuwse dichter en mysticus, Roemi, vertelt van een man die een klein vogeltje had gevangen. Hij was bereid om het vrij te laten tegen drie waardevolle adviezen. Het eerste daarvan zou hij krijgen terwijl het diertje op zijn hand zat, het tweede vanaf een tak van een nabije boom en de derde vanaf de top van de boom. "Mijn eerste advies is: treur niet om wat verloren is", zei het vogeltje en hij fladderde naar de tak. "Mijn tweede advies is: geloof geen onmogelijke beweringen", en hij vloog naar de top van, de boom. "Nu ik hier veilig zit", vervolgde hij, "kan ik zeggen dat er een diamant zo groot als een kippenei in mijn buik zit". De man begon te jammeren om zijn verlies en probeerde het vogeltje opnieuw te vangen. "Het derde advies is dat geen enkele raadgeving zin heeft als die niet wordt toegepast", zei het vogeltje en vloog weg.

 

---------------

 

11. Marianne Vonkeman

 

"Dit is een christelijk land. Als ze hier willen wonen, moeten ze zich maar ons aanpassen." Een veelgehoorde uitspraak in mijn wijk, waar de laatste jaren veel Turkse en Marokkaanse mensen zijn komen wonen. En dat betekent dan ongeveer: wel kerkklokken, maar geen muezzin op de toren. Wel christelijke, maar geen islamitische feestdagen nationaal vrij. Werken okay, maar wel zonder hoofddoek. En zo is er meer te noemen. Ik word er ongemakkelijk van. Het is geen openlijk racisme waarvan ik mij kan distantiëren of waartegen ik mij kan verzet­ten. Tegelijk wordt het christelijk geloof ingelijfd in een soort nationale identiteit waarin ik mij niet herken.

 

Het gesprek tussen de godsdiensten heeft een politieke kant. Het is een gesprek tussen meerderheid en minderhe­den. Zoals het niet- regerende partijen in een democra­tie betaamt, dienen zij de regeerders op hun falen te wijzen. Onrecht tegen minderheden moet benoemd, erkend en bestreden worden. Dat kan nooit van de agenda ver­dwijnen. Het herinneren van onrecht begaan in het verleden kan voorkomen dat het vandaag opnieuw gebeurt.

 

Toch wil ik ervoor pleiten het onderscheid niet te verliezen tussen politiek en geloof. Alles is wel politiek, maar politiek is niet alles. Als ik in Israël zou wonen, zou ik een lijstje kunnen maken van aanpas­singen die het wonen in een joods land met zich mee­brengt voor een niet-jood. In moslimlanden is dat nog veel sterker, om het maar voorzichtig te formuleren.

 

Religie en nationalisme zijn met elkaar vermengd. En dat maakt godsdienst gevoelig voor racisme. Het geloof in de Ene God, Schepper van hemel en aarde, en de daaruit voortvloeiende fundamentele gelijkwaardigheid van mensen, zou een unieke kracht tot wereldvrede kunnen zijn. In de praktijk gaat het anders. Hoe zit het met de exclusieve claims van de godsdiensten? Jezus de enigge­boren Zoon van God? Jodenen het uitverkoren volk? Er is maar één God en dat is Allah en Mohammed is zijn pro­feet?

Hoe kan het dat het unieke van ieders geloof zo vaak degenereert tot alles buitensluitende exclusiviteit? Zouden we in gesprek met elkaar de vredestichtende kracht van het geloof kunnen bevrijden?

 

"Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij." Deze uitspraak van Jezus wordt nogal eens gebruikt om het christelijk geloof boven alle andere godsdiensten te plaatsen. De interpre­tatie van deze woorden gaat dan, cru gezegd, als volgt: de joden hebben hun kans gemist en na Jezus is de openbaring afgesloten, dus wat moeten we met Mohammed?

 

Jezus is voor mij de weg geweest naar God. En dat is hij nog steeds. Via Jezus ben ik wakker geworden voor het contact met wat je een diepste betekenis zou kunnen noemen, contact met de bedding die het leven draagt. Ontwaakt in God, zoals dat weleens gezegd wordt. Dat maakte geen ander mens van mij, maar alles ging er wel anders uitzien. Het uitzicht is veranderd, het perspec­tief van waaruit ik naar de wereld kijk. Vanuit dat perspectief gezien, zie ik de eenheid die mensen en godsdiensten verbindt en het hart ervan vormt. Vanuit 'de andere kant' zie ik de verschillen. Beide perspec­tieven bevatten waarheid zover ik zie en aan beide wil ik recht doen.

 

Hoe versta ik dan die woorden van Jezus?

Het gaat blijkbaar om het komen tot de Vader. 'Vader' was de intieme aanduiding die Jezus gebruikte als hij sprak over zijn levensbron, zijn inspiratie, de drijven­de kracht van zijn leven. Bij die bron uitkomen, daar gaat het om. Dat blijkt ook uit de rest van deze af­scheidswoorden. "Van nu af kennen jullie zelf God", zei hij. Jezus was een jood. De weg, de waarheid en het leven, dat zijn aanduidingen van de tora. De volgelingen van Jezus herkenden in hem een mens in wie de woorden van God in het hart geschreven waren, zoals al voorzegd door de profeten. Zonder tora in het hart kan geen mens tot God komen. Voor mij heeft het jodendom in relatie tot de niet-joden juist in Jezus haar roeping ten volle waargemaakt. Het identificeren met Jezus opent ook voor mij, niet-jood, de toegang tot zijn bron, tot de God van de tora.

En Mohammed? Jezus kondigde de komst van de Geest aan, 'uitgestort op alle vlees'. Dat betekent voor mij dat de openbaring niet is afgesloten, maar nu juist wereldwijd verstaan moet worden. Het wordt tijd dat we dat eens werkelijk proberen.

 


12 Awraham Soetendorp

 

"Zouden we in gesprek met elkaar de vredestichtende kracht van het geloof kunnen bevrijden?" Mijn ondubbelzinnig antwoord op deze verzuchting van Marianne Vonkeman is: natuurlijk kunnen en moeten we dit bewerkstelligen. Onverwijld.

