sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
wat is het?
bijbel
lectio divina
kracht onderweg
stem van verlangen
preken
bijbelpreken
wie ben ik?
bach-preken
popsongpreken
kerstverhalen
atheïsme en geloof
crucifixen
lam van God
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Mijn lief en zijn wijngaard



Preek bij Matth 21

(Jezus sprak) 33 Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis. 34 Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde. 36 Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde. 37 Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. 38 Toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken,” 39 en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. 40 Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’ 41 Ze antwoordden: ‘De onmensen! Laat hij ze op een mensonwaardige manier ombrengen en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’ 42 Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen:

“De steen die de bouwers afkeurden
is de hoeksteen geworden.
Dankzij de Heer is dit gebeurd,
wonderbaarlijk is het om te zien.”
43 Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen. 44 Wie over die steen struikelt zal gebroken worden, en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’
45 Toen de hogepriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat hij over hen sprak. 46 Ze wilden hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de volksmassa, daar men hem voor een profeet hield.


Vandaag klinkt het lied van mijn lief en zijn wijngaard en ik hoop dat u het hoort. Want God bereidt zich voor op een bruiloft. Hij graaft wijngaarden waar de wijn van zijn koninkrijk verbouwd kan worden en de liefde gevierd. Waar een omheining je beveiligt, een uitkijktoren je helder zicht geeft op wat er speelt en een wijnpers ons helpt om die aardse druif van het leven te veranderen in wijn van de hemel.

Wijngaarden zijn plekken waar de toekomst van God al een beetje waar is, waar je al iets voorproeft van hoe het uiteindelijk zal zijn. De hele bijbel door struikel je over wijngaarden. Wat is het eerste dat er gebeurt na de zondvloed? Noach legt een wijngaard aan. Wat vinden de verspieders in het beloofde land: druiventrossen. Wat is het eerste wonder dat Jezus doet? Hij verandert water in wijn. Laten we de wijngaard ingaan, morgenvroeg, zo zingt de bruid in het Hooglied van de liefde, laten we kijken of de wijnstok al is uitgebot, zijn bloesems al ontloken, de granaatappel al bloeit. Daar zal ik jou beminnen. (Hg7)


Wijngaarden zijn plekken waar bruid en bruidegom, God en zijn volk, Christus en de wereld, dronken worden van vreugde, dronken van de liefde. Wijngaarden zijn toekomstplekken. Een soort doorgeefluikjes van de eeuwigheid. Israël is zo’n wijngaard. Als het goed is, is de kerk zo’n doorgeefluikje. En diep verscholen, in het hart van ons eigen persoonlijke bestaan, ligt ook een wijngaard, een toekomstplek. Daar is het dat de Geest van God ons aanstuurt, verborgen voor ons zicht maar wel merkbaar in de vruchten van ons leven. Daar is het dat mensen geboren worden als mensen niet van het verleden, maar van de toekomst.

Maar wie zijn dan die wijnbouwers waar Jezus het over heeft? In het verhaal van Jezus is het duidelijk. Dat zijn wij, u en ik. Wijnbouwers zijn mensen die echt werk maken van hun leven. Die zorg en aandacht geven aan hun ziel, aan hun geloof, aan hun relatie met God. Met aandacht leven, zorg dragen voor wat echt belangrijk is. Mensen die niet alleen maar voor zichzelf leven maar zich toeleggen op de toekomst van God. Dat wat God wil, ook echt waar zal worden, hier en nu, op de aarde.


En de zon schijnt en de regen valt en de druiven rijpen. Juist de felle zon en de strenge kou maken de schil stevig en vormen grote druiven want de ziel rijpt door tegenslag en zalig zijn de armen van geest want zij zullen God zien. En God gaat zijn gang door de geschiedenis langs breuken en oorlogen en tsunami’s en desert storms en zijn Geest blijft zich uitstorten op alle vlees en doorstroomt het leven en de oogsttijd breekt aan. Nu is de oogsttijd, nú zijn de vruchten rijp. En God stuurt zijn knechten om de oogst in ontvangst te nemen zodat de wijn van het koninkrijk gedronken kan worden en de bruiloft kan beginnen.


De eeuwigheid bonst op je deur. De Heer van de wijngaard laat van zich horen. Die momenten herken je hieraan: het is altijd een vraag naar grotere overgave. Want het gaat om de ziel die niet je bezit is maar Góds bezit en uit wiens hand je het leven van het koninkrijk ontvangt. Mensen van de tijd kunnen de eeuwigheid alleen ontvangen, nooit bezitten. Gods toekomst vraagt loslaten, niet vasthouden. De toekomst die van God komt herken je omdat het inbreekt in je huidige bestaan. En altijd gaat het om loslaten en vertrouwen, om overgave.


