sporen van God
mystiek
artikelen
christelijke mystiek
inleiding op de Wolk
niet-weten
cassianus
leven uit de bron
gevoed met honger
volwassen geloof
godservaring?
etty hillesum
hammerskjöld's weg
anselm grün
perspectief
geestelijke reis
eucharistie en eros
klassieke teksten
mp3 cursussen
aanbevolen boeken
podcasts
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

 de wolk van niet-weten


Ik kies voor mijn liefde datgene uit wat mijn denken te boven gaat. Waarom? Omdat God wel bemind kan worden, maar niet bedacht.

 

Inleiding en toelichting

richt je pijlen van verlangen op de wolk van niet-weten

Inleiding


De Wolk van niet-weten is geschreven in de ‘waanzinnige’  veertiende eeuw. Te midden van ingrijpende cultuurveranderingen, vernietigende pestepidemieën, oorlogen en dramatische kerkscheuringen ontstaat in Europa een grote opleving van het religieuze leven.

 

De onbekende Engelse schrijver van De Wolk is een tijdgenoot van Juliana van Norwich, Meister Eckhart, Catharine van Sienna, Jan van Ruusbroec en Geert Groote. Hij schrijft zijn boekje voor een 24-jarige kloosterling die hij begeleidt in diens religieuze ontwikkeling. Maar, zegt hij gelijk aan het begin: je moet het héle boek achter elkaar langzaam lezen, liefst een paar keer. En je moet van het boek afblijven als je niet werkelijk geroepen bent tot contemplatie van God. Anders komen er maar misverstanden van. Want de hoogste vorm van omgaan met God is niet voor modieuze spirituelen of nieuwsgierige intellectuelen weggelegd.

Je kunt je geloof vooral in daden willen uitdrukken en dat is goed. Maar sommige mensen, zo zegt de Wolk, worden uitgenodigd tot een intiemer en vreemder soort  omgang met God. Dat zijn degenen die geroepen zijn tot contemplatie of beschouwing. Deze mensen wil hij de weg wijzen. Het bijbelse beeld van Mozes die een wolk binnengaat om de onzichtbare en onkenbare God te ontmoeten, wordt gebruikt door Pseudo-Dionysius, een mystieke schrijver uit de zesde eeuw. De Wolk bouwt op deze mystieke beeldtaal voort.

Het werkelijke kennen van God is als het binnengaan van een wolk van niet-weten. Gevoel, verstand, verbeeldingskracht, wil of zintuigen zijn niet geschikt om God te ontvangen. Alleen de ziel van de mens is naar Gods eigen beeld geschapen en daar ligt het raakvlak tussen God en mens. Alleen de ziel kan God ‘begrijpen’. Het betekent niet dat je je verstand op nul moet zetten, of je gevoel moet negeren. Het gaat om de liefdeskracht die uitgezuiverd wil worden. Als je God wilt naderen, dan moeten alle menselijke vermogens verduisterd worden. Dat is aan de ene kant een techniek, maar aan de andere kant een werking die God zelf uitoefent als hij sommigen optrekt ‘de wolk in’.

In de groei naar de beschouwende kennis van God zijn er allerlei valkuilen. De Wolk biedt 75 kleine hoofdstukjes praktische tips. Je kunt afgeleid worden door je eigen mooie gedachten over God. Of door al te veel aan zoete gevoelens te blijven hangen ‘als draaizieke schapen die een klap op hun kop hebben gekregen’. Je kunt te geestelijk worden en boven de aarde blijven zweven. Of je vult je geloof op een te zinnelijke manier in. Of je verbeelding gaat met je op de loop. Beschouwing is niet bestemd voor mensen ‘met maar één neusgat’: zonder het ‘tussenschot’ van geestelijke onderscheiding.

Zoek God zelf, niet wat je van Hem krijgt. De ‘volmaakte’ omgang met God wordt bereikt als er niets meer tussen de mens en God in staat. Een louter streven gericht op God en op Hem alleen, is genoeg. Als je dit streven in één woord wilt samenvatten om zodoende gemakkelijker vast te houden, neem daarvoor dan een kort woord, liefst van één lettergreep, bv. God of liefde.

