sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
religieuze dialoog
drie-opvrijdag twee
drie-op-vrijdag-drie
islam
joodse verhalen
boeddhisme
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

22. Sajidah Abdus Sattar

 

Er is een vraag die me al van kinds af aan bezighoudt: hoe verschillend nemen mensen de wereld waar? Mijn voorlopige conclusie is dat we allemaal door een raster kijken; iedereen door een raster met een ander patroon. We kijken naar elkaar en naar de wereld om ons heen, maar krijgen er geen van allen een volledig beeld van. In ieders visie ontbreken fragmenten. iedereen interpreteert het onvolledige beeld op eigen wijze en vult de lacunes op met veronderstellingen. Datzelfde geldt ook voor ons zelf beeld. Het is alsof we in een gebroken spiegel kijken. Ons gebrek aan helderheid van visie is er mijns inziens de oorzaak van dat we de fundamentele eenheid van het bestaan niet herkennen. Door de barsten in ons eigen beeld lijkt de wereld versplinterd en worden medemensen vertekend tot vijanden. Eén God, één einddoel en één wereld waar we allemaal in leven. Een dergelijke overweging is slechts een metafysische abstractie als het niet toegepast wordt in de praktijk van alledag.

 

Kan eenheidsbesef polarisatie tussen mensen voorkomen? Roemi vertelt van de jongen met schele ogen. Op een dag wil zijn vader hem de waarheid onthullen. Als ze 's avonds buiten zijn, slaat hij zijn arm om hem heen en zegt: "Zoon, jouw ogen zijn onvolmaakt; ze zien alles dubbel." “Nee hoor", zegt de jongen, "als dat waar was, zou ik nu vier manen zien."

 

Het blijkt nodig te zijn om steeds weer de eigen impressies aan te vullen met die van de ander. Alleen daarom al moeten we dankbaar zijn dat we met anderen en andersdenkenden samenleven. Als moslims in Nederland beleven we elke dag de maatschappelijke realiteit van een minderheidsgroep. Dat betekent te vaak dat wij ter verantwoording worden geroepen voor dingen die elders in de wereld door anderen gebeuren en waar wij geen controle over hebben. De meerderheidsgroep ziet zichzelf veel minder genoodzaakt zich te verantwoorden. Wie zwakker is, kan het bijna niet goed doen. Als je een laag profiel bewaart, ben je verdacht geheimzinnig en als je kritiek levert, wordt dat als vijandig­heid verstaan. Als je mening afwijkt van de gangbare, ben je fundamentalistisch, reactionair. Het uiten van een ideologisch standpunt is te opdringerig, eer, spirituele benadering te idealistisch en de menselijke invalshoek te zachtaardig.

 

Als dit kritiek inhoudt, is het ook zelfkritiek. We zijn immers allemaal geneigd ons eigen ideaal te vergelijken met de gebrekkige werkelijkheid van de ander. Misverstanden zijn waarschijnlijk onvermijdelijk, maar wie zwakker is, als groep of als individu, lijdt er meer onder. Dit verschijnsel komt voor binnen elke gemeenschap en in alle externe relaties. Dat het een algemene zwakheid is, neemt niet weg dat we oog moeten hebben voor de gevolgen ervan. Hoe meer macht en invloed iemand heeft, des te zwaarder drukt de verantwoordelijkheid.

 

In de brieven die ik ontvang en die in deze krant worden gepubliceerd zijn veel voorbeelden te vinden van een haastige beoordeling van de"onbekende ander." Als het om de zwakkere gaat, wórdt die beoordeeld en mag zelf blijkbaar geen oordeel uitspreken. Je menselijkheid en individualiteit verdwijnen achter het etiket dat anderen je opplakken. Je wordt niet meer gezien als persoon, maar als lid van een groep: De anderen die toch zo gevaarlijk zijn. Het vervelende is dat vooroordelen vanzelfsprekend worden. Ze lijken steeds weer te worden bevestigd door nieuwe berichten, omdat die telkens in het oude, scheve kader worden geplaatst. Het kan tot wanhoop drijven als je constateert dat, watje ook doet, het heersende beeld praktisch niet veranderd of genuanceerd kan worden. En dat het steeds weer leidt tot onzinnige meningen.

 

Het is als met molla Nasruddin in een oosters leerverhaal. De molla strooide, midden in de stad, avond na avond broodkruimels op straat. Zijn buurman vroeg hem waarom hij dat toch deed. "Dat is om de tijgers weg te houden", was het antwoord. "Maar er kómen hier nooit tijgers", opperde de buurman. "Zie je wel dat het werkt!" zei de molla.


23 Marianne Vonkeman

 

In de vorige column beschreef Sajidah hoe het is om als lid van een minderheidsgroepering steeds onder vuur genomen te worden door de meerderheid. Ze vertelt hoe het bijna niet mogelijk om tot een werkelijk gesprek te komen omdat vooroordelen een open luisteren verhinderen. Haar verhaal doet me denken aan andere emancipatiebewe­gingen. Als het gaat om gelijkberechtiging, om burger­rechten, om onderwijs, om sociale gerechtigheid, dan kunnen misstanden niet genoeg bestreden worden. In een voortdurend veranderende samenleving zullen er steeds groeperingen zijn die achtergesteld worden (of raken), en waar actie voor gevoerd moet worden. Vrouwen en zwarten in een blanke mannenwereld; gelovigen van allerlei soort in een geseculariseerde maatschappij; werkelozen en zieken in een prestatiegerichte omgeving; ouderen in een jongerenwereld, jongeren in een ouderen­wereld (om nog maar niet te spreken over rechtdoen aan het milieu of de derde wereld). Waar het mij om gaat is dit: is het nodig dat er per definitie een machtsstrijd ontstaat tussen minderheid en meerderheid? Dat het soms en misschien wel vaak, nodig is omwille van gerechtig­heid, ontken ik niet.

 

Maar hoe zit het met de stereotypering van de meerder­heid? Is dat wel zo'n homogeen blok als de minderheid denkt? En heeft de minderheid niet wat anders te doen dan zich te verdedigen tegen de misvattingen van ande­ren? Ik moet denken aan een opmerking van een jonge feministische theologe. Er werd haar de welbekende vraag voorgelegd of het man-zijn van Jezus Christus en zijn leerlingen niet een obstakel vormt voor de openstelling het kerkelijk ambt voor vrouwen. "Het man-zijn van Jezus is tot probleem gemaakt door mannelijke theologen. Laten zij het ook maar oplossen.", zei ze eenvoudig en doel­treffend. "Laten wij zelf onze eigen agenda bepalen en onze eigen bijdrage leveren." En vervolgens zette zij uiteen hoe er vanuit feministisch perspectief andere soorten van vragen ontstaan. Vragen die andere mogelijk­heden openen voor de samenleving als geheel. Vragen die binnen het 'meerderheids-perspectief' niet eens ontstaan kunnen.

 

Het behoren tot een meerderheid kan onze identiteit vormen. Maar ook het behoren tot een minderheid kan tot identiteit worden. Polarisatie ontstaat in de eerste plaats door ongerechtigheid. Maar minstens zo belangrijk is het verschijnsel dat mensen hun persoonlijke identi­teit aan uiterlijke zaken ontlenen. Aan hun prestaties, aan de goedkeuring van belangrijke personen, aan identi­ficatie met een sub-groep. Aan het afgrenzen van zich­zelf tegenover een ander door stereotypering. Het is alsof het hart van mensen ingepakt wordt door een schil. Een harde buitenkant waardoor de dynamische, creatieve en kwetsbare innerlijke mens zich niet vrij aan de wereld kan meedelen.

 

Jezus vergeleek het koninkrijk van God met een mosterd­zaadje, "het kleinste van de zaden op aarde, dat toch, als het gezaaid is, opkomt en groter wordt dan alle tuingewassen en grote takken maakt, zodat in zijn schaduw de vogels van de hemel kunnen nestelen." Zaad dat sterft in het zaaien en alleen dan veel vrucht voortbrengt, is een veel voorkomend beeld in het nieuwe testament. De christelijke kerk heeft dit in de eerste plaats verstaan als een beschrijving van Jezus zelf. De identiteit van Jezus bleek niet uit afgrenzing te bestaan. Zijn verwelkoming van heidenen was voor hem geen ontkenning van zijn jood-zijn. Zijn man-zijn bracht hem niet in een positie tegenover vrouwen, zijn vrij-zijn niet tot een zich distantiëren van slaven. "Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussen­muur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft," schrijft Paulus. Daar waar de christelijke kerk zichzelf kent en handhaaft door afgrenzing en vijand­schap, daar is zij niet langer verbonden met Jezus. Zo simpel is het en zo moeilijk is het. Inzet voor het rijk van de ene God zal misschien altijd 'minderheidswerk' blijven. Maar geen enkel zaad draagt vrucht als het in zijn eigenheid blijft opgesloten.


24. Awraham Soetendorp

 

Prinsjesdag viel dit jaar samen met Soekot, het joodse loofhuttenfeest. Een gelukkig 'toeval'. Soekot is bij uitstek een feest met een universele betekenis. De hut, breekbaar, die men met eigen handen bouwt, waarin men vertoeft. Met de dadelpalm, de beekwilg en de mirte‑takken, de etrog, een citroenachtige vrucht in de hand, wordt in de synagoge de zegen afgesmeekt over de hele schepping. In bijbelse tijd werden zeventig offers gebracht in de tempel om voorspoed te vragen voor de zeventig volken van de aarde.

 

Soekot: het feest van de mensheid. Maar ik betwijfel het of iemand van de kerkgangers die de dienst voorafgaande aan de troonrede bijwoonde van dit alles op de hoogte was. En het verzuim is symptomatisch. In de voorbereiding van het lofwaardige initiatief om de bijzondere zitting van de Staten Generaal te laten voorafgaan door een dienst van bezinning zijn vertegenwoordigers van niet-­christelijke groeperingen niet werkelijk betrokken. En is dit niet in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de kerken om uitdrukking te geven aan de gelukkige pluriformiteit van onze Nederlandse samenleving?

 

In plaats van zich druk te maken over het feit of de troonrede wel of niet door een bede zou worden besloten had men zich bezig moeten houden met wat wel in de macht van de kerk ligt. Het vormgeven aan een inclusieve liturgie. De zegeningen van een samenleving waarin zo veel verschillende geestelijke stromingen naast elkaar in harmonie verkeren, worden wel met de mond beleden, maar wat gebeurt er in de praktijk? In hoeveel scholen op confessionele basis wordt door boeddhisten, hindoes, moslims, joden zelf onderwezen wat de betekenis is van hun religieuze overtuiging, hun tradities? Het gaat om de opvoeding tot de erkenning van elkaars levenshouding en innerlijk begrip. Tot compassie.

 

De misplaatste cartoon in de Volkskrant van gisteren 'Bij Groen Links schijnen nu stemmen op te gaan om: een koningin die de troonrede voorleest en zegt “in het vertrouwen dat velen u wijsheid toewensen, ‘allah akbar’,” laat nog steeds zien hoezeer er behoefte is aan deze opvoeding. Er wordt van ons die uit kerken, moskeeën en synagogen naar voren komen om met elkaar te spreken meer verwacht om stereotypen en stigmata te doorbreken.

