sporen van God
mystiek
artikelen
klassieke teksten
mp3 cursussen
de saint-albert
hammarskjold
eckhart
jean de saint-samson
alijt bake
johannes vh kruis
bestijging karmel
simone weil
julian van norwich
thomas merton
caterina van genua
miskotte
aanbevolen boeken
podcasts
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

 Caterina van Genua

 

 

Caterina Fieschi (1447-1510) was een getrouwde vrouw die op 22 maart 1473 getroffen werd door de aanblik van de goddelijke Liefde. Haar biograaf schrijft:  “Zij dreigde op de grond te vallen. Met een ontvlamde liefde schreeuwde zij van binnen: geen wereld meer, geen zonden meer. Als er op dat ogenblik duizend werelden geweest zouden zijn, dan zou zij ze weggesmeten hebben door deze vlam van vurige liefde die zij ervoer.” Dit verandert haar leven grondig. Zij wijdt zich met heel haar wezen aan zieken en stervenden, en geeft vele jaren leiding aan het ziekenhuis van Genua, een stad die in deze tijd meerdere keren door de pest werd getroffen. Een priester noteert haar woorden die later gepubliceerd worden als Het leven van de heilige Caterina van Genua.

 

 

Lezingen van Hein Blommestijn (4x 45 minuten). Toelichting op teksten uit het leven van Caterina van Genua.

 

15 maart 2014

 

Eerste lezing 

Tweede lezing

Derde lezing

Vierde lezing

 

 

Selectie van teksten

 

Op aandrang van een zus van haar die zuster was in het klooster Madonna de gratia[1], ging zij daags na het feest van de heilige Benedictus biechten bij de biechtvader van deze zusters[2]. Toen zij voor hem geknield lag, ontving zij plotseling in haar hart een verwonding van onmetelijke liefde van God, met een aanblik van haar armzaligheid en van haar gebreken en van de goedheid van God.

Onmetelijke liefde kwam voort uit de duidelijke aanblik van de goedheid van God en een uiterste en onuitsprekelijke smart kwam voort uit de aanblik van haar armzaligheid en de beledigingen begaan tegen deze zoete God. In de ervaring van deze liefde en smart werd zij door een gezuiverd gevoel zo getrokken uit de armzaligheden van deze wereld, dat zij bijna buiten zichzelf raakte en op de grond dreigde te vallen. Met een ontvlamde liefde schreeuwde zij van binnen: geen wereld meer, geen zonden meer. Als er op dat ogenblik duizend werelden geweest zouden zijn, dan zou zij ze weggesmeten hebben door deze vlam van vurige liefde die zij ervoer.

 

De zoete God bewerkte in deze ziel op dat ene ogenblik de gehele volmaaktheid, niet door verworven deugd, maar wel door ingestorte genade. Hij zuiverde haar van alle aardse gehechtheden. Hij verlichtte haar met zijn goddelijk licht, waarbij hij haar met het innerlijke oog zijn zoete goedheid liet zien. Hij verenigde, veranderde en vormde haar geheel en al om in zichzelf door ware eenheid van goede wil. Hij zette haar geheel en al in vlam met zijn vurige liefde.

Terwijl deze ziel [geknield] voor deze biechtvader zo vervreemd was van haar zinnen en niet kon spreken, werd de biechtvader (die zich geen rekenschap gaf van dit feit) geroepen en stond op. Toen hij weer snel terugkwam, zei zij - die niet kon spreken door de innerlijke smart en de onmetelijke liefde - zo goed als zij kon: Vader, als u het goed zou vinden, zal ik deze biecht graag laten voor een andere keer. Zo deed zij, vertrok en ging naar huis, zo verwond door zoveel liefde die haar innerlijk getoond was en vol vermorzeling door de aanblik van haar armzaligheid, dat zij buiten zichzelf leek. Zij ging in een kamer die verder afgelegen was en daar weende en zuchtte zij met grote vurigheid.

Op dat moment werd haar het innerlijk gebed onderwezen en haar tong kon niets anders spreken dan dit: Lief, kan het waar zijn dat jij mij met zoveel liefde hebt geroepen en me in een ogenblik datgene hebt doen kennen wat ik met mijn tong niet tot uitdrukking kan brengen.

