sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
waarom kerkdienst?
gebaren en gebruiken
symbooltaal
spirituele weg
het nut van twijfel
kijk in de kerk
kerkbladmeditaties
ziekenzalving
theologenpagina
(kerk) humor
gezinsrituelen thuis
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Voleinding 

 

 

 

 

Vol-einding. Einde dat niet leeg, maar vol is. De laatste weken van het kerkelijk jaar, voordat we weer naar Kerst toeleven, staan in dit teken. Verdrietig herdenken we samen onze gestorvenen. Met pijn in het hart beseffen we dat alles in dit leven een houdbaarheidsdatum heeft. Regeringen komen en gaan, nieuwe ontdekkingen ontkennen oude zekerheden, werk, gezondheid, relaties veranderen en wijzelf ook. Zelfs ons geloof ontsnapt niet aan deze houdbaarheidsdatum. Wat ons eerst inspireerde, spreekt soms niet meer. Je voelt dat je iets kwijt bent en misschien ook wel iets zoekt, maar wat precies?

 

Er komt een einde aan alles: maar dat einde kan ook vol zijn. Vervuld van volledig geleefd leven. Een einde zonder spijt over leven dat je niet leefde toen je de kans had, omdat je te bang was, of te druk, of omdat je het niet opmerkte.  Een einde dat leeg is én vol: wat er was, raak je kwijt én alles gaat mee, opgenomen in wie je bent geworden. Geloof dat je niet meer hebt, maar wel bént. Schoonheid die verwelkt, maar in je ziel bewaard is.

 

Etty Hillesum, in Auschwitz vermoord, schreef hierover in haar dagboek “Het verstoorde leven”. Ze zegt het zo:

De jasmijn achter mijn huis is nu helemaal verwoest door de regen en de stormen van de laatste dagen. Maar ergens in mij bloeit die jasmijn ongestoord verder, net zo uitbundig en teder als ze altijd gebloeid heeft.  En ze verspreidt haar geuren rond de woning waar jij huist, mijn God. Je ziet, ik zorg goed voor je. Ik breng je niet alleen mijn tranen en bange vermoedens, ik breng je op deze stormachtige grauwe zondagochtend zelfs geurende jasmijn.

 

Etty loopt niet weg voor een einde dat veel verschrikkelijker is dan de eindes wij meemaken. Alles wordt haar ontnomen. Maar de volheid van haar leven en van haar levenseinde spreekt tot op de dag van vandaag.

 

 

Ik zou mijn handen willen vouwen en zeggen: kinderen, ik ben zo gelukkig en dankbaar en ik vind het leven zo mooi en zinrijk. Jawel mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend, die veel te jong gestorven is en terwijl ik ieder ogenblik gedeporteerd kan worden naar een onbekend gebied. Mijn God, ik ben je zo dankbaar voor alles. Met datgene van de doden, dat eeuwig leeft, zal ik verder leven en datgene in de levenden wat dood is, zal ik weer tot leven wekken en zo zal er niets dan leven zijn, één groot leven, mijn God.

 

 

 

 

 

In onmogelijke dingen geloven

 

‘Dat geloof ik niet,’ zei Alice. ‘Och hemel!’ zei de Koningin op medelijdende toon. ‘Probeer nog maar eens: haal diep adem en sluit je ogen.’ Alice begon te lachen. ‘Het heeft geen zin om het te proberen. Je kunt niet in onmogelijke dingen geloven.’ ‘Volgens mij heb je niet goed genoeg geoefend,’ zei de Koningin. ‘Toen ik zo oud was als jij, deed ik het wel een half uur per dag. Ja, soms had ik al voor het ontbijt in zes onmogelijke dingen geloofd.’ (Uit: Alice in Wonderland, door Lewis Carroll)

 

In onmogelijke dingen geloven. Is dat wat je doet als je christelijk bent?

Ja en nee. Geloven in een man met een baard die in de hemel aan de touwtjes trekt en dan zijn onze poppen aan het dansen – nee, dat hoort niet bij het christelijke geloof. Het handige van het woordje ‘God’ is dat niemand precies weet wat er mee bedoeld wordt. Zo blijft dat altijd een onderwerp van gesprek én van meningsverschil. En dat is precies de bedoeling.

Want er zijn veel goden die niet als zodanig herkend en ontmaskerd worden. Bijvoorbeeld hoe we denken dat de wereld geregeerd moet worden, of dat marktwerking het beste is voor iedereen. Of dat de wetenschap alles kan uitleggen en veel geld gelukkig maakt. Mensen houden aan hun overtuigingen vast alsof die goddelijk zijn. Al onze gedachten en ontdekkingen zijn toch altijd weer voor verder onderzoek, discussie en bijstelling vatbaar?  Nee – christelijke geloof verzet zich tegen alles wat onaantastbaar buiten het menselijk gesprek wordt geplaatst. Zelfs als het over haar eigen opvattingen gaat.

 

 

Toch doe ik mijn best om minstens zes onmogelijke dingen te geloven voor het ontbijt (of in ieder geval tijdens het ontbijt met m’n koffie en m’n krant). Ik doe mijn best om te geloven dat het leven van de vandaag verdronken vluchtelingen niet zinloos voorbij is, maar ergens en anders doorgaat. Ik probeer te geloven dat die fanatieke terroristen mensen zijn met dromen van geluk voor hun kinderen, net als ik die heb. Ik geloof, hoe onwaarschijnlijk ook, dat het grote geld eens eerlijk verdeeld zal worden. Ik geloof tegen de klippen op dat we deze wereld als één samenhangend geheel zullen erkennen en daarnaar leven. Dat zijn al vier onmogelijke dingen om te geloven.

Nog twee? Ik geloof dat het wonder van het leven een Godsgeschenk is. En ik geloof dat geen enkel bestaan zonder zin en betekenis is. Kijk eens aan: zes onmogelijke dingen waar ik in geloof. En dat al bij de koffie. Kun je nagaan wat ik geloof als de wijn op tafel komt!

 

 

 

Pinksteren: een spirituele weg

 

 

Er waait een wind, een vuur daalt neer. God maakt zich kenbaar. Zijn Geest schrijft een goddelijk Woord in ons eigen hart. Dat vieren we met Pinksteren. Maar het kost wel enige moeite om dat Woord te leren lezen. Voor je het weet verzin je zelf van alles. Of je hoort niks.

 

Pinksteren, door de Chinese kunstenaar He Qi

 

Om dat Woord te herkennen in de wisselingen van het lot, in de kronkelingen van je eigen karakter, in de ups en downs van je leven, dat vraagt oefening. De drie jaar dat de leerlingen met Jezus het land doorreisden, dat was een spirituele leerweg. ‘Ik vertel jullie nu de woorden van mijn Vader’, zegt Jezus aan het einde van die reis, ‘maar straks zal de heilige Geest jullie alles duidelijk maken.’