Dit advies is vaak vergeleken met meditatie methodes uit het zenboeddhisme en het Jezusgebed uit het oosterse christendom. Het gaat om het aanleren van dit zuiver gericht staan op God. De wolk die God onttrekt aan de menselijke blik, bevrijdt van zelfbewust en zelfgericht leven. God zelf wordt het doel van onze liefde en tegelijk  de inhoud, de wijze waarop we liefhebben. Als iemand totaal tot God gekeerd staat zijn alle mensen hem even lief; hij voelt dan immers geen andere oorzaak om lief te hebben dan God alleen.

Het genot van een fijn religieus gevoel, een inspirerende gedachte, troost, zekerheid, bijzonder inzicht waarmee je indruk kunt maken – in de Wolk verdwijnen ze allemaal. Zonder bijmotieven God zoeken – zuiver en alleen uit liefde voor God zelf, dat is de ware nederigheid waardoor de mens geschikt gemaakt wordt om God te ontvangen. Zo voert de wolk van niet-weten naar het alomvattend bezitten van God.

De volmaakt nederige mens ontbreekt het aan niets, noch geestelijk noch stoffelijk. Zij bezitten immers God die alle overvloed omvat; en wie Hem bezit – zoals dit boek maar blijft herhalen – heeft niets anders nodig in dit leven.


 

Uitgebreide toelichting op de tekst

 

niet doen

Je moet het eigenlijk niet doen. Schrijven over dit boekje voor een publiek waarvan je niet weet of ze eigenlijk wel tot contemplatie zijn geroepen. En of er – in de woorden van de Wolk zelf - geen schreeuwers of vleiers, of quasi-nederigen, of muggenzifters, kletsmeiers, zeurpieten, kwaadsprekers, of wat voor soort brompotten ook tussen zitten. Trouwens, al die geleerde mannen (en eveneens de niet-geleerden) die enkel maar nieuwsgierig zijn, zelfs al zijn het goede mensen – de schrijver heeft liever dat ze er nooit iets over horen. Eigenlijk moet je dit boekje achter elkaar hardop lezen, liefst een paar keer en er alleen over praten met mensen die verliefd zijn op God. Al hebben die natuurlijk geen idee wat ze precies met God bedoelen. Want daar schuift nu eenmaal een wolk van niet-weten tussen. Door genade gekomen waar je van nature niet kan geraken.

 

één neusgat

Het is een typische Engelse gentleman, deze anonieme schrijver uit de 14 e eeuw. Vol spottende humor, afkerig van al teveel emotioneel gedoe, beschaafd en redelijk, je ziet hem zo zitten: ‘drinking his tea in a proper british manner’. Waarschijnlijk is het een oudere Benedictijner monnik, die advies geeft aan een jonge leerling over de ervaringen en valkuilen in het beschouwende leven. De titel van het geschriftje is ontleend aan een in zijn tijd zeer bekend mystiek werk uit de zesde eeuw van Pseudo-Dionysius. Deze gebruikt het bijbelse beeld van Mozes die de berg op gaat om God te ontmoeten en daar gehuld raakt in een wolk die neerdaalt op de top van de berg. In deze wolk hoort Mozes de stem van God die hem aanwijzingen geeft hoe het leven geleefd moet worden.

            

De wolk kent 75 kleine hoofdstukjes – meestal minder dan een bladzijde lang – over de praktijk van de omgang met God. Want daar kan van alles mis gaan. Voor je het weet gaat in je meditatie of gebed je fantasie met je op de loop, of ben je alleen bezig maar met je eigen mooie gevoelens, of met diepzinnige gedachten over God en het leven, of buitenissige ervaringen die niet van God maar van de duivel komen. Hoe leer je mediteren met twee neusgaten? Want de duivel heeft maar één neusgat, zo heeft hij begrepen van spiritisten. En zonder neustussenschot mis je het vermogen om te onderscheiden tussen goed en kwaad en al helemaal tussen ‘beter’ en ‘best’. Over het laatste onderscheid gaat het grootste deel van het boek: over beter en best, over de meditatiepraktijk van gevorderden en die van volmaakten. Dus als je niets met contemplatie (beschouwing) hebt – begin er niet aan om dit boekje te lezen. Gesprek erover met iemand die ervaren is op deze weg voorkomt misverstanden. Bovendien is er altijd het gevaar dat je er alleen uit oppikt wat in je straatje past – en laat liggen wat je nu juist nodig hebt..

