sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
wat is het?
bijbel
lectio divina
kracht onderweg
stem van verlangen
preken
bijbelpreken
wie ben ik?
bach-preken
popsongpreken
kerstverhalen
atheïsme en geloof
crucifixen
lam van God
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Een vreemde koning nadert

 

 

Preek bij Jesaja 45:1-13 en Matt.22:15-22


Geef aan God wat van God is. Maar wat is van God?


Cyrus nadert. De vreemde koning die toch Gods gezalfde is. Cyrus is de Perzische koning die er voor zorgde dat de joodse ballingen weer thuis konden komen. Hij is een vreemde koning die toch: messias, gezalfde, wordt genoemd. God gebruikt vreemde koningen om zijn volk te verlossen. Uit een hoek waarvan je het niet verwacht, komt redding. Geef aan de keizer wat het beeldmerk en het opschrift van de keizer draagt en geef aan God wat het beeld draagt van God want midden onder u staat Hij die Gij niet kent.


Cyrus nadert, de vreemde koning die Gods werktuig wordt of hij dat nu beseft of niet. God neemt hem bij de hand en God baant voor hem de weg. Het is niet Cyrus die de deuren en de poorten opent, nee, het is God zelf, al lijkt het van de buitenkant gezien alsof het Cyrus is. Zo hult God zich in een ander gewaad waardoor je soms niet door hebt dat God erachter zit. Zo kan er van alles in je leven gebeuren waarvan je denkt: dat is toevallig zeg. Of misschien: wat een pech, wat een noodlot, of wat een geluk, wat een verrassing. Maar zouden we onze blik wat kunnen scherpen, zouden we door de vermommingen heen God aan het werk kunnen zien? Zouden we ook de diep weggeborgen rijkdommen kunnen ontvangen, de schatten uit het duister? Zouden ook wij eindelijk niet alleen kunnen geloven maar echt zullen wéten dat God onze Heer is en ons bij naam roept?


Jesaja de profeet heeft zo’n doorkijkblik. Laten we in zijn spoor kijken naar ons eigen leven. Laten we onderzoeken welk beeldmerk er staat op de verschillende kanten van ons bestaan.


Ik zal voor je uitgaan, zegt God, ik zal ringmuren slechten, bronzen deuren verbrijzelen, ijzeren grendels stukbreken.


Cyrus nadert de ringmuren van de stad. Een vreemde koning nadert de buitengrens van je leven, dat wat een ander aan de buitenkant kan zien, de markering van je territorium. Op alles binnen die muur staat geschreven: mijn. Mijn huis, mijn land, mijn partner, mijn auto, mijn kinderen, mijn kerk, mijn i-pod, mijn baan, mijn geld, mijn tijd, mijn lijf. De ringmuur zegt: afblijven, dat hoort bij mij. Zo ordenen we ons leven, zo bakenen we onze verantwoordelijkheden af (je kunt niet voor de hele wereld zorgen nietwaar), zo weten wie we zijn, door ons af te grenzen van wat niet van mij is. Op de ringmuren van ons leven staat een beeldmerk, een eigendomsteken: van mij. Zo verdelen we de ruimte van het leven met elkaar.


Maar er nadert een vreemde koning. Hij loopt om je muren heen. Eén keer, en nog een keer. Iedere keer komen er meer barsten in, de eerste stenen gaan wankelen, een scheur trekt van boven naar beneden. Daar begeeft je gezondheid het, daar staat je familie op springen, de aarde siddert van natuurgeweld en de buurman bouwt een schutting die je licht wegneemt. Je bedrijf fuseert, de kerk bezuinigt en je kinderen gaan uit huis, een buurvrouw doet een beroep op je tijd, asielzoekers gaan voor met een huurwoning, en zo loopt de vreemde koning alweer een rondje om de muren van je stad. En hij loopt met langzame passen en fluit een liedje van verdriet om de vallende stenen en toch loopt hij onvermoeibaar door. Langzaam leer je: je vrouw is niet jouw vrouw maar van zichzelf, of nog beter: van God. Je baan is niet je bezit maar je voorrecht, je geld is niet alleen een geschenk maar ook een opgave en je land is om te delen niet om te bezitten. Heel ons leven lang verbrokkelt alles waarop mijn staat totdat we ook nog ons lijf uit handen moet geven. Dan zal de laatste steen van die ringmuur gevallen zijn.


