sporen van God
mystiek
artikelen
klassieke teksten
mp3 cursussen
de saint-albert
hammarskjold
eckhart
jean de saint-samson
alijt bake
johannes vh kruis
bestijging karmel
simone weil
julian van norwich
thomas merton
caterina van genua
miskotte
aanbevolen boeken
podcasts
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

Dominique de Saint-Albert werd 14 april 1596 geboren in Fougères in Bretagne. Zijn familienaam was Vincent Lechart. Op 5 mei 1613 werd hij ingekleed bij de karmelieten van de Hervorming van Touraine. Hij was docent dogmatische theologie, vicaris provinciaal en uiteindelijk prior van het convent van Nantes. In 1634 stierf hij op 38 jarige leeftijd “in een geur van heiligheid”. Hij was intiem bevriend met Jean de Saint-Samson en waarschijnlijk de leerling die het dichtste bij hem stond.

 

Mp3 lezingen door Dr. Hein Blommestijn, studiedag mystiek Vlaardingen 2010, toelichting op onderstaande tekst.

 

Eerste lezing

Tweede lezing

Derde lezing

Vierde lezing

 


Gepubliceerd door Johannes Brenninger o.carm. in: Études Carmélitaines 22, vol I, avril 1937 (Avignon ms 400 f. 15r-18r; Tours ms 488 ff. 277v-315r)

 

Mystieke Theologie

Dominique de Saint-Albert

1.            Mystieke theologie is niets anders dan een smaakvolle waarneming van God, die rechtstreeks beantwoordt aan het onverzadigbare en nooit ophoudende verlangen van de contemplatieve ziel naar God. Volgens zeggen van de mystieken is deze genieting en smaakvolle waarneming van God zonder kennis, dat wil zeggen zonder duidelijke en van de genieting zelf onderscheiden kennis. Want de smaak van iets is zelf een zekere ervaringskennis. Iemand die nooit heeft horen spreken over de zoetheid van honing, maar ervan heeft geproefd, heeft ongetwijfeld echte kennis, namelijk ervaringskennis, die veel beter is dan die van degene die haar nooit heeft geproefd maar er slechts over heeft horen spreken.

 

2.            De smaak die de mystieken van God hebben, is niet zonder kennis die er zowel aan voorafgaat als ermee samengaat. Maar zoals de kennis van het geloof duister is en God niet laat zien en kennen zoals Hij in zich is, dat wil zeggen in zichzelf, voor zichzelf en door hemzelf, zo is het ook met de kennis die de mystieken hebben. Hoewel deze kennis God niet duidelijk aan hen toont zoals hij is in zichzelf, wordt hij hen toch op een duidelijker wijze getoond dan op de wijze van het geloof. Wij kunnen min of meer doordringen in zijn oneindige beminnelijkheid, zijn onmetelijkheid en zijn andere oneindige volmaaktheden, die – hoewel wij ze slechts in negatieve termen vatten – naar hun inhoud positief zijn.

3.            Dit doordringen van de mystieke theoloog (in God) geschiedt niet door de natuurlijke kracht van zijn verstand maar door de perfecte werking van zijn verlangen, dat hem levendig en onophoudelijk doet opstijgen naar dit oneindige voorwerp. Zoals het onmogelijk is werkelijk God te verlangen zonder dat men zich hem herinnert en men hem dus niet kent, volgt hieruit dat in de mystieke mens die in zichzelf een eeuwige liefdebrand voelt, een dorst naar God en een honger als een paard, hoemeer deze honger en dorst groter worden, de ervaringskennis van God ook des te groter wordt. Voor hem gelden de woorden: qui edunt me, adhuc esurient, etc.[1].

 

4.            Immers, het leven van de waarlijk mystieke mens voltrekt zich in een ononderbroken act van liefde die voortdurend groter wordt, omdat God die hij bemint, oneindig beminnelijk is en nooit bemind kan worden zoals Hij verdient. Daarvandaan komt het dat, hoe meer hij bemint, hoe minder hij meent te beminnen en aan het eind van de jaren die hij in deze staat van liefde heeft doorgebracht, meent hij nooit bemind te hebben. Zijn verlangen is immers oneindig.

 

5.            Hieruit ziet men dat het niet anders kan dan dat zo iemand een echte en goddelijke ervaringskennis van God heeft. Want naarmate men meer verlangt, smaakt men hem ook meer, en naarmate God meer wordt gesmaakt, doet hij een groter verlangen en begeerte naar hem in de ziel ontstaan.