 

Martha en Maria

De Wolk maakt gebruik van een veel gehanteerd onderscheid in de manier waarop mensen hun geloof vormgeven. Er zijn namelijk Martha’s en Maria’s:  twee manieren waarop het geloofsleven geleefd wordt, nl. het actieve leven en het beschouwende leven. Maria en haar zuster Martha, (twee vriendinnen van Jezus uit het bijbelverhaal in Lucas 10:38-42) vertegenwoordigen in de traditie van de kerk twee soorten van roeping door God. Martha, druk bezig met het zorgen voor anderen, staat voor geloof dat zich kenmerkt door goede daden. Maria, die stil luistert naar de woorden van Jezus, vertegenwoordigt hen die zich ‘verlustigen in de beschouwing van God’. Hoewel het gaat om een roeping - iets dat je dus ontvangt – je initieert het niet zelf - kan er ook een element van keuze in zijn. Er zijn namelijk Maria’s, die Gods uitnodiging tot contemplatie (beschouwing) niet aannemen. Of – en dat is nog erger – ze raken verstrikt in één van de valkuilen onderweg. Er zijn mensen die door God tot de intiemste vorm van Godskennis worden genodigd, maar het spoor bijster raken, opbranden of afhaken, omdat ze zichzelf niet goed begrijpen, of omdat ze niet goed begrijpen wat God met hen aan het doen is en waarom. Om dat te voorkomen, is het doel van de Wolk.

 

Het actieve leven zal altijd deel uitmaken van een christelijk leven, of je nu een Maria of een Martha bent. Waar je grondverlangen naar uitgaat, ligt anders voor Maria of Martha. Mensen met een Martha-roeping voelen hun sterkste verlangen gericht op het dienen van hun medemens, of op het ontwikkelen van zelfkennis. Maar Maria’s verlangen maar één ding: God zelf. Hun naastenliefde en hun verlangen naar zelfkennis vloeien dááruit voort. Een roeping tot beschouwend leven is geen keuze maar komt van God – je kunt het niet helpen, het is een grondverlangen van je ziel.

 

lager en hoger

Het Martha-leven kent twee delen: dat wat je in de buitenwereld doet, en dat wat je aan je innerlijk doet. Dit laatste Martha-deel is tegelijk het eerste deel van het Maria-leven. Want het beschouwende leven kent ook weer twee delen, zo vertelt de schrijver: een actief gedeelte en een passief gedeelte. Hij spreekt van hogere en lagere onderdelen, maar daar bedoelt hij geen rangorde mee. Het is meer als de bovenverdieping van een huis: die kan niet zonder benedenverdieping. In de Wolk gaat het, zo zou je kunnen zeggen, over een soort split-level woning: de eerste etage is zowel deel van de beneden-, als de bovenverdieping. Dat komt omdat het eerste deel van het beschouwende leven vooral actief is: het vraagt onze inzet en volharding.

 

Er zijn dingen die je kunt doen en er zijn dingen waarin je meegenomen moet worden, als God het wil. Vergelijk het met pianospelen: je moet studeren op de noten totdat je het muziekstuk letterlijk in je vingers hebt. Maar er komt een moment dat je al je studie moet loslaten en naar de muziek moet gaat luisteren die je zelf aan het spelen bent. En elke musicus hoopt op het moment dat de muziek zelf het overneemt: dat je het door jou heen aan het spelen is. Dat is genade, het geschenk waar iedere artiest voor leeft: dat de muziek het overneemt en je zelf als het ware de muziek bent geworden.

 

deugden

Op de bovenverdieping gaat het om Godskennis. Hier, op de eerste etage van het beschouwende leven, gaat het om ware zelfkennis. Het gaat om de ordening van je eigen innerlijk: de ontwikkeling van deugden, en dan speciaal nederigheid en liefde. Dat vraagt om een absolute eerlijkheid tegenover jezelf: om inzicht in je zonden. Nu moet je je niet laten afschrikken door al het gepraat over zonde en ellende. De oorspronkelijke betekenis van zonde is zoiets als een pijl die zijn doel mist. Zonde is datgene waardoor mensen hun bestemming niet bereiken: gelijkvormigheid aan God. En dat wil je uiteraard wel goed in beeld krijgen. Zondebesef is niet anders dan doorkrijgen wat je hindert om tot vereniging met God te komen. Niet om daar bij te blijven hangen, maar om daar aan voorbij te komen, door nederigheid en liefde (of verlangen).

