sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
waarom kerkdienst?
gebaren en gebruiken
symbooltaal
spirituele weg
het nut van twijfel
kijk in de kerk
kerkbladmeditaties
ziekenzalving
theologenpagina
(kerk) humor
gezinsrituelen thuis
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

KIJK IN DE KERK


humor, heibel en hoop voor de wereld:


praktijkverhalen uit de kerk






tanden in de hemel?

In de hemel mag je snoepen wat je maar wilt. Daar hebben je tanden dan helemaal geen last van. De juffrouw van de begrafenisonderneming vertelt het in alle ernst.

We hebben zojuist mooi en eerlijk afscheid genomen van een oude vader. Ik werd er als dominee bij gevraagd “omdat ze hem ook nog wat mee wilden geven”. Hij was tenslotte altijd lid van de kerk geweest al deed hij er niks meer aan. Het was zorgvuldig zoeken geweest om een afscheidsvorm te vinden die recht deed aan alle verschillende opvattingen daarover in de familie. Zijn kinderen en kleinkinderen haalden herinneringen op, er was verdriet en gelach, een kaars, een gebed en een zegen. Ik zag achterkleinkinderen ernstig het Onzevader meebidden en alles was zinnig en zingevend.

Maar toen zou de juf van de uitvaartonderneming het dankwoord namens de familie uitspreken. Helaas, had ze het daar maar bij gehouden. Er moest nog wat voor de kinderen, blijkbaar. Ja, anders begrijpen ze het niet. En zo kregen we te horen dat er gesnoept mag worden in de hemel. De waxinelichtjes hadden we buiten de deur weten te houden – haar onderneming staat erom bekend – de familie hield er gelukkig ook niet van. Hun chaotische dragers in de vorm van hippe studenten hadden we deze keer niet nodig. Maar sta nooit het laatste woord af aan de uitvaartbegeleider. Als de kerken er zelf niet voor zorgen dat het geloof als kinderachtig overboord gezet moet worden, dan doen moderne uitvaartondernemingen het wel.

Na het praatje over de snoep werden de kleinkinderen in een kring gezet voor een laatste groet en moesten ze elkaar een hand geven – de muziek werd voor de derde keer op herhaling gezet. Sommigen wilden zich onttrekken, maar de dame in paarskleurige design suit nam ze vriendelijk en dwingend bij de hand. De boosheid genas me van mijn slappe-lach neigingen. Rouwende mensen zijn weerloos tegenover de dwang van een rouwdeskundige. Niet dat dominees dat vanzelfsprekend begrijpen. Daar zijn nu juist de uitgewogen rituelen en rituele woorden voor: om ons te behoeden voor het geweld van goede bedoelingen. Wat werkelijk wijs is en kostbaar, dat moet toch iedere keer weer opnieuw ontdekt en veroverd worden. Ook door uitvaartjuffrouwen.



What's in a name?
Hoe hebben jullie je zoon genoemd? vraag ik. Robert Steven Paul, antwoorden ze tegelijk. Even is het stil. Ver weg hoor ik een scheepshoorn. Het klinkt als een klaroenstoot. Een naam is niet zomaar een naam.

Het stel zit er trots en onwennig bij. Ik ken de vader al sinds zijn kinderkerk-tijd. Een drukke, debatterende knul, altijd in voor filosofische discussies. Nu is hij rustig, uitgerond zou je haast zeggen, hoewel hij nog steeds broodmager is. Net alsof er meer van hem aanwezig is. Kabod, constateer ik. Dat onvertaalbare hebreeuwse woord dat gewicht en glorie tegelijk betekent. De glorie van God is de levende mens.

Een mooie naam, zeg ik. Hoe kwamen jullie erbij om hem zo te noemen? Paul is naam van mijn grootvader, zegt hij. Ik heb altijd een speciale band met hem gehad en hij is vorig jaar overleden, net voordat zij zwanger werd. Ik knik. Dat heb ik vaker gehoord. Het is een natuurlijke manier waarop generaties zich met elkaar verbinden. Vertel eens over je grootvader, vraag ik. Waarom wil je dat je zoon net zo heet?
Hij vertelt over zijn humor en tolerantie voor mensen van allerlei geloven. Dat vind ik belangrijk, zegt hij.

En Robert Steven? Dat klinkt stoer, zegt zij. Wat heb je met stoer? vraag ik. En voordat ik er erg in heb, belanden we in een verhaal over pesten op school en weerbaarheid en overleven. Soms gaat dat zo, op doopgesprek. De naam die mensen voor hun kind uitzoeken, heeft altijd te maken met hun eigen waarden en geschiedenis. Ook al is het een MTV-naam, dan nog vertegenwoordigt het iets waar ze waarde aan hechten - en dat zegt iets over henzelf en hun eigen levensverhaal.

Een doopgesprek gaat nooit alleen maar over de organisatie van een kerkdienst, of over wat dopen precies betekent. Dooppastoraat gaat erover dat Gods glorie zichtbaar wordt als mensen voluit tot leven komen - kinderen, en ook vaders en moeders.




mooi dood


Ze ligt er mooi bij, zegt de huisarts, alsof ze rust gevonden heeft. Ja, zeg ik, maar wel erg dood. Ik kijk naar het gezicht van mijn moeder en herinner de handdoek die haar kin in een acceptabele stand moest houden, en de vingers van mijn verpleegster-schoonzus die de mondhoeken omhoog duwt - 'dat ziet er prettiger uit.' Wat de lijkverzorgers daarna deden, daar wil ik maar niet teveel aan denken. Maar het is waar: ze ligt er mooi bij. Wij krijgen daar in ieder geval rust van.