 

6.            Dit is de gave van wijsheid die beantwoordt aan de liefde. Want vaak verkrijgt de liefde van God, die de wijsheid zelf is, dat hij zich meer laat smaken aan wie meer naar hem verlangt. En wie hem meer smaakt, verlangt ook weer meer naar hem, en wel met een verlangen dat angst veroorzaakt. Immers, in deze wereld is ons verlangen nooit tevreden. Veeleer hoe meer het geniet, hoe begeriger het wordt. In deze angst, deze zwakte, gemis, dorheid, dood - door dit verlangen veroorzaakt - bestaat de volmaaktheid van de liefde in deze wereld. Naarmate hiervan zal God het licht van de heerlijkheid schenken. Immers, wie in waarheid meer naar God verlangd zal hebben, zal daarvan ook overvloediger genieten, zelfs al zou hij geen enkele uiterlijke deugdhandeling gesteld hebben. Het genieten van God moet immers zonder tussenkomst en precies evenredig zijn aan het verlangen naar hem. Het is ermee zoals wanneer de voldoening die wijn en vlees geven oneindig zou zijn, dan zou degene meer ontvangen die meer honger, dorst en trek zou hebben.

 

7.            Nu moet men weten, dat de ware mystieke mens zo volmaakt bemint dat zijn liefde niets omvat dan God zelf, in hemzelf en als het ware door hemzelf. Dit heeft tot gevolg dat hij geen verlangen voelt God te zien. Hij voelt zich enkel verrukt en bewogen worden door de ongeschapen liefde die hem wederliefde vraagt. Omdat hij dat niet kan, voelt hij zich machteloos en bezwijkt hij voortdurend voor dezelfde liefde. Door deze machteloosheid van hem geeft hij zich geheel uit handen aan dezelfde oneindige liefde van God. Hij bestaat, leeft en ademt nog slechts door middel van wat God is, en het is heel zijn leven, zijn vreugde dat God is wat hij is.

 

8.            In deze machteloosheid blijft hij niet werkeloos, want het oneindig voorwerp dat van hem een oneindige liefde vraagt, doet hem onophoudelijk maar op een onuitsprekelijke wijze zeggen: “Ik kan niet, ik kan niet; omnis homo mendax[2]. Tegelijkertijd ontstaat in hem een liefde en oneindig verlangen naar datzelfde voorwerp, dat door zijn oneindige schoonheid en goedheid de minnende geest voortdurend beroert en hem daarin doet verdwijnen. Hoe meer hij daarin verzonken en ondergedompeld is, des te meer voelt hij zich verteerd en verslonden door het verlangen om de oneindige oceaan van Gods goedheid in te zwelgen. Hij opent de mond van zijn hart zo wijd dat hij denkt God te zullen verzwelgen, maar het blijkt dat hij zelf verzwolgen wordt en geheel en al, maar toch weer zo dat het nooit volledig is. Want naarmate van de ontvangen volheid wordt het verlangen en het vermogen te ontvangen vergroot.

 

9.            Hieraan kan men zien hoezeer zij zich vergissen die menen dat mystieke theologen en waarlijk contemplatieve personen nietsdoeners zijn, want strikt genomen zijn alleen zij het die doen wat God van zijn Kerk vraagt, namelijk de volmaakte liefde. Zij alleen zijn het die strijden met de eeuwige liefde, die proberen haar te beantwoorden en ijveren voor de oneindige majesteit van God. Daarom vindt hij meer genoegen en bevrediging in een enkele van deze zielen dan in honderdduizend andere gewone rechtvaardigen, en zelfs heel anders, want zij alleen heeft meer liefde dan alle anderen samen.

 

10.        Dat men de contemplatieven nietsdoeners vindt, komt misschien doordat zij in hun geschriften spreken over een eenvoudig nietsdoen, dat de ziel niets doet, dat zij werkeloos is, verloren in God, enz. Maar men moet zich voor de geest halen dat wanneer we iemand geknield zien die geen woord zegt, dan denken wij toch ook niet dat hij daarom niets doet. We geloven dan immers dat hij met de geest werkt. Wanneer zo ook de mystieken zeggen dat de ziel in een bepaalde toestand niets doet, dan moet dit verstaan worden van de zintuiglijke werkingen, van het redenerend verstand en dergelijke die afhangen van het gebruik der zinnen, maar nooit van de innerlijke werking van de geest die schouwt. Deze werking is het verlangen naar God, dat gewoonlijk groter is naarmate het minder zintuiglijk is.

