sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
faverey en vacare
rutger kopland
hans andreus
ellen warmond
hans faverey
lucebert
achterberg
vasalis
t.s. eliot
t.s. eliot audio
per enquist
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Hans Faverey
Hans Faverey

Hans Faverey en het mystieke vacare



God kan niet gevonden worden maar wel ontdekt. Gods Woord valt  niet te verzinnen, maar wel te ontvangen.  Wat je nodig hebt is vacare: leeg worden van jezelf, om het levende Woord van God te ontvangen.  De dichter Hans Faverey wijst de weg.


Wat moet je je voorstellen bij God? Zo veel mogelijk niets, adviseert de bijbel. Er zijn weinig dichters geweest die zo welsprekend over dit niets schreven als de Nederlandse dichter Hans Faverey (1933-1990). Of er zo welsprekend over konden zwijgen. Want het werk van Faverey bestaat voor een belangrijk deel uit witregels en tegenstellingen die elkaar ontkennen. Woorden als: maar, alsof, nauwelijks, toch, niettemin, worden veel gebruikt. De werkwoorden zijn onttrokken aan hun tijdsbetekenis, de actieve en passieve vorm worden overhoop gegooid en de weinige woorden zijn vaak vol humor die alles relativeert. Precies wat nodig is als je het over God wilt hebben.


(-) Bestond ik maar uit niets

anders; hield het maar nooit op;

bleef ik maar zo zitten: turend,

neuriënd, aan mijzelf ontwend

rakend – alsof iets onloochenbaars

zich nu in het stof bijtend doende,

in mijn stof bijtend doende was.


Dit gedeelte (uit: Lichtval) is een treffend voorbeeld van de poëzie van Faverey. Hijzelf noemde zijn gedichten: oefeningen in sterven. Misschien had hij het over het schrijven ervan, maar het lezen is niet veel anders. Je moet je verlangen naar het begrijpen van de tekst opschorten om het gedicht aan je te laten gebeuren. Zelf vergeleek hij zijn werk met muziek. Hij ontkende zelfs dat er een specifieke inhoud in te vinden is, het ging hem om klank en ritme die iets ‘doen’. In de gedichten van Faverey gaat het om de werkingskracht van het gedicht, meer dan om het overdragen van een bepaalde betekenis. De woorden zijn wat ze dóen. Dat doet denken aan de dubbele betekenis van het hebreeuwse dabar:  woord én daad. Het levende woord van God is niet een idee maar een werkelijkheid die actief aanwezig is. Om aan dát Woord te raken moet ik ‘aan mijzelf ontwend’ raken. In het gedicht wordt dit ontwend raken blijkbaar veroorzaakt door dat wat aan mij doende is. Maar wat is dit niet te negeren iets onloochenbaars dat bijt en waarvan je niet wilt dat het ophoudt? Het ‘iets’ is alsof, een vaak voorkomend woord bij Faverey.


Werkelijkheid en schijn zijn niet goed te scheiden, poëzie en werkelijkheid vlechten zich in elkaar. Het onloochenbare bijt in het stof, in mijn stof. De taal heeft haar grens bereikt en het gestamel begint. ‘Gij zijt één, Gij zijt alles, Gij zijt niemand, Gij zijt geen één, Gij zijt niet alles’, zegt de 4 e eeuwse kerkvader Gregorius van Nazianze. Ook het werk van Faverey wordt gekenmerkt door het gebruik van paradoxen en beweringen die gelijk ontkend worden. Als het over het mysterie van het bestaan gaat, schieten de woorden tekort en dat móeten ze ook blijven doen.


De dood van God

De mystica Hadewich (rond 1250) schrijft in één van haar brieven: “Al wat de mens in zijn gedachten komt van God, en wat hij van Hem kan verstaan en in één of ander beeld voorstellen, dat is God niet. Want kon de mens Hem begrijpen en verstaan met zijn zinnen en met zijn gedachten, dan was God minder dan de mens en al vlug ten einde gemind.” Waar God in een opvatting of één bepaald soort gevoel is opgesloten, is het einde van de liefde voor God in zicht. Dat maken we overduidelijk mee in onze tijd. God is voor de meeste mensen een idee waar je wel of niet in gelooft, of een ervaring die je wel of niet hebt gehad. God wordt niet herkend als een ongrijpbare dynamiek die heel het bestaan doordringt.