 

En laten we de schuld niet aan de politiek geven wanneer we falen. Want dit is wel wat al te gemakkelijk. Ook wij zullen onze handen niet schoon houden wanneer we vanuit een religieuze overtuiging aan de wereld gaan sleutelen. De uitdrukking 'Alles is wel politiek maar politiek is niet alles' wordt te vaak als alibi gebruikt om zich te onthouden van elk engagement.

 

Hier volgt mijn keuze van enige programma‑onderdelen van een agenda van de toekomst vanuit een ongeduldig politiek-­religieus perspectief: het instellen van vluchtsteden. In de Tora wordt keer op keer aangedrongen op de verplichting onmiddellijk na aankomst in het land vluchtsteden in te stellen waar degene die per ongeluk iemands dood veroorzaakt heeft een heenkomen kan vinden. De mondelinge leer voegt daar nog aan toe, dat de wegen breed moeten zijn en gemakkelijk herkenbaar' en dat de bloedwraak de vluchteling nooit en te nimmer treffen mag.

 

Het is een religieuze verplichting met grote maatschappelijke relevantie. De broeder‑ en zustertwisten in het voormalige Joegoslavië, en de moordenaarsvelden in Rwanda kunnen gekarakteriseerd worden als uitgestelde* bloedwraak op vermeend of werkelijk aangedaan leed uit zeer vroege tijden. Het is letterlijk van levensbelang dat het recht om een vluchtstad te bereiken, en daar in veiligheid te kunnen wonen, wordt gewaarborgd door de internationale gemeenschap en neergelegd in verdragen.  Het is aan de religieuze leiders, zeker vanuit de gemeenschap van joden en christenen, om een voorhoederol te vervullen in het tot stand brengen van deze beschermde vluchtsteden overal waar het vuur van de haat brandt.

 

Het wegnemen van extreem nationalistische en triomfalistische kenmerken uit het godsdienstig bewustzijn kan door: a) het verruimen van de nationale kalender met de dagen voor andere dan alleen christelijke feestdagen waarvoor ook vrij wordt gegeven op school en werk;

b) het uitgeven van een boek waarin de verschillende religieuze tradities worden beschreven op zelfkritische wijze en waarin stereotypen over en weer worden weggenomen. Zo betekent uitverkiezing in het joodse zelfverstaan: niet zich boven anderen gesteld voelen, maar zich gekozen weten voor de specifieke taak van het onderwijs van de Tora te midden van evenwaardige anderen die ieder gekozen zijn voor een andere specifieke taak.  Eens, tijdens een gezamenlijke maaltijd, vroeg een disgenoot aan mij uit te leggen waarom joden van mening waren dat God alleen de God van de joden was. Dit wekte veel wrevel en onbegrip, zo had hij als moslim tijdens zijn vele reizen door Azië en Afrika waargenomen. Ik antwoordde met de vertaling te geven van het gebed dat ik voor het nuttigen van de maaltijd had uitgesproken "Geloofd zijt gij altijd aanwezige koning van de wereld die brood uit de aarde laat komen". "Koning der wereld, dus niet koning van de joden?" Ik knikte. Hij verzuchtte met blijdschap dat nu alles was opgelost. Zo eenvoudig is het soms.

 

 c) het gezamenlijk optreden van religieuze leiders overal waar discriminatie, racisme de monster. kop opsteekt. Wanneer één moskee wordt aangevallen worden wij allen aangevallen. Wanneer één vernederende mop over katholieken wordt verteld worden wij allen vernederd. Kleine en grote discriminatie liggen in elkaars verlengde.

d) het gezamenlijk op weg gaan als religieuze leidsmannen en leidsvrouwen, naar plekken die een heilige betekenis hebben voor de verschillende godsdiensten. Schoenen uittrekken alvorens de moskee te betreden, keppels opzetten in de synagoge, stilte betrachten in een kerk. Jodendom, islam en christendom samen bij de westelijke muur in gebed staan, vervolgens mediteren in de El Aksa‑moskee, en tenslotte samenkomen in eerbied in de heilige grafkerk, zal bijdragen aan de vrede van Jeruzalem. Aan de slag.

 

 

 

 


13. Sajidah Abdus Sattar

 

De media brengen de wereld bij u thuis: WK voetbal en Rwanda, Tour de France en Arafat. Miljoenen kijkers, luisteraars en lezers nemen kennis van geïsoleerde fragmenten informatie. Vooral krantenkoppen, onderschriften bij foto's en korte berichten slaan in met trefzekere ongenuanceerdheid. Journalisten moeten onder grote druk snel hun verslagen ophoesten. De info‑brokken worden door de ontvangers toegevoegd aan veronderstellingen vanuit de opvoeding en gebruikt als norm waar4iee personen en groepen worden geëtiketteerd en beoordeeld. Dit oude en zeer algemene verschijnsel vormt, veel meer dan kwaadaardigheid of onwil, het grootste obstakel voor het verbeteren van onderling begrip.

 

Er zijn legio voorbeelden van schade als gevolg van een dergelijke oppervlakkigheid. Denk aan de veroordeling door het Vaticaan van de Nederlandse wetgeving inzake abortus en euthanasie, of de verdachtmaking van alles wat met de islam van doen heeft. En denk aan de vooroordelen die schuilgaan achter termen als 'orthodoxie' en 'fundamentalisme.' Het risico van foute beoordeling is het grootst wanneer het gaat om zaken waarvan de context en geschiedenis onbekend zijn, zoals die van Taslima Nasreen en de protesten in Bangladesh. Hoe vlug wordt er niet gegeneraliseerd en veroordeeld aan de hand van losse berichten.

 

De achtergrond van het conflict is gecompliceerd en heeft te maken met de geschiedenis van Bengalen, Westers kolonialisme en de plaatselijke relatie tussen hindoes en moslims. (Ter vergelijking: de problemen in Noord‑Ierland kunnen niet worden begrepen zonder de politieke historie, noch de lsraëlisch‑Palestijnse zaak zonder haar voorgeschiedenis). Vanaf de komst van de eerste moslim‑gouverneur in Bengalen in 1202 was er sprake van een delicaat evenwicht tussen de diverse groeperingen, voornamelijk moslims, hindoes en boeddhisten. Bengalen werd in 1757 door de Britten veroverd met een tactiek van 'verdeel en heers'. Dat leidde tot een drastische verandering in de verhoudingen, zodat tegen het einde van de koloniale periode hindoes en moslims elkaars rivalen en vijanden waren. Met de onafhankelijkheid in 1947 werd Bengalen opgedeeld tussen India en (Oost‑)Pakistan, het latere Bangladesh.

