sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
waarom kerkdienst?
gebaren en gebruiken
symbooltaal
spirituele weg
het nut van twijfel
kijk in de kerk
kerkbladmeditaties
ziekenzalving
theologenpagina
mystagogie vh ambt
kerk in de toekomst
preek als inwijding
liturgie en mystiek
verbeeldingskracht
welke boodschap?
charism vernieuwing
evang. feminisme
pinkstervrouwen
(kerk) humor
gezinsrituelen thuis
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

De positie van vrouwen in de pinksterbeweging

zuster Alt
Margaretha "zuster" Alt

 

In: Religieuze Bewegingen in Nederland 20

Themanummer: Pinksteren,

VU Uitgeverij, Amsterdam 1990

 

inleiding

Op 17-jarige leeftijd kwam ik tot persoonlijk geloof in de pinkstergemeente Immanuël, te Haarlem. Deze gemeente was in 1908 voortgekomen uit een gebedsgroep van enkele vrouwen en had in de eerste jaren van haar bestaan Riek Trompetter als voorgangster. Toen in 1911 de eerste man de Geestesdoop ontving, werd de leiding onmiddellijk in zijn handen gelegd. Dit stukje historie tekent de ambivalente houding van de pinksterbeweging ten aanzien van vrouwen die een ambt of bediening vervullen. De beweging ziet zichzelf als de vervulling van profetie van Joël, door Petrus op de Pinksterdag in Jeruzalem geciteerd (Hand 2:17,18): ‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt Go4 dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen: ja; zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.”

In dit artikel wordt nagegaan in hoeverre deze belofte voor vrouwen tot vervulling is gekomen.

 

 

Beknopte geschiedenis

In 1909 werd de zogenaamde Berlijnse Verklaring getekend die in scherpe bewoordingen de pinksterbeweging veroordeelde. Ook in Nederland heeft deze verklaring veel invloed gehad. Als één van de bewijzen van de duivelse oorsprong van de beweging werd aangevoerd dat deze vrouwelijke bedieningen toeliet.2

De pinksterbeweging ontstond in 1906 tijdens een opwekking in Los Angeles onder leiding van de zwarte slavenzoon William Seymour. Deze opwekking ging gepaard met spreken in Geestestalen en het wegvallen van vooroordelen ten aanzien van ras, klasse en geslacht. Vrouwen hadden een volledig aandeel in de bediening. Seymour schreef: ‘Wij hebben geen recht haar een strobreed in de weg te leggen, maar wij moeten mannen zijn van heiligheid, zuiverheid en deugd, die de standaard hooghouden en de vrouw in haar werk aanmoedigen, en God zal ons eren en zegenen als nooit te voren. Het is dezelfde Heilige Geest, zowel in de vrouw als in de man.”3

 

Zijn opvattingen over de doop in de Geest had hij opgedaan op een bijbelschool in Topeka, Kansas, waar de studente Agnes Ozman in 1901 als eerste de doop in de Geest met tongentaal ontving. Seymours blad ‘The Apostolic Faith’ had grote invloed op het Nederlandse echtpaar Polman-Blekkink en deed hen verlangen naar eenzelfde doop in de Geest.

 

 

Op 29 oktober 1907 werd Wilhelmine Polman-Blekkink ‘zodanig door de Heilige Geest (werd) aangegrepen, dat zij in tongen sprak en in de Geest een sterke hoge melodie zong en profeteerde’.4 Dit was de aanvang van de Nederlandse pinksterbeweging.

