sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
religieuze dialoog
islam
joodse verhalen
boeddhisme
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Filmpje


'de dans van de derwishes' :





Columns over christendom en islam

 

dansende derwishes
 
Barmhartigheid.

Barmhartigheid. Eén van de mooiste woorden die ik ken.

In de naam van Allah de Barmhartige, zeggen de moslims, want dat is één van Gods hoogste eretitels. Genadig en barmhartig is de Heer, zingen de joden.  De christenen kennen de zeven werken der barmhartigheid die Jezus hun leerde. Voor boeddhisten is barmhartigheid het pad naar verlichting.

Het Hebreeuwse en Arabische woord voor barmhartigheid is verwant aan het woord voor ‘baarmoeder’.  En dat geeft gelijk de diepe betekenis aan. Barmhartigheid, erbarmen wil zeggen: ruimte maken voor iets of iemand anders dan jezelf. Een moeder maakt in haar eigen lijf ruimte voor een ander leven dan dat van haarzelf. Misschien zal dat kind haar wel veel verdriet brengen. En hoeveel tijd en energie en geld zal het haar wel niet gaan kosten? Maar haar verlangen naar het kind is groter dan al die mogelijke gevaren en zorgen.

En dat lijkt op wat God doet met de wereld: hij maakt ruimte voor een schepping die misschien wel een hele verkeerde kant op kan gaan. Of die niets meer van God wil weten als Hij niet doet wat zij willen.

God die de volheid is van leven, maakt ruimte om ook ons een kans op leven te gunnen. Als een moeder maakt de Eeuwige een tijd en ruimte voor ons tijdelijke mensen, een wereld waar we kunnen groeien en ontwikkelen. Dat is wat barmhartigheid betekent.

Barmhartigheid is ruimte maken voor iets of iemand anders, in plaats van je hele leven te vullen met jezelf.

Momenteel leven we in de veertig dagen voor Pasen. Pasen is het grootste feest van de christenen. Dan wordt gevierd hoe God zelf het kwaad overwon door de liefde die Jezus voor de wereld had. Dan wordt herdacht hoe Jezus liever zijn leven weggaf dan mensen los te laten en kwaad te doen. Daar hebben de christenen Gods eigen barmhartigheid in herkend. Toen hebben ze begrepen dat mensen zó bedoeld zijn: om met Gods hulp zelf zo barmhartig te zijn.

Daarom maken christenen in deze 40 dagen voor Pasen wat ruimte in hun leven door te vasten. Door tijd vrij te maken voor gebed, door geld weg te geven aan mensen die het nodig hebben, door niet opgesloten te zitten in vaste gewoontes en drukdoenerij. Door stilte te beleven en na te denken over waarom je eigenlijk leeft, en hoeveel ruimte er in je leven eigenlijk is voor God of voor een ander.

Vasten is een oefening in barmhartigheid. Wij leven in een tijd waar alles om jezelf draait en alles je wat op moet leveren want anders hou je er mee op. In zo’n leefklimaat is werkelijke ruimte voor een ander ver te zoeken. Is het niet de hoogste tijd voor barmhartigheid?



De pijn van de rietfluit

Afghanistan is weer in het nieuws. De vredesmacht heeft het moeilijk, de Taliban rukt op en het land lijkt zich maar niet aan barbaarse tijden te kunnen ontrukken.

Ik kan niet over Afghanistan horen zonder een gevoel van verdriet en dat komt door Roemi.

Roemi is mijn favoriete spirituele dichter aller tijden. Geen mens heeft zo hartstochtelijk geschreven over de liefdesvereniging met God als hij.

Door jouw liefde

is al mijn nuchterheid verdwenen.

Ik verkeer in een roes

van waanzinnige liefde.

I k ben zo beneveld

dat ik niet meer weet wie ik ben.

Ik ben zo dronken

dat ik de weg naar huis ben kwijtgeraakt.