En zo werd met Pinksteren de kerk geboren, om zelf zo’n leerweg te zijn. De bijbelverhalen die we daar horen zijn niet alleen maar geschiedenis. De rituelen die we daar voltrekken zijn geen religieuze poppenkast. Het kerkelijk jaar met zijn accenten en feesten: alles is een geestelijke leerweg om ons tot horen te brengen. God horen niet alleen in verhalen van vroeger, maar in je eigen verhaal hier en nu - daar gaat het om, daar gaat het altijd om.

 

Want dat Woord horen is hetzelfde als tot leven komen. Echt leven, vrij van de mening van anderen, juist om meer van betekenis te kunnen zijn voor diezelfde anderen. Niet langer in de ban van je eigen angsten, of die van een ander. Iets horen dat niet kán, en dat toch waar is. Geen kopie zijn van je ouders of je omgeving of je cultuur. Je leven verliezen zoals je het zelf uitdenkt, maar - o wonder - eindelijk echt tot leven komen. Eindelijk werkelijk in staat zijn om lief te hebben - en niet langer de ander voor jezelf te gebruiken om je beter te voelen. God die spreekt in en door je eigen leven heen.

 

Dit alles noemt de kerk: Pinksteren. Daarom luister ik naar wat er met me gebeurt met de oren van de kerk en de wijsheid van het geloof. Mijn broer stierf vlak voor Pasen en dat werpt een eigen licht zoals ik vertelde op paasmorgen. Brood en wijn, samen gedeeld, voeden mijn zachtheid en verbondenheid met anderen. Ikonen leren me om mijn leven in ander perspectief te lezen. Bij de evangelielezing ga ik staan omdat ik verwacht en hoop dat Christus aanwezig is als die woorden klinken. Gebed vormt een innerlijke ruimte om alles te laten zijn zoals het is. Een lied geeft moed en troost. Aandacht voor een ander maakt me vrij van mijzelf. Week in week uit biedt de kerk deze leerweg aan een ieder die wil leren luisteren.

 

 

Pinksteren: God spreekt hier en nu. Daarom onderzoek ik mijzelf met hulp van psychologie en spiritualiteit, om een ander niet ongewild op te zadelen met mijn schaduwkanten. Daarom wil ik nieuwe talen leren, door mensen te ontmoeten die niet zoals ik zijn, en die anders geloven en het leven anders beluisteren. Daarom wil ik het leven steeds opnieuw ontvangen en niet vasttimmeren met vooroordelen en dogma’s. Niet omdat het moet. Maar wel omdat er soms een wind waait en een vlammetje neerdaalt, even maar. En nu wil ik niets anders meer. Pinksteren het hele jaar door.

 

 

 

Humor

 

 

Vertrouw op het proces en bewaar de humor. Dat is mijn nieuwste slogan. Sinds mijn tijd in Amerika hebben mijn spreuken de neiging in het Engels bij me boven te komen, dus ik roep te pas en te onpas tegen mijzelf: trust the process, keep the humor, trust the process, keep the humor. Lekker ritmisch. Voor je het weet, wandel je de paden op de lanen in.

 

Je kunt te doelgericht bezig zijn. Dat geldt voor je werk, je relaties, maar ook je geloofsleven. Als je uitgaat van een doel dat je wilt bereiken, dan heb je de neiging de weg naar dat doel minder in het oog te houden. Vandaar dat tomtommetjes het zo goed doen in de auto. Maar voor de meeste dingen in het leven is de weg belangrijker dan het doel. Hóe je de weg gaat, wat je opmerkt ondertussen, is dat niet van waarde? Hoe het contact met je medereizigers verloopt, wat er in jezelf speelt terwijl je bezig bent je doel te bereiken, hoe de omstandigheden je een ander spoor wijzen, is dat niet wat de kwaliteit van je leven bepaalt? Misschien verschiet zelfs je doel van kleur als je aandacht hebt voor wat er onderweg gebeurt.

 

Hoe je met je kinderen omgaat is belangrijker dan of ze een goede baan vinden. De manier waarop je je partner benadert is meer bepalend voor je geluk (en die van de ander) dan of je eigen agenda gevolgd wordt. Of je de hemel goed in het oog houdt, is minder belangrijk dan wat het geloof momenteel met je concreet doet. “Hij die in de hemel troont lacht”, zegt Psalm 2. De God van de bijbel kan lachen. Hij keert voortdurend de boel om en verschijnt waar je hem het minst verwacht. Kan jouw God lachen? Vertrouw op het proces en bewaar de humor. Trust the process, keep the humor. Zaken, mensen en ook geloof hebben tijd nodig om te ontwikkelen. Als er veranderingen in relatie, werk of kerk nodig zijn: vertrouw op het proces en vergeet niet te lachen.

 

 

Humor is de noodzakelijke afstand van je eigen doelen en verlangens. Humor voorkomt dat je de wereld steeds weer naar je hand wilt zetten. Humor voorkomt dat je hele ziel meegesleurd wordt door de benauwende doelgerichtheid van anderen. Het eerste dat sneuvelt als mensen hun eigen opvattingen absoluut verklaren is humor en zelfspot. Satire, spot, cartoons met scherpe kantjes, ze houden ons alert op onze neiging alles dicht te timmeren. Vrijheid wordt bewaakt door humor en vertrouwen. Trust the process, keep the humor. Mag dat voor jou en mij en voor onze wereld de toon zetten.

 

 

Slow food 

  

 

  

Het is al een tijdje een rage: langzaam. Langzaam koken, langzaam eten, slow food. Tegen de trend van al het moderne gehaast is de ‘slow-movement’ ontstaan. Er bestaat slow sex (ja!), slow education, slow travel, zelfs zoiets als langzame mode en langzaam bankieren - dat laatste lijkt me trouwens een héél verstandige zaak.

 

Geloof is ook slow food. Voedsel voor de ziel is iets dat langzaam groeit en dat je maar langzaam eigen maakt. Het krachtigste beeld daarvan is het Kerstkind. De wijsheid van God wordt geboren als een baby. God verschijnt niet op aarde als een kind omdat we allemaal in katzwijm vallen bij kaarslicht en kerststerren. Het wijze woord van God wordt als kind geboren omdat het zo gaat. Omdat het woord van God als iets kleins, kwetsbaars en volkomen nieuw geboren wordt, in ieder mensenhart en in iedere wereldtijd opnieuw. En omdat het tijd nodig heeft om op te groeien, langzaam, op een manier die bij jouw en mijn individuele levensritme past.

 

Waarom komt God als een baby? Omdat die creatieve en bevrijdende aanwezigheid van God handen en voeten wil krijgen op aarde. Dat soort geloof kan alleen maar ontvangen worden en het heeft zorg en tijd nodig. Het gaat er niet om dat we een plekje voor God inruimen in ons leven. Dat is namelijk onmogelijk: het past niet. Het gaat erom of wij zélf woonplaatsen van de Allerhoogste zullen zijn. Of we zijn het helemaal, of we zijn het niet.

