Burnout en geloof

door M. Vonkeman
De geestelijke weg is een  menselijke weg. Dat wil zeggen dat alles wat aan mensen eigen is, ook optreedt in de omgang met God. Daarom kunnen (en moeten) alle verschijnselen op meerdere lagen tegelijk verstaan worden. Er is een lichamelijk aspect, een psychologisch verhaal, een sociale dimensie en een geestelijke kant van de zaak. Burnout heeft lichamelijke aspecten, psychologische inzichten zijn nodig, je moet de sociale dimensie verstaan, hoe het in de cultuur en op je werk in elkaar steekt en wat daar mee speelt.  Inzicht krijgen hierin is van groot belang. Maar er zit ook een kant aan die met de werking van God in ons leven te maken heeft.

Johannes van het Kruis, een Spaanse dichter en monnik uit de 16 e eeuw heeft veel geschreven over de donkere nacht van de ziel. De donkere nacht is een woord voor een pijnlijke periode in het leven waarin God op heel andere manier aan het werk in de mens, met het doel deze te bevrijden. In zijn boek de bestijging van de berg de Karmel beschrijft hij het proces vanuit de mens gezien, en in het boek De Donkere nacht, (dat is een toelichting op zijn gedicht van die naam) vertelt hij over die nacht vanuit God gezien. In zijn boek Vlam van liefde levend beschrijft hij de brandende werking van Gods liefde. Dodend heb je dood omgezet in leven! roept hij uit. Johannes van het Kruis ziet het leven als een groot proces van verandering, waarin God de mens langzaam aan steeds meer afgestemd maakt op ‘de smaak van God’: een omvormingsproces. Alles in het leven wordt in dat licht bekeken: zowel het geluk als het ongeluk, de goede dingen die je doet en de fouten die je maakt, alles wordt bekeken op zijn omvormingsmogelijkheden.

De verandering waar het om gaat is radicaal: je wordt helemaal anders in het leven gezet. De manier waarop je naar jezelf kijkt, de manier waarop je anderen ziet, je waarden, je tijdsbesteding, je relaties, alles wordt als een blokkendoos ondersteboven gezet. Johannes ziet daarin twee fases: een loutering van de zinnen (het zintuiglijke niveau) en een loutering van de geest (het geestelijke niveau). Eerst zochten we God nog zoals we iets anders ook zoeken: in het verlengde van onze behoeften en voorkeuren. We leefden nog vanuit een oppervlakkige laag. Maar in elk mens zit een spirituele kern: de geest waar Gods Geest ons rechtstreeks aangrijpt. Meestal zijn we ons niet van die kern bewust. We hebben geen idee dat we ook op heel andere manier voortbewogen kunnen worden dan nu. 

Relatielagen

Vanuit de mystieke traditie worden er drie manieren onderscheiden hoe mensen in relatie met hun omgeving treden. De manier waarop je contact maakt, waaruit je reageert en handelt en voelt, de motivatie achter wat je doet, komt uit één van deze drie persoonslagen.

1. Je kunt omgaan met het leven vanuit wat je nodig hebt, je behoefte aan eten, veiligheid, respect, contact. Je eigen behoeften vormen de bril waarmee alle situaties worden beoordeeld. Zo beginnen we allemaal: zo zijn baby’s en zo zijn we nog steeds meestal. Anders zouden we niet in leven blijven als we niet letten op onze behoeften. Goed weten wat je nodig hebt en daarvoor verantwoordelijkheid nemen is deel van het volwassen worden voor ieder mens. Ons lichamelijk bestaan vereist dat we op verantwoorde manier zorgen voor wat we nodig hebben.

2. In de loop van je leven ontwikkel je een groter besef van wie je echt bent. Je offert je misschien weleens op voor een groter doel. Of je zet je in voor iets goeds, voor een ander: je behoeften zijn niet altijd meer doorslaggevend, er zijn waarden die je volgt zoals je geloof in God, of vanuit menselijke waarden die je hoog hebt. Op zulke momenten leef je vanuit je geestelijke laag. Je valt niet meer samen met wat anderen vinden, je bent geen massamens maar je maakt eigen keuzes. Niet op ieder terrein en niet altijd, maar soms reageer je toch echt van binnenuit, vanuit wie je zelf bent als uniek persoon. Vanuit je diepe gevoel, zeggen ze waar ik woon. Meestal volgen we onze behoeften, maar soms doen we iets vanuit die geestelijke laag. Dat maakt ons tot hoogst persoonlijke individuen. Maar dat is nog wel altijd vanuit jezelf, van uit wat jij weet en belangrijk vindt.