In de tuin

zie ik alleen jouw gezicht.

Bomen en bloemen

verspreiden louter jouw geur.

Dronken van liefdesextase

kan ik niet langer

dronkaard en drank,

minnaar en geliefde onderscheiden.

Djelal-oed-Roemi komt uit Afghanistan. Daar werd hij in 1207 geboren. Later trokken zijn ouders naar Konya in Turkije, waar nu nog steeds het centrum is van de spirituele orde die hij later zou stichten.

Een jaar of tien geleden kwamen ze naar Rotterdam, de derwishen uit Konya. Ik zal het nooit vergeten: de Doelen gevuld met Turkse en Arabische mensen, vaak tot tranen toe bewogen door de uitbeelding van de spirituele reis van de ziel.

Luister naar het riet van de fluit, hoe het vertelt

En hoe het klaagt, gekweld door de pijn van het afscheid!

“Sinds ik gesneden werd uit het riet van mijn vaderland,

huilt heel de wereld mee op mijn klanken.

Ik zoek een hart, gebroken door scheidingsverdriet,

Aan wie ik kan vertellen over de pijn van het scheiden…."

En de klank van de rietfluit klonk door de zaal en de stem van de voorzanger zong over het heimwee naar God, naar de eenheid met de bron waar alle mensen uit voortkomen. En of we nu moslim of christen of helemaal niet gelovig waren: geen hart bleef zonder herkenning.

Ik zoek een hart gebroken door scheidingsverdriet.

Als er iets is dat mensen gemeenschappelijk hebben, dan is het wel het lijden. Geen huisje zonder kruisje, zeggen we in Nederland. Iedereen heeft een verhaal, iedereen kent pijn aan het leven. Je gezondheid kan een probleem zijn, je kunt mensen verliezen, je kunt met jezelf in de knoop zitten of met je naasten, je kunt lijden aan de verdeeldheid in je familie of je land, en aan de ellende van de wereld.

Roemi zegt:  ten diepste is ons verdriet scheidingsverdriet. Alle ongeluk vindt zijn oorsprong in het afgescheiden zijn van God. Waar mensen het kontakt met hun bron verloren zijn, daar ontstaat het kwaad dat mensen elkaar doen.

Een doorn in de voet is moeilijk te vinden.

En de doorn in het hart?

Zag iemand die,

dan deed hij nooit een ander verdriet.

Onze oorsprong in God vergeten, dat is de doorn in ons hart, de pijn die nooit weggaat. Maar al te vaak menen we dat de pijn van ons leven geneest als we maar in andere omstandigheden zaten, als die man of die vrouw nu maar zou doen wat we wensen, als we maar hadden wat we zo graag willen. We sluiten onszelf op in de gevangenis van ons kleine ikje, ons ego, en vechten met andere kleine ikjes. En daar komt strijd en lijden uit voort. Maar eenheid met God doet ons ikje wegsmelten als sneeuw voor de zon. Of zoals Roemi bidt:

0, oneindig verheven Geliefde!

Laat mij mijn zorgen vergeten.

Alle bloemen weerspiegelen

de uitbundigheid van je geest.

In de naam van Allah,

bevrijd mij uit de kerker van mijn ego,

laat mij mijzelf verliezen

in de bergen en de woestijn.

Jezus zegt: wie zijn leven verliest, zal het behouden. Het idee dat we opgesloten in onszelf en afgesloten van de rest zijn - dat idee dat wij 'ons leven' noemen - dat mogen we kwijtraken. We zijn geen stofjes zwevend in een koud universum. We komen voort uit een zuivere bron.   Roemi zegt:

Zuiver van hart, trekken we, lerend, de wereld door

en raken in de ban van alles om ons heen.

Je bent steeds ergens naar op zoek,

maar het ontgaat je

Dat je al bent wat je zoekt.