Toch is de werkelijkheid van God niet minder levend dan vroeger. Gods woord bijt nog altijd in ons menselijk stof. Het leven dat de connectie daarmee verliest, vervalt in barbarij, om met de franse filosoof Henry te spreken. Onze voorstellingen van God dienen te sterven want alleen dan kunnen we open zijn voor het nieuwe en levende Woord van God. De dood van God gaat vooraf aan een nieuwe geboorte van God. Het is een geschenk dat ontvangen wil worden – en het initiatief daartoe ligt niet bij ons.


Al de god zich heeft afgeschaft,

waartoe dan deze preoccupatie

met wat zich niet meer hoeft

te herinneren. Kan een stokroos

zich ontslaan? de rode bosmier lopen over

water? Zo’n opgegeilde hommel paren

met zijn Ophrys? God is groot; nog even

groot als toen hij zich leegschonk.

Uit: Het ontbrokene.


Is de god-met-een-kleine-letter een verwijzing naar de beelden die mensen maken van God-met-een-hoofdletter? Als die denkbeeldige god zich heeft afgeschaft, hoe komt het dat mensen zich er toch nog zo mee bezig houden? Misschien lijken mensen in hun relatie tot God op een ‘opgegeilde hommel’ die paart met een orchidee (Orphys) in de misvatting dat deze een vrouwtjesbij is en hij zichzelf kan voortplanten? De enige die zich voortplant is de orchidee want haar stuifmeel is werkelijker dan de waanbeelden die de hommel heeft. Net zo werkelijk als een stokroos die zichzelf ondanks haar stok niet kan ont-slaan. Of zoals een bosmier echt geen Christus is die op water kan lopen. Het stuifmeel van de orchidee is net zo werkelijk als de zich leeg schenkende God. Het is een prachtig en geestig beeld dat Faverey hier oproept: de overmacht van God wiens werkelijkheid werkzaam is zelfs door middel van onze misvattingen over hem.


Hadewich schrijft dat het minnen ophoudt als God in ons denken ingepast is. Faverey zegt het zo: Ik tref een hand aan. / Zo verschrompelt een roos. // Ik leer jagen op de liefde. / Zo hijgt een zaag.  Scherpe beelden die duidelijk maken dat het je vormen van een voorstelling: een hand, de liefde, een dodelijk gevolg heeft. We gaan jagen op wat we kennen, we ontvangen niet langer wat nieuw gegeven wordt. We verwarren onze ideeën over het leven met het leven zelf.


Vertaald naar het religieuze: we menen dat het aanhangen van geloofsvoorstellingen hetzelfde is als het hebben van een relatie met God. Maar: De lucifer, // conform zijn opdracht, / communiceerde verbrandend. Op het geloof toegepast: je moet de woorden over God opgebruiken: dat is nu net hun bedoeling. In het opgebruiken ervan doen ze wat ze te doen hebben. Ook in het geloofsleven gaat het zo: de woorden van vroeger verliezen hun kracht omdat een levende werkelijkheid altijd uit haar taal-omheining breekt. Als het begrip ‘vader’ iets anders gaat betekenen als je uit huis gaat, of als je zelf vader bent geworden, waarom zou ‘God’ dan wel hetzelfde blijven betekenen? Geloofstaal moet haar meerzinnigheid behouden wil zij levend blijven. Levende geloofstaal is werkzame taal, taal die iets dóet. Taal die onszelf en onze ideeën over de werkelijkheid relativeert als een onophoudelijke lach van God. Taal die ons ontmaskert als een stel opgegeilde hommels die - of we willen of niet - toch dienstbaar blijken aan God die groot is.


vacare

In de mystiek is vacare een belangrijk begrip. Het betekent ontledigen: de kunst om je ‘ik’ te laten verdwijnen en open te zijn voor wat ontvangen wil worden. Vacare is ruimte maken voor iets dat niet een verlengstuk of een geprojecteerd beeld van onszelf is. Vacare lijkt op Maria die net als elke aanstaande moeder in haar eigen lijf ruimte maakt voor iets dat niet-zijzelf is. Zonder vacare blijft God in levenloze woorden opgesloten in plaats van onze hele werkelijkheid voortdurend te doordringen. Faverey’s werk is steeds gericht op het doorbreken van onze vaste taal-beelden. De taal wordt gebruikt om het logisch denken op een zijspoor te zetten en zo ontvankelijk te worden voor iets anders dan wat je allemaal zelf bedenkt.