De laatste maand hebben mijn twee broers en ik samen met mijn vader en schoonzus dag en nacht voor mijn moeder gezorgd, toen ze met terminale kanker uit het ziekenhuis kwam. Na een jaar van pijn en getob eindelijk de juiste diagnose en adequate pijnbehandeling, maar wel rechtstreeks op weg naar de dood. Mijn ict-broer kreeg volledig zorgverlof, mijn schoonzus mocht eveneens 100% doorbetaald voor haar schoonmoeder zorgen. Dominees hebben geen zorgverlof in hun arbeidsvoorwaarden. Ze mogen voor iedereen zorgen behalve voor hun eigen moeder. Gelukkig had ik net vakantie.

Behoed mij voor een plotselinge dood, zo gaat een eeuwenoud christelijk gebed. De wijsheid hiervan is me wel duidelijk geworden. Het werd een kostbare maand. Er was tijd om afscheid te nemen van alle familie, kinderen en kleinkinderen, vrienden en buren, tijd om grapjes te maken en verdriet te hebben, om herinneringen op te halen, tijd om te spreken over de dood en hoe zou het zijn. Ze was het er helemaal niet mee eens dat ze dood zou gaan, het was nog veel te gezellig. Maar ja, wat moet, dat moet.
Ze gaf zich over aan onze verzorging en wij deden wat nodig was alsof het nooit andersom was geweest. De kleindochter van vijf kondigde aan dat ze elke dag een mop zou komen vertellen totdat ze dood was.

En toen was het zover. Met de hand van mijn vader op haar hoofd blies ze haar laatste adem uit, in de intimiteit van hun eigen kamer, als een laatste geschenk voor hem. In het gesprek met de dominee over de begrafenisdienst vroeg ik hem om het lichaam te zegenen, zoals dat in mijn eigen kerk gebruikelijk is. Hij had het nog nooit gedaan, maar dat kon wel.

Voor mij is het een belangrijk ritueel van de kerk.  In dit lichaam hebben wij haar gekend en liefgehad en heeft zij ons gekend en liefgehad. Dat mag van begin tot eind, van doop tot graf, onder de zegen van God staan. Het Woord is vleesgeworden en daarmee is ons lijfelijk bestaan geheiligd, zo zingt de oosterse kerk met Pasen. Alles doet mee in het geloof, zelfs de meest lichamelijke kanten van het sterven en dood zijn. Dat is er écht mooi bij liggen, zelfs als je dood bent. Haar nagedachtenis zij tot zegen.



ziekenzalving
Wat bid ik voor een zieke? Ik bid om genezing, om draagkracht én om het verstaan van de mogelijkheden die klinken midden in de ziekte, alledrie. Dat is wat gebed doet: het ont-dekt wat verborgen is: de goedheid van God te groot voor het geluk alleen.
Het is de laatste gebedsdienst. Na de zomer wordt de kerk gesloten en zullen we een nieuwe manier moeten vinden om  deze diensten voort te zetten. Meer dan dertig jaar is hier voor mensen gebeden, zijn er zieken gezalfd en werden brood en wijn gedeeld, zittend aan de unieke kerkbrede avondmaalstafel. Straks is die verkocht of afgebroken, de tafel past niet in ons nieuwe onderkomen.
Maar ja, zo gaan die dingen, zeg ik spijtig tegen mijzelf.

In de vijftien jaar dat ik hier aan meewerk, zijn er tientallen commissies uit het land wezen kijken. De kerk moet wat met genezingen, maar dan wel graag op een manier die geen slachtoffers maakt en van God een afgod. Daarom zijn het geen genezingsdiensten maar brede liturgische vieringen, met ruimte voor Woord en Tafel, kaarsjes aansteken, mediteren bij ikonen, voorbede en zalving. Ingebed in het gewone kerkelijke leven met ziekenbezoekers die persoonlijk kontakt leggen. Geen opgeklopt gebeuren met een Bijzondere Genezer, maar ruimte om met je ziekte aanvaard te worden en verbonden met elkaar in lief en leed.

Wat bid je voor een zieke? Ik geloof niet in een sinterklaasgod die onze verlanglijstjes honoreert als we maar genoeg geloof hebben. Niet dat ik nooit een wonderlijke genezing heb meegemaakt. Psycho-somatische aandoeningen als rugpijn, eczeem, chronische hoofdpijnen, vaak genoeg heb ik verbetering gezien. Dat kan ik nog wel begrijpen met mijn westerse denkkaders.

Maar een enkele keer paste het niet in wat ik denk. Er was eens een doofgeboren vrouw die ineens geluid begon te horen toen er voor haar gebeden werd. Ik keek recht in haar gezicht toen het gebeurde en ze schrok zich wezenloos. Haar moeder vertelde later dat ze spraaklessen aan het nemen was, want spreken had ze nooit geleerd. Ik snap niks van dat soort genezingen maar ik zal dus niet ophouden om voor een zieke om genezing te bidden. Elke genezing, hoe die ook plaatsvindt, is een reden voor dankbaarheid voor ons allemaal.

Maar genezing is breder dan gezondheid. Goed kunnen leven met je kwaal is ook een geschenk. Of een relatie die opent - of soms één die sluit. Werk dat je vindt of verdriet dat je leert dragen. Vergeving kunnen geven of ontvangen. Heelheid is niet de afwezigheid van gebrokenheid maar kan het omvatten - en dat is ware en blijvende genezing.

