sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
wat is het?
bijbel
lectio divina
kracht onderweg
stem van verlangen
preken
bijbelpreken
wie ben ik?
bach-preken
popsongpreken
kerstverhalen
atheïsme en geloof
crucifixen
lam van God
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

De berg op, of toch maar niet?

Preek bij Lucas 9: 28-36

Jezus wil de berg op.

Nou, ik niet. Wij Nederlanders komen uit een plat land en wij zien in elke molshoop algauw een berg. En we krijgen al hoogtevrees van een verkeersdrempel.


Jezus wil de berg op. Het Woord van God wil terug naar zijn bron. God stort zijn Geest uit over de aarde en de Geest in ons roept en hunkert en maakt het hart onrustig totdat het zijn rust vindt in God.

De berg op, ja als je God wil ontmoeten dan moet je de berg op. Dan kun je niet in platland blijven wonen waar je altijd gelijk blijft aan iedereen en niemand zijn kop boven het maaiveld uit steekt. We noemen het bescheidenheid, maar soms, op zo’n dag dat het licht feller schijnt dan anders, dan vermoeden we onze lafheid die zich verbergt achter al die bescheidenheid.


Jezus wil de berg op, maar ik vertrouw het niet, er hangt een vreemde mist daarboven en het was een zware dag. Al die woorden over je kruis opnemen en je leven verliezen om het te vinden, ik begrijp het niet, de angst slaat me om het hart en ik doe toch alles al wat ik kan? Ga jij maar Mozes. Ga jij maar, Jezus, ik wacht wel op jullie woord.


Ik wil de berg op om te bidden, zei Jezus en hij keek de kring rond. Zijn ogen ontmoetten de mijne en keek me zo liefdevol aan, ik wist dat ik niet hoefde, het is nog niet de tijd, mijn benen kunnen het niet dragen die klim, ik ben te jong, te oud, te twijfelend, te zorgelijk, te bang voor commentaar. God is te hoog verheven voor me, maar Jezus, daar vertrouw ik op, die volg ik, zijn weg ga ik, hier in dit platland waar ik mijn thuis heb, meer kan ik niet aan, dat weet hij, want hij weet alles. En Jezus kijkt mij aan en in zijn ogen lees ik dat het goed is, dat hij voor mij zal gaan, daar naar boven, naar God.


Ga je met me mee, vraagt Jezus, ga je mee naar boven om te bidden? Het hart springt op, ja ik wil, ja, neem me mee, de weg ken ik niet maar aan jouw zijde zal ik het vinden, ik verlang naar God zoals jij God kent, dichtbij. Ik verlang naar het bidden zoals jij dat doet, alsof je praat met je vader, als een prins die de schatkamer binnenloopt en telkens weer uitdeelt wat hij daar vindt. Ja, ik wil verder, verder, dichter naar God, het verlangen is ontwaakt sinds ik Jezus ken, mijn geloof is gegroeid dat het kan, dat God te vinden is, niet ver weg maar dichtbij, dat er een weg is waarlangs mensen tot God kunnen komen. Ja, ik wil mee die berg op, dichterbij, nader tot U, steeds meer nader tot U. Niemand kan God zien en leven, maar wat is leven zonder God? Dan maar liever dood. En Jezus kijkt in de ogen van Petrus en Johannes en Jacobus en ziet hun verlangen om zelf het woord van God te horen, met eigen oren en met eigen ogen te zien die schitterende glans, die verblindende heerlijkheid, de stralende luister van God. De tijd is gekomen dat zij zelf de weg naar boven gaan. En in de nacht, aardedonker, in brand geraakt en radeloos van liefde, toen alles in het huis lag te slapen, trokken zij erop uit. Want het is altijd donker als je die berg gaat beklimmen.


De scheiding tussen hemel en aarde is dun, daar boven op de berg. De eeuwigheid zelf raakt aan de tijd en niet veel mensen kunnen daar blijven staan. Maar God is barmhartig en goedgunstig, hij weet dat we schepselen zijn en maar weinig werkelijkheid kunnen verdragen.

De wolk die de top van deze berg altijd verhult en zal blijven verhullen, daalt neer als een sluier. Jezus herkent de wolk van nabijheid en knielt neer om te bidden. Woord spreekt met Woord, traditie met vernieuwing, de levende met de doden, de hemel met de aarde.

Alles wat de léérlingen horen is stilte en alles wat ze zien is mist. Daar ben je leerling voor. Om nog niet te kunnen zien wat Jezus ziet, nog niet te kunnen horen wat Jezus hoort. Stilte en mist, dat zijn de tekenen dat je God nadert. De stilte als je eigen woorden verstommen en er niets meer is dat je zelf kunt doen behalve wachten wat je gegeven wordt. Die stilte, die mist, zal ons allen overkomen, sommigen nu al, anderen pas vlak voor hun sterven. Maar het moment komt dat alle stemmen zullen verstommen en wij in slaap vallen, de eeuwige slaap die de toegang is tot het nieuwe leven. Dus laat de slaap van Godswege komen, laat de mist dalen en de stilte je hart en gedachten vullen, wees niet bevreesd want de Heer is aan je zijde en hij bidt voor ons.


Slaap overmant de leerlingen. En als zij wakker worden, dan zien ze met eigen ogen en horen ze met eigen oren wat zij eerder niet konden horen. De luister van God is zichtbaar waar eerst alleen mist en stilte was. Nu horen ze waar het over gaat, waar het altijd overgaat: over de exodus. Het levenseinde, zoals het hier vertaald is, maar er staat: de exodus, de uittocht, de doortocht. Hoe slaven bevrijd worden van slavernij, hoe beloofd land bereikt kan worden, hoe de dood overgezet wordt in nieuw leven: daarover spraken zij die drie daar bovenop die berg.


De schaduw van de wolk bedekt hen zoals Maria overkwam die het levende Woord van God de wereld in zou baren. En de schaduw van de wolk omringde hen en zij hoorden het levende woord van God. Ze horen het, maar begrijpen doen ze nog niet, dat moet nog wachten tot Jezus met zijn leven en sterven en opstaan de weg heeft uitgebeeld. Zo gaat het, daar boven op de berg, daar waar een echte Godsontmoeting is: je hoort woorden die je nog niet begrijpt, maar het leven zal het aan je uitleggen als je goed luistert. Je moet er wel over zwijgen want wat kun je zeggen?


Wacht en luister. Het Woord zal vlees worden, zal zichtbaar worden in de werkelijkheid van alledag en dan zul je het verstaan en herkennen en geloven en doen.

Je kunt er geen tent voor opslaan en geen tempel of kerk voor bouwen, het levende woord van God is een woord dat werkt, dat schept en herschept, dat doortochten maakt in mensenlevens, totdat wij geheel ontwaken en thuiskomen. En dan zal waar worden wat de bijbel voorspelt: wij allen die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid van de Heer weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid door de Heer, die Geest is. Want God schept mensen naar zijn beeld en tot zijn gelijkenis. En soms zie je al iets van die luister schitteren onder de sluiers van het leven.


Zo blijft dan het geloof, het vertrouwen op Jezus die voor ons doet wat wij niet kunnen zolang we nog in platland zijn. Zo blijft dan de hoop, die zich uitstrekt en de berg op wil, het verlangen dat op reis gaat naar God die zich wil laten kennen. En zo blijft dan de liefde die zich laat verenigen met God,  de Geliefde. Geloof, hoop en liefde, maar de meeste van deze is de liefde.



TerugVerder