Faverey was een liefhebber van de Duitse mysticus Eckhart (rond 1300). Deze verwoordt het vacare in één van zijn preken zo: “God werkt zonder middel en zonder beeld, en hoe meer je zonder beeld bent, des te ontvankelijker je bent voor zijn inwerken.” Faverey is de dichter van het vacare. Alleen al in zijn bundel Lichtval (65 korte gedichten) staan tientallen verdwijnwoorden als uitdunnen, opschorten, haperen, teloor raken, onttrekken, uitwissen, ontbreken, inslikken, aflaten, vergeten, verdwijnen, wegzijn, platten, verliezen, ledigen, loochenen, onderduiken, stilvallen, afdruipen, onteigenen, sterven, verwijderen. Om het mysterie van de werkelijkheid te kunnen opmerken moet er verdwenen worden: alle woorden en ideeën waarmee wij het leven van te voren al op onze maat snijden. Tussen de kieren van de woorden is het te vinden. Uit Lichtval:


Zulke tronk, zulke roos;

aan het licht onttrokken, haperend;

de weg versperd nog door een zwaan,

mits niet van de tafel gerold

 het ei; ofschoon, nauwelijks-

 de zwaan door een steen geraakt

 voor slang in zijn staart beet; niette-

min, alle scheuten zijn geen rozen:

dezelfde tafel immers, verdampend al,

wat er toe doende, nauwelijks

er iets toe gedaan.


Vorm en inhoud van de tekst vallen hier prachtig samen. De woorden worden van hun betekenis ontdaan juist door wat ze betekenen. Zin en onzin raken elkaar hier. Je zou het zo kunnen lezen (maar dat is maar één manier): de hele cirkel van het zichzelf eindeloos herhalende bestaan staat op het punt om weer te beginnen. Maar net voordat de ourobouros in zijn staart bijt, is er een kier, een moment van hapering. Om dat moment gaat het. Dat is het moment waarin alles even niet vanzelfsprekend is: het haperen van de roos verwijst naar het licht waaruit zij onttrokken is; het ei bestaat maar het had ook van de tafel kunnen rollen. Het dringt zich aan mij op hoe dat ei op die tafel ligt, ineens overvalt me de fragiele schoonheid van de roos. En juist als ik het absolute en overweldigende zichzelf-zijn van de dingen zie, worden ze als het ware doorzichtig. De tafel, de roos, het ei worden gezien op de manier van verdampen, verdwijnen. Ze doen er volledig toe én ze doen er nauwelijks toe want ze maken iets zichtbaar dat buiten het taalgebied ligt. De werkelijkheid wordt ontledigd, de steen des aanstoots raakt de zwaan, het ‘onloochenbare’ begint te bijten. Zelfs het gedicht verdwijnt omdat het ‘gedaan’ is, uit. De leegte wordt de ruimte voor iets dat aan de woorden ontsnapt maar tegelijk het eigenlijke wezen ervan vormt.


Dit mystieke vacare is wat T.S. Eliot (een andere inspiratiebron voor Faverey) het snijpunt van tijd en tijdloosheid noemt: het moment van openbaring. Of, iets minder ernstig gezegd: een jonge egel heeft jeuk / krijgt opeens een idee / en laat zich giechelend / van een helling afrollen.


Afgrond der Ongenaamdheid

Kunst is een opzettelijke valstrik om ons tot meditatie te brengen, meent de Franse schrijver Denis de Rougemont. De literaire kunst van Faverey is zeer geschikt om tot de essentie van meditatie te komen. Want ook daar gaat het om een onteigening, om los te komen van de hokjes waarin we onszelf en het leven steeds weer opsluiten.


Om het onbekende te horen moet je alles vergeten wat je al weet: laat alles / achter op je oever, en laat / de oever achter je (-) verdwijn uit je herinnering. / Rook kan overal uitkomen. Alleen dan kan er betekenis en zin gevonden worden – of beter gezegd: kunnen wij door betekenis gevonden worden. Of zoals Faverey het zegt: De eerste tijd // zie ik nog geen betekenis / in de zin die mij in zich opneemt. / Welke zin die zich in mij opneemt.