Wat bid ik voor een zieke? Ik bid om genezing, om draagkracht én om het verstaan van de mogelijkheden die klinken midden in de ziekte, alledrie. Dat is wat gebed kan doen:  ont-dekken wat verborgen is: de goedheid van God te groot voor het geluk alleen. Die wijsheid mag voelbaar worden door alles wat er in deze dienst gezegd, gezongen en gedaan wordt.

In de gebedsdienst worden zieke en gezonde mensen met elkaar verbonden. Dat is helend voor beiden. Misschien ligt daar wel de bijzondere kracht van deze vieringen. Gezonden zijn altijd veel moeilijker te genezen dan zieken...


Alzheimer
Ik blijf het onthutsend vinden, mijn bezoek aan de gesloten afdeling van het verpleeghuis waar hij tegenwoordig woont. Ik heb hem lang gekend als zeer betrokken lid van onze kerk, vol zorg voor anderen en met een scherpe hoekige intelligentie. Maar tegenwoordig weet hij niet meer wie hij is. Dus moeten anderen dat voor hem onthouden. Alzheimer is verwoestend.

In de tijd dat hij erg onrustig was, maakte bezoek zijn verwarring alleen maar groter. Maar nu is hij rustig geworden, door een combinatie van goede medicijnen en verdergaande sloop van zijn hersenen. Hij hoort nog steeds bij ons, zeg ik tegen zijn vrouw, wanneer zal ik eens met je meekomen? Zij heeft haar eigen ritme gevonden met tijd voor hem en tijd voor haar en zo is het te doen. Dus vandaag gaan we.  Soms hoor ik mensen zeggen: je bent hem al kwijt voordat hij dood is. Maar zo vindt zij het niet. Hij is er nog, zegt ze, en ze noemt zijn naam vol liefde. Als ik kom, of de kinderen, dan weet hij niet wie wij zijn, maar het lijkt wel of hij rustiger wordt. Dat vind ik toch kontakt, zegt ze, en ze schiet even vol.

We lopen eerst de gemeenschappelijke ruimte binnen. Sober, maar wel gezellig ingericht, met veel ruimte voor rolstoelen en weinig losse spulletjes op tafel. Een vrouw zit wiegend in haar stoel steeds hetzelfde christelijke liedje te zingen, de eerste anderhalve regel ervan. Een ander rolt de zoom van haar rok steeds verder omhoog en dan weer terug. Eentje beent de kamer op en neer, anderen zitten als wassen beelden. Jonge meiden kletsen over een tv programma en grijpen af en toe in als de koffie op de verkeerde plek terecht dreigt te komen. Het verpleeghuis voldoet niet aan de huidige zorgnormen van eenpersoonskamers, maar doet wel aan kwaliteitszorg en aandacht.

We halen hem op en rijden zijn rolstoel naar een rustig hoekje. Ik noem zijn naam en vertel wat over de kerk en mensen die hij vroeger kende, we drinken koffie, zijn een tijdje stil, zijn vrouw vertelt wat over het dagritme. Soms lijkt het of hij wat probeert te zeggen, maar er komen alleen onverstaanbare klanken uit. Ik weet niet wat er in hem omgaat, zegt zijn vrouw en ze streelt zijn hand. Later pak ik mijn bijbel en lees een stukje voor uit psalm 139. De woorden klinken alsof ik ze nooit eerder heb gehoord.

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,
2 u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten.
3 Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,
met al mijn wegen bent u vertrouwd.

4 Geen woord ligt op mijn tong,
of u, HEER, kent het ten volle.
5 U omsluit mij, van achter en van voren,
u legt uw hand op mij.
6 Wonderlijk zoals u mij kent,
het gaat mijn begrip te boven.

7 Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,
hoe aan uw blikken ontkomen?
8 Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,
lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

9 Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
10 ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vasthouden.



roeping

Afgelopen zondag kreeg ik een nieuwe collega. Echt nieuw, want dit is haar eerste gemeente, al heeft ze al een heel leven achter zich. Je moet lang studeren om dominee te worden en zij heeft het naast gezin en werk gedaan. Dat komt vaak voor: een late roeping tot het ambt, zoals dat heet. Soms moet je ook wat ouder zijn om de trage vragen prioriteit te geven.

Roeping – een vreemd mengsel van ambitie, neurose, verlangen en een onbekende stem. Woord en antwoord, zonder dat je precies weet wie of wat de vraag stelt. Gelooft u dat u in uw beroeping door deze gemeente door God zelf tot deze dienst bent geroepen? zo klinkt de eerste vraag van het bevestigingsritueel.

Hoge woorden, een gevaarlijke vraag. Wat zeg je als je God zegt? Ja, dat geloof ik, zegt zij en mijn hart zegt het haar na. Onmogelijk is het verlangen dat maar niet ophoudt, verlangen naar alles en naar niets, naar een wereld vol geluk voor een ieder, en als die er is, dan zal het nog maar pas beginnen. Is dat roeping? Als je het te zeker weet, dan gaat het mis en de ambities en neuroses zullen de toon zetten. En toch is er een zeker weten waardoor je het volhoudt, al die jaren van studie en werk.

Collega-predikanten komen naar voren om met handoplegging een zegen over te dragen. Al vijfhonderd jaar klinken er bijbelverhalen en gebeden in deze kerk. Zij wordt deel van de lange stoet van voorgangers, geroepen tot dezelfde dienst. Veni Sancte Spiritus klinkt het lied. Kom, Geest van God en vernieuw het aangezicht van de aarde.

Ik weet niet wie - of wat - de vraag stelde. Ik weet niet wanneer hij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar een keer antwoordde ik ja aan iemand - of iets.
Uit dat moment komt de zekerheid voort dat het bestaan zinvol is en dat mijn leven daarom, in onderwerping, een doel heeft.