Wilhelmine en Gerrit Polman-Blekkink hadden elkaar leren kennen in het Leger des Heils, waarin zij beiden werkzaam waren. Het Leger, in 1865 gesticht door Catherine en William Booth, kende vanaf zijn aanvang teamleiderschap van vrouwen en mannen. Catherine Booth, van jongs af aan vurig feministe, had door de bediening van de bekende heiligingsevangeliste Phoebe Paliner een roeping van God tot evangelieverkondiging ervaren. Hun oudste dochter Catherine trouwde met de uit een Quakergezin afkomstige Arthur Clibborn.5 Catherine en Arthur, die na zijn huwelijk de naam ‘Booth’ aannam, kregen in 1886 de leiding over het Leger des Heils in Nederland en België. Onder invloed van de genezingsboodschap van John Dowie (Christelijke Algemene kerk in Zion, bij Chicago, VS) verlieten zij, evenals Gerrit Polnian en Wilhelmine Blekkink, in 1902 het Leger, en stichtten een Nederlandse Zionsafdeling. Het echtpaar Polinan-Blekkink nam hiervan in 1906 de leiding over, nadat zij door Dowie tot diaken en diacones waren ingezegend, beiden bevoegd om kerkdiensten te leiden, te preken en de sacramenten te bedienen.6

 

 

Een jaar na zijn vrouw ontving ook Gerrit Polman de Geestesdoop op een conferentie in 1908 onder de bediening van Mary Boddy. Zijn vrouw Wilhelmine nam ondertussen de preekbeurten van de inmiddels onafhankelijke samenkomsten in Amsterdam waar. Zoals door C. van der Laan in zijn boek De Spade Regen gedocumenteerd wordt, speelde in het begin van de Nederlandse pinksterbeweging een aantal vrouwen een leidinggevende rol.7 Wilhelmine Polman was een bekend predikster in binnen- en buitenland, sprak op conferenties, gaf onderwijs op leidersbijeenkomsten en leverde vaak een bijdrage door middel van andere geestelijke gaven als profetie, visioenen, tongen en vertolking. Riek Trompetter, die de doop in de Geest ontving na handoplegging van mevrouw Polman, leidde de gemeente in Haarlem. In Den Haag stelde Polman twee vrouwen aan als leiders van de gemeente, terwijl Ada Essenbach-Whiting, de eerste Belgische pinkstergelovige, in Antwerpen gemeentewerk verrichtte. De pinksterzendingsschool had bij aanvang zes zeven studenten waaronder slechts één man! In Apeldoorn gaven de dames Clinge-Dorenbos en Jonker leiding aan het christelijk herstellingsoord ‘Bethel’. De pinkstergemeente in Delfzijl is voortgekomen uit een gebedsgroep van Tine van Driesen en Bé Zwart.8 Vrouwelijke bedieningen waren ook toen al omstreden. Zo schreef Wilhelmine Polman in 1908: “Natuurlijk worden er opmerkingen gemaakt, dat ik de gave van genezing heb. Ik ben een vrouw, en een vrouw kan het niet hebben. Toch houd ik me aan de Heer. Ik kan niets doen, Jezus doet het allemaal.”

 

 

Met betrekking tot de periode na de beginfase van de beweging is er weinig bekend over vrouwen die een zelfstandig ambt of bediening uitoefenden. Zoals onder andere blijkt uit het boek: Pinksteren in beweging9 betreft het bijna altijd echtparen, waarbij de vrouw het werk van haar man ondersteunde. De meest opvallende uitzondering was Margaretha A. (‘Moesje’) Alt, stichtster van de Indonesische Pinksterzending, pionierster van vele gemeenten in Midden en Oost Java en in Nieuw Guinea, uitgeefster van het blad Gouden Schoven en van de veelgebruikte zangbundel Glorieklokken. Op haar 78ste jaar werd zij nog voorgangster van een gemeente in Arnhem. Zij was een drukbezet landelijk spreekster tot zij in 1962 op 79-jarige leeftijd overleed.


In de zestiger jaren waren het Karel en Elisabeth Hoekendijk en de ‘Beukenstein-echtparen’ Roose, De Groot, Hijink en Van den Brink die een belangrijk stempel zetten op de pinksterbeweging. Mevrouw Hijink evangeliseerde in onder andere Eindhoven, Nijmegen en Velp voordat zij voorgangster werd in Driebergen-Zeist.