Is onze dialoog slechts een marginaal verschijnsel, een luxe waarvan wij ons aan het eind van de dag als al het belangrijke werk verricht is mogen overgeven? Of is het essentieel voor ons overleven als religieuze gemeenschap, als samenleving met een menselijk gezicht?

 

Een verhaal. De baal sjem tov, de man met de goede naam, oprichter van de chassidische beweging, ging een synagoge binnen. Na korte tijd kwam hij weer naar buiten met de mededeling 'het is te vol, er is geen plaats meer voor mij'. De leerlingen gingen zelf de synagoge binnen om de woorden van hun leraar te toetsen en waren verbijsterd. Er zaten maar enkele mannen in een hoek van een verder lege synagoge gebeden te zeggen. Op hun verontwaardiging antwoordde de rebbe: "Als woorden, gebeden, werkelijk uit het hart komen stijgen zij hoger en hoger tot Gods troon van luisteren. Als woorden slechts mechanisch worden gezegd en niet uit het hart komen zijn ze te zwaar om te stijgen en blijven ze liggen. Deze mensen hebben zoveel zware niet echt gemeende gebeden gezegd die in de synagoge zijn blijven liggen dat het propvol is. Er zijn zoveel woorden, er is geen plaats meer voor mij.”

 

Het verhaal is een blijvend kritisch commentaar op de onbeholpen ­routineuze wijze waarop we vaak vergaderen, praten en bidden en waarop we het ritueel van de dialoog beijveren. De woorden van de troonrede blijven ook gevaarlijk zwaar op de bodem van de Ridderzaal liggen. We moeten er als burgers leven in blazen. "De regering wenst een positieve bijdrage te leveren aan het oplossen van mondiale problemen." Hoe statisch, afstandelijk. Waarom niet de harde kreet: “wij burgers, die verantwoordelijk zijn voor burgers, nemen ons voor om een eind te maken aan de mensonterende hongersnood!" Maar dan moeten wij als mensen die om zegen bidden, ons met hoofd en hart voor dit omhoog laten stijgen van de woorden inzetten en daarvoor hebben wij elkaars inspiratiebronnen broodnodig.


25. Sajidah Abdus Sattar

 

Van twijfel en achterdocht tot menselijke herkenning en welgemeend respect; ontmoeting en dialoog kunnen verrassende resultaten opleveren. Het overkomt me nogal eens dat ik meer overeenkomsten ontdek bij andersdenkenden dan bij sommige geloofsgenoten, en ik weet zeker dat ik niet de enige ben.

 

De vraag is, wat het onderscheid in godsdiensten feitelijk inhoudt. De wereldgeschiedenis toont een overvloed aan rivaliteit en strijd tussen groeperingen, soms zelfs binnen eenzelfde godsdienst. Daarbij draait het vooral om het dogmatisch gelijk, het verscherpen van grenzen en het vestigen van macht. Misbruik van godsdienst voor politieke of demagogische doeleinden blijkt de mens eigen te zijn en is in de geschiedenis van alle religies te vinden. Maar het gemeenschappelijke dat ik herken in anderen heeft niets te maken met de gebruikelijke indeling. Mij gaat het niet zozeer om de vlag waaronder je vaart, maar om de koers die je kiest. Naar welk doel streef je in feite, wat doe je met je religieuze ideaal en maakt het je tot een vollediger mens, een beter medemens? Verhalen als die van de hoogmoedige farizeeër zijn ook in de volksliteratuur van moslims te vinden.

 

Een molla en een rijke zakenman waren beiden gestorven en stonden voor de brug die de aardse wereld van het hiernamaals scheidt ‑ een brug zo smal als een haar. De molla, een moslimgeestelijke, was vol trots over de zorgvuldigheid waarmee hij de rituele verplichtingen had vervuld. Hij plaatste zijn voet op de brug, maar met zijn neus in de lucht zag hij niet waar hij ging en tuimelde, onder het uitschreeuwen van protesten, de diepte in. De zakenman was zich bewust van zijn tekortkomingen en zei: "Ik heb geen enkel recht op vergeving, maar ik geef me over aan God, de barmhartige." Hij keek berouwvol naar zijn voeten en slaagde er in de overkant te halen.

 

Elke godsdienst bevat aspecten die aansluiten op menselijke eigenaardigheden, zoals de behoefte aan sociale context, religieuze methodiek en identiteit. In dat kader is het zinvol dat godsdiensten hun eigen, unieke traditie handhaven. Daarnaast is er een kant aan elke godsdienst die alleen gericht is op God en zich niet bekommert om menselijke opvattingen en verschillen. Voor het gemak noem ik ze de sektarische en de universalistische facetten van religie. Beide zijn belangrijk en functioneel, maar moeten niet worden vereenzelvigd.

 

Wanneer het onderscheid niet wordt erkend, functioneren ze geen van tweeën meer. De dogma's, tradities en rituelen zijn dan niet langer middelen tot een doel, maar worden aangezien voor het doel op zich. Alleen de eigen weg wordt als waar en waardevol beschouwd en al het andere wordt afgewezen. Alsof God een soort hemelse ambtenaar zou zijn, die mensen vooral beoordeelt naar de vraag of zij de goede documenten bij zich dragen en de juiste procedures hebben vervuld. De neiging om onze bekrompen menselijke visie te projecteren op de onmetelijke wijze God is begrijpelijk, maar niet doeltreffend, want een dergelijke voorstelling kan ons hele blikveld vullen en ons zo het zicht op de zelfopenbaring van God ontnemen.

 

De verhalen en symbolen van elke godsdienst zijn als sleutels die de poort van de schatkamer van wijsheid kunnen openen. De religieuze tradities onderrichten ons in het hoe en het wat en het waar van die ontsluiting. Maar wanneer de sleutel wordt behandeld als een nationaal trofee in plaats van een bruikbaar instrument, blijft de grote wijsheid verborgen en blijft de mens gevangen aan de verkeerde kant van de poort.

Zo beschouwd, zijn bij voorbeeld Mozes, Jezus en Mohammed allemaal sleuteldragers. Voor elke groep volgelingen is de eigen meter de grote leider, en dat is juist. Maar wie durft te beweren dat de goddelijke gastheer ook niet anderen aan Zijn tafel verwelkomt? Wie kent het goddelijk perspectief behalve God zelf?


26. Marianne Vonkeman

 

"God kastijdt alleen zonen en dochteren en geen bastaar­den. Ik wens u een ontvankelijk hart voor Gods genade." Dit stond op een kaart die ik ontving nadat ik een ongeval had gehad.

De kaart is mij dierbaar. Niet alleen omdat de persoon die het schreef mij dierbaar is. Niet alleen omdat ik deze taal zo prachtig en rijk vind. Maar ook vanwege de gedachte die erachter zit. Al heb ik er ook mijn beden­kingen bij.

'God kastijdt zijn zonen' zegt de spreukendichter, en na hem de Hebreeënschrijver. Het is een wijdverspreide gedachte (bij mijn weten in alle godsdiensten voorko­mend) dat negatieve gebeurtenissen begrepen kunnen worden als een pittig lesje van God. De bovenstaande tekst zou dan betekenen: moeilijke tijden zijn een teken van Gods liefde omdat zonder tegenspoed en lijden onze menselijkheid niet tot volle bloei komt. Toch gaat het in dit bijbelwoord om iets anders: namelijk om het lering trekken uit eigen foute daden. Als je zondigt, berokken je schade niet alleen aan je medemens maar ook aan jezelf. En de gevolgen daarvan zul je ondervinden. Verzet je daar niet tegen, maar leer het te verstaan als een aanwijzing van God hoe je het beter kan doen. Deze wijsheid geldt voor personen maar ook voor volken: Europese koloniale winsten in vorige eeuwen vragen nu om herstelbetalingen in de vorm van vluchtelingenhulp en kwijtschelding van schuld aan derde wereld landen.

 

Dat lijden veroorzaakt wordt door God, is echter geen christelijke gedachte (zo leerden we van het jodendom). We groeien niet door onze tegenspoed, maar door wat we doen aan de tegenspoed van anderen. Ik heb het niet nodig om allerlei ellendigs mee te maken om als persoon uit te rijpen. Alles wat er te leren valt, is te leren door voldoende inlevingsvermogen en daadkracht ten aanzien van mensen die lijden. Voor een dergelijke verbondenheid is geen mystieke verlichting nodig maar het simpele erkennen van onze verantwoordelijkheid. Zover ik het begrijp is dit misschien wel de kern van wat - ook binnen het christendom - heidendom genoemd moet worden: de gedachte dat lijden en kwaad in zichzelf betekenis zouden hebben. De betekenis zit echter niet in het lijden maar als het ware aan de buitenkant. Namelijk in de uitwerking die het kan hebben. Negatieve gebeurte­nissen kunnen soms een positieve uitwerking krijgen, maar dat is geen kwestie van oorzaak en gevolg. Daar is nog iets meer voor nodig. In de eerste plaats een rechtvaardige, creatieve en gelovige respons op de situatie, niet alleen van het slachtoffer, maar ook, en misschien nog meer, van de omgeving. Zo'n respons creëert een soort open ruimte om het kwaad heen. Een niet-ingevulde, ontvankelijke ruimte waarin er meer is dan kwaad en lijden. In die ruimte kan het soms zijn dat er betekenis gehoord wordt en betekenis gegeven wordt aan dat wat in zichzelf zinloos is. En dát heeft wel met God te maken. Dat heet in bijbeltaal: genade.

 

Een ontvankelijk hart voor Gods genade. Ruimte voor de gein die van God komt. Voor het onverwachte geschenk waar je niets voor hebt gedaan maar dat je zomaar toevalt. Zoals het leven en alles wat in het leven de moeite waard is, een geschenk is van de Ene God die ondubbelzinning goed is. Het gaat er in ons leven en in de wereld niet om dat geluk en verdriet als een optelsom geteld moeten worden. Het gaat - veel radikaler - om een wereld waar de genadige gein van God de toon uitmaakt. "Ik weet een planeet waar een vuurrode meneer woont," zegt de kleine Prins (uit het gelijknamige boekje van de Saint-Exupéry). "Hij heeft nooit aan een bloem geroken, nooit naar een ster gekeken. Hij heeft nooit van iemand gehouden maar altijd alleen maar optelsommen gemaakt. En net als jij zegt hij de hele dag: 'Ik ben een ernstig man. Ik ben een ernstig man.' En dan zwelt hij van trots. Maar dat is geen man, dat is een paddestoel!"

 


27. Awraham Soetendorp

 

Waar vinden wij de gouden regel: 'houd van de ander als van jezelf, ik ben de Altijdaanwezige'? Ik ga er vanuit dat de meerderheid van de lezers spontaan zal reageren, 'in het nieuwe testament'. Zo is het in ons bewustzijn ingeburgerd. Dat dit vers het eerst voorkomt in het beroemde hoofdstuk 19 van Leviticus, in de Tora, is nog voor velen nieuw.

