sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
westwijkcolumns1
westwijkcolumns2
westwijkcolumns3
vermoeden
lichaamstaal
liefhebben
heldendom
erotiek
dit is mijn lichaam
burnout
sterven
gastvrijheid
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

Affectiviteit en eucharistie  

door Timothy Radcliffe OP liefde

 


Uit: Benedictijner Tijdschrift, jaargang 2005, no.3

 

 

 

Ik ben er niet zeker van wat de betekenis is van het Spaanse woord afectividad is. Het Engelse affectivity heeft niet alleen betrekking op onze mogelijkheid tot liefhebben, maar eveneens op de manier waarop wij liefhebben, wij, fysieke en geslachtelijke wezens, onderworpen aan emotie en hartstocht. In het christendom spreken wij veel over de liefde, maar soms lijkt die liefde enigszins abstract en buiten de werkelijkheid te staan. Wij moeten toch liefhebben zoals wij zijn, geslachtelijk, vol verlangens, sterke emoties, met de behoefte elkaar aan te raken en nabij te zijn?

 

Wanneer het erom gaat over dit onderwerp te spreken, voelen sommigen zich een beetje ongemakkelijk. Dat is toch vreemd, want het christendom is de meest lichamelijke van alle godsdiensten. Wij geloven dat God dit lichaam van ons heeft geschapen, en dat Hij het zeer goed heeft gevonden. God is lichamelijk onder ons komen, een menselijk wezen zoals wij. Jezus heeft ons het sacrament van zijn lichaam gegeven en Hij heeft beloofd ons lichaam te doen verrijzen. En daarom zouden wij ons in onze lichamelijke natuur met zijn passies goed thuis en op ons gemak moeten voelen, wanneer bij ons de affectiviteit ter sprake komt. Maar heel dikwijls blijven de mensen sceptisch wanneer de kerk erover spreekt. Wij, religieuzen, hebben nauwelijks recht van spreken wanneer het gaat over seksualiteit. Wij gelden niet als norm. God mag dan mens geworden zijn in Jezus Christus, maar wij, wij moeten nog leren mens te worden in ons lichaam. Wij moeten nog afdalen naar de aarde!

 

Op een keer toen de heilige Johannes Chrysostomos stond te preken over het menselijk geslacht, merkte hij dat er toehoorders waren die bloosden. Dat vervulde hem met verontwaardiging: 'Waarom blozen jullie? Is het niet zuiver? jullie gedragen je als ketters!' Denken dat men het geslachtelijke moet negeren is een gebrek aan de ware kuisheid, en volgens niemand minder dan Sint Thomas van Aquino is het een moreel gebrek. Het lijkt wel alsof er met die geslachtelijke wezens iets mis is, dat ze een beetje verknipt zijn, en dat wij die moeten leren liefhebben. Omdat we anders niet zouden mogen spreken over God die liefde is.

 

Ik zou willen spreken over het Laatste Avondmaal en de seksualiteit. Dat lijkt misschien bizar, maar denk er eens een ogenblik over na. De belangrijkste woorden van het Laatste Avondmaal zijn: 'Dit is mijn lichaam, en ik geef het aan jullie.' De eucharistie is, evenals het geslachtelijke, gecentreerd op de gave van het lichaam. Hebt u ooit opgemerkt dat de Eerste brief aan de Korintiërs draait om twee onderwerpen: de seksualiteit en de eucharistie? En dat komt omdat Paulus weet dat wij het ene moeten begrijpen in het licht van het andere. Wij begrijpen de eucharistie in het licht van de seksualiteit, en de seksualiteit in het licht van de eucharistie.

 

 

Zijn lichaam geven

 

 

Onze samenleving heeft er moeite mee dat te begrijpen, want wij zijn geneigd ons lichaam te beschouwen als iets dat wij in bezit hebben. Onlangs zag ik een boek over het menselijk lichaam met de titel: Alles over de mens. Het zou gepast hebben in de serie gebruiksboeken Alles over.. die de consument snel informeren over alle bestaande modellen en merken van een artikel waarvoor hij aan de markt is: een auto, een wasmachine, een computer of wat dan ook. Als je vanuit dit gezichtspunt over je lichaam denkt, als over een belangrijk object tussen andere, dan hebben de geslachtshandelingen geen speciale betekenis. Met wat ik bezit, kan ik doen wat ik wil, zolang een ander er geen schade door lijdt. Ik kan mijn wasmachine gebruiken om er verf in te mengen of er koekjes in te bakken: de machine is mijn eigendom. En waarom zou ik dan met mijn lichaam niet mogen doen wat ik wil? Dit is de manier waarop wij spontaan denken sinds men, in de 17de eeuw, ertoe is overgegaan het eigendomsrecht absoluut te stellen. Een mens zijn betekent sindsdien: bezitten.

 

Maar het Laatste Avondmaal verwijst ons naar een andere traditie, ouder en wijzer. Het lichaam is niet alleen iets dat men bezit. Mijn lichaam dat ben ik! Het is mijn wezen, ontvangen van mijn ouders en van hun ouders vóór hen, en uiteindelijk van God. En wanneer Jezus dan zegt: 'Dit is mijn lichaam, en ik geef het jullie', dan doet Hij geen afstand van iets: Hij geeft de gave door die Hij is. Zijn wezen is een gave van de Vader, en die gave geeft hij aan ons door.

