sporen van God
mystiek
artikelen
klassieke teksten
eckhart
wolk van niet-weten
hammarskjöld
johannes vh Kruis
theresia van avila
thomas a kempis
de st. exupéry
simone weil
simoneweil2
beatrijs v nazareth
joodse verhalen
Christus visioen
thomas merton
augustinus
miskotte
mp3 cursussen
aanbevolen boeken
podcasts
ervaring
natuur
christendom
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

beatrijs van nazareth
Beatrijs van Nazareth - glas-in-lood uit de abdij van Nazareth in Belgiƫ

 

Beatrijs van Nazareth

 

gedeelten uit:

Zeven manieren van minnen

 

begeerte en verlangen als roeping

 

Beatrijs van Nazareth leefde van 1200- 1268. Ze werd geboren in Tienen, België. Ze was het jongstekind van Geertrui en Bartholomeus, twee zeer gelovige mensen. Op 7-jarige leeftijd krijgt Beatrijsscholing in een gemeenschap van begijnen in Zoutleeuw en later op een kloosterschool van decisterciënzerinnenabdij Bloemendaal in Eerken. Als ze 16 jaar is, gaat ze naar het klooster Rameia bijNijvel en leert haar hartsvriendin Ida van Nijvel kennen. Deze wordt een venster op God voor Beatrijs.Na een jaar gaat ze terug naar Bloemendaal waar ze op 25-jarige leeftijd volledig aan God gewijdwordt. Vanaf 1237 tot haar dood is ze eerste priores van de Cisterciënzerabdij Nazareth in Lier. In deeerste periode daar schreef zij haar ‘Van Seuen Manieren van Heiliger Minnen" - zeven manieren vanminne.

 

(zie ook: H. Vekeman – Hoezeer heeft God mij bemind, Kok Kampen 1993)

 

 

 

 

 

hs. H

Vertaling




3

[f 190 v ] det sin seuen maniren van minnen
Seuen maniren sin van minnen
die comen uten hoegsten
ende keren w
eder ten ouersten.

dit zijn zeven manieren van Minne

Zeven manieren van minne zijn er
die uit het hoogste voortkomen
en naar het opperste terugkeren.
[1]

I

 

 



3


6



9


12


15


18


21



24


27


30



33


36


39


42



45


48


51


54


57


60


63



66


69


72


75



78


81


84


87


90


93


96

Dirste manire es ene begerde
die compt werkende uter minnen,
ende mut lange rengneren intherte,
eerse al die wedersaken verwinnen mach,
ende mut met cragte
ende met behendecheide werken,
ende vromelike tu nemen in dit wesen.

Dese manire es ene begerde
die sekerlike compt uter minnen;
dats,
dat die gude sile
die getruwelike wilt dinen onsen here
ende vromelike wilt volgen
ende gewarlike minnen wilt,
dasse es gerigt in die begerde
te vercrigene ende te wesene
in die purheit
ende in die edelheit
ende in die vriheit,
dar sein gemact es van haren sceppere
na sin bilde ende na sin gelikenisse,
dat sere es te minne ende te hudene.

Hir in so begerse
al har leuen te leidene
ende hir mede te werkene
ende te wassene
ende te clemmene
in meere hoegheit van minnen
ende in naere kinnisse gots,
tot tier volkomenheit
darse tu gemact es
ende gerupen van haren sceppere.

Hir na steet se vruch ende spade,
ende leuert har seluer alte male;
dits
[f 191 r ]
har vraginge
ende har leringe
ende har heischinge te gode
ende har pensinge,
wiese hir tu comen mach
ende wise vercrigen mach
die naheit ende di gelicheit der minnen,
in alre cirheit der dogde
ende in alre purheit
der uaster edelheit der minnen.

Dese sile besuct dec wile
wasse es,
ende wasse wesen soude,
wasse heft,
ende wat har gebrect;
ende met al haren eernste
ende met groter begerden
ende met al dir behendecheit dasse mach,
so pint se hare
te huden ende te scuwen
al dat har commern
ende letten mach te susschedanen werken.
Ende nemmer en cist har herte
noch en rast har wille
van sukene
ende van heiscene
ende van leerne,
ende an har te treckene
ende te hebbene
al dat har helpen
ende vorderen mach ter minnen.