Het is het moment van de waarheid: ga je als puntje bij paaltje komt, alleen door het leven of ga je met God? Zet je alvast de tafels klaar voor een bruiloftsfeest of stuur je de knechten weg en als ze aandringen, sla je ze dood?

Hieraan herken je het verschil tussen de ware gelovige en de beheerder. Voor de één is de klop op de deur de aankondiging van een bruiloft, voor de andere is het een bedreiging van alles wat hij meent te bezitten. De wijnbouwer slaat de toekomst dood want in de grond van de zaak vertrouwt hij het zaakje niet, het leven niet, en God niet. In de grond van de zaak is God er om hem aan een wijngaard te helpen en dan moet hij maar vooral op reis blijven. Sla ze dood, die inbreuken, negeer ze, doof hun stem, timmer het dicht.


Maar onherroepelijk breekt de oogsttijd aan, bruiloftstijd en God verlangt naar het feest van dronken vreugde en uitzinnige liefde en dus stuurt hij niet een leger, maar zijn zoon, de bruidegom.

En de zoon zingt het lied dat zijn vader hem leerde, het lied van zijn lief en zijn wijngaard: je bent zo mooi, vriendin van mij, je bent zo mooi, mijn bruid, ga met mij mee, kom en daal af, weg van de bergen waar leeuwen huizen, weg van de holen waar panters schuilen, bruid van me, je brengt me in vervoering, hoe heerlijk is je liefde, hoeveel zoeter nog dan wijn.


Dat is de stem van de zoon die lijkt op zijn vader. Als je dat liedje hoort, dan weet je wie je voor je hebt. Dat is het lied van de wijngaard van God, dat is het lied dat zingt in de druiven die groeien aan wijnranken door God zelf geplant, dat zijn de vruchten die God in jouw leven doet groeien, dat is het lied van je ziel, het klinkt in het sap van de ranken en fonkelt in de beker van het verbond. Het stroomt door je aderen en in al je vriendschappen, het neuriet in het licht op de bomen en in de ontembare hoop in je hart. Hier en nu is het feest van de liefde van God en mens, hoor hij roept je.

En de zoon zingt het lied van zijn vader: mijn zusje, mijn bruid, je bent een besloten hof, een gesloten tuin, een verzegelde bron, kom, drink en word dronken van liefde…


Maak dat lied niet monddood omdat je bang bent de controle te verliezen of het geloof dat je kent, of omdat je denkt dat je te min bent, of dat het niet waar kan zijn want het onkruid woekert zo en leeuwen en beren versperren de weg. Luister niet naar die valse tegenstemmen in jezelf, de stemmen om je heen die zeggen dat het niet waar kan zijn, die zeggen dat God niet bestaat, of boos op je is, of alweer op reis of anders in slaap is gevallen. Hier is de zoon, de erfgenaam. Hij is degene die werkelijk thuis hoort in de wijngaard. De enige die in jouw ziel thuishoort is de zoon van God, uit God geboren, uit God voortgekomen en thuis in jouw ziel, jouw wijngaard. Dat is je bruidegom, degene die beantwoordt aan je diepste verlangen en hoogste bestemming. Beheerders zijn bestemd om bruid te worden.

Wat willen jullie doen met de stemmen in je die de knechten mishandelen en de zoon vermoorden?

Wat willen jullie doen?

Ik verwoest die wijngaard, zegt God de Vader. Ik haal de omheining weg, mijn levend woord, zodat niemand het verschil meer weet tussen mijn volk en de wereld, tussen de wereld en zijn ziel. Laten de varkens maar komen die de wijnranken omwroeten, laten de distels woekeren en het lied van de liefde versmoren. Laten de mensen maar vergeten dat zij een ziel hebben en dat de wijn van het koninkrijk voor hen bestemd is.


Nee, zegt de zoon en springt op de bres voor zijn bruid, zijn ongelovige geliefde. Verpletterend is zijn liefde, zijn overgave, zo verpletterend zijn vertrouwen in God en mens, zo keihard zijn vertrouwen in de toekomst die waar wil worden – daar slaat al onze weerstand op stuk. Wijnbouwers zijn we, pachters, zo beginnen we allemaal. Maar onze toekomst ziet er anders uit. U en ik, we zijn bestemd om bruid te worden van de zoon, mede-erfgenamen van het rijk van God, dronken van de wijn van de vreugde. Nú is de tijd van de oogst. Hoort u de klop op de deur? Luister, daar klinkt het lied van mijn lief en zijn wijngaard.

TerugVerder