 

De seksuele relaties zijn bedoeld om de gave van zichzelf te bewerkstelligen. Dit ben ik en ik geef me aan jou, alles wat ik ben, nu en voor altijd! En zo helpt de eucharistie ons te begrijpen wat het voor ons betekent seksuele personen te zijn. Onze seksualiteit helpt ons om de eucharistie te begrijpen. Dikwijls beschouwt men de christelijke seksuele ethiek als een barrière, opgeworpen tegen de hedendaagse zeden. De kerk komt ons even zeggen wat we wel of niet mogen doen! In werkelijkheid gaat het er in de christelijke seksuele ethiek om dat men leert hoe deze gave van zichzelf te geven en te onvangen.

 

 

Toen ik heel verliefd werd

 

Het Laatste Avondmaal was een onontkoombaar crisismoment in de liefde van Jezus voor zijn leerlingen. Op zijn weg van geboorte naar verrijzenis was dit een ogenblik waar Hij doorheen moest. Het was het ogenblik waarop alles duidelijk werd. Hij werd verkocht door één van zijn vrienden; de steenrots Petrus stond op het punt Hem te verloochenen; en de meeste van de overige leerlingen zouden vluchten. Zoals gewoonlijk waren het de vrouwen die kalm bij Hem bleven tot het einde! Bij het Laatste Avondmaal heeft Jezus zich niet onttrokken aan de crisis. Hij heeft die met beide handen aangegrepen. Hij maakte zich meester van het verraad, van het te grabbel gooien van de liefde, en Hij veranderde het allemaal in een ogenblik van geven. 'Ik geef me aan jullie. Jullie gaan me uitleveren aan de Romeinen, die mij zullen doden. jullie gaan me overleveren aan de dood. Maar ik maak er een moment van gave van, nu en voor altijd.'

 

Groeien in volwassenheid en liefhebben wil zeggen dat wij onvermijdelijk gelijksoortige crises zullen doormaken, waarbij wij de indruk zullen hebben dat de wereld instort. Dat doet zich op een dramatische wijze voor tijdens de adolescentie, en het kan zich voordoen gedurende het hele leven, of men nu getrouwd is of dat men religieus of priester is. Het komt vaak voor dat een dergelijke crisis zich na vijf of zes jaar huwelijk of priesterschap voordoet. Dan komt het erop aan niet te versagen en die crises het hoofd te bieden.

 

Jezus zou hebben kunnen ontsnappen door een verborgen deur; Hij zou hebben kunnen vluchten. Hij zou zich van de leerlingen hebben kunnen afkeren om niets meer met ze te maken te hebben. Maar nee, hij heeft dit moment in geloof aanvaard. En wij zullen de jonge mensen slechts kunnen helpen dit te doen, wanneer wij zelf dergelijke momenten hebben gekend en ze onder ogen hebben gezien. Dat is mij overkomen! Ik herinner me dat ik enkele jaren na mijn wijding heel verliefd werd. Voor de eerste keer ontmoette ik iemand met wie ik graag had willen trouwen en die graag met mij had willen trouwen. Dat was het moment van de keuze. Ik had met vreugde mijn plechtige professie gedaan. Ik hield van mijn broeders en zusters in de dominicaner orde. Ik hield van de zending van onze orde. Maar hoewel ik professie deed, had ik in mijn hoofd een klein vragend stemmetje: 'Hoe zou het zijn om getrouwd te zijn?'

 

Op dat moment moest ik de keuze accepteren die ik bij mijn plechtige professie had gemaakt, dat hier het leven lag waartoe Hij mij riep. Dat waren pijnlijke ogenblikken, maar toch ook ogenblikken van geluk. Ik was gelukkig, omdat ik van die persoon hield, en we zijn sindsdien heel goede vrienden gebleven. Het was ook een moment van geluk omdat ik bevrijd werd van de fantasiebeelden die ik had gekoesterd op het moment van mijn plechtige professie. Ik kwam zachtjes weer op aarde terug. Mijn hart en mijn geest moesten zich incarneren in mijn persoon zó als ik ben, in het leven dat God voor mij had gekozen, in dit vlees en in dit bloed. De crisis zette me weer met beide voeten op de grond.

 

Voor de meesten van ons gebeurt dit niet slechts één keer. Wij kunnen in de loop van ons leven meerdere crises van affectiviteit doormaken. Zo is het met mij gegaan, en wie weet wat mij nog te wachten staat? Maar men moet ze trotseren, zoals Jezus het deed tijdens het Laatste Avondmaal, met moed en vertrouwen. Als wij dat doen, dan zullen wij geleidelijk aan doordringen in de werkelijke wereld van ons vlees en bloed.

 

Een Ierse benedictijn heeft eens geschreven: «De liefde is de enige kracht die onstuimig genoeg is om ons te dwingen de comfortabele schuilplaats van ons goed afgeschermde individualisme, om de ondoordringbare schelp van onze zelfgenoegzaamheid te verlaten, om ons met open vizier te begeven in de gevarenzone, die smeltkroes waarin ons individualisme wordt uitgezuiverd tot een persoonlijkheid.»I En mocht u geen vertrouwen stellen in een Ierse benedictijn, dan gelooft u toch vast wel in Sint Thomas van Aquino, die zegt: «Degene die liefheeft, moet als gevolg daarvan de grens oversteken die hem vasthoudt binnen zijn eigen begrenzingen. Het is daarom dat men van de liefde zegt dat zij het hart doet smelten: wat smelt wordt niet binnen zijn grenzen gehouden, precies het tegenovergestelde van de 'hardheid van hart' .» Alleen de liefde kan ons stenen hart breken en ons een hart van vlees geven.