 

Ieder jaar oefenen we het opnieuw: van verwachting, naar geboorte, naar volwassenheid, naar de dood en de invloed die daarna vrijkomt, tot aan de voleinding als God alles-in-allen zal zijn. Het langzame ritme van de groei van je ziel, de groei van geloof, de groei van God-in-jou-en-mij. Geloof wordt geboren als een baby, groeit tegen de verdrukking in, deelt zich aan de wereld, leert zichzelf uit handen geven in het lijden en komt tot voltooiing door de dood heen. Langzaam is dit stijgen naar het licht van de eeuwigheid. Als we deze langzame groei niet in onszelf kunnen herkennen, zou het kunnen zijn dat we deze Kerstbaby nog nooit werkelijk ontvangen hebben?

 

Slow food. Langzaam voedsel voor de ziel. Geen instant verandering, instant wijsheid, instant geluk, maar langzame wijsheid - dat is wat het Kerstkind komt brengen. Misschien denken we zelf nog te instant-snel over God: alsof geloof alleen maar een aan-of-uit stand kent. Misschien is onze geloofsbeoefening (zoals kerkgang, gebed, bijbellezen, lofprijzing, liefdewerk) nog te onregelmatig en te onrustig, om die langzame wijsheid eigen te maken. Onze kinderen zullen het wellicht saai vinden, net als langzame kerstdiners trouwens. Maar waar zullen ze leren dat er zoiets als langzame wijsheid en langzaam geluk bestaat? En waar leren wij het? 

 

 

 

Jezus en de liefde

 

 

 

Vanaf mijn vroegste jeugd was ik – waarschijnlijk onuitstaanbaar – vroom. Jezus was mijn held en grote liefde. Ik las onophoudelijk in de kinderbijbel van Anne de Vries en huilde bij het paasverhaal en droomde bij Jetses’ pentekeningen van engelen. Jezus was mijn God, hoogverheven en toch dichtbij. God zelf was te ver weg, te onvoorstelbaar. Ik leefde met Jezus, maar wist nog niet dat hij niet het einddoel van mijn verlangen wilde zijn, maar de weg naar God zelf. Ik was als Maria van Magdala in de tuin, die zich vasthield aan wat ze kende, maar aan wie toch gezegd werd: houd mij niet vast, mijn God is úw God, mijn Vader is úw Vader.

 

In mijn tienertijd bleek het geloof uit mijn jeugd niet toereikend om de confrontatie met de moderne wetenschap en met het onvoorstelbare lijden van de wereld aan te kunnen. Mijn geloofszekerheid verdween en werd een verlangen, soms zelfs een pijnlijke hunkering. Dat veranderde toen ik via een pinkstervriendin over de Heilige Geest hoorde. Jezus als historisch menselijk persoon die bemiddelde tussen God en mij, leerde ik nu kennen in zijn inspiratie, als een nieuwe gloed in mijn eigen hart en verstand. Je hoort niet veel over de Heilige Geest in onze kerken. Zijn we te bang voor  gezweef, extatische toestanden? Het is waar, nuchtere onderscheiding is nodig. Maar dan vàlt er tenminste wat te onderscheiden…

 

Zo werd Jezus voor mij meer de Geest van Christus, die in de lijn van de verhalen over Jezus mijn eigen leven in de war gooit en steeds weer op het juiste spoor zet. De mens Jezus verdween meer en meer als centrum van mijn beleving en mijn gebed richtte zich als vanzelf op God. Over God nadenken kan eigenlijk niet goed, maar Hem liefhebben kan wel. Eigenlijk is het met God net zoiets als met de liefde: iedereen heeft er weet van, maar als je het probeert te definiëren gaat het mis.

 

En toen kreeg ik op een nacht een droom. Ik droomde van alle mensen waar ik van heb gehouden en dat zijn er heel wat in de loop van mijn vele verhuizingen. Iedereen was er, de doden en de levenden, degenen die nu nog deel van mijn leven zijn en degenen die uit mijn gezichtsveld zijn verdwenen. Ik zag ze allemaal tegelijk en toch ook één voor één. En al die mensen samen vormden één lichtende Gestalte die mij naderde. Christus! klonk het als een trompet die schalde, vol triomf en vol majesteit. Ik werd overweldigd door vrees en ontzag en grenzeloos geluk. Met een schok werd ik wakker. 

 

 

Het besef van die droom is mij nog steeds nabij, al is het alweer jaren geleden. Uiteraard is een persoonlijke impressie van iets dat het begrip te boven gaat: Christus als beeld van universele eenheid en verbondenheid. Voor mij is het alsof alles wat ik ooit aan Jezus beleefde, opgenomen is in deze gestalte van Christus. Het gaat niet meer om iets buiten of binnen mij. Er is geen keuze tussen Jezus óf de Geest óf God óf mensen. Als de kerk spreekt over het lichaam van Christus dan raakt het mij. Hoe meer mensen ik liefheb – en ook: hoe meer liefde ik toelaat en ontvang - hoe groter Christus voor mij is. Heel eenvoudig eigenlijk. Waarom de kerk ooit die ingewikkelde leer van de Drie-Eenheid heeft ontworpen, begrijp ik nu ook. Nu besef ik hoe wij mensen door de liefde-die-God zelf is, opgenomen worden in dat grote lichtende en eeuwige Geheim. Dat heet: Pinksteren.

 

  

  

Kerst en Carnaval

 

 

Carnaval: vaarwel vlees (carne vale). Kerst: welkom vlees! Nee, niet de kalkoen. Maar het wonderlijke welkom van God die mens wordt: incarnatie. Kerst als het omgekeerde carnaval van God.

 

 

Rembrandt - Heilige Familie

 

 

Eén van de drie geloofsbelijdenissen die de PKN kerk officieel aanhoudt, is het credo van Athanasius, een kerkvader uit de vierde eeuw. In deze geloofsbelijdenis (die in feite twee eeuwen later pas werd geschreven) staat het mysterie van de menswording centraal. Hoe zit dat nu eigenlijk met Christus? Hoe kan hij goddelijk en menselijk tegelijk zijn? Er komt een prachtige zin in voor, die een belangrijk inzicht hierover weergeeft: non conversione divinitatis in carnem, sed assumptione humanitatis in Deum. In vertaling: niet doordat zijn goddelijke natuur in de menselijke veranderde, maar doordat Hij als God de menselijke natuur aannam. Deze zin is de kortste samenvatting die ik ken van het goede nieuws. En Kerklatijn heeft iets zwierigs dat geschikt is om te zingen. Want dat moet je natuurlijk met geloofsbelijdenissen doen, anders denk je nog dat het wiskunde is.