 

Veel moslims van Bangladesh hebben bittere gevoelens gekregen ten opzichte van zowel de meer welvarende hindoes als ook het rijke en arrogante Westen, dat met de koloniale uitbuiting hun bloeiende Bengaalse moslimrijk heeft vernietigd. Daardoor is een overgevoeligheid ontstaan voor aanvallen op de eigen traditie, zeker wanneer dit komt van iemand uit eigen volk die lijkt te zijn ingepalmd door 'westerse' normen. Deze overgevoeligheid onder religieuze noemer wordt door politieke elementen uitgebuit. Ongelukkigerwijs kreeg Taslima Nasreen de reputatie van protegee van een ('hindoe') lndiase krant en werd zij bovendien fout geciteerd. Zij is beslist niet de enige moslim die pleit voor een aanpassing van de sjaria en een gedeeltelijke herinterpretatie van de Koran. Haar wordt vooral kwalijk genomen dat zij, in de gespannen verhoudingen met het grotendeels hindoeïstische India en het seculiere Westen, onvoldoende loyaal is aan de zaak van de moslims, die zelf voortdurend doelwit zijn van externe pressie. De vraag is niet of de sjaria bespreekbaar is, maar wie het recht heeft dat te doen. Het gaat meer om verzet tegen van buitenaf opgelegde normen dan om het principe van vernieuwing, of de persoon van Nasreen.

 

In dit soort conflicten wordt de godsdienst dubbel misbruikt, als legitimatie voor bedreiging en geweld door fanatici, en door de Westerse opinie voor het bevestigen van oude anti­ islamitische vooroordelen. Daarmee is noch Nasreen, noch het Bengaalse volk geholpen. Juist omdat gebrek aan inzicht zo gemakkelijk leidt tot een foute beoordeling van zaken en een misleide respons, houd ik steeds mijn hart vast als er weer eens plannen zijn voor een of andere interventie of internationale bemoeienis, ook al zijn de bedoelingen nog zo goed.

 

 


14. Marianne Vonkeman

 

Ik was eens op bezoek bij een veertiger. Hij had zich sinds de zestiger jaren ingezet om de maatschappij te verbeteren. Inmiddels had hij afgehaakt, gedesillusio­neerd en opgebrand omdat er zo weinig vooruitgang te zien was. Hij had geen bron weten te vinden die zijn idealen had kunnen voeden en was uitermate cynisch geworden. Het doelgericht denken van deze tijd had een nieuw slachtoffer gemaakt.

 

Het hoort misschien wel bij de specifieke taak van het christendom om de wereld te wijzen op de beweegredenen en drijfkrachten van het hart. Het geloof is een meer individueler zaak dan in het jodendom of de islam (hoewel ook daar, net als in het christendom, verschil­lende stromingen zijn die een ander accent leggen). Het persoonlijke is zowel de zwakte als de kracht van het christendom lijkt mij. De eigen bijdrage van het chris­tendom komt dan ook beter tot zijn recht in samenwerking met andere godsdiensten. Laat mij aan de prachtige agenda tot maatschappelijke vernieuwing die Soetendorp onlangs presenteerde, nog wat persoonlijk 'huiswerk' toevoegen.

Mensen hebben handvaten nodig om hun eigen belevingswe­reld te duiden. Hoe ga we om met wat we meemaken in ons eigen leven? Welke betekenis hechten we aan wat we horen of zien? Wat beogen we? Wat zijn de verborgen verlangens en behoeften die meespelen ook in onze allerbeste daden?

 

Leren zien is een belangrijk thema in de spiritualiteit. Op welke wijze nemen wij waar? Hoe horen wij en waar sluiten we ons voor af? Hoe onbevangen kijken wij? Wat zien we over het hoofd? Door welke interpretatiebrillen kijken wij als we in relatie treden met de wereld buiten en binnen ons? Deze vragen zijn van het allergrootste belang als we te maken krijgen met gebeurtenissen (of mensen) die niet passen binnen onze vertrouwde of gewenste leefwereld. En dat geldt uiteraard in nog sterkere mate voor God, die al helemaal nergens 'in­past'. Het opkomend racisme lijkt mij dan ook niet los te staan van de zogenaamde 'godsverduistering'. In beide gevallen gaat het om een toenemend onvermogen om met een werkelijk ander in relatie te staan. Zien wij niet alleen die zaken (en mensen) die rechtstreeks verband houden met onze eigen behoeften? In deze consumententijd waarin alleen telt wat aangenaam, nuttig of functioneel is, kunnen we rustig spreken van blikvernauwing. Ons zicht op onszelf, op onze medemensen en op God wordt bepaald door de resultaten die we beogen. Toch kan het anders, leren ons de grote mystieken.

 

Johannes van het Kruis spreekt over 'de nacht van de zinnen'. Dat is een fase in de groei als mens naar het beeld van God. En misschien is het ook wel een fase in de groei van een samenleving als geheel. Een louterings­periode om een nieuwe manier van kijken te leren. De 'nacht van de zinnen' wordt gekenmerkt door vlakheid. Niets van wat je vroeger zo aansprak en vol betekenis was, raakt je nog. De smaak van het leven is verdwenen. Je behoeften worden redelijk bevredigd, maar het zegt je weinig. De hemel lijkt een ondoordringbare koperen koepel. God 'haalt de ziel weg uit het leven van de zintuiglijkheid en brengt haar over naar dat van de geest', zegt Johannes van het Kruis. Het is een ervaring van afsterven aan je gehechtheden, een mogelijkheid tot omvorming van je behoeften en loutering van het waarne­mingsvermogen. Je wordt bevrijd tot handelen louter omdat het gedaan moet worden en niet omdat je de beteke­nis van je leven aan je eigen daden wilt ontlenen.

 

Het is via de oninpasbare ander, via breukervaringen, via het niet verdringen van het leed van de wereld, dat deze 'nacht' wordt ingezet. Juist mensen die zich met hart en ziel inzetten voor de wereld en hopen op resul­taten krijgen hier vaak mee te maken. Zal de mogelijk­heid tot loutering inderdaad als zodanig herkend worden? Zullen er bronnen in het eigen hart ontspringen die de maatschappelijke inzet kunnen voeden, ongeacht de weerbarstigheid van de werkelijkheid? De geloofsgemeen­schappen hebben hierin een wezenlijke roeping.