Karel Hoekendijk werd na het gebed en de profetie van een vrouw genezen en geroepen tot evangelist. Zijn vrouw was reeds een jaar eerder gedoopt in de Geest. Elisabeth Hoekendijk en ook Elma van Riemsdijk leidden jarenlang bijbelstudie-kringen over de doop in de Geest en beïnvloedden vele predikanten en voorgangers. In België predikte Anke Rietdijk-van Hoften. Cato de Witte stichtte de Morgenlandzending en Corrie ten Boom was een internationaal bekende spreekster.

 

 

De huidige situatie (1990)

Mevrouw (‘Ma’) Rie Hijink, die leiding geeft aan de Volle Evangelie Gemeente Zeist, is vandaag de enige vrouwelijke pinkstervoorganger in Nederland. Officieel is echter haar man voorganger (zelf staat zij niet vermeld in het adressenboekje van de evangelische beweging) 10 en onthoudt mevrouw Hijink zich van de bediening van de sacramenten en het uitspreken van de zegen. Dit doet zij echter naar eigen zeggen niet op grond van principes, maar van ‘goede smaak’ - bovendien vindt zij het dopen van volwassenen door onderdompeling te zwaar werk.11

De enige andere pinksterpredikante Nel Bouw is enige tijd geleden overleden. Annemarie Graf, die mede-voorgangster was van de pinkstergemeente Andreas te Groningen, heeft onlangs een beroep naar Zwitserland aangenomen.

Enkele (meestal ongetrouwde) vrouwen of weduwen hebben wel een eigen bediening (waar zij ook hun levensonderhoud uit ontvangen) in met de pinksterbeweging verbonden maatschappelijk werk, interkerkelijke organisaties, bijbelschool of zending. Tevens zijn er nog enkele vrouwen die samen met hun man leiding geven aan een gemeente, hoewel zelden officieel als ‘voorganger’ of oudste. Volgens TJ. de Ruiter, verbonden aan de Centrale Pinkster Bijbelschool, kwamen er de laatste twintig jaar slechts drie vrouwen tot een zelfstandige bediening.12 Er zijn acht vrouwen en honderdachttien mannen ingeschreven als buitengewoon lid van de Broederschap van Pinkstergemeenten. (Gemeenten zijn ‘leden’, geestelijk werkers zijn ‘buitengewone leden’.) Na een statutenwijziging in 1986 is het in theorie mogelijk geworden dat vrouwen lid kunnen worden van het hoogste bestuursorgaan van de Broederschap, de Uitvoerende Raad. In de pinkstergroepen die beïnvloed zijn door J. van den Brink (Volle Evangelie Gemeenten) kent men bij uitzondering vrouwelijke (ongetrouwde) oudsten die lid zijn van de ‘broederraad’, het beleidsorgaan van de gemeente. Het ambt van diacones komt in meerdere gemeenten voor en is altijd gekoppeld aan een nauw omschreven taak.

 

 

In de zending bestaat nog steeds het merendeel van de werkers uit vrouwen.13 In Women’s Aglow, een interkerkelijke beweging die pinksterachtige bijeenkomsten voor vrouwen organiseert, bestaan de besturen voor ongeveer de helft uit pinkstervrouwen. In deze groeiende beweging, met momenteel zo’n dertig afdelingen, kunnen veel vrouwen hun organisatorische en pastorale talenten kwijt.

Pinksterkringen die beïnvloed zijn door de Stromen van Kracht beweging (Karel Hoekendijk) en diens opvolger Stichting Opwekking (Ben Hoekendijk), dan wel geïnspireerd door Jeugd met een Opdracht, kennen vaak vrouwelijke zangleiders (vergelijkbaar met een cantor). Deze bediening is van groot belang voor de samenkomst, maar brengt geen bestuurlijke of beleidsbevoegdheden met zich mee. Inbreng van leken is mogelijk tijdens de ‘aanbiddingsdienst’, een periode van gebed en spontane zang waarin een profetie, visioen of bijbeltekst doorgegeven kan worden. Hierin is de bijdrage van vrouwen vaak groter dan die van mannen.