 

Het credo wil iets zeggen over hoe het goddelijke en het menselijke zich tot elkaar verhoudt ‘van God uit gezien’. Wat betekent de menswording van Jezus voor de wereld, voor ons menszijn? En in het verlengde daarvan: wat betekent verlossing? Niet dat de Godheid in vlees is veranderd, zegt Athanasius. Niet dat God in ons wereldje getrokken wordt. Niet dat wij God in ons denken of voelen of geloven of agenda moeten passen, als een apart hoekje in ons bestaan. Ook niet dat wij op de één of andere manier naar de hemel moeten zien te klimmen. Of ons uit onze haren uit het moeras zien te trekken. Je tilt je een breuk als je dat probeert voor jezelf of voor een ander. De menswording van Christus betekent dat God de mensheid in zich heeft opgenomen, zegt het credo. Assumptiones, dat is hetzelfde woord als voor hemelvaart wordt gebruikt.

 

Het is een omkering van alles wat wij meestal denken.

God moet bij óns komen, God moet in onze wereld de boel op orde brengen. We bidden God naar beneden, maar Zijn bedoeling is nu net omgekeerd. De hemel moet niet in de aarde veranderen, dat schiet niet veel op. Maar de aarde in een hemel: die kant gaat het op. Wij bidden niet om God naar beneden te krijgen maar om onszelf omhoog te laten brengen. Sursum corda, zeggen we bij het avondmaal, verheft uw harten, wij hebben ons hart bij de Heer. Dan kun je echt leven, wat er ook gebeurt.

 

Het kindje in de kribbe is geen zoet plaatje maar een wereldschokkende verklaring: God wordt mens om mensen goddelijk te maken. Dat is onze hoge bestemming, dat is wat de komst van Jezus laat zien: die kant gaat het op, als het aan God ligt. God en mens staan niet tegenover elkaar, maar doordringen elkaar, van Godswege. Al ons menselijk gedoe, al ons menselijk lijden - het speelt zich niet af buiten God om, maar wordt in Hem opgenomen en getransformeerd. Assumptione humanitatis in Deum. Kerst is het omgekeerde carnaval van God. Volgens mij schateren de engelen van het lachen om zoveel goddelijke dwaasheid. Verhef je hart, misschien hoor je het..

 

 

 

Pasen: één groot doorgeefsysteem

 

 

 

 

 

Daar staat Jezus. Het bevel om hem te doden is al uitgevaardigd. Eén van zijn beste vrienden zal hem verraden. Aan wie kan hij zich toevertrouwen? Daar staat Jezus, “wetende dat de Vader hem alles in handen gegeven had en dat hij van God was uitgegaan en tot God heenging. En hij pakte een kom met water en een handdoek en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen”.

 

Sommige mensen vragen: kun je nog wel in God geloven als je alle ellende in de wereld ziet? Wat doet God om mensen tegen te houden? Als je de bijbel leest, weet je het antwoord. God grijpt niet in. De aarde zal doorgaan met draaien, er zullen geen hemelse engelenmachten te hulp schieten. Het was Jezus' probleem niet of God wel betrouwbaar was. God had alles in zijn handen gelegd. Alles aan goeds wat God in de wereld wilde verrichten, had Hij in de handen van Jezus gelegd.

Het geloof in God was niet de moeilijkheid waar Jezus voor stond. Maar het is iets heel anders of wij in de mensen geloven. Hoe zal het verder gaan, als de mensen steeds weer het mooiste en kostbaarste in zichzelf uitroeien? Hoe zal het gaan als de dood het wint? God de Vader heeft de liefde en bevrijding die Hij aan zijn mensen wil geven, in handen van Jezus gelegd. Jezus, die nog deze nacht in de handen van de soldaten zal vallen. Hoe zal het verdergaan, in wiens handen kan Jezus leggen wat Hij aan goeds en bevrijding aan de wereld te geven heeft?

Er is alleen deze kleine kring van leerlingen. Jezus hoeft hen maar in de ogen te kijken om te weten hoe broos en kwetsbaar zij zijn, hoe breekbaar alles wat hij heeft trachten op te bouwen. Aan God kun je je toevertrouwen, maar aan mensen? In God kun je geloven, maar in mensen?

 

Daar zit Petrus, zelfverzekerd en blind in zelfkennis, een rots die zo veranderlijk is als woestijnzand. Alles of niets, en het wordt dan meestal niets.. En Thomas, die zich zo blind staart op de feiten, Thomas die zijn eigen verbeeldingskracht niet durft te vertrouwen. Judas, de man die de armenkas beheerde ‑ wie weet precies wat de motieven waren die hem ertoe brachten Jezus te verraden? Johannes, de jonge geliefde vriend van Jezus, die hem zal volgen tot het kruis en daarmee uitbeeldt hoe machteloos de liefde is op deze aarde. Hoe kan een mens in staat zijn in mensen te geloven? Dat is de vraag waartoe Jezus staat deze vooravond van zijn dood.

 

God heeft hem alles in handen gegeven, zoals God steeds zichzelf in de handen van mensen legt. Jezus rest niets anders dan zich toe te vertrouwen aan de handen van zijn leerlingen. Zijn lot op aarde, alles wat hij heeft geprobeerd te betekenen, zal van hén moeten afhangen. Ze kunnen verraders, machtelozen, leugenaars worden. Ze kunnen zichzelf opsluiten in hun eigen twijfels, hun eigen bitterheid. Maar als ze dat doen, zullen ze steeds weer, op hun tong, in hun hart, de smaak proeven van het ware leven dat Christus in hun handen heeft gelegd. Het ware leven dat zichzelf uit handen geeft. De meeste die de minste dient. Dit is mijn lichaam, voor jullie verbroken.

 

Iedere keer dat je dit eet, besef dan dat jullie zelf dit lichaam zijn, jullie zelf zijn voortaan het lichaam van de Heer. Hierop vertrouwt Jezus, aan de vooravond van zijn dood. Dat mensen in hun eigen hart, in alle boosheid en laagheid, telkens weer sporen van barmhartigheid, van onschuld en waarheid en levensmoed zullen vinden. God gelooft in mensen. En daarom kunnen wij het. God geeft zichzelf uit handen. En daarom kunnen wij het. ZO is het dat God ingrijpt in de geschiedenis. Door mensen als u en ik, die zichzelf geven aan elkaar, op leven en dood.  Gods leven vloeit over naar Jezus, naar ons, naar de wereld. Jezus gaat naar de hemel en neemt onze doden mee en neemt hen op in het eeuwige leven van God. Dat is het leven dat aan ons en door ons heen doorgegeven wil worden. Het overvloedige leven van Pasen.