 

De bekoring van de telescopische filantropie

 

Zich openstellen voor de liefde is gevaarlijk. Je zult er waarschijnlijk door gewond raken. Het Laatste Avondmaal is het verhaal van het risico dat liefhebben met zich meebrengt. Daarom is het dat Jezus is gestorven: omdat hij heeft liefgehad. En het is bijzonder gevaarlijk voor een priester of een kloosterling. Men roept hartstochten en verlangens wakker die bijzonder diep en verwarrend zijn; men kan het gevaar lopen zijn roeping te verliezen of een dubbelleven te leiden. Om die gevaren te boven te komen zal de genade nodig zijn. Maar zich niet openstellen voor de liefde is nog gevaarlijker: dat is een dodelijk risico. Luister naar wat C. S. Lewis zegt: «Het feit alleen van lief te hebben maakt kwetsbaar. Heb lief wat je maar wilt, en je hart zal erdoor verscheurd worden en misschien wel gebroken. Als je er zeker van wilt zijn dat het heel blijft, geef je hart dan aan niemand, zelfs niet aan een dier. Wikkel het zorgvuldig in nietigheden en onbenulligheden; vermijd ieder engagement; breng het in veiligheid in een kistje of in de doodskist van je egoïsme. Maar in die veilige, duistere, onbeweeglijke, waterdichte kist zal het veranderen. Het zal niet meer breken; het zal onbuigzaam worden, ondoordringbaar, onaanraakbaar. De enige keuzemogelijkheid die je hebt, buiten de tragedie, of minstens het risico van de tragedie, is de verdoemenis. De enige plaats buiten de hemel, waar je volkomen veilig zult zijn voor alle gevaren en alle wisselvalligheden van de liefde, is de hel.

 

Wanneer wij de eucharistie vieren, brengen we ons in herinnering dat het bloed van Christus is vergoten 'voor jullie en voor allen'. In zijn diepste betekenis is het mysterie van de liefde tegelijk individueel en universeel. Wanneer onze liefde alleen maar individueel is, dan loopt ze gevaar zich tot iets introverts en verstikkends te beperken. Wanneer het niet meer is dan een vage liefde voor de gehele mensheid, loopt ze het risico leeg en vergeefs te worden. De verleiding van twee mensen zou kunnen zijn een liefde te hebben die intens maar gesloten en exclusief zou zijn; dikwijls is dan het enige dat hun de vernietiging kan besparen, de komst van een derde persoon, het kind, dat hun liefde meeromvattend kan maken. De verleiding van celibatairen zou een liefde kunnen zijn die slechts universeel is, een vage warme liefde voor de mensheid. In zijn roman Black House vertelt Dickens hoe mevrouw Jellyby begiftigd was met een «telescopische filantropie, omdat zij niets kon zien dat dichterbij was dan Afrika». Zij hield van Afrika in het algemeen, maar zij merkte zelfs het bestaan van haar eigen kinderen niet op.

 

Degenen onder ons die kloosterling zijn, mogen hun toevlucht niet nemen tot een dergelijke telescopische filantropie. Het mysterie van de liefde benaderen zal ook moeten betekenen dat wij van mensen houden, soms uit vriendschap, soms vanuit een diepe affectie. Wij moeten leren deze liefdes te integreren in onze identiteit van kloosterling. Vroeger waarschuwde men de religieuzen vaak tegen les amitiés particulières, de 'bijzondere vriendschappen'. Onze eerbiedwaardige Gervase Matthew heeft altijd gezegd dat hij nog veel meer de inimitiés particulières, de bijzondere vijandschappen, vreesde.

 

Beda Jarrett was provinciaal overste van de dominicanen in Engeland in de jaren 30. Hij schreef een prachtige brief aan een jonge benedictijn, Hubert van Zeller, die na de oorlog beroemd zou worden door zijn geschriften over spiritualiteit. Deze jonge monnik was verliefd geworden op een jonge vrouw die wij slechts kennen onder de initiaal P. Het was een verschrikkelijke beproeving. Hij vreesde dat dit het einde van zijn religieuze roeping zou zijn. Beda zag dat het er juist het begin van was. Ik zal u een lang citaat geven. Je verbaast je als je bedenkt dat dit 70 jaar geleden werd geschreven.

            «Ik ben blij dat u verliefd bent geworden op P, omdat ik geloof dat de bekoring waaraan u altijd al blootgesteld bent geweest, er een was van puritanisme, van een bekrompenheid, een zekere onmenselijkheid. U was altijd geneigd te weigeren de materie te respecteren. U bezat de liefde tot de Heer, maar niet werkelijk die voor de Menswording. In werkelijkheid was u bang. U dacht - ik leg u hier zonder bewijs allerlei soorten fouten ten laste - dat als u verflauwde, u de greep op uzelf zoudt verliezen. U zat helemaal onder de plak van de verboden; ze hebben u bijna dood gedrukt; uw menselijkheid was bijna gestikt. U was bang voor het leven, omdat u een heilige zou willen zijn en u wist dat u een kunstenaar bent. De kunstenaar in u zag overal schoonheid; de heilige die u zou willen zijn, zei: 'Maar dat is verschrikkelijk gevaarlijk.' En de novice in u zei: 'Doe je ogen stijf dicht.' En Claude [zijn doopnaam] was bijna uit elkaar gesprongen. Als P. niet in uw leven was gekomen, zoudt u ontploft zijn. Ik geloof dat P. uw leven zal redden. Ik zal een H. Mis van dankbaarheid lezen voor wat P. voor u is geweest en voor u heeft gedaan. U had P. al lang nodig. Tantes zijn geen oplossing. Evenmin oude provinciaals die een buikje krijgen.»'