3. Er is nog een derde mogelijkheid, één die we aan Jezus hebben gezien. We zijn geschapen naar het beeld van God, zegt de bijbel. In elk mens zit een soort afdruk, een ruimte, een haakje in God, zoals iemand het eens zei. Het putje van de ziel, de landingsplaats van de Geest, een wezenskern die door God gevormd wordt. Het is voor mensen mogelijk om door Gód bewogen te worden: om vanuit die diepste wezenslaag door God zelf het contact te maken met de wereld om je heen. Dan vallen redenen en motieven weg – je luistert a.h.w. naar wat erdoor jou heen gezegd wordt. God werkt in alles en door alles – en daar vertrouw je op, daar leef je uit. 

Je leven blijft hetzelfde, je wordt niet iemand anders, maar je liefhebben en bewogen worden krijgt nu de vorm van Gods liefde, Gods motivatie. En die is voor ons niet altijd te volgen. Sommige profeten vertoonden dan ook een heel onthutsend gedrag. Zonder ‘waarom’ handel je, zeg je ja of zeg je nee. Je weet niet zeker of het eigenlijk wel het beste is, misschien wel niet, je doet je best om zo eerlijk mogelijk te zijn, maar in de grond van de zaak ligt geen keuze: je wordt bewogen. Niet vanuit je behoeften, niet vanuit je waarden, maar vanuit iets wezenlijks dat je misschien terugkijkend kunt herkennen, maar meestal niet terwijl je bezig bent. In de woorden van het gedicht: je huis ligt te slapen – je gewone bewustzijn weet het niet. Geen ander licht dan wat in je binnenste brandt: maar de nacht is wel aardedonker. Die nacht heb ik het liefst, zegt Johannes. Want in dat donker is God verenigd met de mens. Beminde opgegaan in Beminde. Je hebt er zelf geen weet meer van en je kunt je daar dus ook niet op oriënteren. Dat kan heel verwarrend zijn totdat je vertrouwen gegroeid is.

Kenmerken

In de donkere nacht wordt eerst het zintuiglijke uitgezuiverd. Je behoeften worden helder gemaakt zodat je er verantwoordelijkheid voor kunt nemen. Je komt je schaduwkanten tegen, je verborgen drijfveren. Dan komt de zuivering van het geestelijke: van je waarden, van je geloof. Je godsbeelden worden zichtbaar en verliezen hun kracht. Het wordt donker en er blijft niets over van het licht van het geloof waar je eerst uit leefde. Waar eerst jij nog in God geloofde wordt het nu steeds meer: God gelooft in joú. Het is de overgang van actief leven, zelfbewogen, naar passief-actief leven: ingezet worden door God. Het allermoeilijkste aan de nacht is het verlies van al je houvast: je hebt niets meer om je op te oriënteren – God zelf neemt de oriëntatie weg volgens Johannes van het Kruis. Hij noemt een aantal kenmerken waarin je kunt herkennen dat je niet iets fout doet, maar dat God de gebeurtenissen van je leven gebruikt om je verder te bevrijden, en dichterbij hemzelf te brengen. Ze kunnen samen, of op verschillende momenten optreden, maar meestal zijn ze er wel.

In de eerste plaats beginnen je relaties te veranderen. Ze gaan schuiven. Je liefde verandert, de smaak van vroeger is er niet meer. Het lijkt bijna wel of je helemaal niet meer in staat bent tot relatie, of je onverschillig aan het worden bent, harder. Dat komt omdat je manier waarop je bij mensen betrokken bent verandert. Het is onthutsend om mee te maken, vooral als je normaal gesproken een vrij relationeel type bent. De manier waarop je in relaties staat, is anders. Wat het geloof betreft: je hebt grote kans dat je niks meer merkt van God. Vroeger had je plezier en steun aan het geloof, maar nu valt het weg. Dat komt omdat God je op een dieper niveau aan het aanraken is, maar je zintuiglijke waarneming kan daar niet bij. Hij verdwijnt uit de sfeer van de behoeften en dat is onthutsend. Net als je denkt: nu heb ik wat van God nodig, is hij weg.. God communiceert nu met je op geestelijk niveau: niet door taal, niet door gedachten die je kunt formuleren, maar door een zachte aanraking, een fijngevoelig briesje waar je aandacht nog te grof voor is om waar te nemen. God neemt je mee in de leerschool van liefde en eerst merk je alleen maar wat je kwijt bent. Als je toch blijft vertrouwen dat God jou wel vast houdt ook al kun jij het niet meer, komt er een tijd dat je wat dieper kunt verstaan, kunt voelen, iets anders dan je al kende. God past niet meer in het beeld dat wij gevormd hebben: en dat is pijnlijk: het brandt als een wond die schroeit, zegt Johannes.