(Dag Hammerskjöld)


Slangen en duiven
Wees scherpzinnig als een slang en behoud de onschuld van een duif, beveelt Jezus aan. Makkelijker gezegd dan gedaan. Probeer maar eens over geld te praten in de kerk. Dan vliegt de onschuld algauw het raam uit.

Vanavond is het weer eens zover. Fusies, verbouwingsplannen. Bezuinigen of investeren? Welke koers is wijs? Ik kijk de zaal rond. Twee vrouwen, 23  mannen. Na drie jaar onchristelijke heibel en haantjesgedrag vermijden vrouwen dit bestuur, ook al gaan er veel meer vrouwen dan mannen naar de kerk. Heren directeuren van eigen bedrijfjes vormen de meerderheid van de vrijwillige geldbeheerders. Zij brengen niet alleen hun expertise maar ook hun wijze van besturen mee. En dat is niet bevorderlijk voor het behoud van onschuld, denk ik bij mezelf als ik de Mercedessen buiten zie staan.

Gelukkig kent onze kerk vaste regels waarlangs besluiten genomen moeten worden. Het geeft enige bescherming tegen dictaturen, in zoverre tenminste de feiten op tafel komen – en dat is niet altijd het geval. Vanavond helpt de kerkorde. Overleg wordt afgedwongen en zo wordt voorkomen dat emoties of enkelingen snelle besluiten bepalen. De mogelijkheid tot beroep is geregeld en dat helpt om zorgvuldig te zijn. Of het overleg niet alleen een tactiek van vertraging blijkt maar ook echt iets oplevert, dan weten we nog niet. Maar als we niet meer kunnen praten, dan zijn we geen kerk meer, zegt iemand terecht.

Het democratisch proces wordt door de kerkorde bewaakt, maar levert ook niet altijd de beste oplossingen. Veel heeft te maken met de visie op de kerk. Kun je beter nu je geld investeren zodat het ten goede komt aan de huidige kerkgangers? En dus de vitaliteit van de gemeente maximaal ondersteund en eventueel vergroot kan worden? Of moet je een groot vermogen opbouwen waardoor je ook op lange termijn rente inkomsten hebt en een dominee kan betalen?

Is het eigenlijk wel passend voor een kerk om een vermogen te hebben? Verzamel geen schatten op aarde, raadt Jezus aan. Want de God van de bijbel en de god van het geld hebben niets met elkaar gemeen en ze allebei dienen gaat niet. Waar de wijsheid van een slang en de onschuld van een duif hand-in-hand kunnen gaan, daar wordt wellicht voorkomen dat de kerk haar ziel verkoopt. De woorden van Jezus zijn een mooie droom - en een ernstige waarschuwing.


drie-in-één

Wat je zegt is, waar, zeg ik. Maar wat hij zegt, is óók waar. Je moeder wordt niet van je afgepakt als je broer anders over haar denkt. We praten over hun familieherinneringen. Het is net als wanneer mijn broers en ik over onze ouders praten: of we in een ander gezin zijn opgegroeid.

Het mooiste en meest verwaarloosde feest in de kerk is Trinitatis. In
de westerse kerk wordt dat morgen (de zondag na Pinksteren) gevierd.
Als er nou één belangrijk geschenk is dat de kerk aan de wereld zou
kunnen geven, dan is het wel de viering van de Drie-eenheid.

Trinitatis zegt: wat je van God kunt merken lijkt op een bloem die zich ontvouwt:van één naar twee naar drie en weer terug naar één. Steeds opnieuw vanuit eenheid naar verscheidenheid en weer naar eenheid enzovoorts. Waar dat gebeurt, gebeurt God. Waar de eenheid de verscheidenheid ontkent of waar de verschillen ausgeradiert moeten worden, daar gebeurt God niet.

Omwille van de lieve vrede je eigen geluid dus maar niet te laten horen, is niet wat het hart van het leven verlangt. Om jouw waarheid tot de enige te verheffen, is niet zoals het werkelijk ís. Om verschillen reden tot breuk te maken, is niet de bestemming van de veelkleurigheid van het leven. Dat is het doel missen, zonde , zegt de kerk.

God is één en God is relatie, alle twee tegelijk. Als de kerk dat
viert, dan viert zij geen filosofisch idee maar de aard van de
werkelijkheid zelf. Als de kerk dat nou maar eens zelf door zou
krijgen..

Misschien dat er dan niet zoveel wordt geleden in gezinnen en kerken, waar onderlinge verschillen maar al te vaak voor breuken zorgen.


huisbezoek

Huisbezoek door de dominee. Een tijdgebonden fenomeen. Zonder meer verwacht door gemeenteleden boven de tachtig. Vijftigers krijgen een rolberoerte als ik voorstel om zomaar eens langs te komen – is er iets mis, willen ze me in de kerkenraad? En dertigers beginnen het soms weer te waarderen. Waar vinden ze nog een gesprek met diepgang tussen al dat eindeloze social talk van vandaag?