 

            Ik wil nu niet zeggen dat wij ons allemaal naar de uitgang moeten haasten om iemand te vinden om lief te hebben! God zendt ons de liefdes en de vriendschappen die deel uitmaken van de weg die wij moeten afleggen naar Hem die de volheid van liefde is. Wij wachten af wie God zendt en wanneer en hoe. Maar wanneer ze komen, dan moeten wij de moed hebben het moment te grijpen, zoals Jezus het deed bij het Laatste Avondmaal.

 

 

Wat betekent het nu eigenlijk kuis te zijn?

 

Wanneer wij die weg willen gaan, dan zullen wij ons erop moeten toeleggen kuis te zijn. Iedereen, gehuwden, ongehuwden, religieuzen, wij, allen zijn tot kuisheid geroepen. Het woord kuis is vandaag niet erg populair. Het klinkt in de oren als preuts, koud, afstandelijk, half dood, niet aantrekkelijk. De dominicaan Herbert McCabe heeft eens geschreven:  «kuisheid die geen uiting is van liefde, is niet meer dan het lijk van de ware kuisheid».' Het kadaver van een hond lijkt op een hond. Men kan zich zelfs vergissen en menen dat het een hond is die rustig slaapt. Maar het is geen hond, het is slechts een ex‑hond. Op dezelfde manier kan iemand die celibatair is, maar die niet liefheeft, wel lijken op iemand die kuis is, maar hij is dood.

 

Wat betekent het nu eigenlijk kuis te zijn? De kuisheid bestaat eerstens niet in de onderdrukking van het verlangen, tenminste niet volgens de traditie van Thomas van Aquino. Het verlangen en de hartstochten bergen diepe waarheden over wat wij zijn en wat voor ons noodzakelijk is. Ze verstikken zou gelijk staan met ons geestelijk te doden, ofwel het zou ons op een goeie dag doen ontsporen. Wij moeten onze verlangens opvoeden, onze ogen openen voor hun werkelijke object, ze bevrijden van kleingeestige genoegens. Wij moeten verlangen met meer diepgang en meer duidelijkheid.

 

Sint Thomas heeft iets geschreven dat gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd zou kunnen worden. Hij zegt dat de kuisheid erin bestaat te leven volgens de orde van de rede. Dat lijkt nogal koud en cerebraal, alsof kuis zijn geheel en al een zaak was van het vermogen van de geest. Maar met ratio wil Thomas zeggen: leven in de reële wereld, 'volgens de waarheid van de werkelijke dingen'.' Dat wil zeggen: leven in de realiteit van wat ik ben en van wat de mensen van wie ik houd, in werkelijkheid zijn. De hartstocht en het verlangen kunnen ons meeslepen om te leven in de verbeelding, terwijl de kuisheid ons weer terugbrengt op aarde om de dingen te zien zoals ze zijn. Voor een religieus, of soms voor ongehuwden, kan de verleiding zich voordoen om zich terug te trekken in het gevaarlijke fantasiebeeld dat wij engelachtige, etherische wezens zijn die met seksualiteit niets van doen hebben. Dat lijkt op kuisheid, maar het is een ontaarding. Het doet me denken aan het verhaal van een van mijn broeders die de mis ging lezen in een nonnenklooster. De zuster die de deur opende, keek hem aan ze zei: '0, bent u het, pater! Ik meende dat het een man was.'

 

Men zou zich moeilijk een viering van de liefde kunnen voorstellen die doodgewoner zou zijn dan het Laatste Avondmaal. Daar is niets romantisch aan: Jezus zegt duidelijk tegen zijn leerlingen dat het einde nabij is, dat één van hen hem heeft verraden, dat Petrus hem gaat verloochenen, dat de apostelen er vandoor zullen gaan. Het is helemaal geen gezellig etentje bij kaarslicht in een restaurant. Het is van een extreem realisme. Een eucharistische liefde plaatst ons plompverloren en vierkant tegenover de buitensporigheden van de liefde, tegenover haar mislukkingen en tegenover haar uiteindelijke overwinning.

 

In welke fantasieën kan het verlangen ons strikken? Ik onderscheid er twee. De eerste is de verleiding te geloven dat de andere persoon álles is wat wij zoeken. Dat is een obsessie. De tweede is er niet in slagen de menselijke waardigheid van de andere persoon te zien, de ander tot object te maken van onze aandriften. Dat is zinnelijke begeerte. Deze illusies zijn ook niet zo verschillend van elkaar als ze op het eerste gezicht lijken. Elk is de weerspiegeling van de ander.