 


15. Awraham Soetendorp

 

Allereerst dit. In de komende dagen wordt ons de mogelijkheid geboden om een financiële bijdrage te leveren aan de hulpverlening in Rwanda. Laten we dat doen onverwijld op de wijze die de profeet Jesaja aangeeft: "Dat u de hongerigen uw brood meedeelt, zwervende armen onderdak verschaft, als u een haveloze ziet hem kleren geeft, en uw hand van uw eigen vlees en bloed niet aftrekt" (Jesaja 58:7).

 

De existentiële nuance is gelegen in het woord lachmecha (van uw eigen brood). We moeten niet abstract op een afstand geven maar zodanig dat we het zelf merken, dat het invloed heeft op onze dagelijkse gang en dat is het minste wat wij kunnen doen. Een rib uit ons eigen lijf scheuren om althans gezamenlijk bij te dragen aan het terugdringen van de hei op aarde. Laten we in Godsnaam niet vervallen in een algeheel gevoel van machteloosheid. Het is bedenkelijk, hoe begrijpelijk ook, dat hulpverleners ter plekke, oog in oog met de miserabele menselijke vloed, zich maar met de grootste moeite kunnen losrukken uit de lethargie die volgt op doodsangst en onbegrensde woede.

 

Want deze ellende was vermijdbaar. Wij dienen vanuit een optimistisch perspectief de mogelijkheden die in eik mens overvloedig aanwezig zijn, artsen zonder grenzen en alle andere geweldig voortrekkers met hart en ziel te ondersteunen. Marianne Vonkeman spreekt over een veertiger die afgehaakt heeft, gedesillusioneerd en afgebrand omdat er zo weinig vooruitgang te zien was in de wereld. Zij noemt hem slachtoffer van het doelgerichte denken van onze tijd en wijst op de noodzaak om te leren inzien dat het vaak vruchteloos lijkende werk in wezen tot loutering kan dienen. Dan kan de frustratie omgezet worden in hernieuwde inspanning om aan de wereld te sleutelen. Ik ben onder de indruk van haar gedachtegang maar ik wij de probleemstelling en de oplossing anders formuleren. Ik word daarin geholpen door de Afrikaanse schrijver Femi Akomolafe die onlangs in de Volkskrant schreef over het gebrek aan levensvreugde in het rijke noorden terwijl in Afrika het geluk van het gezicht straalt:

 

"Waarom glimlachen Afrikanen wanneer alles tegenzit? Mijn antwoord: de Afrikaan blijft altijd optimist. De Europeaan is een pessimist, een tragische figuur" en dan komt hij tot de kern van de zaak: "De Europeaan zet deze lijn door in de godsdienst. Van alle beelden waarmee de exponent van zijn godsdienst kan worden afgebeeld, kiest de Europeaan voor een aan het kruis genagelde Jezus... Men had Hem kunnen afbeelden als iemand die grote mensenmassa's toesprak of mediterend bovenop een berg" 'maar dat zou niet hebben gestrookt met het Europese ideaal. Vanuit het Europese gevoel voor tragiek moet zo een man lijden".

 

Het gaat hier om een simplificatie en Europa is gelukkig pluriform, toegegeven. Maar legt de schrijver niet zijn vinger op een pijnlijke plek, op ons cultuurpessimisme, onze neiging tot tobben? Ik sprak onlangs professor I.J. Schoonenboom, een wetenschapper die er van overtuigd is dat de wereldbevolking, ook wanneer deze vertienvoudigd wordt, behoorlijk gevoed kan worden. Als ze maar de juiste beslissingen en keuzes maken en de politieke en maatschappelijk wil aanwezig is. Het doemdenken moeten wij achter ons laten. Het laatste boek van Shimon Peres, de visionaire minister van buitenlandse zaken van Israël eindigt met opwekking uit Deuteronomium "Het is in je mond en in je hart, het is te doen".

 

Twee weken geleden stond ik op het voorplein van het gebouw van Unesco in Parijs, te midden van een grote schare, te wachten op de nauwkeurige veiligheidscontrole. Aan Rabin, Arafat en Peres zou de vredesprijs worden uitgereikt. Van achter kwam plotseling breed lachend iemand met uitgestrekte hand naar mij toe. "Ik groet je, mijn geliefde neef". En even voelde ik de warme behaaglijkheid om als zonen van Abraham tezamen op weg te zijn naar echte vrede. En dat gevoel is gebleven, ondanks alle verwoesting. In de wereld van dorstige, uitgehongerde vluchtelingen hebben wij niet de luxe van mismoedigheid.

 

 

 


16. Sajidah Abdus Sattar

 

Het mag hier dan de warmste julimaand van de eeuw zijn, in andere landen is het ook in andere opzichten een 'hete zomer'. Indrukwekkend en onthutsend zijn de beelden van lijdend en stervend Rwanda. Als televisiekijkers in Nederland zijn we machteloze getuigen geworden van massamoorden en epidemieën waarvoor wij niet verantwoordelijk zijn en waar wij nauwelijks iets aan kunnen doen. Ja, we kunnen onze beurs open trekken. De Rwandese vluchtelingen hebben geldelijke hulp nodig, en de Palestijnen, de Bosniërs, de Koerden en vele anderen. Wie de kranten er op na leest wordt er moedeloos van.

 

En dan te bedenken dat de meeste menselijke tragedies het podium van de media niet eens halen, maar zich in stilte achter de coulissen van het wereldtoneel voltrekken. Hoe goed we ook ons best doen om de wereld te verbeteren, er zijn altijd weer groepen of personen die voor nieuwe ellende zorgen. Dat geldt ook voor de bomaanslagen op Israëlische diplomatieke doelen. Die zijn op zich al erg genoeg; terreur gericht tegen maatschappelijke joodse instellingen is extra schokkend. Zo iets is op geen enkele manier te verenigen met de islam. Helaas zijn er personen en splintergroeperingen die hun politieke frustraties onder de vlag van de islam in geweld en terreur omzetten. Met geen mogelijkheid kan ik in dergelijke figuren moslims (letterlijk: zij die zich in vrede overgeven aan God) herkennen.