 

Vervolgens zullen zij die de herkomst wel herkennen op de vraag naar de betekenis, in meerderheid antwoorden dat het hier gaat om de liefde voor de eigen volksgenoten. En daarmee wordt het stereotiep van het joodse volk dat steeds aan zichzelf denkt bevestigd. Zij die verder kijken dan hun dogmatische neus lang is zullen het juiste, inclusieve antwoord vinden in de verzen verderop in hetzelfde hoofdstuk. "En als een vreemdeling bij jou woont in jullie land, zullen jullie hem niet onderdrukken. Als een echte burger te midden van jullie zal hij zijn, de vreemdeling die bij jullie woont en je zult van hem houden als van jezelf, want vreemdelingen zijn jullie geweest in het land van Egypte, ik ben de Altijdaanwezige, jullie G'd (19, 33, 34). Er is geen oproep, die vaker herhaald wordt dan deze opdracht om borg te staan voor de vreemdeling "want jullie kennen het hart van de vreemdeling."

 

Andreas Burnier schrijft naar aanleiding van commentatoren op haar Abel Herzberg lezing die willen aantonen dat wel degelijk sprake is van een joods‑christelijke traditie " ... nu ik mij in het jodendom ben gaan verdiepen, heb ik daar talloze mijns inziens zeer gefundeerde bezwaren tegen." Gemeenschappelijk hebben joden met hun westerse, i.c. christelijke landgenoten, een deel van de uit het jodendom voortgekomen ethiek. Voor het overige zijn de (religieuze) verschillen in de loopt van tweeduizend jaren immens geworden.

 

Het bovenstaand misverstand over de gouden regel, illustreert haar stelling. Waar het nu om gaat is vanuit de gemeenschappelijke ethiek met voortvarendheid te handelen. Het Vlaamse Blok claimt op grond van de verkiezingsuitslag de burgemeesterszetel op van Antwerpen. Een coalitie van kleinere partijen zal dit onzalige streven nog wel verijdelen. Maar voor hoe lang nog. In Oostenrijk voorspelt de brallerige Haider, blakend van zelfvertrouwen dat hij in 1998 kanselier zal zijn. Het monster van de vreemdelingenhaat kruipt gevaarlijk naderbij. En in Europa zijn onze moslim broeders en zusters, het eerste doelwit.

 

Wij dienen als joden en christenen op grond van onze historische ervaring, het initiatief te nemen tot activiteiten veelal op het gebied van onderwijs, om de rassenwaan tegen te gaan. Te beginnen in België en in Nederland. Het is te prijzen, dat we elkaar gevonden hebben, in de verdediging van de zondagsrust, en daarmee naar ik aanneem de sjabbat en vrijdagsrust, maar we zijn onrustbarend stil gebleven na 'het verdriet van België'. Het minste wat we kunnen doen is gemeenschappelijk onze zorg tot uitdrukking brengen en een oproep doen tot 'liefde voor de vreemdeling'.

 

Ook in een andere discussie die als een bliksem bij heldere hemel, over ons heengekomen, zouden we ons moeten roeren. Christenen en moslims laten het nu aan de joodse gemeenschap over, om zich uit te spreken tegen de aanwezigheid van een officiële Duitse delegatie bij de herdenkingsdagen van 4 en 5 mei. Jaren van dialoog voeren, van het houden van leerhuizen, in de lange schaduw van de grote dood moeten althans bij de Raad van Kerken het begrip gebracht hebben, voor wat een degelijke discussie in het hart van de joodse gemeenschap teweeg brengt.

 

Een oproep tot de Nederlandse regering om de intieme rust van de gedenkdagen niet te verstoren zal heilzaam werken. Een groot politicus, maar vooral een groot Mensch, Jan de Koning, heeft het voorbeeld gegeven hoe te luisteren naar het hart van de ander.
28 Sajidah Abdus Sattar

 

Alweer staan de kranten vol van weerzinwekkende daden van geweld en terrorisme. Hoewel radicalen zich willen beroepen op godsdienst of ideologie, terrorisme blijft terrorisme. Weldenkende mensen van elke gezindte keuren een dergelijke blinde haat af, waarmee het dan ook wordt gelegitimeerd. De meest gewelddadige incidenten gebeuren tot nu toe in het buitenland, iets wat beslist niet tot zelfgenoegzaamheid mag leiden. Ook in Nederland komt intolerantie voor en wordt inbreuk gemaakt op andermans eigenwaarde. De vormen mogen subtieler zijn, maar daarom niet minder potent. Er wordt niet altijd gehandeld naar de geest van de grondwet. Niemand weet dat beter dan degene die het zelf ervaart.

 

Awraham Soetendorp wees vorige vrijdag op de rechten van vreemdelingen in de Bijbel. Ook de Koran kent soortgelijke instructies ten aanzien van armen, weduwen, wezen en thuisloze reizigers, die 'kinderen van de weg' worden genoemd. De islam geeft hen recht op steun en bescherming, want het is zwaar om een toestand van machteloosheid te moeten verduren.

 

Het lijden, dat voor Marianne Vonkeman gesymboliseerd wordt door het kruis, wordt helaas nog wel eens veroorzaakt door volgelingen van dat kruis. Hoewel er op elke geloofsgemeenschap wel wat is aan te merken, gaat het in dit geval om leden van een invloedrijke groepering in Nederland. Het probleem is als volgt. De moslimgemeenschap in dit land voelt zich verontrust door recente berichten over toenemende druk van christelijke zijde. Daarbij zouden geslepen methoden niet worden geschuwd. Veel begrip voor islamitische waarden verwachten we al niet meer, maar de opzet voor een gecoördineerde bekeringscampagne gericht op moslims klinkt zorgwekkend militant. Moslims die bekend zijn met het kerkelijke veld herkennen hierin christelijk fundamentalisme en weten dat er ook andere stromingen zijn. Toch overheerst bij zowel moslims als christenen de wederzijdse onbekendheid met elkaar.

 

Grootschalige zendings­plannen kunnen de nekslag betekenen voor de kwetsbare interreligieuze dialoog in Nederland. Daarvoor is vertrouwen immers een sine qua non. Mijn vraag als moslim aan de Nederlandse christenen is dan ook: zijn uw gastvrijheid en tolerantie afhankelijk van een bekeringsverwachting? Zelfs wanneer christenen zich geroepen voelen hun eigen boodschap uit te dragen, moeten ze toch beseffen dat een agressieve benadering de harten eerder sluit dan opent. Bovendien veronderstelt die eenrichtingsbenadering dat moslims wel van christenen te leren hebben, maar omgekeerd niet. Sinds wanneer is een dergelijke arrogantie bewijs van spiritualiteit?

 

Naar mijn mening worstelt de (neo‑)christelijke westerse wereld met een onbruikbaar, maar door de historie ingeslepen homogeniteits-ideaal. In de tijd dat in Europa (christelijke) godsdienstoorlogen woedden en de kerkelijke inquisitie haar bloedige scepter zwaaide, waren in de moslimwereld minderheden ‑ en soms meerderheden ‑ van joden, christenen, druzen, hindoes enzovoorts heel gewoon. Natuurlijk verliep de relatie tussen de diverse groeperingen niet altijd vlekkeloos, maar na eeuwenlange moslimheerschappij was er in Spanje nog steeds een meerderheid van christenen en joden en in India een meerderheid van hindoes. Tot op de dag van vandaag bestaat die religieuze verscheidenheid in de moslimwereld (met als grootste uitzondering Saoedi‑Arabië) nog steeds. Over het algemeen geldt dat moslims veel meer vertrouwd zijn met traditioneel muiti‑religieuze samenlevingen dan de westerse christenen. Dat is een van die dingen die Nederlanders nog van moslims kunnen leren. Dé meerderheid van de moslims houdt zich voornamelijk bezig met bezinning op eigen islambeleving, niet met externe bekering. Opdringerigheid van christelijke zijde wordt dan ook ervaren als een gebrek aan tolerantie en respect.

 

 

29 Marianne Vonkeman

 

Ik ben blij dat ik niet in een christelijk land woon. Dat is wat ik denk als Sajidah Sattar schrijft over christelijke fundamentalisten die moslims willen beke­ren. Of als ik uitspraken van de paus lees over homofi­lie, of voorbehoedmiddelen of euthanasiewetgeving. Of als de winkelsluiting op zondag niet bespreekbaar gemaakt kan worden. Iedere keer dat christenen hun geloofsopvattingen en hun ethiek dwingend aan anderen willen opleggen, ben ik dankbaar dat ik niet in een christelijk land woon.

 

Ik ben blij dat ik in een land woon waar godsdienstige en burgerlijke wetgeving van elkaar gescheiden zijn. Waar een kind dat ik adopteer de Nederlandse nationali­teit kan krijgen, ook al is het niet uit christelijke ouders geboren. Waar mijn dochter niet met de dood bedreigd zal worden, mocht zij ooit tot een andere godsdienst overgaan. Waar drugs, aids, abortuspraktijken enzovoorts niet ondergronds blijven woekeren wegens kerkelijke taboes.

 

In een multiculturele en multireligieuze samenleving kan het niet anders dan dat er spanningen bestaan tussen de verschillende belangen. Intercreatie, het woord dat Fadime Örgü deze week introduceerde, vind ik een vondst. Het maakt direct duidelijk dat een samenleving voortdu­rend gecreëerd wordt, in een nooit eindigend proces. Nieuwe mensen, nieuwe ontwikkelingen, nieuwe ideeën, ze hoeven niet bedreigend te zijn als het scheppend poten­tieel ervan erkend en herkend kan worden. Waar gods­dienst ingeschakeld wordt om oude samenlevingsvormen te bewaken, wordt zij zelf een bedreiging. Niet de vormen, maar de waarden die er door gedragen worden, dienen bewaard te worden.

 

Neem nou die zondagsrust. Ik woon vlak naast een super­markt die om zes uur 's ochtends bevoorraad wordt. En dan die winkelkarretjes.. en de glasbakken niet te vergeten.. Eén dag kan ik wat langer slapen (niet langer dan half tien, want dan zijn er kerkklokken aan de andere kant van mijn huis). Maar goed, ik stel prijs op een dag vrijaf van de supermarkt.

 

Het is een gelovig gebruik om een dag apart te zetten van de rest van de werkweek en deze te wijden aan God en geliefden. Ik vind het niet genoeg om een oproep naar de regering te sturen de zondagsrust te bewaren, zoals Awraham Soetendorp schreef. Het lijkt mij van veel groter belang om de essentie van dit godsdienstig gebruik te verstaán. Dan kan het misschien ook gecommu­niceerd worden naar niet-gelovigen en opgenomen worden in het algemeen menselijke bewustzijn. Rituelen zijn geen doel in zichzelf maar middelen om een bepaald doel te bereiken. De vormen blijven ondergeschikt aan de waarde die erin gelegen ligt. Dwingend opgelegd door kerkelijke of religieuze wetgeving worden ze inhouds­loos. Wil de waarde opgenomen worden in het algemeen ethisch bewustzijn, dan dient ze inzichtelijk gemaakt te worden ook voor niet-gelovigen.

 

"Zondag is zo'n doodse dag, zo stil", zei iemand die graag de winkels open had. Geluiden om de stilte te verdrijven. Herrie om de innerlijke onrust niet te voelen. Stilte is voor velen als een voorproefje van de dood. Toch, "Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft" zijn gevleugelde woorden van Gezelle. Dat stilte een eigen taal heeft en verstaan kan worden, is een in verdrukking geraakt besef. De vlakheid van het levensgevoel, het gebrek aan zin en betekenis die velen in onze maatschappij ervaren, de wachtlijsten van de RIAGG's met mensen vol chaotische gevoelens, de verhar­ding ten aanzien van vreemdelingen, het staat niet los van het onvermogen om met 'de ziel te luisteren'. En zonder een ziel die luistert horen wij geen betekenis, alleen maar nut. In de stilte waar de zondagsrust op aangelegd is, valt te vernemen dat mensen en dingen betekenis hebben omdat ze zijn, niet om wát ze zijn of doen. Dit is een fundamentele beleving die een algemene ethiek van respect en rechtvaardigheid kan voeden. En dat is dringend nodig.