 

 

Het verlangen naar intimiteit

 

 

Ik veronderstel dat wij allemaal dergelijke momenten van obsessie hebben gekend, wanneer iemand het voorwerp van al onze verlangens werd, het symbool van alles waarnaar wij ooit verlangd hebben, het antwoord op al onze behoeften. Indien wij ons niet intiem met die persoon verenigen, is ons leven getroffen door leegheid, en verliest het elke betekenis. Het voorwerp van onze liefde vult die diepe put van behoeften die wij in onszelf ontdekken. Wij denken er de hele dag aan. Zoals Shakespeare het zo goed heeft verwoord: 'Overdag zijn het mijn ledematen, 's nachts is het mijn geest. Voor jou en voor mij is er helemaal geen rust meer."' Ofwel, om wat moderner te klinken, het gezicht van de geliefde persoon is als de schermbeveiliger van onze computer. Het moment zelf waarop je ophoudt aan iets anders te denken, is die er. Het is als een gevangenis, een slavernij, maar een slavernij waaraan wij niet wensen te ontsnappen. Wij vergoddelijken de beminde persoon, en zetten die op de plaats van God. Het is duidelijk, wat wij aanbidden is onze eigen creatie. Het is een projectie. Misschien passeert iedere echte liefde dit stadium van onwijze obsessie. De enige remedie is dag aan dag met deze persoon te leven en te ontdekken dat hij of zij God niet is, maar slechts zijn kind. De liefde begint, wanneer wij genezen zijn van die illusie en wij van aangezicht tot aangezicht staan met een reële persoon en niet met een projectie van onze verlangens. Zoals de Mexicaanse dichter Octavio Paz, Nobelprijswinnaar van 1990, zegt: «De liefde openbaart de werkelijkheid aan het verlangen.»

 

Want wat zoeken wij in dit alles? Wie ontketent die obsessie? Ik kan slechts voor mijzelf spreken, maar ik houd het erop dat datgene wat altijd achter mijn occasionele emotionele verwarringen lag, een verlangen naar intimiteit was. Het is het verlangen om volkomen één te zijn, om de grenzen tussen mij en die andere persoon te doen verdwijnen, om mijzelf te verliezen in een andere persoon, om uiteindelijk te komen tot een zuivere en totale gemeenschap. Ik denk dat het een intimiteit is, eerder dan een seksuele hartstocht, wat het merendeel van de mensen zoekt. Als wij crises van affectiviteit moeten doorstaan, dan zullen wij te rade moeten gaan bij onze behoefte aan intimiteit.

 

Onze maatschappij is opgebouwd rond de mythe van de seksuele eenwording als bekroning van alle intimiteit. Het is dat moment van tederheid en volkomen fysieke eenwording die de totale intimiteit en de absolute gemeenschap schept. Heel wat mensen kennen deze intimiteit niet, omdat zij niet getrouwd zijn, of omdat hun huwelijk niet gelukkig is, ofwel omdat zij priester of religieus zijn. En wij kunnen ons onredelijk gefrustreerd voelen in datgene wat onze diepste behoefte is. Dat lijkt onbillijk. Hoe kan God ons uitsluiten van de voldoening van dit diepe verlangen?

 

Ik denk dat iedere mens, gehuwd of celibatair, religieus of leek, moet leren zich te schikken naar de grenzen van de intimiteit waarmee hij geconfronteerd wordt. De droom van een totale vereniging is een mythe die sommige religieuzen ertoe brengt ernaar te verlangen gehuwd te zijn, en sommige gehuwde personen doet verlangen met een ander gehuwd te zijn. Het staat vast dat een intimiteit slechts gelukkig kan zijn, wanneer wij de grenzen ervan accepteren. Wij kunnen op gehuwde mensen een prachtige en totale intimiteit projecteren, maar die in werkelijkheid onmogelijk is en slechts de projectie van onze dromen. Rilke heeft begrepen dat er geen authentieke intimiteit tussen twee mensen kan bestaan zonder dat elk van beiden erkent dat de ander in zekere zin altijd alleen blijft. Iedere mens bewaart rondom zichzelf een stuk eenzaamheid dat niet kan worden weggenomen. «Een goed huwelijk is dat waarbinnen ieder van de ander de bewaker van zijn eenzaamheid maakt en hem of haar dat vertrouwen schenkt, het diepste dat men in staat is te tonen. (... ) Wanneer men eenmaal heeft begrepen en geaccepteerd dat 'zelfs tussen mensen die elkaar heel na staan' er oneindige afstanden blijven bestaan, kan er zich naast elkaar een wonderlijk mooi leven ontwikkelen, wanneer zij ertoe komen de afstand te beminnen die tussen hen bestaat en die aan ieder de mogelijkheid geeft de ander als geheel te zien tegen een uitgestrekte hemelse achtergrond.»

 

 

Het middelpunt van andermans leven naderen

 

Niemand is in staat ons de totale voldoening te brengen van wat wij verlangen. Deze is alleen in God te vinden. Rowan Williams, gehuwd en aartsbisschop van Canterbury, schrijft: «Een mens wordt volwassen en trouw wanneer hij zich bewust is van de ongeneeslijkheid van zijn verlangen: de wereld is zo, dat niets aan de persoon een volmaakte identiteit zal geven zonder enige fout.» Ofwel, om Jean Vanier te citeren: «De eenzaamheid is deel van de mens, omdat er binnen het bestaan niets is dat de behoeften van het menselijk hart volkomen zou kunnen bevredigen.»"'

 

Voor degenen die gehuwd zijn, is een prachtige intimiteit mogelijk zodra men heeft geaccepteerd dat men de behoeder van de eenzaamheid van de ander is, zegt Rilke. En voor degenen onder ons die niet gehuwd zijn of die het celibaat als levensvorm hebben gekozen, is het eveneens mogelijk een diepe en wonderlijke intimiteit met anderen te ontdekken. Het woord 'intimiteit' komt van het Latijnse intimare wat betekent: 'in verbinding zijn met het diepste in een andere persoon'. Omdat ik kloosterling ben, geeft mijn gelofte van kuisheid mij de mogelijkheid ongelooflijk intiem te zijn met anderen. Omdat ik geen geheime agenda heb en omdat mijn liefde niet verslindend noch bezitterig is, kan ik het middelpunt van het leven van de ander heel dicht naderen.