Huisbezoek. Op afspraak tegenwoordig, als je er al aan toekomt. Net als bij huisartsen is het aantal mensen dat onder mijn verantwoordelijkheid valt enorm vergroot en is crisispastoraat ongeveer het enige waar tijd voor gemaakt kan worden. Gewoon huisbezoek – even langslopen, praatje maken, dat gebeurt haast niet meer, in ieder geval niet in een stad. De oudste generatie ziet de dominee vaak nog als een vertegenwoordiger van God in persona: u bent een GEZALFDE DES HEREN, zei iemand eens (ik kon de hoofdletters horen). Het heeft prachtige en gevaarlijke mogelijkheden om zo gezien te worden. Mijn komst alleen al is een bemoediging, wat ik ook verder aandraag. Als ik een psalm lees en een gebed uitspreek, wordt de verborgen nabijheid van God voelbaar. Door het hoge gezag dat mij in mijn functie wordt toegekend, krijgen mijn woorden een lading die uiterst bevrijdend kan werken – maar ook beschadigen kan. Er is veel mis gegaan vroeger en vaak is het puinruimen. in zulke gesprekken. En wie hooggeplaatst wordt, kan erg diep vallen – als je iets zegt dan maar liever verzwegen moest worden.

Mijn eigen generatie ziet de dominee het meest als het gezicht van de kerk – en dat is vooral een opvoedkundig instituut waar ze gebruik van kunnen maken om richting te vinden als ze de weg kwijt zijn, of ondersteuning nodig hebben. Rituele begeleiding bij overgangsmomenten wordt gewaardeerd, huisbezoek in crisistijden, op aanvraag, ook. De begeleidingsvraag is vooral psychologisch of praktisch. Zelf zijn ze meestal erg actief in werk en familie, en vormen de kern van de vrijwilligersgroep die de kerk draaiend houdt. “Er zijn wel anderen die u meer nodig hebben”, zeggen ze als ik (in zeldzame rustige tijden) pols of ze een bezoekje op prijs stellen.

Maar de jongere generatie – als ze tenminste nog bij de kerk betrokken zijn - zien me het meest als een vertrouwenspersoon en iemand die iets weet over geloof. Mijn eigen authenticiteit en persoonlijke relatie met hen vormt de basis van het kontakt. Meestal bezoek ik ze in het kader van een huwelijksviering of de doop van hun kind, maar regelmatig maken ze zelf een afspraak. Het hangt een beetje van mijn vaardigheden af of ik God ter sprake kan brengen, want geloof is veel intiemer dan seks. Het treft me vaak hoeveel verlangen is naar zingeving en persoonlijk geloof. Aan de ene kant is God verder weg dan ooit in het levensgevoel van de meesten. Aan de andere kant is hun verlangen precies waar het over zou moeten gaan in een huisbezoek: je eigen leven leren verstaan als het verhaal van God. De wijsheid van de kerk heeft hier heel wat in aan te reiken. “Ik kan hier wel uren naar luisteren”, riep een jonge vader onlangs. Bij alle soorten van werk dat een dominee doet, is dit toch de kern: God ter sprake brengen. Niks mooiers niks moeilijkers dan dat.


Bijgeloof?

Tranen schieten in haar ogen als we over de Mariahulde praten. Als rechtgeaard protestant had ik er nog nooit van gehoord, maar tegenwoordig is het een onderdeel van veel huwelijksdiensten waarin ik voorga. Katholieken en protestanten worden nu eenmaal regelmatig verliefd op elkaar. Dat is de basis van een oecumene-aan-de-basis waar de officiële kerkelijke hiërarchie niet tegenop kan, godzijdank.

In de overwegend katholieke Betuwe waar ik eerder werkte, waren vrijwel alle huwelijken van protestanten gemengd. Daar raakte ik gewend aan een bruid die knielde voor een Mariabeeld in een gebed om vruchtbaarheid. Het was altijd een ontroerend moment voor alle betrokkenen. Stond daar zo’n schutterige knul te wachten terwijl zijn bruid in stilte en eerbied de zegen van de Moeder Gods zocht. Maria als oer-moeder van alle moeders: de eindeloze cirkel van geboorte en dood waarin het leven zich afspeelt, wordt zichtbaar gemaakt. De niet vanzelfsprekendheid van vruchtbaarheid wordt erkend. Het huwelijk is geen privé-gebeuren en kinderen krijgen is van belang voor de hele samenleving. Minister Rouvoet kan tevreden zijn.

Mariahulde. Bijgelovig, ongetwijfeld. Zonder bijgeloof geen geloof. Kaf is een onmisbaar omhulsel voor de graankorrel die de kern van de religie vormt. Dat geldt voor ons persoonlijk geloof maar ook voor de godsdienst in het algemeen. Er hangt van alles omheen dat meer met onszelf te maken heeft dan met God. Dat maakt al ons geloof menselijk en relatief. Alleen God zelf is absoluut.  Het hoort bij de domineestaak het onderscheid tussen die twee in de gaten te houden. En om te beseffen dat graan zonder kaf geen kans op uitrijpen heeft.

Een gebed om vruchtbaarheid – is dat niet een vleugje natuurgodsdienst?  Ongetwijfeld. So what? Zonder integratie van het lichamelijke en natuurlijke blijft het hele geloof een intellectuele oefening. Leuk voor de zondagmiddagborrel, maar niet van belang voor het leven.

In de historische kerk waar het huwelijk zal plaatsvinden, zijn alle Mariabeelden lang geleden kapotgeslagen door ijverige protestanten. Maar hedendaagse ijverige protestanten hebben ikonen geschilderd – en daar zullen we één van gebruiken. De bruid is blij met die mogelijkheid, want haar verlangen naar kinderen is groot. Een kind krijgen blijft toch altijd een wonder. Dat besef is de glanzende kern van de Mariahulde.