 


30. Awraham Soetendorp

 

Wonderen die de gedaante aannemen van de dagelijkse werkelijkheid. De ondertekening van het vredesakkoord tussen Jordanië en Israël op het grensgebied van de Arawa. Bijbelse contouren. Eens, een honderdvijftig generaties geleden, gooiden Filistijnen de waterputten dicht met zand, die aartsvader Jitschak had gegraven. Liever sterven van de dorst dan de anderen het leven te gunnen.

 

Nu zijn de vijanden van weleer tot overeenstemming gekomen over het delen van het beschikbaar water, en het gezamenlijk werken aan nieuwe watervoorzieningen. De Midrasj verhaalt: Waarom werd de Tora in de woestijn gegeven? Opdat geen enkel land trots zou kunnen zeggen in mijn gebied is G'ds aanwijzing ten leven gegeven.

 

Waarom werd de vrede getekend in de woestijn, in de droge Arawa? Omdat de uitdaging verenigt. Alleen wanneer de energie van beide landen vrijgemaakt wordt voor de vrede kan de halsstarrige woestijn worden omgevormd tot een vruchtbare tuin. En terecht sprak koning Hoessein over het dal van de vrede. De klimtocht naar de top van de berg verloopt langzaam. Maar wanneer deze eenmaal is bereikt gaat de afdaling razendsnel. in de komende jaren zal het masker van de vijandschap veel sneller worden afgeworpen, dan we nu kunnen voorzien, zullen de wederzijdse stereotypen vervliegen onder de brandende woestijnzon. "De woestijn en de verdorde aarde zullen blij zijn, de Arawa zal juichen en bloeien als een lelie ... want in de woestijn is het water uitgebroken en rivieren stromen in de Arawa (Jesaja 35 : 6).

 

Wat een tijd, welk een voorrecht om nu te leven. En welke grote kansen worden ons, joden en moslims, gegeven om vanuit onze spirituele bronnen dit proces van toenadering, deze inspanning tot heelmaking te voeden. Wij dienen wel alert en actief te zijn, opdat de krachten van geweld worden geïsoleerd en tegengehouden. Er dienen zo spoedig mogelijk topontmoetingen tussen religieuze leiders te wor­den georganiseerd, de dochters en zonen van lsmaël en Jitschak. Sajidah Abdus Sattar, laten we elkaar veel sterkte en wijsheid wensen. Er staat veel op het spel, niets meer of minder dan het realiseren van een messiaanse droom. En eindelijk zal de droom van de een niet de nachtmerrie van de ander worden.

 

Een van de ervaringen waaruit ik veel hoop heb geput in momenten van terugslag, van hevig verdriet om het wrede verlies van leven, is een boomplanting in het verre Okayama in Japan. Het was tijdens een conferentie van het Global Forum van Spirituele en Politieke leiders. Ter afsluiting van dagen van discussie en studie, werd symbolisch een boom van vrede door ons allen geplant. De Groot Mufti van Syrië, Sheik Kuftaro, een wijze warme vriend nodigde mij uit om tezamen de spade in de grond te steken en de jonge boom te stutten. Het was vlak voor het uitbreken van de Golfoorlog. Wij handelden in de geest van de Tora en de Koran wij plantten toekomst in het heden. En ik ben ervan overtuigd dat de politieke leiders van Israël en Syrië spoedig zullen volgen. Wij voelen de wind van verandering, maar wij weten niet hoe wij ermee moeten omgaan.

 

Het joweljaar is begonnen, het vijftigste jaar waarin verstoorde relaties tussen mensen en volkeren zullen worden hersteld. Marianne en Sajidah, laten we de ballast van misverstanden, triomfantalisme, zelfverheffing van ons afgooien en elkaar tegemoet treden als partners in G'ds schepping. Niet alleen de zondag, de vrijdag en de sjabbat zijn geheiligd, deze hele tijd heeft een unieke bestemming.

 

Gaat het optimisme met mij op de loop? Verwar ik hartstochtelijke wensen met de werkelijkheid? Ik weet alleen dat in de Arawa werd bevestigd dat hij die niet in wonderen gelooft, geen realist is.

 

31. Sajidah Abdus Sattar

 

De column die elke vrijdag op deze plaats verschijnt, maakt deel uit van de grote samenspraak van gelovigen, gebaseerd op respect voor ieders eigen traditie. Als ik wel eens kritisch ben, is dat wegens de vele misverstanden over de islam en de bijzondere kwetsbaarheid van de moslims in de Nederlandse samenleving. Onlangs drukte Marianne Vonkeman haar tevredenheid uit over de tolerantie in Nederland. In zekere mate deel ik haar gevoelens, maar het zou nog veel beter kunnen. Awraham Soetendorp schreef over het geheiligd zijn van de tijd. Inderdaad, tijd is iets heel bijzonders. Er is een tijd voor overeenstemming en een tijd voor kritiek. En er is altijd weer tijd voor verbroedering.

 

Vanuit de islam bekeken zijn tijd én plaats heilig, eenvoudig omdat ze geschapen zijn door God. Alleen de mens is in staat ze te profaniseren door misbruik. In de klassieke teksten van de islam komen drie verschillende tijdsbegrippen voor: de vliedende tijd ('asr), de bepaalde tijd (wakt) en het moment (al‑án). Het 103e hoofdstuk van de Koran luidt als volgt: “Bij de vliedende tijd. De mens is waarlijk in verlies. Behalve zij die geloven en deugdzame werken doen en elkaar aansporen tot de waarheid en elkaar aansporen tot geduldige volharding.”

 

Wij lijden verlies als we niet zien hoe de seizoenen en de onvervangbare momenten in de tijdstroom worden weggevoerd. En we lijden verlies door alsmaar aan het verleden te hangen of ons overdreven zorgen te maken over de toekomst. Alleen in het heden, het nu, kunnen wij handelen en op het fundament van de geschiedenis een goede toekomst bouwen. Dat is een vorm van heiliging van de tijd; een samenspel van Schepper en schepsel waarin wij onze positieve inspanning en intenties toevoegen aan elk door God geheiligd moment. Door die toewijding aan de Allerheiligste concretiseren wij de potentiële heiligheid van de geschapen tijd.

 

Wat voor tijd geldt, geldt ook voor ruimte en plaats. Door het werkelijk heiligen ‑ en niet alleen

het 'heilig verklaren' ‑ van deze of gene plek, wordt ruimte geheiligd. Tijd en plaats heiligen gebeurt door onze toewijding en vredevolle overgave aan de almachtige en barmhartige God, die zelf boven alle beperkingen van tijd en plaats verheven is. Het ritueel dat moslims gebruiken voor deze dubbele heiliging is salát, het rituele gebed. Menigeen zal dat wel eens hebben gadegeslagen. De salát wordt vooraf gegaan door een rituele wassing en wordt gepreciseerd door een bepaalde richtingname (naar Mekka) en door voorgeschreven tijden (vijf maal per dag). Daardoor wordt symbolisch de gehele leefsfeer van mensen omvat. De gelovige werpt zich letterlijk ter aarde voor God en laat zich geestelijk in vervoering brengen (vervoeren) door de Opperste Heer. Het gebedskleed wordt zo als een vliegend tapijt dat de toegewijde gelovige door Gods genade tijdelijk transporteert naar het eeuwige en grenzeloze ‑ tenminste, als God het wil. Misschien is het daarom dat moslims hun gebed beëindigen met het uitspreken van de vredeswens, 'salám alaikum', naar rechts en naar links, als een begroeting na terugkomst van een reis. Of misschien is het om de spirituele vrede, die de vrucht is van het gebed, aan iedereen op aarde mee te delen.

 

Het is dan ook geheel in de lijn van de islam dat ik mij aansluit bij de oproep van broeder Awraham om ons gezamenlijk in te zetten voor de vrede. Alleen door samenwerking van alle gelovigen kunnen de ontheiligende krachten van profaniteit en haat worden overwonnen. God is de Waarheid, de Werkelijkheid. Wie niet in God gelooft, is geen realist. Het wonder dat door de optimist wordt opgemerkt, is dat het destructieve werk van mensen zo vaak door God gekeerd wordt en tot onderdeel gesmeed wordt van de voortdurende schepping. En is het geen wonder dat mensen, ondanks alle tekortkomingen, steeds weer mogen deelnemen aan de heiliging van plaats en tijd?

 

 

 

32. Marianne Vonkeman

 

Ik hou van jazzmuziek. Eén van de meest intrigerende aspecten ervan is de improvisatie. Je weet bij een goeie band nooit precies hoe een bepaald lied zal worden weergegeven. Ieder instrument speelt zowel begeleiding als solo, afgesproken akkoorden én een eigen melodie. Die speelruimte wordt mogelijk gemaakt door het ritme. Het ritme is de dragende en oriënterende factor in jazzmuziek.

 

Als er in deze column gesproken wordt over tijdsheiliging, in de vorm van zondagsrust of jubeljaar of de salât, dan gaat het over een ritme dat bewust gecreëerd wordt. Dit is iets anders dan het natuurlijke biologisch ritme dat voor sommige mensen de enige en toereikende ordening in hun leven is. Dat zijn die gelukkigen die in het bezit zijn van een suf klein libidootje en een bijbehorend lief klein godje (om even Selma Schepels vocabulaire te lenen). Voor mensen met een grote levensdrift is het biologische ritme niet genoeg. Aan het einde van het leven staat de dood. Het bewustzijn daarvan heeft al heel wat ellende én heel wat cultuur voortgebracht. De wereldgodsdiensten zijn niet geboren uit de angst voor de dood (zoals weleens gezegd wordt). In hen vinden we het nuchtere besef dat de menselijke levensdrift bevrijd kan worden van haar schaduw (de doodsangst) en aangewend tot heilzame creativiteit. Dat wordt gedaan door het individuele en natuurlijke levensritme op te nemen in een groter en doodsoverstijgend geheel. Het is zoals in jazz-muziek: een grondritme maakt vrije improvisatie mogelijk zonder dat het een chaos wordt.

 

Komende zondag is voor de christelijke kerk de laatste van het kerkelijk jaar. Daarna begint de adventstijd. We leven verwachtingsvol toe naar geboorte, we maken groei en bloei mee en dan de tegenstand als een mens zich inzet voor het rijk van God. Zelfs de dood maken we mee, om dan toch en uiteindelijk tegen elkaar te zeggen: Hij leeft! Zijn Geest inspireert ons nog steeds. Ieder jaar opnieuw wordt dit ritme herhaald. Ieder jaar opnieuw wordt ons de kans geboden om nog dieper en vollediger de weg van een messiaans mens te gaan tot ook ons leven voltooid zal zijn. Dit is het christelijk grondritme van het jaar. Hier doorheen klinkt het besef dat de voortgang in een mensenleven spiraalvormig verloopt: er zijn steeds weer nieuwe aspecten van onszelf en onze werkelijkheid die "geboren worden", die groei behoeven, die tegenstand te verduren krijgen, die één of andere vorm van 'dood' meemaken voordat ze permanente kwaliteit krijgen.