 

 

 

Hier ben ik (Epifanie-meditatie)

 

Hinneni - hier ben ik. Het is één van de sleutelzinnen uit de bijbel - en ook van mijn eigen leven. Dat komt omdat óns ‘hier ben ik’ verbonden is met Gods: Ik ben er. In Genesis zegt God: ‘laten we mensen maken naar ons evenbeeld’. Het is een grondgedachte van de bijbel: mensen zijn een afschaduwing van God zelf. Wil je bij de zin en bestemming van je leven uitkomen, onderzoek dan waar jij, met jouw eigen talenten en beperkingen, afbeelding van God bent. Waar jouw ‘zijn’ hangt aan Gods’ ‘zijn’.

 

 

(schepping van Adam - Michelangelo)

 

 

Hier ben ik. God zegt het over zichzelf. Daarom, op die dag, zal mijn volk mijn naam kennen, beseffen dat ik het ben die zegt: ‘Hier ben ik.’ (Jesaja 52:6). De naam van God is JHWH - en dat is een vervoeging van het werkwoord zijn. Ik ben er - ik zal er zijn. Ik ben Wezer - wees er, Ik ben Degene die er echt is, die er zijn zal, hier ben Ik. De Naam van God is niet zomaar een naampje, maar een vorm van Gods actieve aanwezigheid. God is wat God doet. Ons bestaan zelf is een antwoord op Gods roep: wees er! Dat jij geboren bent, is een rechtstreeks antwoord op God die zegt: wees er!

 

Dit is allemaal geen wetenschap, Hoe eitjes en zaadjes en celletjes zich organiseren, dat is een ander verhaal. Maar de bijbelse manier van spreken zegt iets over zin en bestemming. Niet over natuurwetten, maar over geestelijke wetten. Over dynamieken die ons mens-zijn richting geven.

 

Hinneni. Hier ben ik. Het Hebreeuws is niet triomfantelijk maar bijna objectief: ‘mij - daar’. Niet een ikje dat zich moet poneren, maar een mij dat antwoord geeft op een roep. Deze uitspraak heeft altijd met roeping en zending te maken. Het zijn de woorden van God, maar ook de woorden van de profeten. Mozes zegt het als God zijn naam roept bij de brandende braambos. De tiener Samuel zegt het als God hem roept in het midden van de nacht. Jesaja, ook al een jonge knul, zegt het. De psalmist zingt erover in psalm 40: u hebt mijn oren voor u geopend en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik. En volgens de Hebreeënbrief citeert Jezus deze psalm over zichzelf. Toen heb ik gezegd: “Hier ben ik,” want dit staat in de boekrol over mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’  

 

Blijkbaar kunnen we pas echt zeggen: ‘hier ben ik’, als onze oren voor God geopend zijn. En dat is niet iets dat we zelf kunnen doen, maar dat God bewerkt, door alles van het leven heen. Daarom zeggen we het begin van de kerkdienst in de liturgie van de kerk waar ik werk:

 

V: Onze Hulp is in de Naam van de Heer

G: DIE HEMEL EN AARDE GEMAAKT HEEFT

V: die trouw is tot in eeuwigheid

G: DIE NIET LAAT VAREN HET WERK VAN ZIJN HANDEN

V: die mensen roept voor Zijn Koninkrijk

G: DIE ONS DOET ANTWOORDEN: HIER BEN IK

 

Er echt zijn op de manier van God is minder makkelijk dan op het eerste gezicht lijkt. Wie van ons is helemaal tevoorschijn gekomen? Wie van ons is op zo’n manier aanwezig dat anderen er óók meer kunnen zijn? Maar toch is dit de roep van God: om onze schaduwkanten, onze pijn en ons geluk, onze dromen en onze daden, onze angsten en onze talenten aan het licht te laten komen en mee te nemen in dit levenslange geboorteproces. Opdat ons ‘hier ben ik’ een uitdrukking zal zijn van Gods eigen naam. En wij levende woorden van God voor onze wereld en onze tijd. Dat is de hoge roeping van jou en mij.

 

 

Dood is dood (Paasmeditatie)

 

Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest. Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën, en de aarde beefde en de rotsen spleten (Mattheüs 27: 50-51).

 

 

 

Tot het uiterste gaan. Volbrengen wat er van je gevraagd wordt in het leven. En dan valt de nacht . Want één ding is zeker: alles gaat voorbij. Voor ieder mens komt het moment dat het nacht wordt, dat het licht van het leven dooft. Alles gaat voorbij. Maar - kijk nog eens goed. Scheurt daar niet een gordijn, een voorhangsel, een sluier die Gods nabijheid voor je verborgen hield?

 

Volbrengen wat je hebt te doen. De zorg voor degenen die op je weg gekomen zijn. Het leed van je eigen bestaan op je nemen, tot brekens toe. Je weg gaan. Jouw eigen weg met God, mensen, dieren, de natuur, deze wereld. Trouw blijven aan jezelf zonder de ander los te laten. Alles wat er aan geestkracht in je leeft, géven, de Geest geven. Dat is wat Jezus deed, zo leefde hij, zo is het dat mensen maximaal mens zijn.

 

Hoeveel mensen kunnen zich zo volledig aan de wereld geven? Ga eens voor jezelf na: is alles wat er in je zit, ook echt naar buiten gekomen? Heeft al de liefde die er in jouw hart woont, zich ook echt kunnen geven? Of heeft het leven bij jou allerlei deurtjes dichtgedaan? We hebben zoveel op te houden, zoveel te beschermen, je kunt zo makkelijk gekwetst raken in het leven. En dan stroomt het niet meer vanzelf, zoals bij een klein kind dat in gelukkige omstandigheden opgroeit en zich spontaan geeft aan alles wat er gebeurt.

 

Die vrijgevigheid van het hart – zijn we die niet onderweg verloren? Wie leeft er uitstromend zoals Jezus deed? Alles wat er aan Geest in hem was kwam naar buiten, zonder reserves. Zelfs de angst voor de dood veranderde hem niet. ‘Laat de beker aan mij voorbijgaan’, bad hij toen de soldaten kwamen. ‘Maar uw wil geschiede’. Ook als het lijden niét aan hem voorbijgaat, hij sluit zichzelf niet af, hij blijft zich toevertrouwen aan de weg die in hem is, hij geeft zich zonder reserve aan deze wereld, aan zijn God en Vader.

 

En nu sterft hij. Nog eenmaal schreeuwt hij het uit en geeft de laatste adem die in hem is aan de beulen die hem doden. En op dat moment scheurt het gordijn in de tempel. Het gordijn dat het heilige der heilige, de plek waar God woont, verborgen houdt voor de blik van de wereld. Van boven naar beneden scheurt de sluier, het voorhangsel, die de vrije toegang tot God verhindert. De mens die zich zo zonder reserve geeft, opent een deur naar de nabijheid van God.