Als we weer één geworden zijn met de bron waar we uit voortkomen, als God zelf zijn adem door ons leven heen blaast, dan zijn we als riet, kunstig gesneden tot een fluit en dan komt ons leven tot onze bestemming: op Gods adem hemelse muziek voortbrengen.

Afghanistan is nu een bron van veel lijden. Maar ook is het het land waar Roemi is geboren, de dichter die nog altijd spreekt tot de harten van mensen uit alle culturen en tijden.

Laat me deze column eindigen met een verhaaltje dat van hem afkomstig is.

Een Pers, een Turk, een Arabier en een Griek waren samen op reis naar

een ver land. Ze kregen ruzie over de vraag waar ze het enige muntstuk

dat ze samen bezaten, moesten uitgeven. Alle vier wilden ze er eten van kopen, maar de Pers dacht aan angoer,  de Turk aan oezoem, de Arabier aan inab en de Griek aan stafil.

De ruzie liep hoog op, want niemand begreep wat de anderen wilden.

Toevallig kwam een taalkundige voorbij, die hen hoorde ruziën.

'Geef de munt maar aan mij', zei hij. 'Dan zal ik zorgen dat jullie allemaal je

zin krijgen.' De taalkundige kreeg de munt en liep naar een winkeltje, waar hij vier trosjes druiven kocht. Vervolgens gaf hij alle mannen een trosje.

'Dat is nu een angoer!' riep de Pers.

'Ik noem dit oezoem!' zei de Turk.

'U hebt inab voor me meegenomen', zei de Arabier.

'Niet waar! In mijn taal heet dit stafil', riep de Griek.

Opeens kwamen de mannen tot het besef dat ze allemaal hetzelfde hadden gewild,

maar dit niet aan elkaar duidelijk hadden kunnen maken.

Laten we leren luisteren naar het geluid van de rietfluit, naar de pijn in het hart van ieder mens. En dan zullen we beseffen dat wij allen broers en zusters zijn, één familie van mensen, verlangend naar eenheid met God.



Wisseling van de wacht

Gele en gouden bogen omspannen de ruimte. Het licht valt met grote banen door de hoge ramen. Hoog in de koepel glinstert een mozaïek van de Moeder Gods met het Kind op haar schoot. Gedetailleerde krullende wandversieringen, smeedwerk, fresco’s en talloze glas-in-loodramen wedijveren om aandacht. Het enige dat de zuivere lijnen van de Aya Sofia te Istanbul doorbreekt, zijn de grote houten schilden met de namen van Allah, Mohammed en de eerste kaliefs. 1000 jaar lang is dit gebouw één van de grootste christelijke kerken geweest, de hoofdkerk voor het oosterse christendom. De laatste 500 jaar is het een moskee, en de koepelbouw van deze kerk dient verrassend genoeg nog altijd als model voor de bouw van huidige moskeeën.

Dat de kerk nu een moskee is, dat is nog tot daaraan toe. Ook de christenen namen de heidense tempels in de landen die ze veroverden in bezit en bouwden ze om tot kerken. Dat een kerk een moskee wordt, daar zit mijn pijn niet. Maar de Hagia Sophia heeft een eigen schoonheid die godsdiensten overstijgt. Net als God die al onze godsdiensten overstijgt. De sultanstroon, de preekstoel voor de imam, de lampen langs de muur, die zijn allemaal in stijl aangebracht en onderbreken de verheven pracht van het gebouw niet. De islamitische kunst en de christelijke kunst gaan goed samen in de Aya Sofia. Maria en Jezus komen tenslotte ook voor in de koran. Maar die lelijke 19 e eeuwse schilden zijn veroveringstekens, mensenmacht, ijdelheid. En dat is echt zonde.