God is een beetje eng

Waarom hebben ze me dit niet verteld toen ik dertig was, roept hij verontwaardigd uit. Dan was mijn leven heel anders gelopen! Het is de laatste Ruusbroec-kring van het seizoen. Zeven avonden hebben we teksten besproken van deze beroemde Nederlandse mysticus. Het zijn bijzondere avonden waarin ons persoonlijk geloof in gesprek komt met de bronnen van onze traditie. Onthutsend is het soms ook. Waarom leerde ik dit niet in de opleiding, hier moet het toch over gaan? vraagt een emeritus predikant zich af. Wat een perspectief  op de allesoverstijgende goedheid van God! En wat een hoog mensbeeld!

Jan van Ruusbroec leefde van 1293 tot 1381 in de buurt van Brussel. Zijn mystieke geschriften hebben het geestelijk leven in de Nederlanden en daarbuiten eeuwenlang sterk beïnvloed.

De mens die uit deze hoogte door God neergezonken wordt in de wereld, is vervuld van waarheid en rijk aan alle deugden. Hij zoekt zichzelf niet maar de eer van God die hem gezonden heeft. Hij is dan ook rechtvaardig en waarachtig in alle dingen en bezit een rijke, milde grond, die gevestigd is in de rijkdom God. Daarom voelt hij de behoefte om zonder ophouden uit te vloeien in allen die hem nodig hebben. Want zijn rijkdom bestaat in de levende bron van de Heilige Geest, die men nooit volledig leegputten kan. (-) Zo bezit hij een ‘gemeyn’ leven, want schouwen en werken liggen hem even na en in beide is hij volmaakt.

De teksten zijn soms moeilijk, er zitten veel eeuwen tussen en een andere psychologie. Maar door ze langzaam samen te lezen, beginnen we zicht te krijgen op de ervaringen die Ruusbroec verwoordt. Mystieke teksten willen niet onderwijzen wat er allemaal mogelijk is in het geloof, maar ze willen laten zien wat God allang aan het doen is. Ze beogen een perspectiefverschuiving die het hele geloofsproject op een andere leest schoeit. Ruusbroec noemt het: het ‘gemene leven’ – de mens die deelt in de zichzelf wegschenkende liefde van God.

We hebben gesproken over het werkende leven, het innige leven en zijn nu bezig aan het schouwende leven. Het is één en al gestamel en paradox, want moet je zeggen als het over God zelf gaat? In de ‘afgrond der ongenaamdheid’ waar de mens buiten alle grenzen getrokken en meegevoerd wordt in de vereniging met God?

Ik vind het een beetje eng, zegt iemand. Dat heb je goed gezien, zeg ik. Er is niets zo eng als God, het past niet en het went nooit.  Ik geniet van deze avonden. De teksten doorbreken alle redelijkheid, ze zijn onbetamelijk, onmatig, ongenaakbaar en totaal niet van deze tijd en toch zijn ze krachtig en inspirerend als we er mee bezig gaan. De deelnemers zijn er altijd weer verbaasd van en ze begrijpen het eigenlijk zelf niet.

We eindigen met een gebed van Ruusbroec:
Dat wij allen de wezenlijke eenheid met God genietend mogen bezitten,
dat wij de Eenheid helder mogen aanschouwen in de Drieheid,
dat geve ons de goddelijke Minne, die geen bedelaar ooit iets heeft ontzegd.


twijfel

Hij is jong en sterk en heel gelovig. Ik vermoed dat hij dominees tot een met uitsterven bedreigd soort rekent, want hij heeft iets beschermends zoals hij mijn koffie aanreikt. Ik sprak laatst met een priester, vertelt hij, en die man twijfelde heel erg aan z’n geloof. O ja? zeg ik. Maar hij ging gewoon voor in de kerkdienst, zegt hij. Was het een mooie dienst? vraag ik een beetje vals, want ik snap wel wat er komen gaat. Jawel, zegt hij, maar dat is toch schijnheilig?

De waan van de tijd, denk ik bij mezelf. Alleen wat subjectief is, is authentiek. Maar ik ben dominee, geen filosoof, en ik vermoed dat hij het over zichzelf heeft. Het is tenslotte een hele verantwoordelijkheid om jeugdleider in een evangelische kerk te zijn. In een kerkdienst gaat het erom dat God in óns gelooft, zeg ik. Mijn eigen geloof is eigenlijk niet zo belangrijk. Wat denk jij? En het gesprek steekt af naar dieper en persoonlijker gronden.

Vandaag heeft mijn hoofd helemaal niets met geloof of met twijfel, het zit vol met griep. Maar ja, de zondagsdienst wacht niet. Ziekte en bezuinigingen hebben het aantal beschikbare predikanten drastisch verminderd, dus ik ben nog minder dan anders geneigd af te zeggen. Twee aspirines en een prima liturgie, dat moet te doen zijn.

Ik ben erg opgeschoven in mijn waardering van wat er in een kerkdienst gebeurt. Zoals bij de meeste jongeren stond bij mij lange tijd het persoonlijk beleefde bovenaan. Alleen wat je zelf kon voelen, dat is echt en heeft betekenis. Ik moest boven de veertig komen voordat ik de smaak te pakken kreeg van het objectieve. De taal en de rituelen die voorgegeven zijn, een bijbelleesrooster dat met miljoenen gedeeld wordt, eeuwenoude liederen, gebeden als een huis om in te wonen en te groeien.

Wat voorgegeven is, heeft een eigen soort wijsheid die je maar langzaam ontdekt, maar dan krijg je er ook geen genoeg van. Wat subjectief is, wisselt als de golven van de zee – maar daaronder zijn de diepe stromingen die langer meegaan en je ingrijpender meevoeren.