 

Al deze dagen bestonden haar woorden in zo grote verzuchtingen dat het iets wonderbaarlijks was. Zij onderging zo’n uiterste vermorzeling van hart vanwege de beledigingen begaan tegen zoveel goedheid, dat zij haar laatste adem uitgeblazen zou hebben en haar hart door zoveel liefdessmart verscheurd zou zijn, als zij niet op wonderbaarlijke wijze ondersteund zou zijn.

 

Op de manier die hem behaagde, werkte haar Heer op wonderbaarlijke wijze om haar meer te doen ontvlammen in genoemd liefdesvuur en innerlijke smart. In de geest toonde hij zich aan haar met het kruis op de schouders, badend in bloed. Het leek haar dat het hele huis vol was met stromen van dit kostbaar bloed dat zij geheel uitgestort zag uit liefde. Deze aanblik deed haar in nog meer vuur ontvlammen, zodat zij door zoveel liefde en smart buiten zichzelf raakte en totaal verdwaast leek.

Deze innerlijke aanblik drong zo diep in haar door, dat haar toescheen voortdurend haar Lief te zien – ook met haar eigen lichamelijke ogen - geheel bloedend aan het kruis genageld.

Zij zag bovendien de beledigingen die zij begaan had ten opzichte van haar Lief, waardoor zij schreeuwde: Lief, nooit meer, nooit meer zonden. Er ontbrandde in haar een haat van haarzelf die zij niet verdragen kon en zij zei: Lief, als het nodig is dan ben ik bereid om mijn zonden in het openbaar te belijden. Vervolgens begon zij haar algemene biecht, met zoveel wroeging en met zoveel aandrang die door haar ziel ging, omdat haar innerlijk werd getoond wie beledigd was en van hoe groot belang zijn belediging was.

Op dat ogenblik van die zoete en liefdevolle verwonding had de zoete God haar al haar zonden vergeven en Hij had ze allemaal verbrand met het vuur van Zijn onmetelijke liefde. Omdat Hij toch wilde voldoen aan de gerechtigheid, deed hij haar de weg van de genoegdoening gaan. Deze wroeging, deze aanblik en deze belijdenis duurden evenwel ongeveer veertien maanden.

Na deze genoegdoening, werd dit aan haar geest onttrokken zodat zij er nooit meer een vonkje van zag. Het was alsof al haar zonden gegooid waren in de diepte van de zee.

 

Zoals gezegd, hadden deze verwonding, deze wroeging, deze aanblik en bekering hun begin daags na het feest van de heilige Benedictus in de kerk Madonna da gratia van de zusters van de observantie, aan de voeten van de biechtvader. (Hoofdstuk 4, 114-118).

Bij deze eerste roeping , toen zij gewond werd en dreigde op de grond te vallen, werd zij naar de voeten van Christus getrokken. In de geest zag zij alle genaden, alle wegen en manieren waardoor de Heer haar met de zuivere liefde trok tot de bekering. En in deze aanblik bleef zij ongeveer een jaar, totdat zij aan het geweten voldaan had door wroeging, belijdenis, en genoegdoening.

Vervolgens werd zij door de liefde getrokken om met de heilige Johannes te rusten op de liefdevolle borst van haar Lief. Daar zag zij een zoetere weg, die in zich vele geheimen bevat van een schenkende liefde[3] die haar geheel verteerde. Daardoor raakte zij dikwijls buiten zichzelf, en door een zekere innerlijke razernij van haat ten opzichte van zichzelf en alles doordringende wroeging, lag zij vaak met haar tong op de grond. En niets minder, want zo groot was de smart van de wroeging en de zoetheid van de liefde, dat zij evenwel niet wist wat zij deed, maar zij geloofde op deze wijze haar hart op te beuren dat bevangen was door zoveel innerlijke smart en zoete liefde.

 

In deze situatie bleef zij drie jaren, terwijl zij verscheurd werd door een razernij van pijn en liefde, met die innerlijke en doordringende stralen, die haar verbrandden tot op het hart.