Concluderend, is over het algemeen het ambt voor vrouwen in de Nederlandse pinksterbeweging niet of nauwelijks toegankelijk. In het begin van de beweging werkten er meer vrouwen in een ambt of bediening dan nu.14 Naarmate er meer nadruk ligt op het ambt, is de rol van de vrouw in de gemeente kleiner. Op een enkele uitzondering na, zijn vrouwen met een preek- of onderwijsbediening echtgenotes van leiders.

 

 

De plaats van vrouwen in de pinkstertheologie

Binnen de pinksterbeweging worden de meest uiteenlopende uitspraken gedaan over de positie en de rol van de vrouw. De nadruk op de gaven van de Geest als voorwaarde voor het functioneren in de gemeente veroorzaakt een spanning met de fundamentalistische bijbeluitleg die de inbreng van de vrouw beperkt. Met recht noemt Walter Hollenweger het verschijnsel van vrouwelijke predikers een tegenstrijdigheid in de leeropvattingen van de pinksterbeweging.15 Vooral in het begin van de beweging werd benadrukt dat de ‘oogst rijp is, en arbeiders weinig zijn’ en vrouwen dus nodig zijn om ‘zielen te redden voordat Jezus wederkomst’. 16 Naarmate de verwachting van de spoedige wederkomst afzwakte, werd de houding ten aanzien van vrouwelijke bedieningen ambivalenter.

In 1935 schreef Margaretha Alt: “Enorme schade heeft de Kerk geleden in den loop der eeuwen, doordat men de Woordverkondiging door middel van begaafde, hoogstaande vrouwen verbood en dat alleen gegrond op een niet goedbegrepen tekstwoord.” Elders noemt zij de totaal verkeerde uitleg van 1 Timotheüs 2:11 en 1 Corinthiërs 14:35 (op grond waarvan de vrouwelijke inbreng beperkt wordt) een ‘strik van Satan.’ Zij waarschuwt dringend tegen dit misbruik van de Schrift waardoor geroepen predilcsters hun taak ontmoedigd neerleggen en ‘Satan zijn doel heeft bereikt’.17

 

In het begin van de pinksterbeweging was er eigenlijk maar één criterium voor een ambt of bediening, namelijk de ‘zalving van de Geest.’ Dit duidt op het uitoefenen van de geestelijke gaven zoals genoemd in 1 Corinthiërs 12, waardoor mensen tot berouw, bekering, bevrijding of genezing komen.

In de woorden van Corrie ten Boom: “Er is echter één ding, dat noch man noch vrouw kan missen: de zalving van de heilige Geest die ons toerust om te spreken.”18 Mensen met deze ‘zalving’ werden door de gemeenschap erkend en hun werd alle ruimte gegeven. De Amerikaanse pinksterkerk waar ik zelf als pastor heb gewerkt kende twee oude pastores die al vanaf hun negende jaar(!) predikten. Eén van hen was een vrouw.

J.E. van den Brink verwoordt het in de beweging veel voorkomende standpunt dat alleen in het huwelijk de vrouw onderdanig aan de man is. In de gemeente mogen mannen en ongetrouwde vrouwen gelijkwaardig functioneren, naar de gaven die God hun geeft. (In de praktijk kunnen vrouwen echter beter niet in de ‘broederraad’ komen, want zij zouden wel eens kunnen gaan trouwen en dan gaan heersen over hun eigen man!).19

 