 

Op deze laatste zondag gedenken we de gestorvenen, in het bijzonder degenen die het afgelopen jaar overleden zijn. Bij ons in de kerk is dat een uitgebreide gebeurtenis. Het rouwbegeleidingsteam heeft de nabestaanden een uitnodiging gestuurd, op de liturgie staan de namen afgedrukt die voorgelezen zullen worden. We vieren de tafel van de Heer, een symbolische maaltijd van brood en wijn, teken van verbondenheid over de dood heen. Ook de niet-gelovigen die deze viering meemaken, zijn welkom aan de tafel omdat de ene God Schepper van alle levenden en doden is. Voorin de kerk staat een opstandingsicoon, aan de muur hangen schilderingen van gemeenteleden die hierin de psalm van deze zondag ("Uit de diepten roep ik tot U") persoonlijk interpreteren. We zingen oude en nieuwe liederen en we gedenken met dankbaarheid dat onze doden wel dood maar niet kwijt zijn. Ons persoonlijk leven en sterven wordt deel van een gebeuren dat alle tijden en plaatsen omvat. Je zou kunnen zeggen: onze individuele melodie wordt gedragen door een altijd doorgaand grondritme dat ruimte biedt aan samenwerking én aan eigenheid.

 

Als ik Sajidah Sattar en Awraham Soetendorp lees, dan hoor ik in hun beschrijvingen iets van datzelfde grondritme terug. Het 'samenspel' vind ik verrijkend. Om een voorbeeld te geven: Awraham's gelovige duiding voegt toe aan mijn cynische bewondering voor Israëls verdeel-en-heers-politiek; de beeldende islamitische taal en gebruiken die Sajidah beschrijft, vullen mijn westerse analytische werkelijkheidsbenadering aan. Laten we verder spelen..

 

 

 

 

 

33

Het venijn zit in de staart. Wat bedoelt Marianne Vonkeman met de slotzin dat mijn gelovige duiding toevoegt aan haar cynische bewondering voor Israëls verdeel‑ en heers‑politiek? Nu we er eindelijk aan toekomen om letterlijk het mijnenveld van misverstanden in het conflict in het Midden‑Oosten tussen recht en recht op te ruimen dienen we dit ook te doen in Nederland.

 

De kerk heeft in ons land niet zo'n gelukkige hand gehad in het bespreekbaar maken van de politieke discussie over de legitieme rechten van de Palestijnen ten opzichte van het veilige bestaansrecht van de staat Israël. Vaak het verkeerde woord op het juiste moment of een stichtelijk appèl op een ongelukkig uur. Een enkel voorbeeld. in de eerste benauwende dagen van de Jom Kipoer, toen het leven van Israël aan een zijden draad hing, zwegen de kerken in alle talen. Deze laffe stilte, die beantwoord werd door een teleurgestelde reactie van de rabbijnen, werd pas onderbroken met een wat al te gemakkelijke oproep om financiële en humanitaire hulp te bieden aan alle slachtoffers in het conflict. Tijdens de strijd van de lange adem om joden in de Sovjet‑Unie bij te staan werd in besloten kring en in het openbaar door vertegenwoordigers van kerken er vaak op aangedrongen om steunbijeenkomsten alleen dan te laten plaatsvinden wanneer door organisatoren ook stelling werd genomen tegen de nederzettingenpolitiek van de toenmalige premier Begin.

 

Aan het begin van mijn rabbinaat in 1969 vond een verhelderend voorgesprek plaats tussen mij en een verlichte vertegenwoordiger van de Nederlandse hervormde kerk. Hij wilde in zijn toespraak tot mijn gemeenteleden alles aanraken, maar niet zijn gevoelens over de staat Israël. Ik wees hem erop dat dit eenvoudig onmogelijk was. Na afloop van de lezing, waarin hij vol hartstocht over het jodendom had gesproken, vroeg een van de aanwezigen: "U bent waarachtig ons meest nabije. Wat is uw mening over de staat Israël?". Hevig in emotionele nood gebracht antwoordde hij "ik heb de oorlog als kind meegemaakt. Voor mij zijn de Israëlische machthebbers van nu de nazi's van het Midden‑Oosten”. Alles lag aan gruzelementen. De verbijstering en ontreddering was groot. Het heeft heel lang geduurd voordat mijn gemeente weer een dominee uitnodigde om te spreken.

 

Gelukkig is nu de tijd om minder krampachtig met elkaar om te gaan. Want juist als je tracht de ander te sparen kwets je hem het meest. Het is goed mogelijk dat ik te gevoelig op jouw zin, Marianne, reageer. Mijn vader zei eens: "Ja, wij hebben als joods volk lange tenen. Maar mogen wij?" En we mogen van ons hart geen moordkuil maken. We hebben elkaar nog zo veel waardevols te geven.

 

Ik lees over de betekenis van Advent in de kerken. "We leven verwachtingsvol toe naar de geboorte". En ik herken het grondritme van onze verschillende gebruiken. Aan het eind van Jom Kipoer, de grote ontzagwekkende dag, staan we als gemeente tegen elkaar aan, ouders en kinderen, in de intimiteit van ons Mikdasj meat, ons kleine heiligdom. We zeggen samen de woorden die we eens ieder afzonderlijk hopen te kunnen zeggen in ons stervensuur: sjma Jisraeel, hoor Israël, de eeuwige onze G'd, de eeuwige is één. Eechad. We benadrukken eechad, de eenheid. Eens hopen wij deze letters uit te spreken in onze laatste ademtocht. De altijd­zijnde is koning. Dan klinkt de sjofar‑toon, die ons als het ware weer tot leven wekt.

 

Elke Jom Kipoer gaan wij tesamen door de poort van de dood die we eens in de uiterste eenzaamheid zullen overschrijden. En dan beginnen we onmiddellijk met het bouwen van de Soeka, de hut van vrede, van beschutting. Het leven in. Aan het werk als medewerkers in Gods schepping. Door elkaar te verstaan met alle hebben en houden dringt het eigene beter tot ons door. is dat samenspel?

 

34. Sajidah Abdus Sattar

 

Het Sinterklaasfeest staat weer voor de deur. Ook ik maak mijn verlanglijstje op, maar daarover straks meer. J kunt je afvragen wat een moslim met Sinterklaas moet. Sint Nicolaas was bisschop van Myra, in wat tegenwoordig Turkije heet. In zijn tijd waren daar echter nog geen Turken. Legenden over zijn wonderen ter wille van kinderen en scholieren zijn via Italië in noordelijk Europa ‑ laten we zeggen ‑'gemigreerd'. Daarom ben ik zo vrij om hem te benoemen tot mythische schutspatroon van migranten. Reist hij niet samen met de uit het Iberische schiereiland uitgewezen Moor? De Moren van de Spaanse geschiedenis waren moslims uit Noord‑Afrika, niet zo verschillend van de Marokkanen. Zo zien we dat een bisschop uit 'Turkije' en een donker gekleurde man uit 'Marokko' centraal staan in een Nederlandse volkstraditie; voorlopers van de migranten van nu.

 

Ik ben voor het samen feestvieren, want dat verbroedert. Maar er zit ook venijn in dit volksfeest ‑ niet in de staart, maar in de mijter met het kruis. De Moorse Piet wordt gekenschetst als een warhoofd en een dwaas, die de gehoorzame knecht moet zijn van zijn blanke christen‑baas. Het teken van het kruis betekent voor moslims al sinds de kruistochten, de inquisitie en de koloniale tijd voornamelijk machtspolitiek, vervolging en uitbuiting. Hier echter is Sinterklaas de zachtmoedige, goede gever met de witte baard. Kindertjes zijn niet bang van hem, maar van Zwarte Piet, tenzij ze om hem kunnen lachen. Wit staat immers voor goed en zwart voor slecht. Wie zou zich een Zwarte Piet kunnen voorstellen op de plaats van de Sint?

 

Maar och, leve de traditie. Ik gun de kinderen best hun pleziertje, als het maar geen kwalijke vooroordelen bevestigt. Van mij mogen Sinterklaas en Zwarte Piet zelfs het hele jaar door blijven om zich, zonder schmink of mijter, onder de migranten te scharen. Misschien dat deze baas en knecht elkaar dan eindelijk eens als gelijken gaan behandelen en samen de kinderen van het Noorden blijven verrassen met cultuurschatten uit het Zuiden.

 

Overigens, ik heb nog een advies voor Sint en Piet. Pas maar op hier in Nederland. Het land, zo zegt men, is vol en buitenlanders zijn niet erg geliefd. Weliswaar werden jullie eens met luid gejuich verwelkomd, maar als de cadeautjes op zijn en er geen profijt meer van jullie te halen is, verwacht men dat je met stille trom vertrekt. Pas maar op, als jullie volgend jaar weer naar Nederland komen, want vóór je het weet pakken ze je op als illegale vreemdeling en nemen ze de zak met snoep in beslag op verdenking van drugshandel. Mocht Sint besluiten te blijven, dan kan hij het best zijn baard afscheren, voordat hij wordt aangezien voor een 'fundamentalist'. Piet is onvermijdelijk herkenbaar als buitenlander en zal zich voortdurend moeten legitimeren.

 

Dat brengt me bij mijn verlanglijstje. Het bestaat niet uit wensen om iets te krijgen, maar juist uit wensen om verlost te worden van zulke zaken als de ziek makende haat en jaloezie tussen mensen, de harteloosheid van materieel rijken en het opportunisme van politici, de schijnheiligheid van leiders die religie misbruiken voor hun eigen bekrompen, zelfzuchtige doeleinden, de geestelijke corruptie van hen die in naam van God haat zaaien tegen gelovigen van een andere godsdienst, de zelfverheerlijking van nationalisme en de afstotelijkheid van alle vormen van zelfverheffing, het negeren van menselijk leed en andere catastrofes, zij het in oorlogsgebieden of elders, het toedekken van lafheid en besluiteloosheid met de vlag van neutraliteit, de soort gelijkberechtiging die de agressor evenveel bescherming biedt als het slachtoffer, de stompzinnige, opportunistische excuses voor het breken van eigen principes, de hypocrisie van de mensen die passief toezien hoe onrecht wordt begaan, het voortdurend benadrukken van de fouten van anderen om zelfverheffing te rechtvaardigen, de misleidende begoocheling door onze ego's die zelfkennis in de weg staat. Met zo veel onvervulbare wensen wordt het helaas een mager Sinterklaasfeest.

 

 

 

35. Marianne Vonkeman

 

Bij goede communicatie hoort het regelmatig ophelderen van misverstanden. Ik ben dankbaar dat je laat weten dat mijn woorden venijnig bij jou overkwamen, Awraham. Zo waren ze beslist niet bedoeld en het spijt me als ik je kwetste. Het is mij nog niet helemaal duidelijk wat er precies zo steekt. Ik gebruikte jazz-muziek als een metafoor omdat ieder instrument een eigen geluid toevoegt aan de muziek die gemaakt wordt. En zo schreef ik dat jouw gelovige duiding van de politieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten 'toevoegt aan mijn cynische bewondering voor Israëls verdeel-en-heers politiek'. Hiermee bedoelde ik uiteraard niet dat jouw woorden mijn eigen houding versterken, net zomin als in jazz de trompet harder gaat klinken als de piano met de solo begint. Integendeel zelfs, jouw inbreng laat iets heel anders horen dan wat ik zelf in eerste instantie beluister. En zo gaat de muziek anders klinken.