Vervolgens werd zij getrokken naar de borst. Op deze plaats werd haar het hart van Christus getoond, dat geheel van vuur scheen te zijn en waardoor zij zich ontstoken zag. Bij het zien van deze aanblik bezweek zij bijna. Vele jaren behield zij daar de indruk dat haar hart in vlam was gezet, zodat zij zuchten slaakte en zij voortdurend ontstoken scheen in dit vuur. Dit liefdesvuur verteerde haar en haar hart en ziel versmolten geheel en al, zodat zij vervolgens zei: Ik heb geen hart en geen ziel meer, maar mijn hart en ziel zijn die van mijn zoet Lief’, in wie zij geheel en al verdronken en omgevormd was.

Vervolgens werd zij meer omhoog getrokken, dat wil zeggen naar de mond. Daar werd haar op zodanige manier een kus[4] gegeven dat zij geheel opgenomen werd in deze zoete Godheid en daar verloor zij zichzelf geheel en al, van binnen en van buiten, zodat zij met Sint Paulus zei: ‘Ik zelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’[5]. Daardoor kon zij de menselijke werkingen niet meer kennen, zoals die bestonden in het kwade of in het goede, maar zij zag alles in God.

( Hoofdstuk 5, 118-120).

 

Zoals gezegd, werd zij bekeerd, dat wil zeggen gewond door die liefdespijl, op de dag die volgt op het feest van Sint Benedictus. Vervolgens op het volgende feest, namelijk dat van de Annunciatie van de Madonna[6], stortte haar Lief het verlangen naar de heilige Communie in haar. Dit verlangen ontbrak haar nooit gedurende haar hele verdere leven.

Haar zoete Lief beschikte alle dingen zo goed, dat haar de communie werd gegeven zonder dat zij daar voor zorgde, en zo ondervond zij altijd dat - via de ene weg of via de andere – haar deze heilige Communie werd aangeboden.

Op een keer toen zij ter communie was gegaan, kwam er zoveel geur en zoetheid over haar, dat het haar leek in het Paradijs te zijn. Zij keerde zich echter nederig tot haar Lief en zei: ‘O Lief, wil jij me soms tot jou trekken door deze smaak? Ik voor mij wil geen enkele, want dat is een middel.’ Zij zei dit omdat vanaf het begin van haar bekering de innerlijke vereniging met God, haar Lief, zo groot was. En zij bleef daar zozeer voldaan over, dat zij hem de genade vroeg dat Hij haar nooit meer enig visioen zou willen toestaan noch enig ander uiterlijk verschijnsel, zodat zij niet wandelde door geloof maar door ware ervaring van het hart. (Hoofdstuk 6, 121-122).

Vervolgens enige tijd na haar bekering sprak haar Lief innerlijk tot haar en zei dat Hij wilde dat zij de Vastentijd met Hem zou doorbrengen in de woestijn (en het was toen het feest van de Annunciatie van de Madonna[7]).

 

En zo begon het dat zij niet kon eten en zonder lichamelijk voedsel bleef tot aan Pasen. Na de drie dagen van het feest, waarin haar Lief haar de genade schonk dat zij kon eten, kon zij vervolgens niet meer eten gedurende zovele dagen tot de Vastentijd voltooid was. Toen de veertig dagen die geteld worden voor Pasen, voltooid waren, at zij zoals de anderen zonder enige weerstand van haar maag.

Deze omstandigheid van niet kunnen eten betekende in het begin een grote [pijnlijke] prikkel[8] voor haar, omdat zij niet de reden wist en omdat zij bang was om bedrogen te worden. Zij dwong zichzelf echter om te eten en het leek haar dat de natuur dit vereiste, maar zo gauw zij het voedsel in haar maag had, gooide zij het weer naar buiten en kon het niet in zich houden. Ook al probeerde zij door deze prikkel meer te eten, toch gooide zij het altijd naar buiten.

Vervolgens tijdens de daarop volgende Advent, deed zij hetzelfde en altijd ging zij met de anderen aan tafel en probeerde zij te eten zonder dit te kunnen. Als zij zichzelf dwong, at zij iets, gooide zij het naar buiten, en kon zij het op geen enkele wijze in zich houden, zodat het haarzelf en de andere huisgenoten een verbazingwekkend gebeuren leek.