Het is de eerste etappe op de weg van het geloof, de weg die God met elk mens gaat en het is een moeilijke bevrijding. Het is moeilijk om het mijn los te laten. Maar door het leven heen kun je, als je goed luistert, de voetstap horen van een vreemde koning die om je ringmuur loopt totdat we het leren: ons leven is geen recht of bezit maar een geschenk. En er staat een ander eigendomsmerk op. Geef aan God wat van God is.


Misschien hebben we dat inmiddels toch wel een beetje doorgekregen. We hebben de buitenkant van ons bestaan geordend naar de leefregels van God. De muren zijn geen afbakening meer waardoor we ons bezit markeren, maar de vormgeving van ons leven, onze persoon, dat wat we doen met wat we hebben gekregen, onze talenten, onze relaties, onze gezondheid. Wat bij ons hoort, hebben we leren delen, het is aan God gewijd. Dat is de eerste ordening van ons bestaan en die blijft altijd door gaan ons leven lang.


Maar om God echt te kennen, zijn er nog meer afscheidingen tussen hem en ons die verbroken moeten worden. De vreemde koning stopt niet bij onze buitenmuren, bij de buitenkant van ons leven. God wil ballingen thuis brengen. En thuis is waar we God kennen en weten dat Hij de Heer is die ons bij onze naam roept.


De voetstappen van de vreemde koning stoppen bij een bronzen deur. Prachtig versierd, met kunstige afbeeldingen. Dit is de tweede ordening, de tweede bevrijding die God brengt aan zijn volk, aan mensen die vervreemd zijn van hun oorsprong, die hun eigen naam nog niet kennen, die nog niet echt weten wat van God is en wat van de keizer. De bronzen deur zijn de beelden die wij hebben gemaakt, van onszelf, van het leven, van God. Het zijn onze mooiste en diepzinnigste inzichten, onze rijkste gevoelens, het zijn onze normen en waarden, onze herinneringen en onze verwachtingen, onze kennis die we geleerd hebben, ja zelfs het geloof in God dat we hebben. Het is misschien wel een mooi bouwwerk maar het is ook een barricade tussen God en ons.


Aan deze deur wordt gebeiteld, heel ons leven lang, heb je dat al eens gemerkt? Je maakt dingen mee die helemaal niet passen in wat je van jezelf had voorgesteld. Je inzichten zijn minder waard dan je eerst dacht. Je leest iets waar je helemaal van in de war bent, je ziet iets dat je diep schokt en alles relativeert dat je voor waarde hield. Heb je dat niet al eens meegemaakt? Wees niet bang als dat met je gebeurt. Het is de beitel van de Gezalfde, het is de kus van de geliefde die onze bronzen deuren van beeldmerk doen veranderen. Heel het leven door wordt er aan ons gewerkt, dwars door alles van het leven heen, totdat ook op onze gedachten en gevoelens, onze herinneringen en verwachtingen, onze intuïtie, verbeelding en ons geloof een ander stempel verschijnt, een ander beeldmerk, een ander opschrift. Van God – komt er op te staan. En dan zwaait de deur open, wijd open.


En nog nadert de vreemde koning die wij niet kennen, met een andere taal maar toch, het is de Gezalfde, de Messias die jou opzoekt waar je ook zit en die jou terechtbrengt. Nog even en dan zul je weten dat ik de Heer ben, die je bij je naam roept en met een erenaam tooit hoewel je hem niet kent. Geef God wat van God is, wat zijn beeldmerk draagt, geef God je hele bestaan, alles wat je doet en hoe je leeft, alles wat je denkt en voelt, geef het aan God want hij nadert tot de laatste vergrendelde deur. Als je wilt weten wat daar gebeurt, moet je naar het vijfde hoofdstuk in het hoge lied van de liefde (Hg 5)


Ik sliep, maar mijn hart was wakker, hoor, mijn lief klopt aan. Doe open, zusje, mijn vriendin, mijn duif, mijn allermooiste. Mijn hoofd is nat van de dauw, mijn lokken vochtig van de nacht.

Maar ik roep: ik heb mijn kleed al uitgedaan, moet ik het weer aandoen, en ik heb mijn voeten al gewassen, moet ik ze weer vuil maken?