Mijn kerkgebouw gaat verkocht worden wegens bezuinigingen. Op een avond gaat de telefoon. Er is belangstelling voor de verkoop: kan de Ichthuskerk wellicht verbouwd worden tot een moskee? Ik zal er niet om liegen: dat doet pijn. Niet vanwege de moskee, maar omdat er meer dan veertig jaar christelijke gebeden en gezangen hebben geklonken, kinderen zijn er gedoopt, jongelui getrouwd en ouderen zijn er vandaan begraven. Het kerkgebouw heeft een eigen schoonheid, met zuivere lijnen en heldere focus op God.

Ik twijfel niet: ik heb er liever een gebedshuis dan afbraak en weer een appartementencomplex. En of het nu kerkklokken zijn of een muezzin, herrie maakt het toch en beiden roepen op tot gebed en aandacht voor God. Ik hoop wel dat een eventuele wisseling van gebedshuis geen machtovername zal zijn, maar een wisseling van de wácht, gehoorzaam aan de roeping van God om het gebed door te laten gaan. Of het nu in het Arabisch of het Nederlands is.


Perspectief

Onlangs las ik: Ik heet Karmozijn, het bekroonde boek van de Turkse schrijver en Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk. Het boek speelt in 1591 en beschrijft een complot onder de miniatuurschilders aan het hof van de sultan in Istanbul. Het is een prachtig boek om veel redenen. Je kunt het lezen als een moderne parabel over de identiteitscrisis in Turkije, land tussen Oost en West. Je kunt het zien als een spannende detective, of als een historische roman die de overgang tussen de late middeleeuwen en de moderniteit beschrijft. Maar wat ik het mooist vind, is de spanning tussen een religieuze visie op de wereld en een wetenschappelijke kijk.

De miniatuurkunst van de islam heeft een bedoeling: zij wil de wereld laten zien zoals God die ziet. Maar in de 16e eeuw komt in het Westen een nieuwe manier van schilderen op: met perspectief. Er wordt gewerkt met een horizon. Wat dichtbij is, wordt groter geschilderd dan wat ver weg is. Wat je met je eigen ogen ziet, precies zoals je het ziet, dat is wat er wordt getekend. We zijn er in onze tijd zo aan gewend dat we niet eens weten dat je nog op een andere manier kunt kijken. Maar zo is het niet altijd geweest.

Ze schilderen mensen op zo’n manier dat je hen in het echt zou kunnen herkennen, roepen de oude miniatuurschilders van de sultan verontwaardigd. Niet langer zijn de afbeeldingen weergaven van het geloof, wat je ziet als ‘vanaf de trans van een minaret’. Schilderen vanuit het westers perspectief is schilderen zoals een straathond kijkt, zegt een personage in het boek. Het is een techniek die de mens in het middelpunt zet en niet God. Het maakt van de wereld een object en ons tot toeschouwer. Het gaat uit van het individu en bewondert een individuele en vernieuwende schilderstijl, in plaats van de collectieve inzichten en de verfijnde vormen van een eeuwenlange traditie.

In de christelijke traditie kennen we ook een oosterse schilderstijl die meer wil laten zien dan wat je voor ogen hebt. Ook het christendom kent een religieuze manier van schilderen: iconen. De iconen-manier van schilderen kent ook geen perspectief, of eigenlijk, een omgekeerd perspectief. Je wordt als kijker de afbeelding ingetrokken, in plaats van dat jij als een toeschouwer de dingen bekijkt zoals ze zich voordoen aan je. De stijl van iconen lijkt ook die van de oude miniaturen: het gaat erom dat de dingen niet tot objecten worden, maar dat ze doorzichtig worden tot op God, de bron van het leven. De afbeeldingen zijn niet om naar te kijken maar hulpmiddelen voor gebed en aanbidding van God. De iconen kijken naar óns. En als je daar gevoelig voor wordt, dan helpen de afbeeldingen je om anders naar het leven en jezelf te kijken.