Nederigheid is niet anders dan een ware kennis en een waar bewustzijn van zichzelf zoals men werkelijk is. Je kunt nederig worden omdat je beseft hoe verdorven of zwak je bent, of omdat je de overvloedige liefde en verhevenheid van God in Hemzelf beschouwt en daar beeft de natuur van. De eerste oorzaak van nederigheid noemt de Wolk onvolmaakt. De tweede is veruit de beste manier. Gods grootheid beseffen is een eeuwigdurende bron van volmaakte nederigheid. Besef van eigen zwakte en zonden hoort wel bij zelfkennis, maar in de praktijk voert minderwaardigheid en zondebesef al te vaak naar verkapte hoogmoed. Je eigen zondigheid wordt zwaarwichtiger dan de vergevende en bevrijdende liefde van God. Besteed dus niet teveel aandacht aan je  kleinmenselijkheid, als manier om de deugd van de nederigheid te verwerven. Je wordt vanzelf nederig als je Gods grootheid ziet, net zoals je je klein voelt als je tussen hoge bergen wandelt.

 

De deugd van de liefde ontwikkelen is het kortste trapje op weg naar de Godsschouwing. Liefde is niet anders dan God beminnen boven alle geschapen dingen  en omwille van God alle mensen liefhebben gelijk onszelf.  Of anders gezegd: een zuiver gericht staan op God zelf. Dat wil zeggen: een soort blinde drang dat zich richt op God, zonder dat je iets van God zoekt. Je zoekt geen inzicht, geen fijn gevoel, geen rust voor je ziel, geen gebed voor de wereld, geen inzicht in hemelse zaken, geen vrijwaring van pijn of een ruime beloning, je verlangt niets anders dan God zelf, hoe dan ook. Als iemand totaal gekeerd staat tot God, zo zegt hij, zijn alle mensen hem even lief; hij voelt dan immers geen andere oorzaak om lief te hebben dan God zelf.

           

wolk van vergeten

In het eerste deel van het beschouwende leven ontwikkelen we de deugden van nederigheid en liefde, de krachten van de ziel die ons beschermen tegen de listen van de duivel en de wereld. Nu wil er iets anders groeien: ontvankelijkheid. Hier horen onze meditatie-inspanningen thuis. Je neemt 20-30 minuten om stil te zijn, rechtop in je stoel of op het meditatiekussen of krukje en probeert je aandacht bij je ademhaling te houden. Als je gedachten met je op de loop gaan, dan zeg je zachtjes voor jezelf: Maranatha, (of een ander gebedswoord) om de stroom te onderbreken en je aandacht weer op je adem te richten. De schrijver van de Wolk beveelt het woord het woordje God, of liefde, aan.

 

Waarom deze techniek? Om al onze herinneringen en gedachten, voorstellingen en emoties te begraven in een wolk van vergeten, zo zegt de schrijver. Ons ik heeft een narratieve identiteit: wij maken een verhaal van onszelf. Het gebruik van een enkel woord zonder dat we daarover na gaan denken, onderbreekt het verhaal dat wij van onszelf, ons leven en van God maken. En dat schept de mogelijkheid dat ons iets anders kan toevallen. Onze voorstellingen en gedachten staan in de weg van de Godsschouwing. Daarom schuiven we ze opzij om te luisteren naar wat de stilte zelf ons te zeggen heeft – niet door woorden maar door iets dat voorbij de woorden, voorbij de gevoelens, voorbij de verbeeldingskracht ligt: de aanwezigheid van God die dat alles te boven, te buiten, te binnen gaat.

 

Dat is zwaar werk. Steeds weer dringen elementen van het leven tussen ons en God in. In de Wolk staan een paar tips hoe je kunt omgaan met al die gedachten die steeds maar weer in je opkomen. Ertegen vechten maakt het alleen maar moeilijker: kijk als het ware over hun schouder mee, doe net alsof je niet weet dat de gedachten tussen jou en God in staan. Of als je voelt dat je die gedachten op geen enkele manier de baas kunt, buig je dan onder hen neer, zoals een laffe krijgsgevangene zich gewonnen geeft in de strijd. De schrijver wil voorkomen dat je teveel aandacht aan de afleidingen geeft. Richt je liever op diegene naar wie je verlangt.