 

11.        Het is dit onverzadigbare verlangen naar God dat de mystieken hun blik noemen. Want ofschoon zij niet kunnen zijn zonder zich God te herinneren en hem te zien, zien zij toch hun volmaaktheid niet alleen in de herinnering en het zien van God, maar in het verlangen naar God zelf.

 

12.        Het is waar dat deze affectieve herinnering van God als een straal van de eeuwige zon hun ziel binnenvalt en hen tegelijk verlicht en verwarmt, maar zij willen slechts beminnen. Zij voelen in hun innerlijk geen andere drijfveer dan: “Waarheid, Waarheid, Waarheid”, dat wil zeggen het verlangen om aan de eeuwige liefde te beantwoorden. Het is niet zo dat zij het op prijs stellen of verlangen God te zien, maar zij voelen juist hem te beminnen en hem oneindig veel te willen beminnen. Het is zeker waar dat er in deze wereld geen enkel middel bestaat om iets eeuwigs te smaken of naar waarheid te kunnen zeggen wat het is, tenzij door middel van de liefde of van het verlangen van de liefde.

 

13.        Wanneer ik u vraag wat God is, zult u zeggen dat hij een zijnde is, oneindig, onmetelijk enzovoort, maar dat u er niets van begrijpt. Als ik aan iemand die een ware contemplatief en minnaar van God is, vraag wat God is, zou hij het niet kunnen uitleggen, maar hij voelt in zichzelf een oneindige gewaarwording van wat hij is. Hij ervaart als het ware in zich een oneindige ruimte. Zo ervoer de gelukzalige gezel van St. Franciscus, broeder Egidius, bij het zeggen van “Credo in unum Deum” een dergelijke kennis van God dat hij bijna niet meer wilde zeggen “credo”[3] maar “video”[4] vanwege deze ervaringskennis die hij had van deze waarheid. Zo hadden ook de andere heilige minnaars van God een diepe kennis van de mysteries van ons geloof. Het is een ingestorte kennis, waar de kennis van de echte mystieken mee te vergelijken is.

 

14.        Maar ofschoon de beelden van deze goddelijke kennis zijn ingestort, kunnen ook zij niet volkomen uitleggen welke voorstelling zij zich maken, maar moeten zij zeggen: “Secretum meum mihi”[5].

 

15.        Men moet niet denken dat de echte contemplatie een gave zou zijn die men gratuit noemt[6]. Het is een heiligende genade, daar – zoals wij al gezegd hebben – de echte contemplatie niets anders is dan een smakelijke ervaringskennis van God. Deze gaat uit boven ieder menselijk kennen en redeneren. Het is een ervaringskennis die liefde is en uit liefde voortkomt en de liefde nu uitwerkt.

 

16.        Daar nu de echte contemplatief God onbegrensd bemint en naar Hem verlangt, verdient hij dit ook voortdurend door de werking van zijn verlangen: “qui edunt me adhuc esurient”[7]. Dit verlangen gaat echter nog met angst gepaard, in tegenstelling met dat van de gelukzaligen van wie gezegd wordt: “In Deum desiderant prospicere”[8].

 

17.        De reden is dat wat wij hier beneden van God smaken, ons gegeven is als gedeeltelijk en deelbaar op een manier dat een gedeelte – ofschoon het bevredigt – het smaakvermogen niet totaal vervult maar het veeleer aanzet om nog meer te verlangen, zoals een druppel ambrozijn op onze tong deze prikkelt om er des te meer van te verlangen naargelang dit heerlijker is. Wat is dit wonderbaar: de gesmaakte Godheid vergroot de omvang van onze honger en doet de ziel in God groeien tot bijna in het oneindige. Hoe meer onze ziel smaakt en proeft, des te meer wordt zij onverzadigbaar, omdat zij het oneindige dat zij proeft niet kan vatten.