Christina, het kwartaaiblad van de vrouwenafdeling van de Broederschap van Pinkstergemeenten, vindt dat “de vrouw ... in de bediening (mag) staan als God het zo leidt” en dat, op grond van Genesis 1:26, zij is geroepen om te “heersen over de machten.” “We moeten echter wel de goddelijke rangorde aanhouden, zowel in de gemeente als in het gezin: God, Christus, man, vrouw. Als we daar moeite mee hebben, is dat meestal uit onvrede met ons vrouw-zijn.”20 Ook R. Ulonska waarschuwt tegen ‘valse emancipatiegevoelens’ die door de ‘scheppingsordinantie moeten worden geremd’.21 De man wordt met een beroep op de ‘natuurlijke rangorde’ gezien als moreel verantwoordelijk voor zijn vrouw. Gelijkwaardigheid van de vrouw wordt gecombineerd met gehoorzaamheid aan haar man. De man moet de vrouw dienen door haar op een goede manier leiding te geven.22 Mevrouw Hijink, voorgangster in Zeist, is het hier echter niet mee eens: ieder mens is individueel verantwoordelijk voor God en de man mag niet voor de vrouw bepalen wat zij al of niet behoort te doen?

Dat vrouwen niet zelfstandig moreel verantwoordelijk worden geacht kan tot bizarre conclusies leiden. Ik maakte eens een discussie met enkele pinkstervrouwen mee over de vraag of je je man moest gehoorzamen als hij over partnerruil begon.‘Ja’, vond er één, ‘want Sara gehoorzaamde Abraham en ging de harem van de farao in, en haar gehoorzaamheid wordt ons in 1 Petrus 3 tot voorbeeld gehouden’. Dergelijke redeneringen zijn geen uitzondering.

 

De ambivalente houding ten opzichte van de vrouw blijkt het meest uit enkele artikelen in het blad Opwekking (25/275, jan. 1986). Alle elementen die in het evangelisch feminisme voorkomen, zijn aanwezig. Er wordt naar de praktijk gekeken: God zelf bevestigt vrouwelijke bedieningen. De belofte van Joël wordt aangehaald: door de komst van de Geest is er een nieuwe tijd gekomen waardoor iedereen in Christus gelijk is. Met beroep op de bijbel worden voorbeelden gegeven van vrouwelijke leiders; ‘moeilijke’ teksten worden opnieuw uitgelegd; de culturele context van sommige uitspraken wordt benadrukt. Men vindt dat, sinds de val, de heerschappij van de man over de vrouw in Christus ongedaan is gemaakt. Mevrouw Beerman-de Roos pleit voor een androgyn mensbeeld (maar spreekt even later over ‘typisch vrouwelijke’ eigenschappen). Galaten 3: 26-28 wordt als kerntekst besproken: in Christus is noch man noch vrouw.

Tegelijkertijd wordt er gesteld: ‘Er is wel verschil in taak en bekwaamheid’ (d.w.z. een vrouw inspireert en een man geeft leiding). Hoewel: “in sommige gevallen zou zij beter op bepaalde punten de leiding kunnen hebben.” Ben Hoekendijk (schoonzoon van Rie Hijink) pleit in zijn conclusie voor een beoordeling naar gave en niet naar geslacht. Ook Parakleet, het kaderblad voor de Broederschap van Pinkstergemeenten, publiceerde de laatste jaren enkele (omstreden) artikelen die, op grond van de bijbel de gelijkwaardigheid van de vrouw in kerk, gezin en maatschappij verdedigen.

 

Conclusie: een onvervulde belofte

Uit het bovenstaande blijkt wel, dat de bijbeluitleg niet alleen bepalend is voor de positie en de rol van de vrouw in de pinksterbeweging, hoewel men dit zelf wel meent? De ervaring heeft vaak een bijsturende werking op de geloofsopvattingen. Uit de geschiedenis blijkt echter dat als het eerste vuur uitdooft en institutionalisering optreedt, er steeds minder ruimte aan vrouwen wordt gegeven.27

Charles Barfoot en Gerald Sheppard van de Amerikaanse pinksterdenominatie de Assemblies of God herleiden dit tot de profetische en priesterlijke fasen in de pinksterbeweging.28

 