 

Die eerste verdieping in het beschouwend leven vraagt veel inzet. Om de deugden te ontwikkelen, om je gedachten, voorstellingen, herinneringen, verwachtingen, gevoelens te begraven in een wolk van vergeten is een hele klus die volharding vraagt. Toch is dat niet waar de Wolk nadruk op legt. Het grootste deel gaat over die tweede wolk, de wolk van niet-weten. Dat is de eigenlijke focus van dit boekje: het Godschouwende leven.

 

wolk van niet-weten

Deze wolk van niet-weten is in feite een andere naam voor de werkzame aanwezigheid van God zelf. De wolk van niet-weten is wat mensen beleven als ze rechtstreeks aan God raken. God wordt onthuld en verhuld tegelijk in een ervaring die nog het beste omschreven kan worden als duisternis, of als ‘een wolk van niet-weten’. Omdat ik het een 'duisternis' of een 'wolk' noem, moet je niet denken, dat het een wolk is zoals je die aan de hemel ziet, of een duisternis zoals je die 's nachts in huis wel kent, wanneer de lamp uit is. Zo'n duisternis en zo'n wolk kun je je met een beetje verbeelding zelfs midden op een zomerdag voor de geest halen, precies zoals je je in het diepst van een winternacht het beeld van een helder stralend licht voor de geest kunt halen. Maar daar doel ik helemaal niet op. Met 'duisternis' bedoel ik 'een ontbreken van weten', net zoals je kunt zeggen dat iets wat je niet weet of dat je hebt vergeten 'duister' voor je is. Want je kunt het niet met je innerlijk oog zien. Daarom noemen wij dit een 'wolk', niet van de hemel natuurlijk, maar van 'niet-weten', een wolk van 'niet-weten' tussen jou en God.

 

Hier zijn wij niet meer bezig om onszelf tot rust te brengen en ontvankelijk te worden. In het hogere deel van het beschouwende leven komt alle activiteit van God zelf. Het is God die ons de wolk van niet-weten intrekt. Dat doet Hij op door middel van het menselijk verlangen. Want de toegewijde, dringende liefde die ons voortdurend aanzet om bij God te willen zijn, komt niet uit onszelf voort, maar uit de hand van God die altijd klaarstaat om dit uit te werken in een mens die daartoe bereid is en die heel de tijd dat hij daartoe in staat is, doet wat hij kan om zich voor dit werk geschikt te maken. (-) Zonder twijfel is het harde van dit werk erin gelegen in het onderdrukken van elke gedachte aan al Gods schepselen, en in het bedekt houden van deze schepping onder de wolk van vergeten . (-) Dat is zware arbeid, want dit is het werk van de mens, daarbij geholpen door Gods genade. Het andere, dat ik hierboven genoemd heb, het dringende opwellen van de liefde, dat is geheel Gods werk.’ Het trapje van de eerste naar de tweede etage blijkt eigenlijk al bij de tweede verdieping te horen – waar niet wij, maar God zelf het werk doet.

 

twee kanten van één medaille

Ons eigen verlangen naar God is het werk van God die naar óns verlangt. Of in de woorden van Romeinen 8: De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.

Het opwellen van onze liefde voor God is God zelf die ons aanraakt. Het zijn twee kanten van één gebeuren. Kees Waaijman, in zijn standaardwerk Spiritualiteit, noemt dit: dialogische onmiddellijkheid. Het is het hoofdkenmerk van het leven met God. Er zit een onmiddellijke wederkerigheid in de omgang met God. Het is niet zo dat er tussen ons en God een soort kloof is die overbrugd moet worden. Zo denken wij omdat onze wereld zo in elkaar steekt: ik ben hier en jij bent daar. Ik zit binnen in mijn vel en de wereld zit buiten mij. Maar de inwoning van God in zijn schepping is van een andere orde. Wat ons diepste zelf lijkt te zijn, is tegelijk dat wat het meest ‘van God’ is. Mijn eigen grondige verlangen naar God is al God die in mij werkzaam aanwezig is. In zover je ernaar verlangt, precies in die mate bezit je haar klaarblijkelijk al, zo meent de schrijver van de Wolk. ‘dit werk (is) in wezen niet anders dan een zuiver gericht staan op God zelf.

 

Help!

Hier wordt er niet meer gebeden met woorden, zelfs je gebedswoord is al teveel, teveel eigen inspanning, eigen bedenksel, eigen werk. Als je dan toch iets moet zeggen (maar alleen als het vanzelf bij je boven komt), laat het dan iets zijn dat lijkt op wat mensen roepen als er brand is, zegt de Wolk, zoiets als HELP – een hartenkreet die je blijft roepen totdat je krijgt wat je verlangt.