 

18.        Hieruit zal men kunnen verstaan wat de mystieken met St. Dionysius (de Areopagiet) zeggen, namelijk dat “pati divina”[9] zich niet voltrekt zonder innerlijke, vitale, vrije, verdienstelijke activiteit. Het is echter God verstaan, ervaren en smaken op een manier die uitgaat boven ieder zoeken naar gelijkenis of verschil, en iedere uiteenzetting. Het gebeurt doordat de geest wordt opgetild en opgeschort in God die hem aantrekt en verrukt boven iedere zintuiglijke en gewone werking. Dit doet de mystieken zeggen dat het subject meer ondergaand dan handelend is, hoewel dit ondergaan in ons een bovennatuurlijke werking is, door God voltrokken in ons en door ons die daaraan waarlijk en vrijwillig meewerken. Men noemt het echter werkeloosheid of goddelijk ondergaan, omdat de geest dan niets voelt van haar manier van handelen.

 

19.        En het wonderbare is, dat het kan gebeuren dat het verstand – terwijl het zich bezig houdt met een andere persoon of een ander voorwerp - toch deze eenvoudige blik en waarneming van God niet verliest. Dit gebeurt niet meer en niet minder dan bij onze Heer Jezus, die door zijn verworven kennis zich daarmee bezig kon houden en tegelijkertijd heel eenvoudig schouwde, en dit niet alleen door zijn zalige aanschouwing maar ook door zijn ingestorte kennis.

 

20.        De wetenschap van de mystieken lijkt dus op die ingestorte kennis van onze Heer Jezus Christus, hoewel deze kennis toch tegengesteld is aan de menselijke en verworven kennis. Daarom is het dus niet verwonderlijk dat de mystieken – ofschoon zij de voornaamste mysteries van ons geloof veel dieper smaken en kennen – toch niet kunnen uitleggen omdat alles wat ze verstaan “sunt arcana verba quae non licet homini loqui”[10]. Deze kennis is een vrucht van hun liefde en als de genieting en smaak van het begeerde, zoals in degene die over de zoetheid van de honing heeft horen spreken en deze daarna geproefd heeft.

 

21.        De mystieken weten immers heel goed, dat wij op eigen kracht en zelfs door de handelwijzen die het geloof ons schenkt, geen enkel positief begrip kunnen vormen van wat God is in zichzelf. Daarom geven zij hun verstand gewonnen aan deze oneindigheid die men niet kan begrijpen. Wetend dat het voorwerp oneindig beminnelijk is, richten zij heel hun hart en al hun krachten erop hem te verlangen en te omhelzen, terwijl zij hem buiten adem najagen, en dag en nacht en ieder ogenblik slechts denken aan hem. Daardoor verdienen zij uiteindelijk op een of andere manier te smaken en kennen wat zij niet kunnen begrijpen: “gustate et videte”[11]. Dit gebeurt door de liefde en het begeren, omdat het smaakvermogen van de ziel onmiddellijk beantwoordt aan het liefdesvermogen. Hoe meer daarom iemand God daadwerkelijk en zonder mankeren bemint, des te meer smaakt hij hem en heeft hij ervaringskennis van hem. Deze manier van spreken lijkt de scholastieken enigszins kras, namelijk dat God verlangen hem schouwen is. Laten zij echter bedenken dat dit huidige verlangen niet bestaan kan zonder een levendige aandacht voor en waarneming van deze grote God, die alle begrip te boven gaat. Dan zullen zij zien dat men van de ziel die in deze levendige en liefdevolle aandacht voor God leeft boven alle dingen uit – die haar voortdurend bewaart terwijl hij drinkt en eet, gaat en komt – terecht zegt dat zij waarlijk God schouwt, omdat zij haar ogen strak gericht houdt op God boven alle dingen uit, maar met een blik vol liefde en verlangen naar hem.

 

22.        Welnu, de blik die de mystieken hebben, wordt onmiddellijk gevolgd door liefde, zoals de blik van de gelukzaligen gevolgd wordt door de zaligmakende liefde. Om de waarheid te zeggen, haar aandacht en liefdesvermogen strak op God gericht houden, betekent leven vanuit en in God.

 

23.        Zoals Sint Bernard goed heeft gezegd schrijvend aan de Broeders van de Godsberg[12], verschilt deze staat slechts van die der zaligen door alleen de sluier van de sterfelijkheid, die ons verhindert open en bloot God te zien, van wie de ware contemplatieven met gesloten ogen genieten.

 

24.        Veronderstellen wij even dat God een heerlijke wijn is: de gelukzaligen drinken en genieten hem, hoewel de mystieken hem minder volmaakt genieten omdat het gehemelte van hun ziel, dat hun minnende kracht is, nog niet zo zuiver is.