Een profetische beweging ontstaat in reactie op een heersend systeem waarin gezag gelegitimeerd wordt door heilige traditie. Dit is het priesterlijke gezag. In de profetische fase (de beginfase van een tegenbeweging) wordt gezag vooral toegekend op grond van persoonlijke roeping en charisma. Barfoot en Sheppard tonen aan dat de grote rol van vrouwen in de beginfase van de pinksterbeweging verbonden was met het profetische zelfverstaan van de beweging. Naarmate het charismatisch élan verdween en het belangrijk werd om door de maatschappij te worden geaccepteerd, kwamen de profetische en priesterlijke vormen steeds meer naast elkaar voor. Priesterlijk gezag werd uitsluitend door mannen uitgeoefend en verbonden met functies als de bediening van de sacramenten en het uitoefenen van bestuurlijke macht. In 1931 werd er door de General Council van de Assemblies of God de resolutie aangenomen om geen vrouwen toe te laten tot priesterlijke functies. Deze resolutie werd in 1935 ongedaan gemaakt, maar de inmiddels algemeen aanvaarde opvattingen over de rol van mannen en vrouwen verhinderden dat dit besluit enig effect had.29 Gaandeweg kwam er dus een steeds scherpere scheiding tussen gezag dat aan positie (en dus geslacht) is verbonden en gezag dat gebaseerd is op een door de gemeenschap erkende gave. Of, zoals een pinksterschrijfster het onlangs formuleerde: “Naast het gezaghebbend leiderschap van de man staat voor mij het charismatisch leiderschap van de vrouw.” 30

 

Men kan dus stellen, dat bij het voortgaan van de pinksterbeweging de in de cultuur heersende man- en vrouwbeelden uiteindelijk bepalend zijn geworden. Dit geldt zowel voor de rol van de vrouw in gezin, kerk en maatschappij, als voor de uitleg van de Schrift. De belofte uit Joël, waarop men zich beroept, functioneert niet als een profetisch ‘tegenover’, dat de eigen beweging steeds weer kritiseert. De pinksterbeweging belijdt dat de Geest is gegeven aan de gemeente om nu reeds iets van het koninkrijk van God zichtbaar op aarde te maken. De radicale implicaties hiervan heeft zij echter nooit werkelijk aangedurfd. De ‘wereldse’ machts- en gezagsstructuren op grond van ras, klasse, of geslacht zijn niet onder profetische kritiek gesteld. Hoewel in aanleg begonnen als gemeenschappen gekenmerkt door een ‘discipelschap van gelijken’, waarin armen en rijken, blanken en zwarten, mannen en vrouwen gezamenlijk en persoonlijk verantwoordelijk waren voor elkaar, is de pinksterbeweging geworden tot een bourgeois instituut dat alle profetische daadkracht en engagement heeft verloren. De feministische theologe Ruether wijst er op, dat het dienaarschap van Christus, waartoe alle mensen zijn geroepen, alleen open staat voor bevrijde mensen. De profetische Christus heeft hiërarchie als heersersprincipe radicaal verworpen. Dienaarschap geïnspireerd door de Geest van de profetische Christus oefent macht uit op een nieuwe manier: “niet door mensen afhankelijk te maken, maar ze op te heffen en te bevrijden.” 31

 

Margaretha Alt was zich hiervan al bewust en wees voortdurend op het feit dat God zelf vrouwen roept. “Indien zij (..) diep in haar hart overtuigd is dat deze zaak van Hem is, dan trotsere zij iedere tegenwerking en reize de weg die God haar toonde met blijdschap en volkomen toewijding.” 32 Door het vasthouden aan de hiërarchische ‘scheppingsorde’ van een zondige cultuur, worden vrouwen in de pinksterbeweging ontmoedigd om zelf verantwoordelijkheid te dragen voor de ontwikkeling en inzet van hun gaven tot dienst van de wereld. In het licht van de Joël profetie moet men daarom concluderen dat, wat vrouwen betreft, de pinksterbeweging een onvervulde belofte is.

 

 

Noten

1. Zie o.a. C. van der Laan en P.N. van der Laan, Pjnksteren in Beweging, Vijfenzeventig jaar pinkstergeschiedenis in Nederland en Vlaanderen, Kok, Kampen 1982, p.7.