Wat is het verschil met het eerste gebedswoord? Het eerste woord waarmee je de wolk van vergeten oproept, is een techniek die je zelf toepast. Het tweede woord (hooguit iets als: GOD!) is een kreet die niet meer te onderscheiden valt met wie je zelf bent. Je bent een en al verlangende roep geworden zoals ieder mens in werkelijke nood een soort belichaamd HELP! is. En dat woord dringt door tot in de hemel omdat het met de hele ziel gebeden wordt. Het is eigenlijk een roep zonder woorden, als een zucht of een kreet. Je bidt niet meer, maar bent zelf gebed geworden, belichaamd verlangen naar God. De enige maat voor dit soort van gebed is de mateloosheid. Alleen verlangen zonder maat correspondeert aan de mateloze liefde van God. Wie we zelf zijn, of wie God is, of hoe de wereld in elkaar steekt, of hoe het ook weer zat met het geluk of de zorgen die we hebben – dat is opgebrand door ons verlangen en verdwenen in een wolk van niet-weten. Er is niets meer over dan een naakt verlangen naar God, een blinde, tastende, verborgen liefde die reikhalst naar God zelf.

Dit mateloze verlangen bewerkt God zelf in ons als we tot deze vorm van beschouwing geroepen worden. En zolang iemand in dit sterfelijk lichaam verblijft zal het verlangen beuken op deze wolk van niet-weten in een reikhalzen naar het wezen van God, ‘van aangezicht tot aangezicht’.

 

emoties

Het klinkt allemaal erg heftig en dat is het ook. Daarom gaat de schrijver nu verder in op de rol van lijf en emoties in het beschouwende leven. Hij is bezorgd dat teveel van deze zaken zinnelijk kunnen worden opgevat. God is geest en alleen op geestelijke wijze is vereniging met God te zoeken. Hoe geestelijker je ziel, hoe minder emotioneel haar verlangens, zegt de Wolk, en des openener voor God – want hoe meer de ziel geestelijk wordt, hoe meer ze gaat lijken op God die geest is. Niet dat je je lijf en je gevoel moet negeren, want God verhoede dat ik zou gaan scheiden wat God verbonden heeft, lichaam en ziel. God schenkt zijn hemelse beloning in lichaam en geest, zo vertelt de schrijver. Soms ontvlamt het lichaam in wondere zoetheid en troost, niet van buitenaf maar van binnenuit. Maar het doel van de beschouwing is God zelf, nooit de bijzondere ervaringen die daar soms mee gepaard gaan. Voor de schrijver (zoals voor alle denkers in de middeleeuwen) is de liefde voor God en het menselijk verlangen niet zozeer een zaak van emoties, maar van de gerichtheid van de wil.

Ik zou je tenslotte willen helpen om een geestelijke verbintenis van brandende liefde tot stand te brengen tussen jou en God, in geestelijke eenheid en eenstemmigheid van wil.

 

droefheid

Gaat het in het eerste deel van het beschouwende leven over het verwerven van zelfkennis, in het hogere deel draait het om het kwijtraken van jezelf. Gunstig voor het beschouwende leven is droefheid: namelijk de kwellende ‘volmaakte’ droefheid dat men is. Hadewich en Jan van Ruusbroec gebruiken hier het woord orewoet , ‘oerwoede’  (misschien zijn Nederlanders minder melancholisch dan Engelsen..). Het diepe besef dat je God zou willen bereiken maar door het bestaan zelf onoverbrugbaar gescheiden bent, veroorzaakt een scheurende en ondraaglijke droefheid. Altijd maar weer dat ik dat ertussen schuift.. om gek van te worden. Het is onmogelijk voor een mens om zichzelf te vergeten en juist dat is de bron van deze alles verterende droefheid. Dat is precies haar nut: het doordringende verlangen dat met deze volmaakte droefheid gepaard gaat, maakt de ziel klaar voor de grote vreugde die een mens vrij maakt van alle kennis en ervaring omtrent zichzelf.