 

De valstrik die het tegenovergestelde van de obsessie is, bestaat er niet in een ander op de plaats van God te stellen, maar er een simpel object van te maken, iets dat de seksuele behoeften zou kunnen bevredigen. De zinnelijke begeerte sluit ons de ogen voor de ander als persoon, voor zijn kwets­baarheid en voor zijn kwaliteiten. Schrijvend over de kuisheid zegt de heilige Thomas dat de leeuw, wanneer hij de hinde ziet, een maaltijd ziet, en dat de begeerte van ons jagers maakt, roofdieren, zoekend wat zij kunnen verslinden. Wat wij willen is een stuk vlees, iets om te verslinden. Ook hier zal de kuisheid erin bestaan in de realiteit te leven. De kuisheid opent onze ogen en doet ons zien dat wat zich aan ons voordoet werkelijk een mooi lichaam is, maar dat dit lichaam iemand is. Dit lichaam is geen ding maar een persoon. Ik ga opnieuw Hederman citeren: «De gelofte van kuisheid verhindert de voeten van de jager te doen wat zij natuurlijkerwijs zouden doen: valstrikken zetten voor de anderen en als een roofdier nader bij sluipen.» Wat er zo verschrikkelijk was in die verhalen over de seksuele onthouding is dat het dikwijls kundig berekende voorbereiding is geweest.

 

Men zou van mening kunnen zijn dat de zinnelijke begeerte een niet beheerste seksuele hartstocht is, een ongebreideld seksueel verlangen. Maar Augustinus, die in deze kwestie heel goed thuis was, was van oordeel dat de zinnelijke begeerte eerder een verlangen is de naaste te overheersen dan een seksueel genoegen. De zinnelijke begeerte komt voort uit de libido dominandi, het verlangen te overheersen, dat ons tot een God maakt. De zinnelijke begeerte betreft meer de macht dan de seksualiteit. Zoals Sébastien Moore, een hedendaagse Engelse benedictijn, schrijft: «De zinnelijke begeerte is geen seksuele hartstocht die aan de controle van de wil ontsnapt, maar een seksuele passie die de plaats van Gods wil innemen.( ... ) De taak die wij hebben is niet de seksuele hartstocht aan de wil te onderwerpen, maar hem zijn natuur terug te geven van verlangen, dat zijn oorsprong en doel vindt in God, en waarvan de bevrijding bewerkstelligd wordt door de genade van God, geopenbaard in het leven, het onderricht, de kruisiging en de verrijzenis van Jezus Christrus.»’

 

Het gevaar van zichzelf een God te maken

 

Om de zinnelijke begeerte te overwinnen is de eerste stap niet de vernietiging van het verlangen, maar zijn rehabilitatie, zijn bevrijding, de herontdekking dat het niet gaat om een ding maar om een persoon. Zoveel droevige schandalen van seksueel misbruik van minderjarigen komen van priesters of religieuzen die niet in staat zijn als volwassenen hun relaties met gelijken te hanteren. Zij wisten enkel relaties te zoeken waar zij macht en autoriteit hadden. Ze moesten onkwetsbaar blijven. Tijdens het Laatste Avondmaal nam Jezus brood en gaf het aan zijn leerlingen zeggend: 'Dit is mijn lichaam, voor jullie overgeleverd.' Hij levert zich uit. Hij onderwerpt zich niet aan hen, maar hij levert zich aan hen uit om te doen wat zij willen. En wij weten wat zij gedaan hebben. Ziedaar de ontzaglijke kwetsbaarheid van de liefde.

 

De zinnelijke begeerte en de obsessie kunnen heel verschillend schijnen, toch is elk het exacte spiegelbeeld van de ander. In de obsessie maakt men een god van de andere persoon, in de begeerte maakt men een god van zichzelf. In het ene geval maakt men zich geheel onmachtig en in het andere wendt men een absolute macht voor. Rowan Williams schrijft dat «de liefde aarzelt tussen het egoïsme en de zelf verloochening». Ze geeft ons een geweldig zelfgevoel, en tegelijkertijd doet ze ons verdwijnen van het terrein van het geweten. Wellicht is het zo, dat de begeerte verschijnt wanneer het egoïsme de overhand krijgt, en de obsessie wanneer de zelfverloochening iedere identiteitszin doet verliezen.

 

Zo maakt de kuisheid het mogelijk te leven in de reële wereld, de ander te zien zoals hij of zij is en mijzelf zoals ik ben. Zij zijn noch goddelijk, noch enkel maar een stuk vlees. Wij zijn allemaal kinderen van God. Wij hebben een geschiedenis. Wij hebben geloften en beloften gedaan. De ander heeft relaties, misschien als partner of echtgeno(o)t(e). Wij, priesters of religieuzen, wij hebben ons aan onze orde gegeven en aan ons bisdom. Het is als zodanig, aanvaard en verbonden door verschillende engagementen, dat wij kunnen leren lief te hebben met een open hart en open ogen.