2. Dr. C. van der Laan, De Spade Regen, geboorte en groei van de Pinksterbeweging in Nederland, 1907-1930. Kok, Kampen 1989, p.49.

3. Geciteerd in Spade Regen, p.44.

4. De Spade Regen, p.66.

5. De Quakers werden gekenmerkt door volledige gelijkheid van mannen en vrouwen m.b.t. taak en verantwoordelijkheid. De eerste uitgebreide bijbelse verdediging van het recht van vrouwen om te prediken werd in 1666 geschreven door Margeret Fall, echtgenote van de stichter. Directe voorloper van de pinksterbeweging was de Amerikaanse heiligingsbeweging, die vooral via de Keswick conventies ook in Nederland invloed uitoefende. De geschriften van Hannah Whitall Smith, een prominent spreekster en bijbellerares van de heiligingsbeweging, waren wijdverspreid. Minder bekend is dat zij ook een bijbelstudie over het moederschap van God schreef. Het zou interessant zijn te onderzoeken in hoeverre de vrouwen uit het Nederlandse Réveil die later actief waren in de strijd voor het vrouwenkiesrecht, beïnvloed waren door de Keswick conventies en de prominente rol die enkele vrouwen daarin speelden.

6. De Spade Regen, p.64.

7. Resp. p.76: het werk van Wilhelmine wordt door de (pinkster)auteur omschreven als:

“Zuster Polman deelde volledig in de bediening van haar man.” (mijn nadruk); p.88; p.98; p.84-85; p.ll 1-112; p.lO4. Citaat Wilhelmine Polman: p.150.

8. Pinksteren in Beweging, p. 19.

9. Zie noot 1.

10. Gele Gids, Uitgave Stichting Opwekking, Putten. Het is kenmerkend dat invloedrijke voorgangsters als ‘Moesje’ Alt en ‘Ma’ Hijink in de beweging gelegitimeerd worden door een moederlijke eretitel.

11. Telefonisch interview, augustus 1989.

12. Reformatorisch Dagblad “Evangelische christenen bezinnen zich op de bediening van de vrouw”, door 3.G.H. van Ginkel, 27 mei1989.

13. Drie van de vier zendingswerkers, volgens Marja Meerburg in “De evangelische bijdrage aan het feminisme”, Religieuze bewegingen in Nederland najaar 1984, p.79-92.

14. In Amerika ziet men hetzelfde verschijnsel. In 1918 was in de Amerikaanse pinksterbeweging 21% van de predikanten vrouw. Zij hadden echter geen toegang tot leiderschapfuncties in de organisatie en werden pas in 1935 volledig erkend. Edith Blumhofer, voormalig kroniekschrijfster van de Assemblies of God, ziet de oorzaak vooral in de kijk op het ambt in haar artikel: “The Role of Women in the Assemblies of God’, Heritage, Vol.7, No.4, Winter 87-88. Zag men in het begin de bediening vooral als ‘dienst’, later werd het een bron van status of inkomen - en dus minder toegankelijk voor vrouwen.

Tot op vandaag is geen enkele vrouw lid van het hoogste bestuursorgaan geweest. Dit teruglopen van de invloed van vrouwen in een beweging die zich consolideert, wordt ook geconstateerd in de katholieke charismatische beweging: Women of the Cloth, J.W. Carroll, B. Hargrove, A. Lummis, Harper & Row, San Francisco, 1981, p23.

15. W.J.Hollenweger, The Pentecostals, Augsburg Publishing House, Minneapolis 1977, p.486-489.

16. Zr. M.A. Alt, Mag de vrouw spreken in de Gemeente? Een boekje met bijbelstudies over de bediening van de vrouw. In overeenstemming met de richtlijnen van de Assemblies of God, waarbij zij als evangeliste was aangesloten, onthield zij zich van de bediening van de sacramenten.

17. “Het spreken van vrouwen in de Gemeente”, Gouden Schoven, maart 1935.