 

Om alles uit te proberen opdat zij kon eten, kreeg zij een keer van haar biechtvader de opdracht dat zij moest eten. Zij gehoorzaamde vol blijdschap en zij dwong zichzelf naarmate het haar mogelijk was, en zij at een beetje met grote pijn. Toen zij gegeten had, werd zij gedwongen om alles weer naar buiten te gooien, en haar overkwam zo’n toeval[9] dat zij op het punt stond te sterven. Toen haar biechtvader dit gezien had, zei hij haar nooit meer dat zij moest eten.

Zij bracht drieëntwintig keer de Vasten door zonder te eten en even zoveel keer de advent. In die tijd at zij niets wat in haar maag bleef. Alleen dronk zij soms iets en dat bleef binnen. Ik geloof dat de grote hitte die in dit hart was (dat voortdurend ontbrandde aan dat Goddelijke liefdesvuur) datgene verslond wat zij dronk, zoals een vurige steen doet wanneer men er water op gooit.

Om te drinken nam zij een beker, vulde die met water, azijn en gestampt zout, en zo gemengd dronk zij dit. Iets ongewoons en wonderbaarlijks. Want geen maag is zo gezond dat zij zo’n drank zonder te eten kan verdragen. Zij zei echter dat de onmetelijke zoetheid die zij óók in haar maag voelde, zo groot was omdat deze voortkwam uit die zoetheid welke zich in haar ontvlamde hart bevond, zodat het drinken van deze zo bittere drank haar verfrissing leek te geven aan haar menselijke natuur. […]

 

In deze tijd dat zij niet at, dat wil zeggen in de Advent en de Vasten, sliep zij goed en werkte harder dan in andere tijden. Zij legde zich toe op de zaken van het ziekenhuis en voelde zich sterker dan gedurende de tijd dat zij at. Aan de huisgenoten en de andere personen die het wisten, leek het iets groots zolang zonder eten te blijven. Zij achtte het evenwel iets gerings. Zij zag immers dat het een werking van God was zonder haar wil.

Met haar innerlijk oog zag zij echter duidelijk dat wij ons niet moeten verwonderen over al datgene wat God doet, noch hem erom verheerlijken, want voor Hem is het als niets. Zij zag duidelijk dat het iets was dat niets voorstelde in vergelijking met wat zij in haar hart voelde, dat wil zeggen met de vurige Goddelijke Liefde die zij voortdurend proefde en die haar helemaal deed ontvlammen. Bijgevolg leek het feit dat zij niet kon eten haar een ding van niets.

Iets wonderbaarlijks en vol nederigheid en heldere beproefdheid dat zij geen waarde kon hechten aan deze omstandigheid niet te eten, hoewel het op zich iets wonderbaars is. Zij zei: ‘Als men meer waarde moet hechten aan het innerlijke dan aan het uiterlijke, dan zal men zeker bij een of andere werking van God meer waarde moeten hechten aan het innerlijke dan aan het uiterlijke. Bovendien laat het ware licht ons zien en begrijpen dat wij niet moeten kijken naar dat wat van God uitgaat vanwege onze nood of Zijn glorie, maar alleen naar de zuivere liefde waarmee Hij het doet. En wanneer de ziel de werking ziet van haar zo rein en zuiver Lief, zonder te kijken naar iets goeds dat wij voor Hem kunnen doen, want Hij heeft het niet nodig en wij kunnen het niet voor Hem doen! De ziel moet Hem evenwel beminnen met zuivere liefde, zonder ergens op gericht te zijn[10] noch met het oog op enige bijzondere genade die zij van Hem zou kunnen ontvangen, maar slechts op Hem alleen, geheel zoete God, en om Hem alleen. Hij alleen is waard bemind te worden zonder ergens anders op gericht te zijn[11], noch van de ziel noch van het lichaam, zonder maat, vorm noch begrip. ( Hoofdstuk 7, 122-126).

 

[…] Het vuur in haar binnenste was zo hevig, dat zij geen waarde hechtte aan iets dat te maken had met de uiterlijke dingen van de menselijke natuur (voor zover die in haar zelf is), maar zij liet niets achterwege van de dingen die noodzakelijk zijn.

Zo groot was de onophoudelijke hevigheid en vurigheid van haar geest, dat geen enkele bekoring bij haar kon komen, uitgezonderd die van de natuurlijke geneigdheid. Zo volhardde zij tot op het einde, maar de natuurlijke geneigdheden werden beetje bij beetje vernietigd.