Het woord van God is niet iets dat een mens zich kan toe-eigenen (de grote vergissing van alle fundamentalisten). Maar het wil de méns toe-eigenen. Niet wij zoeken en vinden zin en betekenis, maar wij ontvángen betekenis, wij worden zinvol gemáákt. En dat is een ontwrichtende ervaring. Ruusbroec die uitgebreid schrijft over wat er zoal kan plaats kan vinden als God de mens overkomt, heeft het over “de afgrond der Ongenaamdheid”. Alle namen worden ‘ongenaamd’ in de afgrondelijke ontmoeting met Gods werkelijkheid. De aanduidingen waarmee wij onszelf kennen en het leven ordenen verliezen hun betekenis. Zin neemt mij in zich op, ik ben gestrikt.


Het kennen van God brengt geen begrip mee maar is het ondergaan van de werking van de liefde. Ruusbroec zegt: “Dit is de donkere stilte waarin alle minnenden zijn verloren.” Zoals de liefde de minnaar losweekt van het op zichzelf gericht zijn, zo raakt de mens zichzelf ontwend in het vacare van God. Het is de minne van God die de mens onteigent uit liefde tot liefde. God schenkt zich leeg precies door de mens leeg te maken van zijn eigen beelden en projecten. Vacare blijkt eerder iets dat aan je gebeurt, dan iets dat je zelf voor elkaar krijgt. Je kunt je een ongeluk mediteren, maar veel meer dan in slaap vallen komt er niet uit voort:


Door mij godweet hoe langdurig niet

weer zo een wit olifantje

te willen voorstellen,

tegen een witte achtergrond,

tot beiden zijn verdwenen:

zo verdwijn ik zelf niet.

Wat moet ik doen;

wat heb ik willen doen.

Ik was in slaap gevallen;

ik heb gefaald.

Gefaald: meer niet.

Uit: Te vroeg


Net als de open ruimte in een zwangere vrouw  is de noodzakelijke leegte niet  iets dat je zelf doet, maar dat in je plaatsvindt. Het is een samenspel tussen je eigen ontvankelijkheid en dat wat aan je gebeurt: mij geschiede naar uw woord (Lucas 2). Vacare doet je jezelf verliezen op hetzelfde moment dat je jezelf vindt: het zijn twee kanten van één medaille. Dat is de paradox die Faverey in zijn gedichten omspeelt.


Om ons leven te vinden moeten we het verliezen, zegt de bijbel. Geloof in God is geen risicoloos gebeuren, zoals alle bijbelverhalen illustreren. Hoe kan het eeuwige zich met het tijdelijke verhouden? Hoe kan God mens worden in mij? De overgave van Maria is een hachelijke zaak. En toch is dat waarop wij allemaal zijn aangelegd. Faverey zegt zo:


Zonder begeerte, zonder hoop

op beloning, ook niet uit angst voor straf,

de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,

zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt

mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,

voor hij mij met stomheid slaat en mij

doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.


Uit: Gorter aan zee


Faverey schreef dit toen hij al wist dat hij ging sterven. Nog altijd worstelde hij om de woorden te vinden waarin leegte ‘zich uitspreekt in het bestaande’. Misschien mag je zeggen: hij worstelde als Jacob met God om het Woord uit te spreken, dat Woord dat hij zelf was, dat wij elk zijn, het Woord dat God zelf in onze ziel spreekt en dat de wereld in gesproken wil worden. Kan dat Woord uitgesproken worden voordat wij dood gaan – voordat God ons doodt?



Glad ijs

Als dichters de waarheid liegen (Barnard), dan is Faverey één van de beste leugenaars van onze tijd. Het christendom kan van hem leren dat waarheid geen betonnen vloer van zekerheden is. De aan alle woorden ontsnappende God is nog altijd te vinden, hier en nu, via de haperingen en de gaten in alle vanzelfsprekendheden. God ontvangen is onteigend worden en geloven is schaatsen op glad ijs, maar dan zo:


(-) wak na wak, huis-

waarts gebogen, neuriënd

zich de schaatsers.



Hans Antonius Faverey werd geboren in Paramaribo in 1933. Zes jaar later kwam hij naar Amsterdam. Na zijn lyceum studeerde hij psychologie en werkte vervolgens aan de universiteit van Leiden. Hij was getrouwd met de dichteres Lela Zeckovic. Hij debuteerde in 1962, maar werd als dichter pas echt bekend nadat hij in 1977 de Jan Campert prijs won voor zijn bundel Chrysanten, roeiers. In 1990, vlak voor zijn voortijdige dood, ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Citaten zijn genomen uit de bundel: Lichtval, 1985, De Bezige Bij, Amsterdam en uit:  Hans Faverey, verzamelde gedichten De Bezige Bij, Amsterdam, 1993.