 

Hier is geen sprake van een morele droefheid. Het gaat hier niet over schuldbesef of het verwerpen van jezelf, maar over het diepe besef van je menselijkheid – dat je niet God bent. Alleen God heeft het zijn vanuit zijn wezen. Een mens ontleent zijn of haar bestaan niet aan zichzelf, maar ontvangt het. God is wezenlijk gevend en de mens is wezenlijk ontvanger. Alsjeblieft en dankjewel – dat is de menselijke verhouding tot God. Dit besef doorbreekt alle illusies die wij over onszelf in stand houden. De droefheid van het niet-zijn dat de kern van ons menselijk bestaan vormt, is alleen maar te verdragen als je verlangen groot is – anders ga je er aan onderdoor. Uiteindelijk wil deze droefheid ons voeren naar een volledig ontvankelijk openstellen voor wat God geeft. Het zet ons aan om blindelings te vertrouwen op het werk dat God zelf in ons doet.

 

brute kracht

Het is niet de bedoeling – en al helemaal niet mogelijk - om door sterke emoties tot ware kennis van God te komen. Werk liever met blij élan dan met brute kracht, adviseert de schrijver. In het lichamelijke zit het driftmatige, een dierlijke kracht die niet tot God voert. Emoties in de omgang met God doen wel mee, maar spring er niet op af als een uitgehongerde hond. In feite kun je beter je grote levenshonger voor God verbergen, adviseert hij. Het klinkt misschien een beetje raar, maar het helpt om tot het zuivere en geestelijke ervaren te komen. Je zou in de verleiding kunnen komen om God te beminnen vanwege al die verheven en dramatische gevoelens! Als je je houdt bij de nederige liefdesdrang in je wil, dan zal deze je gids wel zijn. Sommige mensen willen hun zintuigen gebruiken om innerlijke ervaringen op te doen en ze richten ze naar inwendige sensaties. De Wolk wil er niets van weten. Het is allemaal overspannen verbeelding waarmee de duivel de mens gemakkelijk kan misleiden, zo meldt de schrijver. Anderen denken dat vreemd gedrag en lichamelijke houdingen tekenen zijn van diepe beschouwing. Alle onbehouwen gedrag waarover de mens zelf geen controle kan uitoefenen wijst hij af: het toont alleen maar de ongeschiktheid voor het echte werk van de Godsbeschouwing. Fanatisme, oordelen over de zonde van anderen, temerig vroom gedoe, of juist niets willen weten van enige discipline – het wijst allemaal op mensen die meer met zichzelf dan met God bezig zijn.

 

ziel

Veel misverstanden omtrent de omgang met God komen voort uit een verkeerd begrijpen van hoe een mens in elkaar steekt. De Wolk neemt een heel aantal hoofdstukjes om dat nog eens goed uit te leggen. Het mystieke mensbeeld in de Middeleeuwen ziet er zo uit: de mens heeft een ziel en een lichaam. Het lichaam werkt door middel van onze vijf zintuigen. De ziel heeft verschillende aspecten of vermogens, waarvan de voornaamste drie zijn: geest (ook wel memorie genoemd, in het Engels: mind), het verstand en de wil (ook weleens hart of liefde genoemd). De lagere vermogens van de ziel zijn gevoel en verbeelding. Verstand en wil zijn hogere vermogens omdat ze de zintuiglijke informatie van het lichaam niet nodig hebben om te functioneren. Dat hebben gevoel en verbeelding wel. De geest tenslotte is het wezenlijke (principal) vermogen, de bron waaruit de andere zielskrachten ontspringen. Je kunt de geest het beste vergelijken met een ruimte waarin alles zich afspeelt: het omvat alle andere vermogens maar werkt zelf niet.

 

De pointe hiervan is deze: Godsschouwing gebeurt alleen wezenlijk: van geest tot Geest.  Voor de mens dus via het niet-actieve vermogen van volkomen ontvankelijkheid, de open ruimte van de ziel waarin Gods wezen (self substaunce) ontvangen en genoten wordt.

Dan ben je erin geslaagd om door genade geraken waar je van nature niet zou kunnen komen.(-) met God verenigd in geest en liefde en gelijkgerichtheid van wil.

 

niets en nergens

Nu zou je kunnen denken dat dit zich dus allemaal in je innerlijk afspeelt. Maar dat is een misverstand. De ziel is niet een innerlijk orgaan: dat is te lichamelijk, te materieel gedacht. Om kort te gaan, zo zegt de Wolk, ik wil evenmin dat je buiten, boven, achter, of links of rechts van jezelf bent. ‘Maar’, zul je zeggen, ‘waar moet ik dan zijn? Mag ik dan nergens zijn?’ Nu, dat zeg je goed, want daar wilde ik je hebben. En om deze reden: lichamelijk nergens zijn is geestelijk overal zijn.