 

In de wereldpolitiek gaat het vooral om macht die ‑ laten we eerlijk zijn ‑ in de meeste gevallen niet op een zuivere manier is verkregen. Bovendien wordt macht gewoonlijk gebruikt om het eigen overwicht nog verder te vergroten. Gelukkig zijn er ook mensen die niet konkelen en intrigeren, maar eenvoudig het goede werk willen doen. Neem bijvoorbeeld de diverse soorten van hulpverlening in Rwanda; de één stroopt de mouwen op en gaat aan de slag om slachtoffers te helpen, anderen zoeken het in ondoordachte voedseldroppings, of in plannen voor de verspreiding van bijbels. Vooral dat laatste roept bij mij vragen op. Heeft de bevolking van Rwanda om bijbels gevraagd? Alleen onmondige kinderen mogen worden betutteld; volwassen medemensen laten we zelf aangeven wat ze nodig hebben. Welke ideoloog is zo naïef niet te beseffen dat het opdringen van deze of gene variant van het christendom in Afrika en Azië wordt ervaren als indoctrinatie en westerse neo‑koloniale machtsuitbreiding? In Zuid‑Afrika wordt de volgende anekdote verteld. Toen de Europeanen hier kwamen, hadden zij de bijbel en wij het land. Ze vroegen ons de ogen te sluiten en zeiden: "Laat ons bidden". Toen wij weer keken, hadden zij het land en wij de bijbel.

 

Er zullen wel lezers zijn die zich gekwetst voelen door deze kritiek. Het blijft een feit dat religieuze idealen zo vaak misbruikt zijn door politieke opportunisten, dat botte propaganda voor een godsdienst onverdraaglijk is geworden. Godsdienst betekent in veel te veel gevallen niet meer dan psychologische manipulatie ter wille van de macht van een groep over de andere. Godbewustzijn, respect voor anderen, rechtvaardigheid en geestelijke groei zijn dan ver te zoeken. Het meest zeldzaam is het samengaan van spiritualiteit en politiek. Misschien is daarvan iets te bekennen in de recente beëindiging van de staat van oorlog tussen Israël en Jordanië. Misschien bestaat er toch nog levende wijsheid bij de kinderen van Abraham. Wat zou de goede aartsvader vinden van de onderlinge twisten en verkettering van de joden, moslims en christenen? In de koran wordt Abraham gekarakteriseerd als een waarachtig , mens, een godzoeker en een model voor alle gelovigen, en vooral als een profeet die door God als vriend gekozen werd. In de koran wordt benadrukt dat Abraham niet mag worden gezien als een sektarische figuur, maar gewaardeerd dient te worden om zijn exemplarische dienst aan de ene God. Wie alleen zijn ego dient, terreurdaden pleegt of mensen tegen elkaar ophitst sluit zichzelf buiten deze geestelijke familie, welk etiket hij ook draagt.

 


17. Marianne Vonkeman

 

Toen ik bijna zes jaar oud was, overleed mijn babybroertje. Dat het leven niet alleen mooi, maar ook droevig kan zijn, drong tot in mijn onderste lagen door. Als een plus- en een minpool stonden betekenisvol leven en zinloze dood naast elkaar. Het veroorzaakte een groot - en onbegrepen - spanningsveld.

 

In diezelfde tijd leerde ik lezen. Ik herinner mij nog de verbijsterende ontdekking dat letters wóórden vormen en woorden een verhaal maken. Zwarte tekens op een wit papier waren symbolen die een wereld van betekenis konden vertegen­woordigen. We hadden geen stripverhalen en weinig boeken, maar wel een kinderbijbel. En die spelde ik van voor naar achter en terug.

 

Er was één verhaal dat ik bijna iedere dag las en één illustratie die ik bijna iedere keer bekeek. De kruisiging van Jezus. Al mijn eigen veelal verdrongen verdriet resoneerde mee als ik naar die afbeelding keek. Het gaf me een enorme troost. Zonder dat ik het precies begreep, beleefde ik iets van waar dit verhaal naar verwijst. Het was of het verdriet van de wereld verenigd werd in dat ene grote symbool van de gekruisigde. Mijn eigen verdriet was niet langer een privégebeuren maar verbond mij met mensen in alle tijden en plaatsen.

 

Pas in mijn werk als pastor heb ik begrepen hoe essentieel die beleving is. Maar niet alleen herken­ning vond ik in dit verhaal. Ook was er hoop. De gekrui­sigde is ook de opgestane. Het slachtoffer is ook de levende. God zelf heeft aan de dood van Jezus het laatste woord ontnomen. De betekenis van zijn leven én dood is nog steeds actueel. Zou God dat niet steeds weer kunnen doen?  Zekerheid heb ik niet. Maar als iets mij aanzet tot een optimistische levenshouding is het dit wel.

 

Is de gekruisigde het symbool van de Europese hang naar tragiek, zoals Awraham Soetendorp meent? Het hart van het christelijk geloof is niet alleen hoop te midden van persoonlijk verdriet. Het is tevens een fundamentele kritiek op alle machtsuitoefening die slachtoffers maakt. Was het maar zo dat een aan het kruis genagelde Jezus werkelijk de godsdienst van de Europeaan vertegen­woordigde. Sinds keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom adopteerde, werd zijn visioen van een vlammend kruis een machtsinstrument dat heel wat on­christelijke 'overwinningen' behaalde. Als er iets duidelijk wordt door het teken van de gekruisigde, is het dat God zich vereenzelvigt met de onschuldig lijden­den.

 

 Zorg voor slachtoffers ligt in het verlengde van de aanbidding van de gekruisigde. "Wat je aan de minsten doet, doe je aan mij", zegt Jezus. Het verhaal van Jezus blijkt steeds weer aanzet te geven tot bevrijdings- en emancipatiebewegingen, in allerlei landen en in allerlei gediscrimineerde bevolkingsgroepen. En dat is ook precies de bedoeling. Het kan anders en het moet anders, in Godsnaam.