Hoe wonderlijk! Zij zei dat zij na deze verwonding nooit meer enige bekoring voelde van wat voor aard ook die haar lastig viel, en evenmin viel het haar moeilijk daar weerstand aan te bieden. De muggen van de bekoringen konden niet dicht bij dit hart komen, dat altijd brandde van deze zuivere liefde. Zo zei zij bovendien dat zij nooit meer enige moeilijkheid voelde in de werkingen, zowel innerlijke als uiterlijke. Het zoet Lief, die deze ziel, dat hart, die wil en heel de rest in bezit had genomen en alles in zich had omgevormd door ware vereniging, was degene die ieder ding bewerkte.

Daarom zei zij gewoonlijk: ‘Ik zie niet, en evenmin voel ik ziel, noch lichaam, noch hart, noch wil, noch iets anders te hebben. Ik zie, voel en proef niets anders dan zuivere liefde.’

 

[…] Het is iets wonderlijks: ofschoon de Heer haar plotseling volmaakt maakte in deze eerste verwonding, zodat zij in een oogwenk door ingestorte genade geheel gezuiverd werd in haar gehechtheden, verlicht in het verstand, en verenigd in alles en omgevormd in haar zoet Lief, en zodat zij in niets anders meer smaak kon hebben dan in haar Lief, wilde God toch evenwel dat de goddelijke gerechtigheid gehandhaafd zou blijven in de versterving van alle gevoelens, ofschoon deze geheel verstorven waren aan het toegeven aan enig gebrek, hoe klein ook, en liet de Heer haar toch de natuurlijke neigingen zien en hun aard, en verstierf zij ze met veel toeleg.

Terwijl zij zulke en zovele verstervingen toepaste op haar gevoelens, werd haar gevraagd: ‘Waarom doe jij dat?’

Zij antwoordde: ‘Ik weet het niet, maar ik voel me zo innerlijk getrokken dit te doen, zonder ergens op gericht te zijn. Ik geloof dat Hij het zo wil, maar Hij wil niet dat ik ergens op gericht ben.’

Vervolgens bleek dit ook duidelijk, want toen hij niet meer wilde dat zij het deed, werd immers op het einde van die vier jaar in een oogwenk alles aan haar geest onttrokken, en wanneer zij het vervolgens had willen blijven doen, zou zij dat niet gekund hebben. […] (Hoofdstuk 8, 127-131).

 

Na de genoemde vier jaren, werd haar een vrije, reine, zuivere geest gegeven, en geheel vervuld van God, zodat er nooit meer iets anders bij haar binnenkwam.

Meestal als zij naar een prediking ging, werd zij in beslag genomen door een innerlijk gevoel, zodat zij bijna geen enkel woord hoorde van wat de prediker zei. Zij hoorde in haar innerlijk en zag in dat zoete licht andere dingen en zij was niet bij machte iets anders te doen. Zo gebeurde ook met haar wanneer zij in de Mis was die gezongen werd. Zij hoorde noch zag iets met betrekking tot het uiterlijke, want zij was geheel geabsorbeerd in de innerlijke smaak.

De zoete God gaf haar een geest die zo vol liefde was, dat zij bijna niets kon zeggen. Zij verkeerde in een voortdurend gevoel en zoete smaak van haar Lief, God. Soms was zij zozeer [in God] verslonden dat het haar moeite kostte om weg te gaan op grond van haar verlangen om zich te verbergen, doordat zij haar gevoelens verloor en als dood bleef.

 

Haar overkwam dit dat zij, omdat zij het niet kon verdragen, zich nooit losmaakte en nooit probeerde om zich te verbergen voor haar verlangen en gevoel. Integendeel het leek dat zij deze ontvluchtte terwijl zij tot haar zoete Lief sprak: ‘Ik wil niet, o zoet Lief, wat uit Jou voortkomt, maar Jou alleen, Lief.’ Zij wilde God beminnen zonder ziel en zonder lichaam, dat wil zeggen zonder voldoening van haar deel[12], met rechtgeaarde, zuivere en eerlijke liefde. Maar omdat zij deze zoete gevoelens ontvluchtte, gaf Hij haar meer.