 

Dat is moeilijk, omdat wij leven in de wereld van het internet, van het World Wide Web. Dat is een wereld van een virtuele realiteit, waar men zich kan ophouden in imaginaire werelden alsof ze reëel zijn. Wij leven in een cultuur die moeilijk het imaginaire kan onderscheiden van de werkelijkheid. Alles is mogelijk in de cyberwereld. Daarom is de kuisheid zo moeilijk. Ze spoort ons aan de werkelijkheid te zien.

 

Hoe kunnen wij nu op aarde terugkomen? Ik zou drie etappes willen signaleren. Wij zouden moeten leren onze ogen te openen en de gezichten te zien van hen die voor ons staan. Hoe vaak zien wij echt de gezichten van de mensen zoals ze zijn? Brian Pierce, een Amerikaanse dominicaan, is bezig een boek te schrijven waarin hij de gedachte van Meister Eckhart, de dominicaanse mysticus uit de 14de eeuw, vergelijkt met die van Thich Nhát Hanh, een boeddhist uit de 20ste eeuw. Voor beiden ligt het begin van het contemplatieve leven in het moment van het nu, in wat de boeddhisten noemen 'de bewustheid'. Alleen het huidige ogenblik is reëel. Het is op dit ogenblik dat ik leef, en daardoor is het op dit ogenblik dat ik God kan ontmoeten. Ik moet de sereniteit verwerven mij niet langer ongerust te maken over het verleden en over de toekomst. Nu is het ogenblik waarop de eeuwigheid begint. Eckhart vraagt: 'Vandaag, wat is dat?' En hij antwoordt zelf: 'De eeuwigheid'.

 

Bij het Laatste Avondmaal heeft Jezus het huidige moment aangegrepen. In plaats van zich ongerust te maken over wat Judas had gedaan of over de nabijheid van soldaten, leefde hij het eigen ogenblik, nam het brood, brak het en gaf het aan zijn leerlingen terwijl hij zei: 'Dit is mijn lichaam, voor jullie gegeven.' Iedere eucharistieviering dompelt ons onder in dit eeuwige nu. Het is op dat ogenblik dat ik aanwezig kan zijn voor een andere persoon, sereen en rustig in zijn aanwezigheid. Ik ben zo in beslag genomen, rennend van rechts naar links, denkend aan wat het volgend moment gaat gebeuren, dat ik niet in staat ben het gezicht pal tegenover mij goed te zien, er de schoonheid en de wonden van op te merken, er de vreugde en het lijden van te zien. Zo dus brengt de kuisheid het opengaan van mijn ogen met zich mee!

 

Vervolgens kan ik de kunst van het alleen‑zijn leren. Ik kan niet samen met anderen gelukkig zijn, wanneer ik niet zo nu en dan alleen kan zijn. De stilte maakt me angstig, dan grijp ik naar de anderen, niet zozeer omdat ik mij samen met hen vermaak, maar als oplossing voor mijn probleem. Ik beschouw de anderen als een middel om mijn vacuüm, mijn verschrikkelijke eenzaamheid, te vullen. Ik zal mij dan niet met hen kunnen verheugen om hun eigen welzijn. En toch, wanneer men samen is met een andere persoon, gaat het erom werkelijk aanwezig te zijn. En wanneer men alleen is, gaat het erom te leren de eenzaamheid lief te hebben. Anders grijpt men, wanneer men met een andere persoon samen is, zich aan die ander zo vast, dat hij bijna stikt!

 

Ten slotte, iedere gemeenschap leeft met zijn eigen geschiedenis. Onze gemeenschap heeft zijn traditionele verhalen. Dikwijls zijn dat romantische verhalen: een jongen ontmoet een meisje (ofwel soms ontmoet een jongen een jongen), zij worden verliefd op elkaar en leven lang en gelukkig. Het is een mooi verhaal, dat vaak voorkomt. Maar als we geloven dat dit het enig mogelijke verhaal is, dan leven wij met te beperkte mogelijkheden. Het is goed om je verbeelding te voeden met andere verhalen die ons manieren van leven en liefhebben voorhouden. Wij moeten voor de jonge mensen de grote verscheidenheid van manieren ontvouwen waarop men de liefde kan ontmoeten en haar zin kan geven. Het is daarom dat de levens van de heiligen zo belangrijk waren. Zij toonden ons dat er heel wat manieren van heldhaftig leven zijn, of men nu getrouwd is of celibatair, religieus of leek. Ik ben zeer getroffen door de autobiografie: De lange weg naar de vrijheid van Nelson Mandela. Dat is een man die heel zijn leven wijdde aan de zaak van gerechtigheid en aan de afschaffing van de apartheid. Dat betekende dat hij in zijn huwelijk na zijn gevangenschap niet het leven vond waarnaar hij zo verlangde gedurende de jaren die hij in de gevangenis doorbracht.

 

Tot zover iets over de eerste stap naar de kuisheid: het met beide benen op de grond staan. Ik ga nu snel over tot het noemen van de twee andere.

 

De tweede, heel in het kort, bestaat in het openen van onze liefde, zodanig dat er geen klein privé‑wereldje overblijft om er je toevlucht te vinden. De liefde van Jezus wordt geopenbaard, wanneer hij het brood neemt, en het breekt, opdat hij zou kunnen worden gebroken. Wanneer wij de liefde ontdekken, moeten wij haar niet in een privé‑kastje bewaren voor persoonlijk genoegen, zoals je een fles whisky op een geheime plek kunt bewaren met de bedoeling deze in je eentje op te drinken. Je moet hem openmaken voor de anderen, hen erin laten delen en hen laten meegenieten. Wij moeten onze gevoelens van liefde delen met onze vrienden, en onze vrienden met hen die wij liefhebben. Op deze manier wordt een persoonlijke liefde universeel.