Dits die meeste ernst der silen
die hir in geset es
ende hir in muet werken ende sere arbeiden
tot dis male
dassemet ernste ende met trouwen
vercregen heft van gode,
dasse vorwert meer
sonder lettenisse van verleidenre mesdaet
moge dinen der minnen
met vrier conscientien
ende met puren geste
ende met claren verstandenisse.

Susschedane manire van begerden
van so groter purheit ende edelheit
compt sekerlic vter minnen
ende nit van vresen,
want vrese dut
werken ende doegen,
duen ende laten,
van anxste der abolgen ons heren
ende dis ordels van din geregten rigtere,
ocht dir eweliker wraken
ocht dir tegancliker plagen.
Mar die minne es
allene werkende ende staende
na die purheit
ende die hoegheit
ende na die ouerste edelheit,
als si seluer es
in har seluer wesende,
hebbende ende gebrukende.
Ende susschedaen werc
leertse den genen die hars plegen.

De eerste manier is een begeerte
die werkzaam uit minne voortkomt,
en lang in het hart moet heersen
eer zij al de tegenstand kan verwinnen.
Zij moet met kracht
en bekwaamheid werkzaam zijn,
en ferm toenemen in dit bestaan.

Deze manier is een begeerte
die voorzeker uit minne voortkomt.
Namelijk
dat de goede ziel
die onze heer trouw wil dienen,
ijverig wil volgen
en waarachtig wil beminnen,
in de begeerte erop gericht is
in de zuiverheid,
de adel
en de vrijheid te zijn,
en deze te verkrijgen.
Hierin is zij door haar Schepper gemaakt
naar zijn beeld en tot zijn gelijkenis.
[2]
Dit moet zeer bemind en behoed worden.

Hierin begeert zij
heel haar leven door te brengen
en hiermee te werken,
te groeien
en te klimmen
in meerdere hoogheid van minne
en inniger kennis van God
tot die volkomenheid,
waartoe zij gemaakt
en door haar Schepper geroepen is.

Hier staat zij van vroeg tot laat op gericht,
en levert zichzelf er geheel en al aan over.
Dit is haar vragen,
haar leren,
haar eisen tot God
en haar overpeinzen:
hoe zij hiertoe kan komen
en hoe zij
de innigheid en de gelijkheid van de minne
‑ in heel de uitbloei van de deugden
en in heel de zuiverheid
van de vaste adel van de minne - kan verwerven.

Deze ziel onderzoekt dikwijls
wat zij is
en wat ze zou moeten zijn,
wat zij heeft
en wat haar ontbreekt.
Met heel haar toeleg,
met grote begeerte
en al de bekwaamheid waartoe zij in staat is,
spant zij zich in
alles te verhoeden en te vermijden
wat haar bij zulk werk
belemmeren en beletten kan.
En nimmer stopt haar hart,
noch rust haar wil
met zoeken,
eisen,
leren
ter harte te nemen
en te bezitten
al wat haar helpen kan
en doet vorderen in de minne.

Dit is de grootste toeleg van de ziel
die hierin geplaatst is,
hierin werkzaam moet zijn en zich zeer moet inspannen,
tot het ogenblik
dat zij met toeleg en trouw
van God verworven heeft
voortaan
zonder belemmering van misstappen uit het verleden
de minne te kunnen dienen,
met een vrij geweten,
een zuivere geest
en een helder verstand.

Een dergelijke manier van begeerte
met zo grote zuiverheid en adel
komt voorzeker uit de minne
en niet uit vrees voort.
Want vrees doet
werken en deugen,
doen en laten voortkomen
uit angst voor de toorn van onze heer
en het oordeel van de rechtvaardige rechter:
hetzij de eeuwige wraak,
hetzij de tijdelijke straffen.
[3]
Maar de minne staat
in haar werking uitsluitend uit
naar de zuiverheid,
de hoogheid
en de opperste adel,
zoals ze zelf is
wanneer ze in zichzelf wezend,
zichzelf bezit en geniet.
Een dergelijke werkzaamheid
leert zij degenen die zich aan haar wijden.

II

<dander maniere der minnen>[4]

de tweede manier van minne


3


6


9



12


15


18


21



24


27


30


33


36

Ene ander manire
heftse oec
[f 191 v ]
van minnen;
dasse bi wilen ondersteet
onsen here te dinne te verges,
allene met minnen,
sonder enech warumbe
ende sonder eenegen loen
van gratien ochte van glorien.