De gemeente heft haar lofzang aan, het woord klinkt, de gebeden rijzen en de wijn fonkelt in de bekers. Godzijgeloofd – met of zonder twijfel. Of de griep.


valkuilen
De truc van de Poolse dominee heb ik weten te vermijden. De zogenaamde Pfarrer belde aan en vertelde in gebroken Duits dat hij zijn treinkaartje terug naar huis had verloren. Gelukkig had iemand hem de weg naar de pastorie gewezen, daar was vast wel hulp te vinden voor een collega in nood. Gelukkig voor mij had ik het oplichtersverhaal al eens gehoord, dus dat voorkwam mijn misplaatste assistentie. Niet altijd was ik zo wijs. Hulpverlening kent veel valkuilen.

Vandaag is het voedselbanktijd. Ik zie het bestelbusje over de stoep naar de zij-ingang van de kerk rijden. Dat mag eigenlijk niet, maar er wordt wel meer gedoogd. De vutters die met de pakketten sjouwen, moeten nog langer mee.

Helpen waar geen helper is, dat is het motto van de hulpverleningsafdelingen van de kerk, sinds vroegste tijden genaamd: diaconie. De zeven werken der barmhartigheid vormen de leidraad voor hun taak: dorstlessen, hongerigen voeden, armen van kleding of een dak boven hun hoofd voorzien, doden begraven, gevangenen niet in de steek laten, zieken bezoeken, vreemdelingen herbergen.

In een doodgewone kerk zul je altijd veel van dit soort werk tegenkomen. Zonder poeha maar wel met effect. Mensen uit de wijk gaven taalles aan allochtonen nog voordat ze zo gingen heten. Er kampeerden vluchtelingen op het kerkplein, een telefonische hulpdienst is al tientallen jaren actief, mensen zijn vrijwilliger in aanloophuizen, vluchtelingenopvang, linkse politiek, Amnesty en Wereldwinkelwerk. Sinds kort moeten er weer hongerigen gevoed worden. We begonnen met 10, inmiddels zitten we op 25 voedselpakketten per week.

Hulpverlening zit vol ambivalenties. Je wordt bedonderd waar je bijstaat en je bedondert jezelf maar al te vaak over je eigen nobele motieven. Beide aspecten komen steeds weer aan bod in de praktijk. Liefdadigheid geeft snelle eigenwaarde – niet voor niets worden er yuppenreizen georganiseerd die hulpverlening en een luxe strandvakantie combineren. Geen reden om daar mee op te houden trouwens, maar spiritueel gezien schiet je er niet veel mee op. Het blijft uiteindelijk toch allemaal om jezelf draaien. De meeste vutters van de voedselbank zijn mensen die niet hun behoefte aan liefdadigheid maar de christelijke plicht tot naastenliefde als leiddraad volgen. En dan is bedonderd worden niet gelijk een vernietigende aanslag op je eigenwaarde, maar een lesje in nuchterheid en zelfrelativering. Wijsheid van het diaconale grondvlak.


Voor het zingen de kerk in
Confitemini Domino quoniam bonus zingen ze zonder met de ogen te knipperen. De noche iremos que para encontrar la fuente – zonder een woord te begrijpen wordt er van harte gezongen. Dat ze een lied van Johannes van het Kruis, de beroemdste Spaanse mysticus aan het zingen zijn, het zal wel. Leuk voor de dominee om te weten, maar daar komen ze niet voor.

Zondag was de laatste Taizé-viering van dit jaar. Deze kleine maandelijkse meditatieve bijeenkomsten passen goed in de kapel die aan de kerk is gebouwd. Maar na de zomer verhuizen we en dan moet er een ander onderkomen zijn die recht doet aan de sfeer van dit soort vieringen.

Onder leiding van gemeenteleden wordt er gezongen en gebeden, kaarsjes aangestoken en zijn we een tijdje stil. Dat heeft enige training gekost, maar nu is het ruim 5 minuten schuifelvrij. Protestanten zijn niet goed in stilte, het hoofd wil denkstof en raakt onrustig als er stilte valt. Maar we leren het. Stilte begint ook de gewone zondagochtenddiensten te verdiepen. Oefening baart kunst – en spiritualiteit.

Ze zingen goed in mijn kerk. Dat komt door onze organist die alle liederen meerstemmig uit het hoofd kent en luidkeels de toon zet als het even mis gaat. Zingen maakt individuen tot een gemeenschap, of het nu in de kerk of in het voetbalstadion is. Daarom vind ik de ingeblikte muziek van begrafenissen zo’n ramp – iedereen blijft in zichzelf opgesloten zitten. Maar dat dan toch nog liever dan in mijn eentje Vaste Rots van mijn behoud te moeten zingen..

Christelijk zingen is vol eigenaardigheden. In de oosterse kerk hangt het ambt aan je zangstem: voor priester moet je tenor zijn, diakenen zijn bij voorkeur bas. In de evangelische liedbundel kun je geen lied nummer 666 vinden, want dat roept associaties met de antichrist op. En de nieuwste rage schijnt het zingen van alle 66 verzen van psalm 119 te zijn.

Zelf gaat mijn voorkeur steeds meer uit naar de liederen die vast niet in het nieuwe liedboek terecht komen: liefst op oude voormiddeleeuwse wijs gezongen, met zo onbegrijpelijk mogelijke teksten. Prijs de Heer die herders prijzen, die in ’s hemels paradijzen alle engelen eer bewijzen, hier op aarde daalt Hij neer. Ontstaan rond 800, staat eronder. Of wat dacht je van: Het hoogste woord daalt uit het licht en blijft toch voor Gods aangezicht. Het geeft zich over aan de nacht, zo wordt zijn grote werk volbracht. 13e eeuws, met schitterende hertaling van Schulte Nordholt. En dit lied stamt al uit de 4e eeuw: O diepe nacht die ons omringt, de wereld in uw duister dwingt, het licht van Christus kleurt de lucht, Hij komt, Hij jaagt u op de vlucht.
Zulke teksten maken duidelijk dat het in de kerk om poëzie gaat, niet om wiskunde. Dat voelen de Taizé bezoekers haarfijn aan.