 

Op aarde wenen de vrouwen. Op aarde treurt zijn moeder, zijn vriendinnen die op afstand moesten toekijken hoe hun geliefde zijn leven gaf. De grote verschrikkelijke stilte van dood en lijden klinkt ook vandaag nog zo hartverscheurend luid. Misschien in je eigen leven. Of in Haïti, in Irak, in Soedan. Met deze vrouwen wenen we om het vele verdriet. De profeet Jesaja zegt: ‘Rachel weigert zich te laten troosten omdat haar kinderen niet meer zijn.’ Dood is dood. Maar hier klinkt het verhaal dat er één ontsnapt is. Eén overleeft de dood en gaat ons voor.

 

In de oosterse kerk treurt op Goede Vrijdag niet de kerk, maar het dodenrijk. Die roept klagend uit:
“vernietigd is mijn macht. Ik nam die dode op als een gewone gestorvene maar ik kon hem niet houden. En met hem word ik van zo velen beroofd waarover ik koning was. Want alle doden behoren aan mij, het dodenrijk, toe vanaf het begin van de tijd. Maar zie: Hij deed allen verrijzen!

 

Jezus gaf de Geest en op aarde treuren de vrouwen. Dood is dood. Maar het verhaal is nog niet af. Jouw verhaal is nog niet af, ook al ga je dood. Al verliezen we alles, niets gaat verloren. Want de Geest is gegeven, het is volbracht. Je hoeft het paradijs niet te verdienen, het wordt ons geschonken. Het is niet nodig dat ons hart op slot blijft door alles wat er mis is gegaan. Nog steeds roepen mensen: ‘als God God is, waarom dan zoveel ellende?’ De spotters bij het kruis zeiden niets anders. Gods antwoord is niet een wonder maar overgave. God gaat niet om de dood heen maar erdóór heen – dat is het goede nieuws voor ons, die ook niet aan de dood ontsnappen kunnen.

 

Is je hart gevangen geraakt in de rotsen van rouw, mislukking, onrecht, pijn, teleurstelling? De nacht van alle nachten nadert en Jezus geeft de geest, Zijn Geest die de toegang tot God ontsluit. De aarde beeft en de rotsen splijten omdat het leven het wint van de dood.

Kom, o Geest die levend maakt, kom in onze nacht en breng ons naar de morgen.


 


Hoe zal ik u ontvangen?(Kerstmeditatie)

 

 

 

Alles draait om ontvangen. Geen leven dat zichzelf gemaakt heeft. Geen liefde die je zelf georganiseerd hebt. Geen geloof dat niet gegeven is. Geen heil uit de hemel zonder een Maria die zichzelf ontvangend opstelt. Advent is het voorbereidende werk. Advent is de tijd dat er ergens in je bestaan een lege ruimte opent. Kerst is een geschenk dat ontvangen wil worden. En dat kan niet als ons hele leven tjokvol staat. Dat God als mens werd geboren in Bethlehem zal u niets baten als hij ook niet in uw ziel geboren wordt (Eckhart).

 

religie

Religie is de manier waarop wij ons geloof vormgeven. Religie is wat wij doen met God en de bijbel en rituelen en kerken. Religie is wat we leren thuis: de verhalen, de gebruiken, de normen en waarden. Zonder religie zouden we niet weten van God. “Ik vind God niet in de kerk, maar in de natuur”, hoor ik weleens. Tja, denk ik dan, je zou geen liefdevolle God in de natuur vinden als je niet eerst van Jezus geleerd had dat er zo’n God is. Zonder een concrete manier waarop het geloof vorm gegeven wordt, hoe gebrekkig dan ook, blijft er geen inhoud over. Als kerken, gebruiken, muziek en bijbel in onbruik raken, zal de waarheid die er het hart van vormt, verloren raken. Zonder religie geen geloof.

 

geloof

Geloof is iets anders dan religie. Als het goed is, groeit de religie waarmee we grootgebracht zijn, uit tot geloof. Als het goed is, komt wat je eerst van buitenaf leerde als een christelijke manier van leven, steeds meer van binnenuit. Het wordt iets dat je van binnenuit motiveert en in beweging brengt. Het moet je gegeven worden, zeggen ze weleens, en zo is het. Geloof is wat Jezus had: een relatie met de levende God. Geloof is wat Maria had: een concreet bestaan dat zij ter beschikking stelde voor God: lijf en al. Geen buitenkant meer, maar met huid en haar betrokken zijn, ingetrokken in het verhaal van God met de wereld. Geloof heeft meer te maken met beweging dan met vastigheid. Geloof gaat over je verlangen, je vertrouwen, met je hoop en je twijfel, met je humor en je zelfinzicht, over de manier waarop je liefhebt . Geloof is de kriebel die je religie relativeert en in beweging houdt. Want de toekomst van God ligt niet in het verlengde van ons heden, maar breekt in - anders dan je dacht. Als een kerstkindje waar geen plaats voor is in de herberg van alles wat we zelf hebben opgebouwd en uitgedacht.

 

advent

In de tijd van Advent bereidt de kerk zich voor om de geboorte van God in deze wereld te verwelkomen. Het licht van God wil niet in een sterrenhemel blijven fonkelen, maar zichtbaar worden, hier in ons midden. Wat een huiveringwekkende gedachte is het eigenlijk. Niet toen, en daar, maar hier en nu, in jou en mij. Advent wil de hindernissen opruimen die de weg van God naar ons toe blokkeren. Advent wil de aandacht vestigen op wat van God uit gegeven wil worden - en door ons ontvangen mag worden.

 

afbraak

Waaraan herken je wanneer het Adventstijd is? Het is de tijd waarin je merkt dat er van alles wegvalt. De beelden die je hebt van jezelf, of van een ander. De opvattingen en zekerheden die aan je geloof ontleende. Het gevoel dat je had als je in de kerk bent. De manier waarop je tegen God aankijkt. Het is weg, het werkt niet meer, het doet het niet meer voor je. Advent is de tijd dat God zelf aan het werk is om alles op te ruimen dat verhard en gestold is, waar het leven uit is weggevloeid. Advent is de afbraak van religie en de mogelijkheid dat geloof geboren kan worden. We vieren Advent in het kerkelijk jaar om deze wijsheid niet te vergeten.

 

van religie naar geloof

Als wegvalt wat eerst van betekenis was, moet dan ook de vorm maar overboord? Schaf jezelf een andere partner aan, een andere kerk, of helemaal geen kerk? Soms kan het haast niet anders. Maar of je daar echt iets mee opschiet is wel de vraag. Het gaat om iets veel belangrijkers dan een vorm die verandert: het gaat om een inhoud die nieuw ontvangen wil worden. Het vraagt om loslaten en vertrouwen op wat gegeven wordt. Advent vraagt: waar is het geloof in je religie? Is godsvertrouwen de bron van waaruit je leeft? Of moet je het allemaal zelf ophoesten? Zet het je nog in beweging, leer je er nog wat van, geeft je het nog moed en hoop, doet het je omgeving bloeien? Als dat niet zo is: maak jezelf dan beschikbaar: richt je verwachting op God. Advent blijft niet hangen in het verleden, of laat zich opsluiten in het overvolle heden, maar ziet uit naar wat komen wil - wat ons van Godswege toe-vallen wil.