 

Het heersende gevoel van zinloosheid heeft m.i. niet te maken met een soort Europese neiging tot tobberigheid, zoals Soetendorp schrijft. Het heeft meer van doen met die plus- en minpool die ik noemde. Met de tegenstellin­gen die in onze tijd van massamedia ondraaglijk uitver­groot zijn. Ik eet een gezellige maaltijd met mijn gezin terwijl de weeskinderen op mijn tv-scherm van honger omkomen. Ik surf op een vakantiemeer terwijl er duizen­den verminkte lijken op het Victoriameer drijven.

 

Niet alleen zijn er deze schrijnende tegenstellingen. Maar ook ben ik gevangen. Ik kan een rib uit mijn lijf weggeven en mijn leven lang mensen proberen te motiveren zich in te zetten voor een rechtvaardiger wereld. Maar ik spoel de wc door of koop een product uit het uitge­breide assortiment van mijn buurtwinkel en alleen daardoor al draag ik bij aan de armoede in het zuidelijk halfrond. "Je móet je wel afsluiten", zei iemand onlangs tegen me, "anders word je gek, het is teveel". Ze is haar hele leven actief geweest in allerlei vormen van naastenhulp. Maar nu ze oud is en niet langer van alles kan doen, lukt dit 'op maat houden' niet meer.

 

In de christelijke spiritualiteit is de gedenking van de gekruisigde een optimistische weg waarlangs afsluiting voor hedendaags leed voorkomen wordt, mismoedigheid overstegen en daadkracht bevrijd kan worden. Dat is geen tragiek, geen luxe, maar genade.


18. Awraham Soetendorp

 

Pedagogie in de schaduw van het jaar 2000 of hulde aan de hoop, zo luidde de titel van de gedenkwaardige inaugurale rede die professor Lea Dasberg uitsprak in 1980. Zij doceerde: "Wij moeten sociale en politieke problemen niet meer gaan verdoezelen voor kinderen, maar we moeten ze bij de presentatie wel pedagogisch vertalen. Dat wil onder meer zeggen dat we rekening moeten houden met de behoefte van kinderen aan concreetheid en rechtlijnigheid die de presentatie van hoop en mogelijkheden tot verbetering noodzakelijk maakt. Angst voor hei en verdoemenis heeft mensen nooit fatsoenlijker gemaakt. Integendeel. Radeloosheid leidt tot agressie en destructie. Er bestaat geen andere pedagogie dan de pedagogie van de hoop."

 

Om deze hoop gestalte te geven knokt het volk Israël al meer dan 3 000 jaar. Een anker in de tijd is het terugkerende gebed Ani Maämin: "ik geloof met een volstrekt geloof in de komst van de Masjiach en ook al draait Hij, ik wacht ik elke dag op Zijn komst". Aan het einde van de sabbat, wanneer de gevlochten kaars ‑ er zijn meerdere pitten, meer wegen naar de waarheid ‑ gedoofd is in het overvloeiende van de wijn, zingen wij: "Eliahoe Hanawi. De profeet hij zal komen met in zijn kielzog de Masjiach, zoon van David".

 

Tijdens de viering van de uittocht uit Egypte, elk jaar opnieuw op de sederavond opent een kind de deur en houdt ieder z'n adem in. Komt hij, breekt dan eindelijk de tijd aan van vrede en gerechtigheid ? En de voortdurende strijd tegen de stroom van mismoedigheid in, wordt vormgegeven in de symbolen van de Choepa, de joodse huwelijkszegening. Op het hoogtepunt van de vreugde wordt een glas gebroken ter herinnering aan de verwoesting, de vervolging, de ballingschap. Maar onmiddellijk na het breken klinkt luid van alle kanten: Mazzel‑Tov. Moge de altijd Aanwezige, die zetelt op zijn troon van luister, geluk en voorspoed schenken. En het individuele, intieme gebeuren verkrijgt kosmische contouren. Er bestaat een broos evenwicht tussen vreugde en verdriet, maar waar het streven van het individu en de gemeenschap sinds Sinaï op gericht is, is dat de balans door moge slaan naar vreugde, naar hoop.

 

Ik geloof Marianne Vonkeman. De intimiteit van je persoonlijke getuigenis brengt mij ertoe mij rechtstreeks tot je te richten, dat deze hoop geen scheiding tussen ons veroorzaakt, integendeel. Het is het bindweefsel van onze broeder‑ en zusterschap. Het stuwt ons voort naar elkaar toe en drijft ons niet uiteen. Het verschil is uiteindelijk oneinding minder van belang. Jij wordt geïnspireerd door Jezus van Nazareth, de gekruisigde, tot een optimistische levenshouding. En ik tot hetzelfde door actief te wachten op de Masjiach en daarmee de tijd van rechtvaardigheid. Wat belangrijk is, is dat wij vanuit verschillende bronnen tot werken, denken, doen met hart en ziel, om verbetering in deze wereld te brengen, worden aangezet.

 

In theologische termen: het is niet belangrijk of het nu gaat om de komst of de wederkomst, maar om het bereiken van vrede en gerechtigheid. Op de gezamenlijke weg die wij nu zijn ingeslagen, gelukkig tezamen met mijn zuster Abdus Sattar, die moedig haar nek uitsteekt tegen elke vorm van door zogenaamd religieuze motieven gecamoufleerde terreur, moeten wij elkaar kritische vragen blijven stellen. En in die zin citeerde ik de woorden van de Afrikaanse schrijver Femi Amkomolafe, die in het kiezen voor het beeld van een aan het kruis genagelde Jezus de Europese hang naar tragiek zag. Verre zij het van mij om in welke zin dan ook inbreuk te willen maken op je persoonlijke belevenis. Ik ben diep getroffen door de wijze waarop je, in alle naaktheid van deze krant, hebt willen spreken over de dood van je babybroertje en de kracht die je put uit het kruis als teken van hoop. Het gaat erom, Marianne, te zoeken naar wegen om jouw en mijn hoop om te zetten in een machtig verzet dat het doden en verminken vermag tegen te gaan.

 


19. Sajidah Abdus Sattar

 

Het warme strand - misschien ligt het u nog vers in het geheugen ‑ matje, handdoek, koelbox, scherm. Iedereen zoekt zijn eigen plek. Als er nog maar weinig mensen zijn, maakt het niet zo uit waar je zit. Met het toenemen van de drukte wordt het belangrijker om een eigen territorium te claimen. Dat kan doorgaan totdat de grenzen van ieders eigen gebied tot die van de buren reiken en het strand, ondanks heel veel tussenruimte, vol lijkt te zijn. Niemand wil immers genoegen nemen met een plek die veel kleiner is dan die van de ander.