Mar gelic als ene joncfrouwe
die dint haren here
allene van groter minnen
ende sonder enegen loen,
‑ ende har dat genugt
dasse hem dinen moge,
ende hi dat doegt
dasse hem dint,-
ende also begerse
met minnen te dinne der minnen
sonder mate ende bouen mate
ende bouen menscheliken sen ende redene
met allen dinste van trouwen.

Alse hir in es,
so esse
so bernende in begerden,
so gereet in dinste,
so ligte in arbeide,
so sagte in ongemake,
so blide in vernoye,
ende met alle dien dasse es,
so begerse hem lif te dunne.
Ende es har genuglic,
dasse jet vint
te dunne ende te doegene
in der minnen dinste
ende in sin ere.

Een tweede manier van minne
heeft zij ook,
namelijk dat zij zich bij tijd en wijle erop toelegt
onze Heer om niet te dienen,
alleen uit minne,
zonder enig waarom
en zonder enig loon
van genade of glorie.

Maar zoals een jonkvrouw
die haar heer dient
alleen uit grote minne
en zonder enig loon,
‑ en het haar voldoende is
dat zij hem dienen mag
en hij het gedoogt
dat zij hem dient ‑
zo begeert zij
de minne met minne te dienen,
zonder mate en boven mate,
en boven menselijke zin en rede,
in algehele en trouwe dienstbaarheid.

Wanneer zij hierin is,
dan is zij
zeer vurig in haar begeren,
zeer bereidwillig in haar dienst,
vallen inspanningen haar zo licht,
stemt ongemak haar zo vredig
en tegenspoed haar zo vreugdevol.
Met alles wat ze is,
begeert ze hem genegen te zijn.
en het is haar een genoegen,
dat ze iets vindt
wat ze in de dienst van de minne
en ter ere van haar
kan doen en verduren.

III

<die derde maniere van minnen>[5]

de derde manier van minne


3


6


9



12


15


18


21



24


27


30



33


36


39


42


45


48


51


54



57


60


63


66


69


72


75



78


81


84



87


90


93

Die derde manire van minnen
heft die gude sile,
dar sulke tit vele pinen in legt;
dats,
dasse begert der minnen
gnuch te dunne ende te voldunne
in alre eren
,

in allen dinste,
in alre gehorsamheit
ende in alre onderdanecheit der minnen.

Dese begerde wert onder tiden
sere berurt in der silen,
ende dan begripse
met starker begerden
alle denc te dunne
ende alle dogde ter volne,
al te dogene ende te verdragene,
ende al har werc
sonder sparen ende sonder mate
in der minnen te voldunne.

In desen esse
harde gereet in allen dinste,
ende willich ende onueruert
in arbeide ende in pinen.
Nogtan blifse ongenugt ende ongekust
in al haren werken.
Mar bouen al es har dat die meeste pine
dasse na hare groter begerden
nit gnuch en can geduen der minnen
ende dats har
so vele onbliuen mut in der minnen.

Doch weesse wale
[f 192 r ]

dat dit es
bouen menschelic werc
ende bouen alhare magt te dunne,
want dasse begert
dats
onmogelic ende onweselic allen creiaturen.
Want si begert
dasse moge duen allene
als vele als alle mensche van ertrike
ende alle geste van himelrike
ende alle dat creiature es bouen ende neder;
ende ontellic meer
in dinste,
in minnen
ende in eren,
na die werdecheit der minnen.
Ende dats har oec
so vele onblift in den werken,
dat wiltse eruullen
met gehelen wille
ende met starker begerden.
Nogtan en magt har nit genugen.

Si kent wale
dat dese begerde ter vulne
es verre bouen har magt
ende bouen menschelike redene
ende bouen alle sinne.
Nogtan en canse hare gematen
noch bedwengen
noch gestillen.
Si dut al dasse mach,
si danct, si loft der minnen,
si werct, si arbeit omb die minne,
si leuert har seluer al op der minnen,
ende al har werc wert voldaen in der minnen.
Al dit en geft har engene raste,
ende es hare ene grote pine,
dasse mut begeren
dasse vercrigen en can.
Ende hir ombe mutse bliuen
in der welecheit van herten
ende wonen in ongenugden.