De oude melodieën zijn geen meezingers, zoals de opwekkingsliedjes waar ik vroeger gek op was. Maar ze bereiken een diepte die bijna nergens anders in te vinden is. Prima als Taizé liederen in een nieuw liedboek terecht komen, zij aan zij met evangelische gezangen. Maar wie bewaakt de oude schatten? Zal ik straks nog voor het zingen de kerk in gaan?


BOTOX VOOR OUDEREN
?
De dame aan de andere kant van de tafel kijkt me stomverbaasd aan. MET SUBSIDIE? Ze begint te giechelen en wij ook. Boottocht voor ouderen, zegt de diaken onverstoorbaar, niet van plan zich van zijn stuk te laten brengen. Misverstanden in het gehoor zijn niet zeldzaam in het kerkenwerk.

We zitten wat onwennig in het voor ons vreemde kerkgebouw. Het is de vergadering van de wijkwerkgroep, één van die vele verdwijnende kostbaarheden van de kerk. Zo'n acht contactpersonen houden de vinger aan de pols in een aantal straten van de wijk. Ze brengen het kerkblad rond, houden de verhuizingen in de gaten, brengen soms een bloemetje en leveren een algemeen netwerk van zorg. Veertig jaar geleden, toen de wijk werd gebouwd, zijn ze hier komen wonen en ze kennen nog veel van hun buurtgenoten.

Dat is aan het veranderen. De wijk is inmiddels sterk vergrijsd, de goedkope flats worden door starters en allochtonen gehuurd en de sociale samenhang verdwijnt. De gemeente is begonnen met het rekruteren van vrijwilligers om de openvallende taken van de kerk over te nemen.

Maar nu zijn ze er nog, de kerkmensen van 60 of 70-plus die naast de zorg voor zieke ouders en oppashulp voor hun kinderen, ook nog zorg aan hun buurt geven. Gouden mensen zijn het en ik ben blij dat ik ze ken. De 'botox voor ouderen' is een jaarlijkse activiteit waar ruim 80 bejaarden een dagje mee uit worden genomen, tegen een kleine eigen bijdrage. De nieuwe WMO heeft een potje voor dat soort dingen, heeft de diaken verteld. De kerk hoeft dat niet meer zelf te betalen, mits het uitje ook open is voor niet-kerkleden. Ze zijn verontwaardigd. Dat was het toch allang?

We bespreken het wee van het echtpaar waarvan de één in het ene tehuis is opgenomen en de ander in een ander, een steeds vaker voorkomend gebeuren. Gespecialiseerde hulpverlening is niet erg flexibel en dat brengt droeve situaties met zich mee. Kan er bezoek geregeld worden? Is er contact met de kinderen? Telkens weer verbaas ik me over de vasthoudendheid waarmee mensen elkaar in het oog houden. Misschien was het vroeger benauwend, zo'n netwerk van buurtcontact, maar tegenwoordig is het een godsgeschenk. In het gebed aan het einde van de vergadering komt alles nog eens langs en wordt het in de ruimte van God gelegd - dat geeft lucht bij al deze zorgverhalen.

Dan worstelen we ons het kerkgebouw uit, de deur blijkt mishandeld te moeten worden voordat we eruit kunnen en niemand heeft een sleutel vanwege de verzekering. De koster moet zijn kind uit school halen en dus zijn we aan onszelf overgeleverd. De dames trekken allemaal tegelijk een mobiel tevoorschijn om hulp in te roepen, maar het blijkt niet nodig. Dan  waaieren ze weer uit. Even hoor ik het gedruis van beschermende vleugels. Maar dat blijkt het hulpmotortje op een fiets.


Bord voor m’n kop
Pasen laat me altijd achter met een wat merkwaardig gevoel. Misschien komt het door het rondje in de kerk met een 'bord voor mijn kop'  - zoals ik eens hoorde fluisteren. De grote ommegang met de paasikoon is een hoogtepunt in de paasnacht, vol diep gevoelde betekenis - maar wel met een knipoog.

Dit is wat ik zo waardeer in mijn kerk: doorleefde hoge liturgie gecombineerd met ontnuchterende volkshumor - een uitzonderlijke combinatie in het protestantse kerkleven.

De tijd na Pasen heeft voor mij een bepaald soort oningevuldheid, als van een schone lei. We hebben de diepten van lijden, onrecht, schuld en dood meebeleefd via de rituelen van de paasweek. Het valt niet mee om deze kanten van het bestaan werkelijk onder ogen te zien en een plek te geven in je bewustzijn. We vierden de doorbraak van het licht, de wederopstanding van de hoop en het nieuwe begin dat je zomaar aangereikt krijgt. Zo gaat het in de kerk met Pasen - en zo kan het gaan in het leven. Vandaar dat het voelt als een schone lei, een echt nieuw jaar - alles is nog mogelijk.

Dat verhoudt zich soms maar moeilijk met de werkelijkheid van veel vergaderen over de fusie van drie wijkgemeenten, het afscheid van ons schitterende kerkgebouw en de verkoop van de pastorie. Alles is dan misschien wel mogelijk, maar zeker niet altijd even gewenst.

In deze blog zal ik regelmatig verslag doen van het concrete werk dat zich in de kerk afspeelt. Heibel, humor en hoop voor de wereld.