 

Kerst

Want God wil geboren worden in ons. En dit is het wonder: het is ónze geboorte in God: "dat wij ongerept en rein nieuwgeboren zouden zijn" (Gez. 135). Dat wij zelf met Jezus mee geboren worden, de wereld in als Woord van God voor onze tijd. Wat moet je je daarbij voorstellen? In ieder geval iets zo concreet mogelijk: misschien een nieuwe manier van in je werk staan, meer vanuit wie je wezenlijk bent. Misschien een doorbraak in de moeiten in je relatie: met andere ogen leren kijken. Misschien een omkeer in je prioriteiten, of een nieuw vertrouwen in de toekomst, misschien een ander perspectief op het verlies dat je onderging. Geloof is leren vertrouwen op het licht dat God zelf in ons legt.

 

 


ZWEMMEN EN GELOVEN

 

het diepe

Ik mag in het diepe bad! zegt mijn nichtje van zes vol trots. 2.65m, zegt mijn broer, net zo trots. Er is nog een bad van 3.40 m , dat is voor volgend jaar.

 

 

 

Zwemmen leer je door te doen. Goed zwemmen leer je door in een steeds dieper bad te oefenen. Dat is logisch. Ook geloven leer je ook alleen maar door te doen. Goed geloven leer je door het te oefenen in de diepe lagen van jezelf en van het leven. Dat is logisch. Toch denken veel mensen dat geloven iets is van: ‘aan’ of ‘uit’. Je hebt het of je hebt het niet. Maar een beetje gezond verstand – en ook de mystieke traditie van de kerk - vertelt iets anders. In geloven kun je groeien. Want geloven lijkt nog het meest op zwemmen. Op de kant krijg je uitleg, in het pierenbadje wen je aan het water, en dan steeds verder het diepe in. En onvermijdelijk krijg je af en toe een flinke slok zwemwater binnen..

 

spiritualiteit

De Duitse theoloog Karl Rahner was gespecialiseerd in de spiritualiteit van de kerk. Zo’n vijftig jaar geleden probeerde hij zich voor te stellen hoe de spiritualiteit van de 21 e eeuw er uit zou zien. Volgens hem zou het drie kenmerken hebben: ·de Godservaring zou centraal staan ·de betrokkenheid op de wereld zou vanzelfsprekend zijn. ·het alledaagse leven zou de vorm zijn waarin spiritualiteit geoefend zou worden (wat ze vroeger: ascese noemden). Hij meende: de gelovige van morgen zal iemand zijn die iets van God ervaren heeft – of zal geen gelovige meer zijn.

 

God ervaren?

Ja, mijn oma, die deed dat, zegt de jonge vrouw met wie ik spreek. Die beleefde God. Dat kon je merken toen ze dood ging, heel rustig, vol overgave. Maar ik weet het nog niet zo net. Hoe weet je dat je het niet allemaal fantaseert? Vertel me eens, zeg ik. Heb je weleens meegemaakt dat je iets zeker wist, zonder dat je weet hóe je dat wist? Ja, zegt ze na enig nadenken. Toen ik mijn man leerde kennen. Ik wist gewoon dat hij het was. Dat is een mooi voorbeeld, zeg ik. Met geloof is het net zoiets. Het kennen van God is als het kennen van de liefde. In de liefde geef je jezelf en word je kwetsbaar. Het is net alsof je dan niet alleen met je ogen, maar met je hart kijkt. En wat je dan van de ander leert kennen, heeft zo zijn eigen bewijskracht. In de tijd van onze oma’s was het geloof vooral overgave, vertrouwen, juist in je kwetsbaarheid. In onze tijd is het geloof vooral een soort denksysteem. Een opvatting, een gedachte, een wereldbeeld, een set normen en waarden waar je het mee eens bent of niet. Daarom is het moeilijk voor mensen van deze tijd om een connectie met God te ervaren.

 

de wereld

We leven horizontaal: de wereld is alles en de hemel ver weg. Het grote voordeel van zo’n levensgevoel is dat we ons echt bekommeren om de aarde. We leven niet voor het hiernamaals zoals mensen vroeger wel deden (en gelijk hadden ze: zo’n pretje was het niet om in grote armoede en kindersterfte te leven). Wij leven voor nú – en als we geloven, dan moet het voor het hiernumaals zin hebben. Toch heeft het een nadeel om zo horizontaal te leven. Ook de eeuwigheid is het verlengstuk van de tijd geworden: voordat je geboren wordt en nadat je dood bent. Eeuwigheid als een hoeveelheid van tijd. Maar eeuwigheid kun je ook zien als de verticale dimensie van de tijd: een kwaliteit ervan. We kennen het nog wel in onze spreekwoorden: een eeuwig moment is een heel bijzonder moment: zo bijzonder dat de tijd zelf iets tijdloos krijgt. Waarom zouden we niet herontdekken hoe de eeuwigheid van de tijd iets heel bijzonders maakt? Geloven is niet iets anders dan leven in de wereld – maar dan goed.

 

gewone leven

Leren zwemmen doe je in een zwembad. Maar waar leer je geloven? In het gewone leven, zegt de wijsheid van de kerk, lang voordat Karl Rahner het opnieuw onder de aandacht bracht. Hoe dan? Met aandacht leven en luisteren naar wat de praktijk tegen je zegt. De manier waarop je naar het leven kijkt, laten bijstellen door de bijbel. In de praktijk brengen wat je echt zelf hebt geleerd, al is het maar met kleine stapjes. Oefen in je relaties hoe je waarheid en liefde bij elkaar kunt houden. Doe er dan een scheutje barmhartigheid en vergeving bij – dan ben je aardig op weg. En als je echt goed wilt geloven: ga dan de diepte in. Breng de moeilijke dingen van het leven in gesprek met de God van Jezus. Leef je vragen en houd het uit tot ze zichzelf tot rust brengen. Als je zo leeft, zul je merken dat er iets gaat schuiven. Net als bij het zwemmen: het water zelf gaat je dragen.



God is een werkwoord (1)

 

 


Ik kan mij niks bij God voorstellen, zeggen mensen weleens tegen me.

Zo hoort het ook, zeg ik dan. De bijbel verbiedt nu eenmaal het maken van vastomlijnde voorstellingen over God. Maar meestal vinden ze dat maar een  vervelend antwoord. Een dominee gelooft toch ergens in? God moet toch iets zijn, er moet toch een soort idee bij horen, een idee waar je je tegen af kunt zetten. Of omgekeerd, een idee dat je houvast geeft, en troost in onzekere tijden. Want zo werken godsbeelden: ze bieden zekerheid, ze geven richting en je kunt er normen en waarden aan ontlenen. En je kunt er zo lekker tegenaan schoppen.