 

25.        Om eerlijk te zijn, het is niet erg nuttig de hoogste en verheven aspecten van het mystieke leven te beschrijven. Dit leven bestaat immers niet in waarneming maar ervaring, zodat degene die het ervaart, dit slechts hoeft te doen; en degene die dit niet heeft, zal het niet verstaan. Daarom heeft de H. Dionysius Timotheus wel aangespoord alle werkingen van de zinnen achterwege te laten en zich te verheffen tot een zuiver zien van God boven elk begrip en menselijke redenering uit. Hij heeft echter niet uitvoerig willen beschrijven wat de ziel boven zichzelf uit ervaart, omdat dit woorden zijn “quae non licet homini loqui”[13], en omdat geen mens ze zou kunnen verstaan. Zelfs met betrekking tot het weinige wat hij behandeld heeft van deze heilige theologie, wees hij Timotheus erop op zijn hoede te zijn dat geen enkele onkundige – dat wil zeggen iemand die niet geestelijk of contemplatief is – zou horen en lezen wat hij hem geschreven had.

 

26.        Ik zei dus, dat het niet erg nuttig scheen de geheimen van het mystieke leven op te schrijven. Wanneer men het echter sober en uit liefde doet, kan het niemand schaden en zeer opwekken tot liefde voor God. Bovendien ziet men dan dat God voor hen die hem beminnen, zich wijden aan en zich bezig houden met  zien hoe goed Hij is, onuitsprekelijke dingen heeft bereid na dit leven, maar bovendien in dit leven. Dit ondervond de Apostel, want daarna schreef hij: “nec oculus vidit, nec auris audivit quae paravit Deus iis qui diligunt eum, nobis autem revelavit per spiritum suum” [14], alsof hij wilde zeggen: wat niet in het hart van de vleselijke en zinnelijke mens opkomt, wordt geopenbaard aan de innerlijke en geestelijke mens. “Spiritus omnia scrutatur etiam profunda Dei; spiritualis autem homo omnia judicat, et ipse a nemine judicatur”[15].

 

27.        Dezelfde H. Paulus spreekt dikwijls over hoge en verheven dingen om ons hen te doen herkennen en ons op te wekken tot het verlangen ze te mogen genieten. Men moet het dus niet verkeerd vinden als geestelijke personen soms iets over hun ervaring schrijven. Men moet onze Heer prijzen die hen zulke genaden geeft en proberen God te beminnen zoals zij om te bereiken wat zij smaken. Immers, in alles wat zij schrijven, leren zij ons dat men door de liefde tot de ware kennis van de God komt. Zij zeggen dat de contemplatief in zichzelf een eeuwige vuurgloed voelt; dat zijn ziel een vuurgloed en een ondoofbare vlam is die altijd neigt naar de eeuwige liefde als naar zijn middelpunt; dat degene die werkelijk en zonder mankeren meer bemint des te volmaakter schouwt. Zeker deze manier van spreken komt de scholastieken een beetje ongewoon voor, namelijk zeggen dat God verlangen hem schouwen is. Wanneer zij echter bedenken dat dit voortdurend verlangen noodzakelijk vergezeld moet gaan van een levendige aandacht, zullen zij zien dat van de ziel die deze aandacht voor God heeft boven alle dingen, die deze voortdurend heeft, bij het drinken, bij het eten en bij het gaan, terecht gezegd wordt waarlijk God te schouwen.

 

28.        Welnu, een van de grootste geheimen om tot de hoogste graad van liefde te komen, is dat men meer moet ondergaan dan doen, dat men meer onmacht dan vurigheid ondervindt, veeleer gemis dan overvloed.

 

29.        Op deze weg bestaan er zulke verschrikkelijke woestijnen dat meerderen – wanneer zij, na de vurige oefening van hun gebed van toegeesting en de liefdevolle samenspraak, zich totaal ontledigd voelen en in de diepste duisternis geworpen – zich verloren wanen en niet geloven dat het verlangen hen volstaat dat zij daar onder van God hebben dat nu in hun onmacht schuil gaat. Zij geven zich nooit geheel aan Gods handen over en keren zo weer terug naar de aarde, tot hun eigen activiteit. Daar zij zich aldus niet totaal in God verliezen, komen zij nooit tot de goddelijke activiteit, die God hen zou hebben meegedeeld wanneer zij geduldig hadden geleden.