 Een tweede kenmerk is de leegheid van het leven. Alsof de bron van je plezier is droog gevallen. Het hele leven doet droog aan. Niets boeit meer, niets raakt je diep, niets trekt je erg aan, God is maar een woord en verlangens lijken allemaal verdwenen. Je voelt een overweldigende drang om overal van weg te lopen. Juist in deze crisis verlaten mensen de kerk, elkaar, hun werk, en soms vervallen ze in destructieve gedragingen. Wat je eerst aantrok, geeft je nu een gevoel van afkeer. Afkeer is belangrijk kenmerk in de nacht. Afkeer van wat eerst aangenaam en belangrijk was. Zelfs afkeer van goede zaken.

 Ik zal een voorbeeld uit eigen ervaring geven: er was een tijd dat ik de indruk had dat God vooral mijn eigen wil tevoorschijn riep. Niet meer meegaan met wat mensen van mij wilden, maar mijn eigen wil ontdekken en durven inzetten, ook als anderen daar niet meer eens waren. Maar toen kwam er een moment in het leven met God dat overgave een thema werd: “niet mijn wil maar uw wil geschiede”. Toen keek ik met een gevoel van afkeer naar mijn eigen wilskracht. Maar als je geen wil hebt kun je ook niet tot overgave komen. En zo zijn dus beide momenten momenten van God. De afkeer kan over kerkbezoek gaan, of over gebed. Waar je eerst leerde bidden, valt de smaak weg en je krijgt er weerzin tegen. De kunst is om in de weerzin en afkeer van wat je eerst kende een aanwijzing van God te herkennen. Het is wat we weleens een woestijnervaring noemen. De vorm van onze verlangens wordt omgevormd. Onze passies worden ons ontnomen om op een ander niveau te hervinden: God is bezig ons te integreren tot een heel mens. Alleen voelt het precies het tegenovergestelde. Eén van de belangrijkste uitkomsten van de nacht is een veel realistischer zelfbeeld. Je ziet jezelf in waarheid, want alles wordt blootgelegd. Je zo zorgvuldig opgebouwde zelfrespect kun je vergeten. Het gevaar is dat je blijft steken in eindeloos zelfonderzoek en zelfverwijt. (Hoe komt het dat ik zoveel tijd heb verspild aan onechtheid, aan onbelangrijke zaken, hoe komt het dat ik me steeds laat beïnvloeden, enzovoorts… )

Het derde kenmerk van wat Johannes de nacht noemt is wat positiever: het is de behoefte aan stilte en eenzaamheid, zonder een speciaal doel. Je vindt het toch wel fijn om zomaar in de kerk te zijn, of in de natuur, in een soort rustige aandacht, een openheid zonder dat je iets zoekt. God is misschien wel ver weg en je begrijpt er allemaal niets meer van, maar na alle woelingen van de vorige fases ben je nu in een soort kalm water. Niet als een verdoving, want dat is een vorm van wanhoop. Maar gewoon, iets rustigs.  Na de afkeer is een soort stilte, een leegte gekomen. Degenen in wie dit gebeurt, zegt Johannes, en die weten hoe ze rustig en stil moeten blijven, zonder zorg of drang om iets te doen, die zullen spoedig in die nutteloze rust iets ervaren van fijngevoelige voeding. We mogen er zijn, zomaar. God raakt ons teder aan, onverwacht, niet gepland. En dan komt er een tijd waarin we langzaam aan weer contact beginnen te maken met de buitenwereld, maar dan wel anders, vanuit een ander gevoel, een andere motivatie. Er groeit een nieuwe geloofszekerheid: niet gebaseerd op wat we denken of voelen, maar gebaseerd op God zelf. Hij houdt ons in diepste wezen stevig vast – of we dat ervaren of niet – we wéten het..

Tot slot 

Uit: de donkere nacht:

1. In een nacht, aardedonker,

In brand geraakt en radeloos van liefde,

 - en hoe had ik geluk –

Ging ik eruit en niemand

Die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.

3. In de nacht die de kans geeft,

In het geheim, zodat geen mens mij zien kon

En ook ikzelf niets waarnam:

Ik had geen ander leidslicht

dan wat er in mijn eigen binnenste brandde.

5. O nacht die mij geleid hebt!

O nacht, mij liever dan het morgengloren!

O nacht die hebt verenigd

Beminde met beminde,

Beminde, opgegaan in de Beminde!