Niets en nergens als plaatsbepalingen voor de omgang met God. Het is zoiets kostbaars in zichzelf dat het verstand het geen recht doet. Dit ‘niets’ kan beter worden aangevoeld dan ingezien, want het is volkomen duister en verborgen voor hen die er nog maar weinig naar gekeken hebben. Nochtans (-) het is zo’n overweldigend geestelijk licht dat degene die het ervaart er meer door verblind wordt dan door de duisternis.

 

groter dan ons ik

En zo zijn we uiteindelijk in de Wolk zelf terecht gekomen. Het niet-weten niet als een negatief, maar een positief: het raken aan God. De meest goddelijke wijze om God te kennen is welke kent door niet te kennen, zoals Pseudo-Dionysius al schreef. Deze vorm van niet-weten kan soms wel doorsneden worden door vonken van licht, door onzegbare inzichten, of wonderlijke troost. Maar van groter belang is dit: het is een motor van verandering. De Wolk van niet-weten vergroot de ruimte van de ziel (de ‘Weltinnenraum’ , zoals Rilke het noemde, of de Seelegrund van Eckhart). Als God ons optrekt in de Wolk, dan wordt het werk aan je ziel door God zelf gedaan. Want God is altijd bezig ons aan hem gelijk te maken: het eeuwige wil het tijdelijke in zich opnemen, het hemelse wil het aardse verheffen, wat vleselijk is, wil geestelijk worden. Raken aan dit niet-weten is - zeker in het begin - pijnlijk, uithollend, ontkennend, wegbrandend, uitzuiverend. Herinner: de geest is niet iets, maar is als een ruimte die aan alles plaats geeft en alles omvat. Het is ons ontvangstvermogen voor God. Het ‘niet-weten’ voelt aan als een afgrond, een gapend gat, maar het is de ruimte waarin de Oneindige God zichzelf kan geven. Je ziel is groter dan je ik. God past niet binnen in ons, niet in ons denken, niet in ons voelen, niet in onze verbeelding. Alleen onze geest, het hoogste vermogen van onze ziel, heeft de mogelijkheid om de oneindige God te ontvangen. Alles wat wij aan illusies en fixaties, hokjes en vakjes opbouwen, verdwijnt in de Wolk en door deze Wolk. En hoe langer je leeft, hoe meer je ontdekt dat pijnlijke tijden een vurige, gouden glans dragen. Het leven zelf krijgt de bevrijdende werking van deze wolk van niet-weten. Het is één van de moeilijkste, maar krachtigste Godsnamen die er zijn.

 

 

roeping?

Soms, zo zegt de Wolk, ontvang je de genade van de beschouwing als een geschenk dat je zomaar overvalt. Soms gebeurt het na een lange inspannende tijd van veel eigen inzet en verlangen. Soms trekt er iets open door een voorbeeld in je naaste omgeving of de lessen die je van hen ontvangt. Maar als dit hele verhaal je afstoot: het hóéft allemaal niet. Als je ontdekt dat dit niet bij je aard past, of bij je zielsverlangens, of bij je lichamelijke vermogens, dan kun je het zonder vrees of blaam laten vallen en een andere roeping volgen. Hoe weet je of het wel bij je past? Doordat je zelf alles hebt gedaan om je geweten te zuiveren. Omdat je steeds last hebt van een voortdurende aandrang tot beschouwing. Omdat deze geheime liefde voor God je kompas is voor alles wat je doet. En het zekerste bewijs: mocht je niets ontvangen op de weg van beschouwing en je verlangen groeit nog steeds – dan is dat een zeker teken van je roeping tot contemplatief leven. Want zoals Augustinus al zei: het leven van een goed christen is niets anders dan een heilig verlangen.

 

Ik bid de almachtige God dat ware vrede, goede leiding en zijn geestelijke vertroosting en overvloedige genade altijd met jullie mogen zijn, en met allen op aarde die Hem liefhebben. Amen.

(lezing op de landelijke dag van de organisatie voor christelijke meditatie, october 2009 - www.wccm.nl)




De Wolk van niet-weten is onlangs opnieuw uitgegeven en te bestellen via de webshop op www.trouw.nl. Je kunt het ook HIER nalezen.