 

Nog iets merkwaardigs: iedereen wil zichzelf kunnen zijn, maar laat zich desondanks leiden door wat de buren doen. De marge van het "anders zijn" moet beperkt blijven, want wie te veel afwijkt kan rekenen op afkeuring. Wie nog te wit is of van nature te bruin valt meteen op. Wie zich op de een of andere manier te afwijkend gedraagt, wordt gemeden of nadrukkelijk genegeerd. we bepalen blijkbaar onze eigen identiteit en leefruimte aan de hand van de grenzen en normen van anderen. Alleen wie bijzonder sterk staat en zich volkomen zeker voelt van zijn zaak, kan het zich permitteren om zichtbaar uitzonderlijk te zijn.

 

Weg van het strand is het niet anders. Volkeren, naties en groeperingen claimen allemaal een eigen gebied op deze wereldbol, want iedereen wil zijn plekje in de zon. Waar verschillende groepen eenzelfde leefruimte moeten delen, is het zaak om je grenzen ruim vast te stellen en je territorium te verdedigen. Maar tegen wie? Je kunt pas iets verdedigen als je het bezit en als je weet wie je aanspraak erop bedreigt.

 

Zowel ieders nationale wortels, alsook religieuze en culturele identiteit worden voor een groot deel bepaald door mensen die tot andere groepen behoren. Hun aanwezigheid maakt duidelijk dat er punten van verschil zijn, punten die uit kunnen groeien tot een lijn. Die menselijke scheidslijn moet aangeven wie 'eigen' zijn en wie 'vreemd'; het verschil tussen wij en zij. Op zichzelf hoeven die grenzen niet slecht te zijn, want als alle betrokkenen het eenmaal over de ligging eens zijn, kunnen we ze keer op keer overschrijden in de zekerheid dat we weer naar ons eigen stekje terug kunnen keren. En ook de buren die we kennen, laten we wel eens de grens in onze richting overschrijden, want we beseffen dat ook zij weer terug zullen gaan naar hun eigen terrein. Dat is evenwicht en dat is vrede.

 

Maar dan komt er iemand die zijn plek is kwijtgeraakt, of er nooit een heeft weten te bemachtigen. Ook dat kennen we van het strand. Zo iemand blijft voortdurend de terreinen van anderen doorkruisen op zoek naar een plaats voor zijn handdoek en matje. Dan moet je de protesten eens horen, want deze territoriumloze figuur vormt een bedreiging voor de status quo. Hij brengt onrust, want opeens voelt niemand zich meer helemaal zeker van zijn plaats. Het eigenaardige van het geheel is, dat de zonnebaders blijkbaar niet beseffen dat ze geen van allen meer recht hebben op het strand dan de nieuwkomer. Het strand is een natuurlijk gegeven, een geschenk van de Schepper. Iedereen is bij Hem te gast en met een beetje bescheidenheid en goede wil is er plaats genoeg voor iedereen.

 

In de Koran staat, dat God de mensen tot volkeren en stammen heeft gemaakt "opdat zij elkaar leren kennen." Maar de een is niet beter dan de ander, tenzij door een verdiept godbewustzijn. Dat is, naar ik meen, de kern van elke godsdienst; het verschil van religieuze identiteit is meer een kwestie van methode en ritueel.

 

In de middeleeuwen woonde er in Baghdad een groot mysticus, Djunaid genaamd, die veel volgelingen had. Een van zijn buren was geen moslim, maar een Zoroastriër. Ook hij bewonderde de geestelijk meester. Moslimvolgelingen vroegen hem waarom hij, die een moslim zo hoog achtte, zich niet tot de islam bekeerde. De Zoroastriër antwoordde: "Ik vrees dat ik nooit zo'n soort moslim zal kunnen worden als Djunaid, en zo'n soort moslim als jullie wens ik niet te zijn."

 

 


20. Marianne Vonkeman

 

Beste Awraham, je reactie op wat je de "intimiteit van mijn persoonlijk getuigenis in de naaktheid van deze krant" noemt, brengt mij een beetje in verlegenheid. Bijna of ik iets onbetamelijks heb gedaan. Je klinkt - vergeef me de vergelijking - als de traditionele echtge­noot wiens haren overeind gaan staan als zijn vrouw over gevoelens begint en die zich vervolgens vriendelijk maar beslist uit het gesprek terugtrekt. Ik waardeer je zorg voor mijn eventuele religieuze gevoeligheden maar het is niet nodig. Je stelde een wezenlijke vraag en ik bracht - met een soort post-feministische vanzelfsprekendheid - eerst een persoonlijke ervaring in als bijdrage aan het gesprek. Ik denk niet dat wezenlijke gesprekken gevoerd kunnen worden zonder eigen ervaringen erbij te betrek­ken. Gevoelens of ervaringen zijn geen argumenten (veel voorkomende fout van New Age-aanhangers), maar wel dragers van een eigensoortige informatie. Ze zijn van essentieel belang als we de bronnen van hoop van onze religies in onze tijd toegankelijk proberen te maken. Want wij putten misschien wel uit deze bronnen van hoop, maar velen niet. Ik weet dat jij en ook Sajidah de zorg met mij delen hoe ons geloof tot inspiratie kan zijn voor volgende generaties joden, christenen en moslims. Om nog maar niet te spreken over de velen die helemaal geen hoop kunnen putten uit religieuze bronnen omdat zij deze niet kennen of vinden kunnen.

 

Blijkens de reacties die ik kreeg, worstelen veel mensen met de ambivalentie van het leven. Met de onontwarbaar­heid van goed en kwaad. Met schuld. Hoe kun je God nog danken voor je eten als je met datzelfde eten een onrechtvaardig systeem in stand houdt? Of een andere onverzoenbare tegenstelling: hoe kan de gekruisigde een bron van hoop voor mij zijn als in de naam van diezelfde gekruisigde al eeuwenlang zijn volksgenoten worden vermoord? Ook de godsdienst met haar verhalen en symbo­len deelt in de tweeslachtigheid van de werkelijkheid. Jouw kritische vraag ("Heeft het beeld van een gekrui­sigde Jezus niet ook een negatieve bijwerking?") is een geschenk dat een levenlang meegaat. Het dwingt tot herbezinning op dit beeld, en herijking en daarmee hopelijk tot bevrijding van de goede mogelijkheden. Kritische vragen én het delen van positieve ervaringen hebben elkaar nodig om recht te doen aan het geheel van de werkelijkheid.