Ik ben blij dat het boek van Pamuk zo goed ontvangen wordt. En ik hoop dat we het westerse en oosterse perspectief eens wat af kunnen wisselen met elkaar. Als mensen af en toe eens elkaars manier van kijken overnemen, dan zien we met zijn allen veel meer. En daar zou de wereld beter van worden.

 

Een zegenende God
Ik weet niet wat ik moet doen, zegt ze tegen me. Ik heb altijd klaar gestaan voor anderen, zegt ze. Zo ben ik opgevoed. Ik vind het belangrijk dat je aan je medemens denkt.


Ik kijk in haar bruine ogen en herinner me hoeveel zorg ze draagt in haar gezin met veel ziekte. Hoe ze jonge vrouwen helpt om hun weg te vinden in het leven. Ze is actief in allerlei vrijwilligerswerk. Zo heb ík haar ook leren kennen. We zitten samen in een gespreksgroep over geloof. Geloof is een teer onderwerp. Je geloof dat is het meest kostbare, dat is je diepe gevoel, dat is je heilige grond. Daar praat je niet zo makkelijk over. Stel je voor dat een ander lacht over wat voor jou heilig is. Dat doet pijn.


Toch heb ik ook geleerd dat alleen God heilig is, niet mijn opváttingen over God. Soms is het goed voor mij als iemand spot met mijn geloof – dat helpt om mijzelf niet zo serieus te nemen alsof ik zelf God zou zijn.


Maar in de gespreksgroep zijn we heel voorzichtig met elkaars geloof. Zo respectvol dat we naar elkaar’s gebeden en gezangen kunnen luisteren en in elkaar iets kunnen proeven van de diepte en de rijkdom van God. Ik herinner me hoe ze haar ogen sloot toen de heilige verzen werden gereciteerd, alsof ze met haar hele ziel aan het luisteren was. Dat had me diep geraakt, herinner ik me.


Ik weet niet wat ik moet doen, zegt ze opnieuw. Ik voel zo’n verlangen om te studeren en mijzelf te verdiepen, ik weet nog zo weinig van God en ik verlang naar meer.


Dat herken ik wel. Er is altijd zoveel te doen, zoveel mensen die je nodig hebben. Vooral vrouwen hebben het gevaar dat zij zichzelf verliezen in de zorg voor anderen. Maar dan klinkt er een stem, van binnen. Dan komt er een andere roep.


Misschien verlangt God naar je, zeg ik voorzichtig. Ze is even stil, en ontroerd. Dat God naar háár verlangt, zomaar, niet om wat ze allemaal voor anderen doet, maar om haar zelf?


Ja. God verlangt niet alleen naar dienaren, hij zoekt geliefden. Want is God niet de grootste minnaar van het universum? Is er iemand anders in staat om van al die bijna zeven miljard mensen te houden, één voor één en stuk voor stuk? Daar moet je wel God voor zijn.


Ja, zegt ze tenslotte met een zucht. Zo voel ik het precies. God zoekt me en daar wil ik naar luisteren. Moge Allah je zegenen, zeg ik, ook ontroerd. Want er is maar één God, onder welke naam we hem dan ook hebben leren kennen. De God die mensen wil zegenen.

 

Weg met het geloof?
“Ze moesten alle geloof overboord zetten’ beet iemand me fel toe, alsof ik hoogst persoonlijk verantwoordelijk was voor de aanslagen in New York, de herrie over de cartoons over Mohammed en al het geweld dat daaruit aan het voortkomen is. Als er geen geloof was, dan waren er geen kruistochten geweest en dan waren er geen zelfmoordenaars die in naam van hun geloof zoveel mogelijk vrouwen en kinderen doden. Geloof als bron van alle kwaad. Weg ermee.