Ende so es hare als ochse
al leuende storue,
ende al steruende
die pine van der hellen gevulde.
Ende al har leuen es hellegtech
ende ongenade ende ongenugde
van der welecheit der anxsteliker begerden
dir senit gnuch en can geduen,
noch oec gestillen
noch gesaten har seluer.

In derre pinen mutse bliuen
tot dis male
dasse onse here trost
ende set in ene ander manire
van minnen ende van begerden
ende in noch nare kennisse van heme.
Ende dan machse werken
na din dat har gegeuen wert van onsen here.

De derde manier van minne
die de goede ziel heeft,
gaat zo nu en dan met veel pijn gepaard.
Dit is het geval,
wanneer zij begeert de minne
genoeg te doen en te voldoen
in alle eerbied,
in algehele dienstbaarheid
in totale gehoorzaamheid
en in volledige onderwerping aan de minne.

Van tijd tot tijd wordt deze begeerte
hevig in de ziel bewogen.
Met sterke begeerte
neemt zij zich dan voor
alle zaken te doen,
alle deugden te vervullen,
alles te verduren en te verdragen,
en al haar werk
zonder sparen en zonder maat
in de minne te voldoen.

In deze gesteldheid is zij
zeer bereid tot elke dienst,
gewillig en onverschrokken
in inspanning en in afmatting.
Toch blijft zij onvoldaan en onbevredigd
in al haar werken.
Maar bovenal is het meest pijnlijk voor haar,
dat zij naar haar grote begeren
de Minne niet kan genoegdoen
en dat
in de minne zoveel buiten haar bereik moet blijven.

Toch weet zij zeer goed
dat dit
boven de menselijke werkzaamheid
en al haar macht ligt te doen.
Want wat zij begeert
dat is
onmogelijk en niet eigen aan de schepselen.
Want zij begeert
alleen te kunnen doen
zoveel als alle mensen op aarde,
al de geesten van de hemel,
al wat schepsel is boven en beneden
en onnoemelijk veel meer
in dienst,
in minne
en in eerbied,
naar de waardigheid van de minne.
Doordat echter
in haar werkzaamheden zo veel buiten haar bereik blijft,
wil zij dat vervullen
met heel haar wil
en met sterke begeerte.
Dit kan haar nochtans niet voldoen.

Zij beseft zeer goed
dat deze begeerte te vervullen
ver boven haar macht,
boven de menselijke rede
en boven alle zin ligt.
Toch kan zij zich matigen,
noch bedwingen,
noch kalmeren.
Zij doet al wat zij kan:
zij dankt en looft de minne,
zij werkt en spant zich in om de minne,
geeft zich geheel aan de minne
en al haar werk wordt in de minne voldaan.
Dit alles geeft haar geen rust
en het is zeer pijnlijk voor haar
dat zij moet begeren
wat zij niet kan verwerven.
Daarom moet zij
verblijven in de overdaad van haar hart
en wonen in onvoldaanheid.

Zo komt het haar voor alsof zij
al levend stierf
en al stervend
de pijn van de hel voelde.
Heel haar leven is als een hel,
ontdaan van genade en voldoening
door de overdaad van de angstwekkende begeerte,
die zij niet kan genoegdoen,
noch zichzelf stillen
of bedaren.

In deze pijn moet zij blijven
tot het moment
dat onze Heer haar troost
en plaatst in een andere manier
van minne en begeerte
en in nog inniger kennis van Hem.
Dan kan zij werken
naar wat haar gegeven wordt door onze Heer.

IV

<die vierde maniere van minnen>[6]

de vierde manier van minne


3


6



9


12


15


18



21


24


27



30


33



36


39


42


45


48



51


54


57


60



63


66


69


[f 192 v ] In der virder maniren van minnen
pligt ons here te geuene,
sulke stont grote walheit
ende sulke stont grote welicheit,
dar wi nu af seghen willen.

Sulke stont geschiet
dat die minne
sutlike in der silen verweckert wert
ende blidelike op versteet,
ende har seluer berurt intherte
sonder enech tuduen van menscheliken werken.
Ende wert dan therte
so morwelike gerenen in minnen,
ende so begerlike getrect,
so hertelic beuaen in minnen,
so sterkelic bedwongen met minnen,
so liflic behelst in minnen,
dasse alte male verwonnen wert metter minnen.