 

Ik schreef dat de gedenking van de gekruisigde afslui­ting en mismoedigheid kan voorkomen en daadkracht kan bevrijden. De uiterste tegenstellingen van dood en leven, schuld en vergeving, worden hier namelijk bijeen gebracht in één moment, één hier en nu. Als dat span­ningsveld zonder enige terughoudendheid ingegaan wordt, kan het zijn dat er nieuw soort mogelijkheid in mensen open komt. (Zoals in Zen de koan, de onoplosbare paradox, wordt gebruikt om tot een andere, omvattender wijze van kennen te komen.) Er gebeurt dan iets dat veel mensen wel kennen als een verschijnsel in tijden van rouw. Dan is het alsof het grote verdriet tegelijk intenser doet genieten van alle kleuren en geuren, alle schoonheid en goedheid. Of zoals iemand die weet dat zij gaat sterven. Ook dan krijgt het leven vaak een diepte van betekenis waar ze voorheen aan voorbij leefde. Er is een remedie tegen het heersende gevoel van zinloosheid. Leven met de werkelijke ellende én met de werkelijke vreugde, niet omstebeurten maar tegelijkertijd. Alleen als we zo leren leven, kunnen we werkelijk recht doen aan alle ellende én aan alle vreugde. Dit ontvang ik van Jezus en ben ik beter gaan verstaan door chassidische verhalen. En het is mijn hoop dat de islam, die de eenheid zo centraal heeft in haar geloof, kan bijdragen aan het opheffen van het gefragmenteerde levensgevoel. Of is dit alleen een christelijk probleem?

 

 

 


21. Awraham Soetendorp

 

Deze dagen hebben een extra spirituele dimensie. De voorbereidingsperiode voor de ontzagwekkende dagen Rosj Hasjanah, begin van het joods jaar en Jom Hakipoeriem, de grote verzoendag. Wij schrijven elkaar wenskaarten en spreken elkaar toe. Lesjana towa, tikatevoe vetichatemoe, mogen jullie worden geschreven en bezegeld tot een goed jaar.

De boeken van leven en dood liggen als het ware open, zoals het gebed op de hoge feestdagen het pregnant uitdrukt. "Zoals een herder zijn kudde keurt, de schapen een voor een onder zijn staf doet doorgaan, zo laat u voorbijtrekken en telt en overweegt, oordeelt de ziel in al wat leeft, stelt elk schepsel zijn eindpaal en schrijft hem het vonnis dat zijn lot beslist. Op de eerste dag van het jaar wordt het geschreven, op de grote verzoendag wordt het bezegeld, hoevelen komen, hoevelen gaan, wie leven, wie sterven zal, ... wie stijgt, wie verzinkt. Maar inkeer en gebed en het doen van goede daden kan het kwade lot veranderen."

 

Weer een paradox. Op deze dagen waarop het joodse volk het meest teruggeworpen is op zichzelf in de intimiteit van de synagoge, de viering thuis, is het tegelijkertijd het meest verbonden met de wereldgemeenschap. Het is op die dagen dat ik ook de tegenstelling scherp voel tussen de omgeving, de stad die voorbijraast, de haast van het menselijk verkeer en de innerlijke rust die wij zoeken tijdens ons Chesjbon nefesj, het onderzoek van de ziel. Een van die momenten waarop ik weer scherper bewust ben van het grote verlies, de kleine minderheid die wij geworden zijn. De oorlog waarin meer dan honderdduizend joden vermoord zijn is pas vijftig jaar geleden geëindigd,

 

De traditionele lezingen uit de torah confronteren ons elk jaar weer opnieuw met de realiteiten van vandaag. De ochtend van de eerste dag lezen wij het verhaal van Jismaeel die op last van Sara met zijn moeder Hagar verbannen werd de woestijn in en hoe God zich bekommerde om deze kleine jongen. Hoe is de relatie tussen de kinderen van Avraham en de kinderen van Jismaeel. Dit jaar kunnen deze regels met realistisch optimisme gelezen worden. Het vredesproces is onomkeerbaar. God opent de ogen van Hagar en zij ziet een bron van water. Aan het eind van het tora‑gedeelte sluiten Awimelech en Avraham een verbond bij het water.

 

Zo zullen dit jaar met het gezamenlijk zoeken naar waterbronnen de vredesovereenkomsten nageleefd worden. Op de ochtend van de tweede dag lezen we de Akedat Jitschak, de binding van lzaäk. Het bijzondere van het verhaal was en is altijd gebleven het feit dat Jitschak uiteindelijk niet geofferd hoefde te worden. Dat er toekomst is voor onze nakomelingen. De ramshoorn die herinnert aan de ram die in plaats van Jitschak geofferd is wordt geblazen als een teken van hoop, van het dichtbijzijn van de messiaanse tijd, en dat geldt zeker voor dit jaar, want dit jaar, het joodse jaar 5755, is een vijftigste jaar, een jowel‑jaar. In Leviticus lezen wij: je moet zeven jaar‑weken aftellen, zeven maal zeven jaar, dan heb je dus een periode van 49 jaar. Laat dan in de zevende maand, de tiende van de maand de sjofar‑toon weerklinken. Op de dag van verzoening moetje de sjofar laten klinken in jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding, door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners".

 

Dit jaar, vijftig jaar na het einde van de tweede wereldoorlog, vijftig jaar na de oprichting van de Verenigde Naties, kan een jaar worden van herstel. De tijd is een vriend, niet een vijand, wanneer je de tijd leert heiligen. Laat dan dit jaar vrijheid worden gegeven aan de 78 miljoen slaven, waaronder zoveel kinderen, die nog slavenarbeid moeten verrichten, laat er een einde komen aan alle conflicten, laat de schuldenlast van het Zuiden aan het Noorden worden opgeheven. Moge de wereldgemeenschap opgetekend worden tot een goed jaar waarin verstoorde relaties worden hersteld. Lesjana towa.