 

Misschien is het mijn omschrijving van Israëls politiek als 'verdeel-en-heers' die steekt. Eerlijk gezegd is dat het woord dat bij mij opkomt als ik zie hoe dan weer Arafat en dan weer Hoessein door Israël politiek beloond of gedwarsboomd worden. Ik zou niet weten hoe Israël het anders zou moeten doen, gezien de gecompliceerde verhoudingen daar. En gezien het gebrek aan internationale rugdekking zoals in tijden van crises telkens weer blijkt. Vandaar mijn bewondering. Maar als je die uitdrukking niet terecht vindt dan hoor ik graag waarom.

 

Dan is er nog het woord 'cynisch'. Dat is een wat gechargeerde manier om mijn argwaan ten aanzien van politiek (álle politiek) te omschrijven. Juist jouw gelovige duiding maakt zichtbaar hoezeer ik een kind van mijn tijd ben, een andere tijd dan die van jou en Sajidah. Het naïeve optimisme van de zestiger jaren en de daaropvolgende ineenstorting van alle ideologieën en politieke systemen heeft mij gevormd en mogelijk wat misvormd. Het christelijk geloof is te vaak in nationalistische politiek opgegaan. Dat maakt mij huiverig voor de vermenging van religie en politiek, al moeten ze ook niet helemaal los van elkaar komen te staan. De islam valt toch ook niet samen met Arabisch nationalisme? Of het jodendom met Israëls politiek? Hoe zien jij en Sajidah eigenlijk de verhouding tussen religie en nationale politiek?

 

Tenslotte beschrijf je hoe de christelijke kerk zelden het juiste woord wist te vinden inzake de conflicten in het Midden-Oosten. Het zal wel weer samenhangen met mijn generatie's individualisme, maar voor alle duidelijkheid: ik schrijf wel als christen en lid van een kerk, maar niet namens de christenen, of namens de kerk. Ik stel prijs op dat onderscheid. En dat brengt me bij nog een vraag die ik aan jou en aan Sajidah zou willen stellen: in hoeverre beperkt onze wijze van herinneren de toekomst?

 

Het is terecht dat de geschiedenis meeklinkt in het gesprek dat wij voeren. Het christelijk antisemitisme dat zoveel leed heeft veroorzaakt, de kruistochten tegen de moslims, ze mogen niet ontkend worden. Nog belangrijker is het signaleren van misstanden in het heden, zoals Sajidah in haar vorige column deed. Maar de vraag dringt zich aan mij op: wat rekenen we eigenlijk tot ons verleden? Alleen die dingen die ons als persoon, of als familie of als volk of ras zijn overkomen? Of al die dingen die heel de mensheid betreffen? We kunnen het verleden zien door de ogen van óf slachtoffers óf daders. Maar lopen we dan niet het gevaar de ellende daarvan voort te zetten in de toekomst, door slachtoffergedrag, vooroordelen of het overschreeuwen van schuldgevoelens? Ik ben deel van een kerk die (naast veel goeds) ook veel onrecht heeft veroorzaakt. Ik ben ook vrouw, deel van die helft van de wereldbevolking met een sterk verhoogd risico op geweld, alleen omdat ze vrouw zijn. Maar verder ben ik ook deel van de hele mensheid. En dat verbindt mij met daders én slachtoffers, toen en nu. Door deze wijze van herinneren ben ik niet alleen slachtoffer en niet alleen dader, maar draag ik alletwee in mij. Dit is naar ik hoop een vruchtbaarder bodem voor een betere toekomst.

 

36. Awraham Soetendorp

 

Joden en christenen en nu gelukkig ook moslims praten in Nederland openhartig met elkaar zonder omzichtige beleefdheid. En zo hoort het ook tussen familieleden. Wij proberen elkaar de waarheid te zeggen hoe moeilijk dat soms ook valt. Het is vanuit dit wederzijds respect dat wij onze discussie voeren.

 

Natuurlijk beschouw ik jou niet, Marianne, als vertegenwoordigster van de christelijke kerk. Dat zou wel al te dwaas zijn. leder spreekt vanuit zijn en haar eigen individuele verantwoordelijkheid. Dit geldt voor álle generaties. Maar tegelijkertijd kan geen van ons de geschiedenis, de traditie, recht en onrecht van de religieuze achtergrond waar vanuit wij nu leven ontkennen. En zo heb ik het kader geschetst waarbinnen jouw omschrijving van het gedrag van de Israëlische regering als 'verdeel en heers‑politiek' naar mijn mening moest worden geplaatst. Mijn teleurstelling werd gewekt door het feit dat mijn van binnenuit met alle ontroering gegeven reactie op het ontkiemen van de vrede door jou werd beantwoord met een wat al te gemakkelijk cynisme. En ik geloof niet dat het alleen met het generatieverschil te maken heeft. Nogmaals ik weet dat ik jouw individuele standpunt waartoe je alle recht van de wereld hebt niet met het standpunt van kerken in de loop van de laatste decennia mag verwarren.

 

Maar het moet mij van het hart dat ik zo vaak warmte, gepassioneerdheid heb gemist. Waarom niet alle gereserveerdheid opzij zetten en met grote vreugde proclameren dat een nieuwe periode van hoopvolle vredesverwachting is aangebroken? Simon Peres verklaart in Oslo onomwonden dat de Nobelprijs terecht aan Jasser Aráfat is toegekend omdat hij zulk een moed heeft getoond om de weg van vrede en verzoening in te slaan. Dat getuigt van karakter, van noblesse. In de onzekere omstandigheden ‑ eik ogenblik kan wreed geweld weer onschuldigen treffen ‑ durven leiders van Israël en Palestijnen hun nek uit te steken. Dat is geen 'verdeel en heerspolitiek', dat is leven en werken vanuit het perspectief van de hoop. Wat je schrijft over cynisme, over de huivering over de vermenging van religie en politiek begrijp ik maar al te goed. Maar wat is de consequentie? Dat we onze handen van de politiek afhouden en ons schoon verschansen achter de veilige muren van kerk, synagoge en moskee? Wat mij moedeloos maakt, is de wijze waarop de religieuze leiders verstek laten gaan. Wat ligt er meer voor de hand dan dat joden, moslims en christenen in het versplinterde Joegoslavië pendeldiensten gaan uitvoeren om een vredesregeling te bewerkstelligen. En hetzelfde geldt voor de Kaukasus en Noord Ierland en het Midden‑Oosten. De religie heeft boter op het hoofd. Wij die allen uitgaan van het principe dat liefde moet worden gegeven om niet, hebben in toenemende mate gepredikt: haat om niets.

 

Het religieuze leiderschap is zo grenzeloos timide. Aan de marge van de marges wordt door de Partij van de Arbeid het initiatief genomen voor een gesprek met het CDA vanuit een religieuze bron. De reactie is voorzichtig en afhoudend. Vanuit de joodse levensfilosofie gaat het om de tikoen olan, het herstel van de rechtvaardige wereldorde, en dat heeft alles met politiek en alles met religie en spiritualiteit te ma' ken. In zijn Huizinga‑lezing heeft A. Th. van Deursen naar aanleiding van 'in de schaduwen van morgen' uit 1935 de uitdaging geformuleerd:"Een cultuur kan hoog heten al mist ze techniek of beeldende kunsten, ze kan niet hoog heten als ze barmhartigheid mist. De ethische en spirituele waarden gaan voorop".

 

Het gaat om het behoud van mededogen, niet meer en niet minder. Voor die ontzagwekkende taak staan zeker nu lsraëli's en Palestijnen en wij dienen hen daarin onvoorwaardelijk te steunen. Wij gaan het jaar 1995 in, een jubeljaar van vrijheid en rechtvaardigheid. Veel van wat tot nu toe onmogelijk was zal nu mogelijk zijn. Ik wens jullie Marianne en Sajidah een gebensjt ‑ gezegend ‑jaar toe.

 

 

 

37. Sajidah Abdus Sattar

 

Kerstmis is voor christenen de herdenking van Jezus' geboorte, maar lang geleden werd de vijfentwintigste december al gevierd als het midwinterfeest, naar aanleiding van de de zonnewende. In het verleden versmolten beide gelegenheden en vormden zij samen het feest van het nieuwe, tere licht als teken van goddelijke genade. Zo werden de kerstdagen een tijd van veelsoortige symboliek, van naar binnengekeerdheid, intimiteit en hoopvolle bezinning. In dat opzicht staat het natuurlijke effect van dit seizoen los van geloofsverschillen, sektarisme of strijd om het gelijk. Bij die tijdgeest sluit ik me als moslim met alle plezier aan.

 

Ik kan nog verder gaan, want ook moslims kennen het verhaal van de wonderbaarlijke geboorte van Jezus. Volgens de Koran vond die gebeurtenis plaats onder een palmboom in de woestijn. Daar wachtte Maria de geboorte van haar kind af. In haar eentje was zij uit haar woonplaats vertrokken, nadat ze zwanger bleek te zijn geworden van Gods adem, die haar door een engel werd ingeblazen. Zij was van alle menselijke hulp verstoken, maar God ontfermde Zich over haar. Voordat ze ging bevallen, liet Hij in het droge zand een waterbron voor haar ontspringen en rijpe dadels uit een palmboom op haar neervallen. Zij moest echter een gelofte van zwijgzaamheid afleggen en met niemand spreken. Ook toen Maria terugkeerde naar haar ouderlijke huis bleef ze zwijgen. Maar, wonder boven wonder, haar kind dat nog maar een zuigeling was, bleek opeens te kunnen spreken. Hij verklaarde dat zijn moeder geen blaam trof en dat hij naar deze wereld gezonden was als boodschapper van God. Zo blijkt, volgens die versie, de kerstboom geen spar, maar een palmboom te zijn.

 

Wat maakt het uit welke versie wordt geloofd, zolang het een aanleiding is tot bezinning op Gods genade en de zo noodzakelijke verzoening tussen mensen. De donkerste dagen zijn nu spoedig voorbij en er leeft hoop in onze harten op een nieuw en onstuitbaar licht. De natuur werkt alvast mee met het lengen van de dagen ‑ nu nog vrede onder de mensen. Christenen hebben Kerstmis als lichtfeest. De joden hebben kort geleden het feest van de lichten gevierd, dat chanoeka wordt genoemd. Hoewel moslims er geen apart feest voor hebben, kent ook de islam een eigen lichtsymboliek. In de Koran komt het volgende vers voor (K. 24/35). "God is het licht van de hemelen en de aarde. De gelijkenis van Zijn licht is een nis met daarin een olielamp ‑ de lamp is in glas en het glas is als een stralende ster, brandend (op olie van) een gezegende boom, een olijfboomniet van het oosten en niet van het westen, waarvan de olie bijna lichtend is, ook al heeft geen vuur het geraakt. licht op licht. God leidt naar Zijn licht wie Hij wil. God geeft vergelijkingen voor de mensen en God kent alle dingen."