Zozeer en op deze wijze liet Hij de zuivere liefde in deze gezuiverde geest wortelschieten, dat zij gewoon was te zeggen dat nadat zij Hem begon te beminnen, deze liefde nooit meer ontbrak, maar altijd groeide en zou groeien tot aan haar laatste adem[13] in het innerlijk van dit ontbrande hart.

 

En dit gebeurde evenwel omdat zij iedere dag beter de recht geaardheid en zuiverheid van dit zoete Lief begreep die zoveel toegenegenheid bewerkte, dat zij gewoon was te zeggen aan dit hart, niet in zich maar wel in de liefde, deze uitspraak van de allerheiligste Paulus: ‘Wie zal mij scheiden van de liefde van God?’, waarbij zij al die dingen opnoemde die hij daar opnoemde met het oog hierop. Daarom zei zij: ‘Het lijkt mij die geest van sint Paulus te zien, onbeweeglijk ten opzichte van veel meer zaken dan hij ooit met woorden kon uitdrukken. Immers alles wat hij zei over de kracht van de ware en zuivere liefde, was bijna niets, want zoals de zuivere liefde God zelf is, wie zal Hem dan kunnen scheiden van zichzelf?’

 

Deze gezuiverde ziel was zozeer opgenomen in haar zoet Lief en op zo’n manier, dat zij zich vaak ging verstoppen onder het bed en dan bleef zij daar met haar gezicht tegen de grond, buiten zichzelf, in zoveel zoetheid dat dit gezegd of gedacht kan worden dan door degene die het ervaren heeft.

Vaak werd zij geroepen en gezocht in het hele huis, en dan hoorde zij niets, ofschoon men schreeuwde. Zij bleef als dood, soms zelf gedurende zestien uren. Het gebeurde haar dat wanneer zij hoorde roepen, dan kwam zij onmiddellijk overeind en gaf antwoord, en besteedde aandacht aan alles wat nodig was. Zelfs voor een of ander heel klein ding liet zij alles achter en begaf zich zonder pijn er naartoe.

Zij vluchtte weg van de eigenheid als van de duivel, maar wanneer zij uit dergelijke plaatsen wegging, had zij een rood gezicht zodat zij een cherubijn leek. (Hoofdstuk 9, 131-134)

 

Zonder middel van enig schepsel[14], noch religieus noch seculier, werd zij geleid door haar zoet Lief. Met Zijn goddelijke en innerlijke aanspraak onderrichtte Hij alleen haar in haar binnenste over al hetgeen noodzakelijk was.

Wanneer zij een of ander schepsel wilde naderen, dan gaf haar dit pijn in de geest en onmiddellijk werd zij gedwongen het te verlaten en zij zei: ‘Heer, ik begrijp jou’.

Eens sprak haar Lief in haar geest : ‘Dochter, onderhoudt deze drie regels: Zeg nooit “ik wil niet” of “ik wil”; zeg nooit ‘mijn” maar “ons”; en verontschuldig je nooit, maar wees altijd bereid om jezelf te beschuldigen.’ En zo op deze wijze werd zij onderricht met betrekking tot al datgene wat zij nodig had voor de volmaaktheid, zonder middel van enig schepsel. (Hoofdstuk 10, 134-135)

 

 



[1] Limbania Fieschi in het genoemde klooster van de Kanunnikessen van het Lateranen.

[2] Albengo Manlio.

[3] Gratia gratofaciente. Klassiek werd dit ook wel heiligmakende genade genoemd.

[4] De mystieke kus is een traditioneel beeld, geïnspireerd door Hooglied I: 4.

[5] Gal. 2: 20.

[6] Mariaboodschap op 25 maart,

[7] Mariaboodschap. 25 maart.

[8] Stimolo. De stimulus amoris, de prikkel van de liefde, is een klassiek beeld.

[9] Accidente, ongeluk, accident of complicatie.

[10] Senza alcuno oggetto.

[11] Senza alcuno altro oggetto.

[12] De menselijke natuur.

[13] Persino alla fine sua: tot aan haar einde.

[14] Senza mezzo d’alcuna creatura: zonder bemiddeling of tussenkomst. Vergelijk Jan van Ruusbroec en andere mystieke schrrijvers die spreken over ‘met middel’ of ‘zonder middel’.