Hir in gevulse
eenre groter naheit te gode,
ende ene gestelike clarheit,
ende wonderlike verwentheit,
ende ene edele vriheit,
ende een groet bedwanc
van starker minnen,
ende ene ouervludege volheit
van groter genugden.

Ende dan gevultse
dat al har sinne sin in der minnen
ende al har wille es worden minne,
ende dasse so dipe
es versonken ende verswolgen in minnen,
ende seluer al es worden minne.

Die schonheit der minnen
heftse geschoent,
die cragt der minnen
hefse vertert,
die sutheit der minnen
hefse versonken,
die geregtheit der minnen
hefse verswolgen,
die edelheit der minnen
hefse behelst,
die purheit der minnen
hefse geschirt,
die hogheit der minnen
hefse bouen getrect ende in hare geenget,
soe dasse alte male mut sin der minnen
ende anders nit en mach plegen.

Alse aldus gevult hars selfs
in die overuludecheit van walheide
ende die grote volheit van herten,
so wert har gest
alte male versenkede in minnen,
har lighame ontsinkende,
har herte versmeltende,
al har magt verderuende,
ende so sere wertse verwonnen met minnen,
dasse kume har seluer can gedragen
ende decwile ongeweldech wert
hare lede
[f 193 r ]
ende al harre sinne.

Ende geliker wis
als een vat dat vol es,
ende hastelike oueruloit ende vtbrect,
als mit rurt,
also wertse haestelike
sere gerenen
ende al verwonnen
van der groter volheit hars herten,
soe dat biwilen hars ondancs
vt brect ende oueruloit.

In de  vierde manier van minne
is onze heer gewoon
nu eens grote zaligheid,
dan weer grote smart te geven.
Daarover zullen wij nu gaan spreken.

Soms gebeurt het
dat de minne
op zoete wijze in de ziel wordt gewekt,
en vreugdevol tot leven komt
en zichzelf in het hart doet gevoelen
zonder enig toedoen van menselijk werk.
Dan wordt het hart
zo teder in Minne aangeraakt,
zo met begeerte getrokken,
zo hartgrondig in minne omvat,
zo krachtig met minne bedwongen,
zo liefdevol in minne omhelst,
dat ze geheel en al met de minne verwonnen wordt.

Hierin voelt zij
een grote nabijheid tot God,
een geestelijke klaarheid,
een wonderlijke zaligheid,
een edele vrijheid,
een grote overmacht
van sterke minne
en een overvloedige volheid
van groot genoegen.

Dan voelt zij
dat al haar zinnen in de minne zijn
en heel haar wil minne geworden is,
en dat zij zo diep
in minne verzonken en verzwolgen is,
en zijzelf geheel minne is geworden.

De schoonheid van de minne
heeft haar mooi gemaakt,
de kracht van de minne
heeft haar verteerd,
de zoetheid van de minne
heeft haar verzonken,
de gerechtigheid van de minne
heeft haar verzwolgen,
de adel van de minne
heeft haar omhelsd,
de zuiverheid van de minne
heeft haar gesierd,
de hoogheid van de minne
heeft haar naar boven getrokken en in haar één gemaakt,
zodat zij geheel en al van de minne moet zijn
en zich aan niets anders kan wijden.

Wanneer zij zich aldus voelt
in de overvloed van zaligheid
en de grote volheid van hart
dan verzinkt haar geest
geheel en al in minne,
ontzinkt haar lichaam haar,
versmelt haar hart
en gaat al haar kracht teniet.
Zozeer wordt zij door de minne verwonnen,
dat zij zichzelf ternauwernood kan dragen
en vaak de macht
over haar ledematen en al haar zinnen verliest.

En zoals
een vat dat vol is
dadelijk overstroomt en uitbreekt,
wanneer men het beweegt,
zo wordt zij plotseling
zeer geraakt en geheel overwonnen
door de grote volheid van haar hart,
zodat het soms buiten haar macht om
uitbreekt en overstroomt.

V

<die vifte maniere der minnen>[7]

de vijfde manier van minne


3


6


9


12



15


18


21


24


27



30


33


36


39



42


45


48


51


54



57


60


63


66



69


72


75



78



81


84


87



90


93


96

In der vifder maniren
geschiet oec sulke stont
dat minne in der silen
starkelike <verwerckert>
[8] wert
ende stormmelike op versteet
met groten gerussche
ende met groter verwentheit,
als ochtse
met gewout therte breken sule
ende buten har seluer trecken sule,,
in die vffeninge van minnen
ende in tgebruken van minnen.