 

God als licht en alweer een mysterieuze boom die zelfs lichtende olie voorbrengt. Het doet een beetje denken aan de wonderbaarlijke olie voor de menora in de joodse tempel. En het glas van de lamp schittert als de ster van Bethlehem. Religieuze symbolen lijken op elkaar omdat ze voortkomen uit gemeenschappelijke menselijke ervaring en spiritualiteit die eigen is aan alle volkeren. Alleen de plaats ervan in de leerstellingen en mythen verschilt van de ene traditie tot de andere. "Niet van het oosten en niet van het westen", dus niemand kan een alleenrecht claimen. Zou het mogelijk zijn om ‑ eventjes maar ‑ de verschillen in doctrines en culturen terzijde te laten? Zullen we alle gekwetste gevoelens even laten rusten om ons te concentreren op de directe menselijke ervaring van een licht in de duisternis, daar buiten ons en vooral ook binnenin? Of kunnen we nooit ontsnappen aan de dictatuur van het onderscheid en het vermeende eigen gelijk? Vlug genoeg zal het nieuws ons weer herinneren aan oorlog en haat, en zullen de wederzijdse vooroordelen die mensen van elkaar scheiden weer hoogtij vieren. Voorlopig dus even geen deelname van mijn kant aan de discussie tussen Awraham en Marianne, maar een welgemeende wens aan hen, en alle lezers van Trouw, voor een gezegend en inspirerend lichtfeest. Tot straks, in het nieuwe jaar.

 

 

 

 

38. Marianne Vonkeman

 

Kip met appelmoes. En mr. G.B.J. Hiltermann die ons de toestand in de wereld uitlegt. Zondagmiddag. Het was het toppunt van geborgenheid in de tijd dat ik opgroeide. Vaderlijke figuren ordenden mijn huis, de wereld en zelfs de hemel. Zij wisten hoe alles in elkaar zat, wat er gebeuren moest. Als ik me aan hun aanwijzingen hield, kwam alles in orde. Iets in de toon van Awraham's columns doet me, met een mengeling van weemoed en irritatie, aan die tijd denken.

 

De christelijke kerk, en later de gechristianiseerde wereld, viert 1 januari als de eerste dag van het nieuwe jaar. Dat komt omdat dit de achtste dag is na de geboorte van Jezus. Op de achtste dag werd hij naar joods gebruik besneden, ontving hij zijn naam en werd opgenomen in het verbond tussen God en Israël. In Jezus hebben ook niet-joden de uitnodiging vernomen om verbondspartners van de Eeuwige God te worden. Daarom viert de kerk deze dag als de eerste dag van een nieuw begin, een nieuw begin voor ons, de niet-joden. De joodse besnijdenis werd in het christendom een 'besnijdenis van het hart': "In eenheid met Christus bent u besneden, niet door mensenhanden maar door Christus, die u ontdaan heeft van uw zondige zelfzucht." De kerk heeft de desastreuze vergissing gemaakt om het innerlijke als vervanging van de uiterlijke te zien, en het christendom als vervanging van het jodendom. En daarmee werden ook uiterlijke daden en innerlijke motieven, Martha en Maria, politiek en mystiek weer eens losgemaakt van elkaar.

 

Iets van die polarisatie hoor ik doorklinken in Awraham's hartstochtelijk pleidooi voor vurig leiderschap en aanpakken en doen en niet zeuren over zinloosheid of moedeloosheid. Dat ongeduldige dat er in klinkt, dat herken ik ook in mijzelf. Maar mijn weg heeft zich de laatste jaren anders gericht. Van nadruk op leiderschap en daadkracht en het organiseren van projecten, naar de basis, naar het wel en wee van gewone mensen, naar het verstaan van het innerlijk in de zoektocht naar de bronnen van goed en kwaad. Naar het afstemmen van doen en zijn. Het bleek minstens zoveel moed te vergen om de innerlijke wereld te ordenen als de uiterlijke. Gaandeweg kom ik verrassingen tegen.

 

Tegenstellingen blijken elkaar niet uit te sluiten zoals ik dacht. Ik verheug mij oprecht en uitbundig over het vredesproces in het Midden-Oosten. Awraham's ontroerende uitleg over de droge Arawa die zal bloeien, inspireert me. Dit is wat ik al twee columns lang schrijf: ik hóor je, Awraham. Maar ook weet ik dat een politiek die voorkomt dat tegenstanders een machtsblok vormen soms noodzakelijk is om ooit tot vrede te komen. Goed gebruik van religieuze symboliek is een politieke kunst. Daar hoeven we niet mooier over te doen dan het is. Maar daarmee is ook nog niet alles gezegd. In en door het gewone kunnen we óok iets vernemen van grotere bedoelingen, van betekenis die uitstijgt boven de tijd. En dat beschreef je mooi, Awraham en daarmee inspireer je tot verdere inzet voor vrede. Huiver voor vermenging van politiek en religie leidt niet noodzakelijkerwijs tot het verschuilen achter kerkelijke muurtjes. Er zijn vele manieren om het kwaad te bestrijden: van bovenaf en van onderaf, van buiten en van binnen, individueel en gezamenlijk, door daden van verzet en door het vieren van feest, door regeren én door oppositie voeren.

Soms klink je als mr. G.B.J.Hiltermann in mijn oren. Maar soms ben je als de duif van Noach die vertelt over nieuw bewoonbaar land.

 

Moge de zegen van de Allerhoogste jou en Sajidah en al onze lezers vergezellen in dit nieuwe jaar!

 

39. Awraham Soetendorp

 

Tweeledigheid. Het is een term die ik mij eigen gemaakt heb sinds de vroege ontmoeting met het werk van rabbijn dr. Leo Baeck. In zijn artikel 'Gebot und Geheimnis' geschreven kort na het einde van de eerste wereldoorlog vatte hij krachtig de polariteit in het joodse levensgevoel samen. Het gaat niet om het mysterie, de mystiek, de verinnerlijking of om het werken, het ruk. ken aan wat krom is in de wereld. Het is geen keuze voor of geloof of actie. Het is de tweeledigheid, "het bewustzijn dat we geschapen zijn tezamen met het bewustzijn dat van ons verwacht wordt dat we zelf scheppen ... Van de ene God komen beide: het mysterie en het gebod. Een van de Ene en de ziel ervaart deze twee hoedanigheden als één".

 

Het een is een drijfveer van het andere. De rust van sabbat is uit balans, als deze niet verbonden is met de arbeid gedurende de gewone dagen van de week. De mystieke contemplatie mist de kracht, wanneer deze niet verbonden is met de strijd voor het bestaan. Eens werd op de deur geklopt van een rebbe. "Wacht even ik ben bezig met het zeggen van mijn psalmen." Een tijd later werd er weer geklopt. Hebt geduid, er zijn nog enige psalmen die ik nog zeggen moet. Nadat de rebbe klaar was, opende hij zijn studeerkamer en ontwaarde in de verte nog de man die hem had geroepen. Hij vroeg hem naar de reden van zijn verzoek. De man antwoordde: "Ik was bij u gekomen met een man die honger had. Hij had een stuk brood nodig. Hij is nu al weer weg. Psalmen zingen dat kunnen engelen veel beter, maar deze man helpen dat kon alleen jij. Nu is het te laat. "

 

We hebben natuurlijk ieder het recht, Marianne, om de accenten te leggen, maar wel binnen deze tweeledigheid, naar meer werken aan de basis of meer aan het leiderschap, meer de innerlijke zoektocht of meer het organiseren van sociale actie. Maar deze menselijke bewegingen mogen nooit geheel los van elkaar raken.

 

In de spreuken der vaderen staat: Rabbi Jaacov zegt: "Beter één uur van inkeer en goede daden in deze wereld dan het hele leven in de wereld die komen gaat," En: "Beter één uur van verkwikkende zielenrust in de wereld die komen gaat dan het hele leven in deze wereld. Wanneer ik samen ben met iemand in de intimiteit van de kamer kan het gebeuren dat we ervaren dat wat tussen ons is ontstaan, een kosmische beweging is die hemel en aarde beroert. Het kleine verbonden met het ontzagwekkende, niet verloren te zijn, een jij zoals jij en ik zoais ik is er nooit eerder geweest en zal er na ons ook nooit meer zijn. En is vanuit dit bewustzijn dat wij ons inzetten om de tikoen olan, de verbetering van de hele samenleving.

 

God leidde Adam rond in het paradijs, kijk hoe schitterend de bomen zijn, voor jou zijn ze alle geschapen, zorg er goed voor, wanneer jij ze vernielt, komt er misschien nooit meer iemand om ze te herstellen, Marianne, het is mijn angst dat velen de keuze zullen maken voor het zich terugtrekken uit het verantwoordelijk zijn voor het werken aan de wereld. In 1988 schreef ik een boekje waarin ik pleitte voor de herwaardering van het jubeljaar, het vijftigste jaar van vrede en gerechtigheid. ik kwam tot de ontdekking dat het eerstvolgende jubeljaar 1995 zou zijn en ik gooide alle voorzichtigheid opzij bij het kiezen van de titel Als het niet nu is, wanneer dan wel?'. Het was dezelfde roekeloosheid waarmee ik tijdens mijn intredepredicatie twintig jaar eerder met joods ongeduld uitriep: het begin van de messiaanse tijd zal zijn in de komende tien jaar.

 

Nu is het zover. Het jubeljaar 1995 is aangebroken met het zicht over een verschroeide aarde. Maar ik wanhoop niet. Ik voel tot in mijn botten, Sajidah en Marianne, dat in deze jubelperiode God ons de kracht geeft om het onmogelijke te realiseren in het verlengde van ons leven met de bundeling van het mysterie en het gebod in de tweevoudigheid van onze existentie.

 

 

 

 

 

40. Sajidah Abdus Sattar

 

Godsdiensten zijn zo vaak misbruikt voor conflict en geweld, dat er mensen zijn die vinden dat de wereld beter af zou zijn zonder religies. Ik kan het daar niet mee eens zijn, hoewel ook ik dagelijks kan zien hoe religies mensen lijken te verdelen. De behoefte aan geborgenheid in een groep is groot en de wortels van de eigen religie liggen diep. Het is niet verwonderlijk dat beide aan elkaar gekoppeld worden. Daar is op zich geen bezwaar tegen, zolang de scheidslijnen geen muren worden. En vooral zolang die koppeling geen aanleiding wordt tot agressie.

 

Het is opvallend dat godsdienst meestal negatief het nieuws haalt. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over 'islamitisch terrorisme' alsof terreur ooit godsdienstig (God-gedienstig) kan zijn. Waar godsdienst als vaandel wordt ingezet in een strijd voor het eigenbelang, kan dat de betrokken mensen worden verweten, niet de godsdienst. Helaas zijn godsdiensten vaak misbruikt. Moord, onderdrukking en uitbuiting in naam van God, of met Diens vermeende goedkeuring, vullen de zwartste bladzijden van de geschiedenis. En wie de meeste macht heeft, maakt de grootste fouten. Geen wonder dat de afgelopen paar eeuwen het 'christelijke' koloniserende Westen zo veel wordt verweten.