Mijn lief stak zijn hand naar binnen, een siddering trok door mij heen – om hem!

Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen. Mijn handen dropen van mirre, mirre vloeide van mijn vingers op de grendel van de deur. En ik deed open voor mijn lief maar hij was weg, mijn lief was weggegaan. Een duizeling beving mij toen ik zag dat hij er niet meer was. Ik zocht hem maar ik vond hem niet, ik riep hem maar hij antwoordde niet. De wachters vonden mij op hun ronde door de stad, ze sloegen mij, ze verwondden mij, ze rukten mij de sluier af. Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem, als jullie mijn lief vinden, wat zeggen jullie tegen hem? Dat ik ziek van liefde ben.


Zo staat het geschreven en zo gebeurt het ook, als God in de gedaante van een vreemde koning nadert tot de laatste grens die wij aanbrengen tussen ons en hem.

Wat is de laatste grendel die de liefde hindert om tot haar doel te komen? Wat is de laatste barrière die God moet overwinnen voordat hij zichzelf aan ons kan doen kennen? Het is grendel van de nacht.


Hij is de Heer die licht vormt en donker schept. Hij komt in de nacht. De laatste grendel is het duister van ons leven, de naaktheid die wij verborgen willen houden onder mooie kleren. Het zijn onze mooi gewassen voeten die we niet vuil willen maken, het is de nacht die ons angst aanjaagt omdat er geen licht is. We hebben nog niet dat blinde vertrouwen op de stem van die vreemde koning met zijn vochtige lokken, nog niet het geloof dat op water wandelt en springt in de afgrond en deuren opent in het duister van de nacht. Wij missen het geloof dat niet weet maar wel vertrouwt, het geloof dat niet bezit maar wel liefheeft.


Ook voor onze deur stopt een vreemde koning. Nu zijn het geen uiterlijke zekerheden die vallen, nu wordt er niet gebeiteld aan ons innerlijk. Alles is stil geworden want het is nacht. Wat over is gebleven is de roep van verlangen. Want God verlangt zoveel meer naar ons dan wij naar hem. Dagen en nachten staat hij op wacht om een glimps van ons op te vangen, bij zonsondergang zoekt hij een portiek aan de overkant, bij zonsopgang post hij bij onze deur, zijn haar wordt nat van de dauw en dan klinkt zijn stem door het duister van ons leven: mijn bruid, mijn lief.


Die stem hoor je alleen als alle andere stemmen zwijgen, als alle lichten zijn gedoofd. Het is de stem van Hem die licht schept en duister, die bevrijdt door heil en onheil heen. Want het duister is voor God de bron van schatten en diep weggeborgen rijkdommen. Midden in de nacht druipen onze vingers van mirre, het geurige parfum van koningen en balsem voor de doden. Dit is het grensgebied, de meest intieme zone van ons bestaan, waar licht en duister, leven en dood aan elkaar raken. Er is niets over van welk licht dan ook, niets over van welke prestatie dan ook. In het hart van de zaak, als alle lagen van ons zijn afgepeld, is er alleen nog het verlangen van God naar de mens en de mens naar zijn Maker. In dat donker kun je eindelijk horen wie jij bent en wie God is.


Als de laatste deur is geopend is de vreemde koning verdwenen. Nu weten we: hij is geen vreemde, maar geliefde. Waarom is hij dan weggegaan, nu je eindelijk weet wie God is?  Zodat wij niet teruggaan ons huis in, maar naar buiten komen, de straat op, onbedekt, je hart en je liefde en je handen vol mirre uitstrekkend naar de wereld. Ziek van liefde, gewond geraakt, wachtend op de bruiloftsdag.


Misschien ben je ooit weleens teruggebracht tot niets anders dan een hunkerend verlangen. Misschien is het je nog onbekend. Maar luister naar de voetstap in het donker, daar waar geen licht is. Hier is het dat je naam wordt geroepen, hier is het dat het doopwater op je voorhoofd brandt en dood en leven in elkaar schuiven. Hier is het dat wij weten wie wij zijn, welke naam er op ons voorhoofd geschreven staat. En elk van onze namen herinnert aan die Ene Naam: Ik ben er. Geef aan God wat van God is, want midden onder u staat Hij die Gij niet kent. God van God en licht van licht, aller dingen hoeder.

 

TerugVerder