Wat moest ik antwoorden? Ik zou haar kunnen vertellen, dat Rusland een eeuw lang alle godsdienst had verboden met nog grotere onderdrukking door het communisme als gevolg. Ik zou kunnen wijzen op de arische rassenleer waar bijna het hele joodse volk door vergast is. Ik zou kunnen ingaan op de ellendige resultaten van ons eigen Westerse vooruitgangsgeloof waar de wereld ziek van wordt en Afrika aan sterft. Geloof alleen is niet de bron van alle kwaad. Dat zit in de mens zelf. En dus ook in zijn politieke, economische én religieuze systemen.


Maar dat zei ik allemaal niet. Want ik zag de angst in de ogen van deze boze vrouw en haar gevoel van machteloosheid. Als je maar iets de schuld kunt geven, dan voel je je al beter. Net alsof je het dan al een beetje kan bezweren. Een vijand aanwijzen helpt al om je sterker te voelen. Die angst en machteloosheid herken ik wel. Nu komt het erop aan: laten we ons door de angst regeren of kan het ons juist inspireren, vooruit helpen, nieuwe wegen doen vinden?
Wat mij betreft, helpt het geloof bij dit laatste.


Ik laat me inspireren door de profeet Mohammed zelf die zei:”Help je broeder, of hij nu kwaad doet of dat hem kwaad wordt aangedaan.” Ze vroegen hem: Iemand helpen die kwaad wordt aangedaan, dat is duidelijk. Maar hoe kunnen we de dader van kwaad helpen?” Hij antwoordde:
“Door hem te weerhouden van het doen van kwaad.”


Mensen moeten met elkaar gaan praten om te begrijpen waarom moslims zich gekwetst voelen over de cartoons. Mensen moeten met elkaar praten en niet met bommen gaan gooien. Ik ben er van overtuigd dat de profeet dat ook zou zeggen. Over hem wordt verteld dat hij meer lachte dan de meeste mensen. Ik vind het dan ook moeilijk te begrijpen dat moslims wel de straat op gaan om tegen de cartoons te protesteren, maar niet tegen de zelfmoordenaars die onschuldige mensen doodmaken in de naam van Allah, die de Barmhartige wordt genoemd. Dát vind ik nu een échte belediging van de islam!


Het maakt me ook droevig. Daar gaat de kans dat het Westen kan bijleren van de wijsheid van de soefi dichter Roemi en de humor van Nasroeddin de verhalenverteller, of van de inzichten van islamistisch bankieren, om maar een paar voorbeelden te noemen. Jammer, jammer. Zonde, zou een christen zeggen.
De bron van de moeilijkheden in de wereld is natuurlijk niet het geloof. Het is de angst en de ijdelheid van mensen. Mijn vrijheid boven alles! Of: Mijn eer boven alles! Mijn macht, mijn geloof boven alles en iedereen!
Waar dat soort gevoel regeert, in het westen of in het oosten, daar kan het niet anders of het gaat mis. Of we bewonen en delen de wereld samen, of we blijven er een hel van maken.


Soms vraag je je af: zou het ooit nog beter worden? Wanneer komt de dag dat het licht echt doorbreekt? Zo vroeg een leerling eens aan de rabbijn:”Wanneer moeten we het morgengebed bidden, wanneer weten we dat de ochtend echt is aangebroken? Is het als we een koe van een schaap kunnen onderscheiden?”De rabbijn antwoordde ontkennend. “Is het dan als we uit de verte kunnen zien of er een dadelboom of een vijgenboom staat?’ vroeg de leerling weer.”Nee”, antwoordde de rabbi opnieuw. “De morgen breekt aan, als we in het gezicht van onze medemens onze broer of zuster kunnen herkennen.”
Er is nog een hoop te leren voor ons als mensen. De schaduwkanten van onze eigen persoon komen vanzelf boven als we ons bedreigd voelen. Wat je niet van jezelf onder ogen durft te zien, dat schrijf je toe aan de ander, aan je vijand. Tot zolang blijft het nacht en breekt de morgen niet aan.


En dus, als iemand mij vraagt: “Waarom laat God dit allemaal toe?”, vermoed ik dat God hetzelfde aan ons vraagt. Ik hoop maar dat Hij het niet opgeeft met ons...