In de loop van mijn leven heb ik al heel wat godsbeelden gehad. Ze werken als een soort ANWB bordjes: ze geven de richting aan welke kant je op moet denken, voelen, luisteren, leven. In het begin was het vooral Jezus die het beeld van God bepaalde. Dat is ook wat de kerk belijdt: Als je wilt weten wie God is, dan moet je naar Jezus kijken. Jezus, zoals je hem in de bijbel tegenkomt, houdt niet op mij te boeien en te inspireren. Maar ook Jezus heeft zich losgemaakt uit de verhalen van de bijbel. Ik ben meer gaan begrijpen wat er bedoeld wordt met: Jezus is het levende woord van God. Wat levend is, beweegt en werkt en doet. En dat past niet altijd in wat ik er van tevoren over dacht.


God is een werkwoord. God kun je beter verstaan als een gebeuren, als een dynamiek, als een kracht die op ons inwerkt. Eigenlijk heeft de kerk dat altijd al gezegd. We hebben er zelfs een naam voor: de heilige Geest. Dat is de werking van God, van Gods Woord, in het hier-en-nu van het leven. Niet dat je daar nu precies je vinger op kunt leggen. Er blijft iets verborgens, iets mysterieus. Meestal kun je er terugkijkend pas iets van herkennen. 


Wat doet die werking? In de wijsheidstraditie van de kerk is het zo gezegd: mensen zijn geschapen naar het beeld van God en bestemd om op Hem te lijken. Mens-zijn is: worden waar je op aangelegd bent. Leven is: God binnengroeien. Er ligt een trekkracht in onze ziel, in je diepe gevoel, zouden ze in Vlaardingen zeggen. Iets trekt aan ons. Dwars door de gebeurtenissen van het leven is er iets (en de kerk zegt: Iemand) aan het werk om ons te vormen, als we het toelaten tenminste.

 

God is natuurlijk ook geen werkwoord. Wie God is in zichzelf, blijft verborgen voor ons kleine menselijke verstand en gevoel. Al onze voorstellingen mogen meedoen onderweg, we kunnen nu eenmaal moeilijk zonder. Maar het is niet erg als je je niets bij God kunt voorstellen. Gefeliciteerd, zal ik dan zeggen: je bent op de goede weg. We hoeven nergens in te geloven, want God gelooft allang in ons. En dat is genoeg voor het hele leven.


God is een werkwoord (2) Pinkstermeditatie

 

 

 

Opvliegers zeker, zei ik tegen de dame met de hoogrode wangen die stond te puffen in de gang van de kerk. We wisselden een blik van verstandhouding. Ja, ja, de geneugten van het vrouw-zijn – we weten ervan. Iedere keer doet dat lijf weer iets anders waar je geen controle over hebt. Soms denk ik dat dat de reden moet zijn waarom vrouwen vaker een gevoeligheid voor God hebben dan mannen. Als er in je eigen lichaam al van alles met je gebeurt, dan ben je misschien ook wel meer open voor de werking die er van God uitgaat, en die de kerk de heilige Geest noemt. Daar heb je ook geen controle over.

Toch is het een man geweest die het mooist schreef over de ‘opvliegers van de Geest’. Het was een monnik uit de zestiende eeuw, Juan de Yepes, beter bekend als Johannes van het Kruis, één van de beroemdste Spaanse dichters. Hij schreef o.a. een gedicht bij het Hooglied uit de bijbel. Daar beschrijft hij een ‘kristallen bron’ die hem aankijkt. Hij kan die liefdesblik van God bijna niet uithouden. De ogen zo verlangd /die ik draag in mijn binnenste getekend/ wend hen af, Beminde, want ik begin mijn opvlucht! (dat klinkt natuurlijk fraaier in het Spaans: Apartalos, Amado, que voy de vuelo!). Je ziet het gebeuren: de ziel die als de duif uit het Hooglied opvliegt in de windvlaag van de Minne.  De ogen van God waar mensen mee tevoorschijn worden bemind, zijn in zijn binnenste getekend. Wat hij eerst van horen zeggen wist, is nu in zijn eigen innerlijk wakker geworden. En dat geeft zijn ziel vleugels.
God is wat God doet: God die liefde is, geeft liefde, vraagt liefde, toont liefde, roept liefde op en zuivert onze menselijke liefde, tot er alleen nog maar liefde is die van liefde geniet. Dat vertelt de bijbel en dat vertellen alle verhalen van mensen de eeuwen door.

Zo diep aangeraakt worden door de allesverterende liefde van God, is dat voorbehouden aan vurige Spanjaarden? Titus Brandsma, een Nederlandse monnik (in de oorlog door de nazi’s vermoord) schreef eens: “ Waar is Hij? Hij kan niet in ons leven. Wij laten het niet toe. Wij schamen ons voor Hem. Laf zijn we, ja, en bang. (-) Wij, Nederlanders, moeten hier dubbel op onze hoede zijn. Wij zijn zo geneigd tot middelmatigheid. Wij hebben de leuze niet te overdrijven. En daarom onderdrukken wij alle spontaniteit. Wij noemen dat niet zo. Wij spreken van voorzichtigheid, dan komen wij niet in botsing met hen die onze beginselen niet delen. Wij noemen dat nuchterheid en werkelijkheidszin, wij willen de hoofden koel houden.”

Nederland loopt momenteel voorop in de secularisatie, de ontkerkelijking. Maar vele eeuwen lang heeft Nederland voorop gelopen in de vurige omgang met de Levende God. Hadewich, Beatrijs van Nazareth, Jan van Ruusbroec, Geert Grote, Thomas van Kempen, Alijt Bake, Claesinne van Nieuwlant, mensen die tussen 1200-1600 heel Europa hebben beïnvloed met hun geschriften over het leven met God. De twintigste eeuw kende ook een aantal Nederlanders die vandaag de dag wereldwijd bekend zijn omdat zij iets beschreven van de werkzame aanwezigheid van God: Titus Brandsma, Etty Hillesum, Harrie Nouwen – vaak buiten de kerk bekender dan erbinnen.

Hoe zal het verder gaan in onze eeuw? Zal de ontkerkelijking de wegbereider blijken te zijn voor een nieuw beleefde omgang met God, nu ontdaan van oude beelden, starre dogma’s, en al te benauwde Nederlandse ‘nuchterheid’? Zullen er weer mensen komen die in hun eigen binnenste de kristallen bron van Gods Minne ont-dekken?  Zullen wij die mensen zijn? In de kerk nadert het Pinksterfeest. Zullen ook wij last krijgen van 'opvliegers'?