18. Geciteerd door Ben Hoekendijk in het artikel “In Christus is noch man noch vrouw”, Opwekking 25/275, januari 1986. Dit criterium wordt ook door de Johan Maasbach Wereldzending gehanteerd. Deze pinkstertak kent (nog) vrouwelijke prediksters, die echter geen sacramenten bedienen, tenzij bij gebrek aan mannelijke voorgangers.

19. J.E. van den Brink, De vrouw in de gemeente, Veba, Baarn.

20. Christina kwartaalblad voor de christenvrouw, “Het zoonschap ook voor de vrouw”, no.37, maart 1985, p.l0.

21. “Het spreken van vrouwen in de gemeente”, door R. Ulonska, Woord en Geest 2/14-15,

1979.

22. Zie o.a. de argumentatie van Els ter Welle, “Kan feminisme evangelisch zijn?” Berichtgeving van In de Ruimte 2/3, 1989,29e jaargang no.1, Soest.

23. Telefonisch interview, augustus 1989.

24. Sinds het bekend is geworden dat er evangelischen zijn die zich ook feminist noemen, is er in pinksterkringen een hevige discussie losgebarsten. De term is in Nederland geïntroduceerd door het echtpaar Suurmond-Vonkeman, in navolging van de Engelse en Amerikaanse ‘evangelical feminists’ uit de 18e en 20e eeuw. Zij publiceerden hierover in o.a. het evangelisch blad Soteria (dec. 87 en dec. 89) en in Mara (Jan. 89).

25. “Gelijkwaardigheid van de vrouw”, door Jean-Jacques Suurmond, 4:15 (1984) pp.24-31; “De vrouw in het ambt”, door Annemarie Graf, 8:28, (1988), pp.3-8.

26. Ook mevrouw W. Folmer verklaart de geringe plaats van de vrouw in de pinkstergemeente uit het fundamentalistische bijbelgebruik, “Karakter en oecumenische gezindheid van pinkster- en charismatische groepen in Nederland”, Kosmos en Oecumene 8/no.10, 1974. Toch geloofden al in de 19e eeuw de zg. proto-fundamentalisten dat het weren van vrouwen uit de bediening een ontkenning van de autoriteit van de Schrift was. Zie:

Jeanette Hassey, No time for Silence: Evangelical Women in Public Ministry Around the Turn of the Century, Zondervan, Grand Rapids 1986.

27. Vergelijk bv. de pinksterdenominatie gesticht door mevrouw Aimee Semple MePherson: in 1944 was 67% van de predikanten vrouw. In 1978: 42%, een teruggang van 25%.  Uit: “Prophetic vs. Priestly Religion: the Changing Role of Women Clergy in Classical Pentecostal Churches”, Review of Religious Research, Vol. 22, No. 1: 2-17, door C.H. Barfoot en G.T. Sheppard.

28. Zie noot 27. Zij maken gebruik van de sociologische analyse van Max Weber. Ook Rosemary Ruether en Eleanor McLaughlin vragen zich af, waarom kerken die het priesterlijk leiderschap benadrukken veel vrouwonvriendelijker zijn dan kerken die profetisch, verkondigend leiderschap kennen. De eerste kerkvorm kent veelal het romantische mensbeeld, met een sterke man-vrouw polariteit. De profetische traditie is sinds de 19e eeuw meer verbonden met het egalitaire liberalisme. Women of Spirit, Female Leadership in the Jewish and Christian Traditions, Simon Shuster, New York, 1979, p.27- 28. In later werk zoekt Ruether een theologisch antwoord bij de in de kerken voorkomende godsbeelden en interpretaties van Christus. Zie ook noot 31.

29. Aldus Edith Blumhofer, zie noot 14.

30. Zie noot 12.

31. Rosemary Radford Ruether, De laatsten zullen de eersten zijn,Messiaanse cultuurkritiek, Kuyper-lezingen 1980, Ten Have, Baarn, p.68

32. Mag de vrouw spreken in de Gemeente?, p.8