 

30.        Men kan de doden, de onmacht en de helse smarten die deze Godminnenden lijden, niet in woorden uitdrukken, hoewel zij er niets van naar buiten laten blijken, al is het slechts dat het helse vuur zeer groot is.

 

31.        Als het bezit van iets waar men zeer veel van houdt, droefheid veroorzaakt doordat het ontnomen wordt, hoeveel temeer zal deze grote God dit in de ziel veroorzaken als hij die met oneindige rijkdommen tot de ziel is gekomen, zich in een oogwenk verwijdert en haar totaal naakt achterlaat, vol met verdriet, hartstochten, slechte gedachten en in een toestand alsof zij God nooit had gekend. Ja, het schijnt dan zelfs dat zij geen christen zijn, hoewel er toch een zeker geloof in haar overblijft dat maakt dat (zij) “contra spem credit”[16]. Maar zij meent dit geloof niet te hebben.

 

32.        Door deze angsten weet de goddelijke Heer zijn bruid te zuiveren, om haar tot een spiegel te maken die ontvankelijk is voor zijn goddelijke stralen. Men moet echter weten dat heel het leven van de mystieken tot aan de dood vol kruisen is. Welk een pijn, wanneer zij slechts die razende honger en die onverzadigbare dorst naar God hebben, die zij nooit kunnen beminnen zoals hij verdient! Want hoewel zij weten dat dit onmogelijk is, zien zij ook dat zij hem niet beminnen zoals zij zouden kunnen. Terwijl zij immers totaal beroofd zijn van iedere zintuiglijke voldoening, ondervinden zij levendig de aanvallen, of het nu is in de vorm van ziekte, hartstochten of dergelijke. Zij voelen deze juist veel meer, zeg ik, dan degenen die profiteren van hun liefdevolle samenspraken.
Gelukkige dood echter, die ons doet sterven in God.
“Moriatur anima mea morte justorum”[17], van deze rechtvaardigen hier die de ware rechtvaardigen en de engelen van God zijn. Amen.



[1] Ecclesiasticus 24:29; Jezus Sirach 24:21: wie mij eten, zullen nog meer naar mij hongeren.

[2] Ps. 115/116:11: iedere mens is leugenachtig /geen mens is te vertrouwen.

[3] Ik geloof.

[4] Ik zie.

[5] Mijn geheim behoort mij. Willem van Saint-Thierry, Gulden Brief, slot n. 300; vgl. Jesaja 24:16.

[6] Dat wil zeggen behorend tot de zogenaamde “gratiae gratis datae”.

[7] Ecclesiasticus 24:29; Jezus Sirach 24:21: wie mij eten, zullen nog meer naar mij hongeren.

[8] 1 Pet. 1:12: zij (de engelen) verlangen God te schouwen

[9] Het ondergaan van het goddelijke.

[10] 2 Cor. 12:4: geheime woorden zijn die geen mens mag uitspreken.

[11] Ps. 33:9: smaakt en ziet.

[12] Willem van Saint-Thierry, De Gulden Brief, n. 275: Naar dit goede, gedreven door de liefde voor dit goede zelf, streeft de vrome in zijn liefdesdrang (affectus) zó, dat hij zich daaraan niet kan ontrukken, totdat hij met dit goede één werkelijkheid of één geest (1 Cor. 6:17) geworden is. En wanneer dit in het vrome hart (in eo) tot voltooiing gekomen is, dan wordt het alleen maar door het voorhangsel van zijn sterfelijkheid gescheiden en verwijderd gehouden van het heilige der heiligen, van die hoogste top van gelukzaligheid die het aandeel is van de bovenhemelsen (supercaelestis). Maar daar het reeds in geloof in Hem en hoop op Hem die het liefheeft, geniet in de intimiteit van zijn wezen (conscientia), dan verdraagt het ook met een meer geduldige verdraagzaamheid wat het nog rest van dit leven.

[13] 2 Cor. 12:4: die de mens niet vermag te spreken.

[14] 1 Cor. 2:9-10: Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord wat God heeft bereid voor diegenen die Hem beminnen; aan ons echter heeft Hij het geopenbaard door zijn Geest.

[15] 1 Cor. 2:10 en 15: Want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God; maar de geestelijke mens oordeelt over alles, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.

[16] Rom. 4:18: Zij gelooft tegen alle hoop in.

[17] Num. 23:10: Moge mijn ziel de dood der rechtvaardigen sterven.