Het is de hoogste tijd voor een echt tegenoffensief: vertrouwen tegenover angst. Betrokkenheid tegenover onverschilligheid. Hoop tegenover wanhoop. Liefde tegenover haat. Praten in plaats van bommen gooien. Er is geen weg terug naar een wereld waar elk volk in afgesloten thuislanden woont, waar iedereen hetzelfde geloof en dezelfde normen en waarden heeft. Er is alleen een weg vooruit in gesprek met elkaar. Niet alleen naar elkaar schreeuwen, maar leren luisteren met de oren van de ander. Nu komt het er op aan. Gelooft u dat het kan?

 

Farish Noor
Het waren weer weken vol 11 september herdenkingen. En in Vlaardingen hebben we zojuist de vredesweek en de dag van de dialoog achter de rug, een poging om mensen uit verschillende achtergronden met elkaar in gesprek te brengen. Dat deed me denken aan een schitterende uitzending van de NMO, de Nederlandse moslim omroep. Ik kijk wel eens vaker, om te horen welke gesprekken er gevoerd worden binnen de moslim wereld, en om meer te leren over de islam.


Deze keer was Farish Noor aan het woord, een islamitische mensenrechtenactivist uit Maleisië. Wat voel ik mij aan deze man verwant. Zoals hij de islam uitlegt, zo begrijp ik het christendom. Zijn visie deel ik. Zijn moeite met de fanatieke gelovigen in je eigen godsdienst deel ik ook. Maar het mooiste fragment van die tv uitzending vond ik dit.


Na 11 september had hij zich geschaamd om moslim te zijn. Maar toen kwam de Golfoorlog en besefte hij dat hij moslim was en bleef, het was zijn lot en zijn bestemming, ook al had hij een afschuw van terreur. Hij wilde naar een moskee om te bidden.  Farish Noor woonde toen in Londen en liep, de avond na de eerste raketaanval op Irak, te dwalen in een klein stadje, op zoek naar een plek om te bidden. Er was geen moskee, maar toen liep hij langs een klein christelijk kerkje, waar de deur open was en hij zag dat er kaarsen werden aangestoken. Een vrouw kwam hem naar toe vroeg: wil je meedoen aan onze wake? Waar bidden jullie voor, vroeg hij. En de vrouw antwoordde: voor de mensen in Irak.
Hier was een klein groepje oude vrouwen die bij elkaar gekomen waren om voor de Irakezen te bidden. Niet alleen voor hun eigen club, hun eigen geloof, maar voor de moslims in Irak. Dit was een keerpunt voor Farish Noor. Vanaf toen begreep hij de betekenis van de universele islam. Recht, gerechtigheid en vrede voor alle mensen, niet alleen voor je eigen clubje. Sinds die tijd zet hij zich daarvoor in.


Voor mij is het een ontroerend verhaal. Dit is wat de kerk hoort te doen, altijd en overal: de grenzen overstijgen, de muren tussen mensen afbreken, zorg dragen voor iedereen die het nodig heeft, of ze nu christen zijn of niet. De kerk is geen politieke partij die keuzes moet maken en belangen moet afwegen. Een kerk, een synagoge of een moskee is een plek waar de toekomst van God wordt ingeoefend: een wereld van vrijheid, vrede en gerechtigheid. De bijbel zegt het zo: er zijn geen joden of grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen, u bent allen één in Christus Jezus. Een echt christen ziet dat elk mens geschapen is naar het beeld van God, of ze nu moslim, christen, jood of ongelovige zijn. Dat verbindt ons met elkaar.


Maar eerlijk is eerlijk: het zijn niet de theologen die de wereld dichterbij brengen. Gelukkig schenkt God ons nog steeds wijze vrouwen die bidden over alle grenzen heen.

(columns voor de stadsradio)