 

Natuurlijk wil Nederland het koloniale verleden zo snel mogelijk vergeten, maar het recht staat aan de kant van de slachtoffers. De wonden van een pijnlijk verleden hebben veel tijd nodig om te genezen. Elke poging tot verzoening zal stuk lopen indien onrecht niet wordt erkend. Of het nu gaat over fascisme of koloniale uitbuiting en onderdrukking, er kan pas vergeven worden wanneer de onderdrukkende partij schuld bekent. Tegelijkertijd moet er bij iedereen het besef zijn dat vergeven heilzaam is voor de daders en hun nageslacht, en ook voor de getroffen groep. Wie niet kan vergeven, blijft een gevangene van het verleden en komt niet vooruit in de toekomst. En wie zich nooit eens buiten de eigen kring durft te begeven, mist veel goede kansen en ontdekt geen nieuwe vrienden.

 

Waarin de volgelingen van Mozes, Jezus en Mohammed ook van mening mogen verschillen, ze kennen allemaal het verhaal van Adam. Ook in de Koran staat vermeld hoe Adam door God werd geschapen uit aarde en water en hoe God hem Zijn geest inblies. Mythologie houdt van paradoxen. Hij die zelf geen biologische vader had, werd de oervader van alle mensen. In onze humane identiteit zijn we allemaal aan elkaar verwant. Maar er is meer. De figuur van Abraham is bij alle drie bekend als de aartsvader. In de Koran wordt hij de vriend van God (chaliel-Allah) genoemd. En er staat nog iets merkwaardigs geschreven. Na een oproep aan de volken van de schrift om niet met elkaar te twisten, staat er: "Abraham was geen jood en geen christen, maar een godzoeker (hanief), iemand die zich aan God had overgegeven (muslim) en hij was geen afgodendienaar (K.3/67)."

 

Ik versta dit als een bevestiging van het universele monotheïsme. De functie van Abraham was niet het scheiden van mensen op grond van godsdienst of etniciteit, maar het verbinden van mensen in de erkenning van de ene God, welke methoden ze verder ook verkiezen. De persoon van Abraham, de vriend van God, zou het gemeenschappelijk oriëntatiepunt kunnen zijn van joden, christenen en moslims. Dat er diverse methoden bestaan is geen probleem. De Koran bevestigt dat Mozes, Jezus en Mohammed alle drie door de ene God zijn geïnspireerd. Als de essentie van geloof dezelfde is, doet het er niet toe dat er verschillende tradities bestaan. In de Koran staat ook dat de gelovigen geen onderscheid mogen maken tussen de profeten en hen allemaal gelijkelijk moeten respecteren. Tenach en Evangelie verschillen in accenten, maar spreken over dezelfde God en dezelfde ethische en religieuze boodschap. Wat mij betreft, zou de Koran daar zo aan kunnen worden toegevoegd om tot een schriftuurlijk drietal te komen. De verwantschap in godsbeeld, leerstellingen, tradities en historische personen is zo groot, dat het verbazend is dat het nog niet veel eerder is gebeurd. Mijn vraag luidt: Wie is er bang voor verbroedering?

 

 

41. Marianne Vonkeman

 

"Wie is er bang voor verbroedering?" vraagt Sajidah. Ze stelt voor om Tenach, Evangelie en Koran vanwege de vele overeenkomsten, samen te voegen tot één schriftuurlijk drietal. De persoon van Abraham, de vriend van God, zou het gemeenschappelijk oriëntatiepunt moeten zijn van joden, christenen en moslims.

Ik moet bekennen dat dit voorstel van Sajidah in eerste instantie aarzeling bij mij oproept. Allerlei bezwaren, praktisch en principieel, vliegen als muggen door mijn hoofd. Waar kom je uit als je aan zoiets begint? Dan denk ik aan iets dat Evelyn Underhill ooit schreef aan C.S. Lewis: "I feel your concept of God would be improved by just a touch of wildness". ("Ik heb het gevoel dat uw opvatting van God zou verbeteren door een vleugje ongetemdheid")

 

Een vleugje ongetemdheid. Dat was in ieder geval kenmerkend voor het geloof van Abraham, die de roep van God volgde en "vertrok zonder te weten waar hij komen zou" (Hebreeën 11). Niet alleen de Koran, maar ook het nieuwe testament roept op om in het voetspoor van Abrahams geloof te treden, Abraham "die de vader van ons allen is, zoals geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld." (Rom.4)

 

Laat mij een eerste aanzet geven in het nadenken over de vraag van Sajidah. Waar klinkt het woord van God? Dat is de vraag die opgeroepen wordt als we spreken over de samenstelling van 'heilige schrift': geschriften die door de eeuwen heen herkend zijn als woorden die confronterend en inspirerend de weg naar vrede en recht wijzen. Waar klinkt het woord van God? De katholieke christenen vonden in de natuur nog weleens sporen van Gods woord (van openbaring), maar de protestanten eigenlijk niet. De bijbel en niets anders, zo heb ik het vroeger geleerd.

Maar zo is het niet gebleven. Ergens onderweg heeft het levende Woord van God zich bevrijd uit de omheiningen van de bijbel waarin ik het had opgesloten. Ik hoor het nu soms in religieuze geschriften van andere godsdiensten, in kunst, in literatuur, in de natuur, en steeds vaker in het leven zelf (zelfs in de politiek, met enige rabbijnse hulp..). Daarmee is de bijbel voor mij niet in waarde afgenomen, maar juist andersom: ik heb het idee dat ik er nu pas echt iets van begin te begrijpen.

 

Voor christenen is Jezus Christus het levende woord van God. En dan niet: Jezus opgesloten in zijn eigen tijd, maar (zoals het pinksterfeest leert:) de inspirerende aanwezigheid van de Geest van Christus in het hier en nu van onze tijd. Het woord van God gebeurt wanneer mensen met elkaar omgaan in dezelfde geest als Jezus deed. Het afschermen van de eigen 'Heilige Schrift' als enige vindplaats van Gods woord tegenover die van andere godsdiensten staat mijns inziens haaks op het wezen van het christelijk geloof. De vroege kerk herkende het messiaanse, het Christus-zijn van Jezus nu juist op grond van zijn grensdoorbrekend leven. Een goed christen is iemand voor wie de scheidsmuren die de wereld maakt niet langer van waarde zijn. Gemotiveerd door de fundamentele eenheid van de wereld voor het aangezicht van God, kunnen wij echt christelijk, dat wil zeggen, echt verlossend leven. Dan zijn we nakomelingen van Abraham (Gal.3).

 

Moeten we Tenach, Evangelie (als verzamelnaam voor het hele nieuwe testament) en de Koran dan maar bij elkaar voegen? Daar ben ik nog niet uit. Een werkelijke dialoog vraagt dat de deelnemers stevig geworteld zijn in kennis van en liefde voor de eigen traditie. Het aanbieden van een soort smørgasbord van religieuze geschriften aan mensen die er naar eigen voorkeur iets uitkiezen, maakt het geloofsmysterie juist onbereikbaarder, naar mijn idee. Breedte van kennis is geen vervanging voor diepte van kennis. En de religies omvatten niet alleen geschriften, maar ook manieren van omgaan ermee, rituelen enzovoort. Misschien is het voorlopig vruchtbaarder om deel te nemen aan elkaars rituelen en kennis te nemen van elkaars leeswijzen. Maar dat is slechts een eerste praktische kanttekening.

 

42. Awraham Soetendorp

 

Deze week mocht ik het erebord 'school zonder racisme' aanbieden aan de scholengemeenschap de Populier in Den Haag. De leerlingen hadden dit predicaat verdiend op grond van de activiteiten die zij gedurende lange tijd ontplooid hebben om racisme aan de kaak te stellen. Het was een ontroerende ervaring. Het spreken op scholen heb ik in dit jaar van gedenken prioriteit gegeven. Elke keer dat ik voor leerlingen sta en mijn verhaal vertel over mijn moeke, die mijn leven heeft gered in de verstikkende nacht, en lessen tracht te trekken naar de toekomst toe, word ik bemoedigd, ook al grijpt de herinnering naar mijn keel Ik voel de krachtige belangstelling, de wil om te begrijpen, de volstrekte intentie om zich weerbaar op te stellen tegen minachting en gewelddadigheid. Dit is geen verloren generatie, integendeel.

 

Zij vertegenwoordigen de hoop op een menswaardige toekomst. Aan het eind van een interview door de redactrice van het schooiblad van de Populier verwoordde ik mijn overtuiging dat vertegenwoordigers van de verschillende spirituele tradities het verhaal van hun religieuze overtuiging zouden dienen te vertellen. Het wegnemen van triomfalisme, en het zich openstellen voor de religieuze identiteit van de ander zou tolerantie en begrip bevòrderen. Verbaasd vroeg de leerlinge: "Dus u bent niet overtuigd van het feit dat er één waarheid is, de uwe?"

 

Wanneer we spreken over toenadering, het leven vanuit één gemeenschappelijk boek, dienen wij deze zelfde vraag, in alle oprechtheid aan onszelf te stellen. Zijn wij bereid, ieder voor zich ‑ joden, christenen, moslims, maar ook hindoes, boeddhisten, aanhangers van Jain, Shinto ‑ te verklaren dat er verschillende, evenwaardige wegen naar de waarheid voeren? En het gaat daarbij om het lospellen van de schillen, welke ons wezenlijke ik bedekken, tot de naakte kwetsbare kern. Zijn wij bereid om elke neiging tot proselitisme te onderdrukken en te luisteren naar de ander zonder de ballast van vooroordelen en angsten, overgedragen van generatie op generatie? Ik stel slechts vast dat mijn oproep, regelmatig herhaald gedurende de afgelopen jaren, om te komen tot een moratorium op zending, nauwelijks enige respons heeft gekregen. Op de verhouding tussen joden en christenen wil ik het perspectief van de hoop toepassen. Het is maar al te waar dat de geschiedenis zwaar gebukt gaat onder de vervolgingen in de naam van de kerk, de catechese der verguizing, de pogingen tot demonisering. Maar wat ik wil benadrukken zijn de radicale veranderingen die zich voordoen, het moedige zelfonderzoek van de huidige kerk ‑ zeker in Nederland; de hartstochtelijke honger naar kennis over jodendom in meer dan tweehonderd leerhuizen.

 

En toch gaapt er nog een afgrond. De wonden zijn nog open. Enige jaren geleden bezocht ik voor het eerst Auschwitz‑Birkenau. Ik sloeg mijn vuisten stuk tot bloedens toe, tegen de stenen wand voor de gasovens. Het stortregende boven de modderige graskluiten van Birkenau, de hete traan van G'd. Bij terugkomst in het seminar van Krakau, over de invloed van de Sjoa op de christelijke theologie, voegde ik mij in een van de werkgroepen. Bisschop Myshinski behandelde Jesaja's beschrijving van de lijdende knecht G'ds. Hij vroeg mij naar de joodse visie. Ik voelde mij als de vierde zoon uit de Haggada van Pesach, wiens mond dichtgeslagen door de confrontatie met het leed, moet worden opengebroken. En ik sprak, schreeuwde over het onrecht de lijdende knecht Gods, het joodse volk aangedaan. In de stilte, beschaamd‑wanhopig, die volgde kwamen wij, hoe ongemakkelijk ook, dichter tot elkaar. Vijftig jaar geleden werd mijn tante voortgedreven, vlak voor de bevrijding van Auschwitz in de hongermars, vastklampend aan het leven ternauwernood, om later voor haar ondergedoken neef te kunnen zorgen. In het hart van de weg die Wij nu tezamen afleggen, joden, christenen en moslims, staat gegrift: nooit meer Auschwitz.