Boven alles kunnen wij in onze liefde een plaats inruimen voor God, opdat Hij erin kan wonen. In iedere persoonlijke liefde kan het mysterie zelf wonen van de liefde. die God is. Wanneer wij iemand intens liefhebben, is God daar al aanwezig als wij Hem daarin willen zien. Liever dan onze gevoelens van liefde te beschouwen alsof zij concurreren met God, moeten wij ons ervan bewust zijn dat zij Hem de plaats bieden waar Hij zijn tent kan opslaan. Zoals Beda Jarrett schreef aan Hubert van Zeller: «Als je dacht dat het enige wat gedaan moet worden zou zijn in uw schulp te kruipen, zult u nooit inzien hoe beminnenswaard God is. U moet P. liefhebben en in P. God zoeken. ( ... ) Waardeer uw vriendschap, betaal er de prijs voor door uw lijden, herinner u haar wanneer u de mis opdraagt, en moge dan God de derde persoon zijn.»

 

Dit herinnert aan de aanhef van De geestelijke vriendschap van Aelred van Rievaulx: «Zie ons hier, jij en ik, en ik hoop dat tussen ons beiden Christus de derde is.» Is dat niet prachtig? Als je voor de liefde vlucht, zul je nooit weten hoe beminnenswaard God wel niet is. Maar als je God niet laat binnenkomen in die liefde en er Hem niet de eer van geeft, dan ken je het mysterie van die liefde evenmin. Wanneer wij onze liefde voor God scheiden van onze liefde voor mensen, zullen beide ongezond worden en zich vullen met bitterheid.

 

Dat is wat 'een dubbel leven leiden' betekent.

 

De derde stap, misschien wel de moeilijkste, is dat onze liefde de mensen moet bevrijden. Iedere liefde, of het nu die van gehuwden is of die van celibatairen, moet bevrijdend zijn. De liefde van een man en een vrouw moet grote ruimtes van vrijheid openen, en dat geldt nog meer voor degenen onder ons die priester zijn of religieus. Wij moeten de mensen zodanig liefhebben, dat zij vrij zijn om de anderen meer lief te hebben dan ons. Augustinus noemt de bisschop de vriend van de gehuwde, de amicus sponsi. In het Engels heet een bruidsjonker the best man. De 'beste man' probeert niet de liefde van de bruid naar zich toe te trekken, en zelfs niet die van de bruidsmeisjes! Hij verwijst naar een ander.

 

Een Franse dominicaan heeft God ooit eens vergeleken met een Engelse gentleman, die zo geweldig discreet is, dat hij zich op geen enkele manier wil opdringen aan de mensen van wie hij houdt. Hij steekt zijn hoofd om een hoekje van de deur om er zeker van te zijn dat alles goed gaat met hun blijken van genegenheid, en vervolgens, zelfs als hij graag zou willen blijven, verdwijnt hij om hen alleen te laten. C. S. Lewis drukt zich anders uit: «Het is een van de goddelijke voorrechten om altijd meer de beminnende dan de beminde te zijn.»"' God is altijd de beminnende, ook als hij niet bemind wordt. Dat kan eveneens onze roeping zijn. Zoals Auden schrijft: «Als er geen gelijkwaardige affectie kan bestaan, dat ik dan de beminnende mag zijn.»

 

Dit veronderstelt dat men zich er niet op toelegt het middelpunt van het leven van anderen in bezit te nemen om er ons 'bijgebouw' van te maken. Altijd moeten wij ons inspannen hun andere steun te bezorgen, andere troost, zodanig dat wij voor hen minder belangrijk worden. Hetgeen wil zeggen dat de vraag altijd zo gesteld kan worden: maakt mijn liefde die persoon sterker, onafhankelijker, ofwel maakt mijn liefde die ander zwakker, meer afhankelijk van mij?

 

Laat ik hiermee volstaan! Nog even dit. Leren liefhebben is een gevaarlijke onderneming. Wij weten niet waarheen dit ons kan brengen. Wij gaan een andere kant van ons leven ontdekken. Wij zullen beslist zo nu en dan gewond raken. Een stenen hart hebben zou gemakkelijker zijn dan een hart van vlees, maar in dat geval zouden wij dood zijn!

 

Bij iedere eucharistie brengen wij ons in herinnering dat Jezus zijn bloed heeft gegeven voor de vergeving van de zonden. Dat wil niet zeggen dat hij een toornige God tot bedaren moest brengen. Dat wil zelfs niet alleen zeggen dat het, wanneer wij in de fout gaan, voldoende is te biechten om vergeven te worden. Dat wil het óók zeggen, maar daarenboven nog veel meer. Het wil zeggen dat God met ons is, midden in onze strijd om levende en liefhebbende mensen te worden. De genade van God is met ons op momenten van mislukking, om ons weer op de been te helpen. Juist zoals God op Paaszondag de Goede vrijdag veranderde in een dag van zegening, mogen wij erop vertrouwen dat al onze pogingen om lief te hebben vrucht zullen dragen. Geen enkele reden dus om bang te zijn! Wij kunnen ons met moed en vertrouwen storten in dit avontuur naar het onbekende.

 

 

Met toestemming van de uitgever overgenomen