Ende wert dan getrect
in die begerde van minnen
ter volne
die grote werke
ende die pure werke der minnen,
ochte verlangene
die menegfultge heischinge der minnen.
Ocht si begert te rastene
in die sute behelsinge van minnen
ende in die begerlike walheit
ende genuglicheit van hebbingen,
soe dat therte ende alle die sinne
sin begerende
ende ernstelike sukende
ende hertelike menende.

Als se hir in es,
so esse
so starc in den geste,
ende so vel begripende in den herten,
ende vromger an den lighame,
spudeger in den werken,
ende sere dunde
beide van buten ende van binnen,
soe dat har seluer dunct
dat al werke ende onledech sie
dat ane har es,
al warse oec al stille an den lighame.

Ende met tesen
so gevultse
oec treckenisse van binnen
ende grote verhangenheit van minnen,
ende vele ongedurecheide in der begerden
ende mengerhande wee van groter ongenugden.
Ocht si gevult welicheit
van groten gevulne der minnen seluer,
sonder warumbe,
ochte van dien
dasse sonderlic eischende es
met begerden in der minnen,
ocht
[f 193 v ]
van ongenugden
der ongebruclicheit der minnen.

Ende ondertiden
wert minne
so ongemate ende so ouerbrekende
in der silen,
als si har seluer
so cragtelike ende so verwutlike
berurt intherte,
dat har dunct
dat har herte menechfuldech wert gewont,
ende die wonden dagelics verseert werden
in smerteliker weelicheide,
ende in nuwer jhegenwordecheide.

Ende so dunct hare
dat al har adren ontpluken,
ende har blut verwelt,
har march verswint,
ende har gebeinte vercrenct,
har borst verbert,
ende har kele verdroegt,
soe dat har anschin ende al har lede
gevulen der hitden van binnen
ende dis orvuts vander minnen.

Si gevult oec die wile
dat een gescutte geet
dor har herte totter kelen,
als ochse hars sens gemissen soude.

Ende geliker wis
als een verslindende vier
dat al in hem trect ende vertrect
dat verweltgen mach,
also gevultse dat die minne
verwudelike es werkende in hare
sonder sparen ende sonder mate,
ende al in hare treckende ende terende.

Hir mede wertse
sere gequelt ende gequetst
ende har hert gecrenct
ende al har march verderft,
hare sile gevut,
har minne gefustert
ende har gest verhangen;
want minne es so hoge
bouen alle begriplicheit van hare magt.

In de vijfde manier
gebeurt het zo nu en dan ook,
dat minne
op krachtige wijze in de ziel wordt gewekt
en stormachtig tot leven komt,
met veel gedruis
en grote zaligheid,
alsof zij
het hart met geweld zal breken,
het buiten zichzelf zal trekken
in de oefening van de minne
en in de genieting van de Minne.

Zij wordt dan
in de begeerte van minne getrokken
om de grote werken
en de zuivere werken van de minne
te vervullen,
ofwel de veelvuldige eisen van de minne
te bereiken.
Of zij begeert te rusten
in de zoete omhelzing van de minne,
in de met begeerte vervulde zaligheid
en in het genoegen van het bezit,
zodat het hart en al de zinnen
dit begeren,
met gedrevenheid zoeken
en hartgrondig menen.

Wanneer zij hierin is,
dan is zij
zeer sterk in de geest,
zeer doortastend van hart
en fermer van lichaam,
spoediger in het werk
en zowel innerlijk als uiterlijk
zeer actief,
zodat het haar voorkomt
dat alles aan haar
werkzaam en bezig is,
ook al verkeerde zij lichamelijk in rust.

En hiermee
voelt zij
een trek van binnen,
en een grote hang van minne,
veel ongedurigheid in de begeerte
en veelsoortig wee van grote ongenoegzaamheid.
Of zij voelt smart
van het grote gevoel van de minne zelf,
zonder waarom,
of daarom
dat zij buitengewoon eisend is,
met begeerte in de minne
of van ongenoegzaamheid
door het gemis aan genieting van de minne.

Zo nu en dan
wordt minne
zo mateloos en zo onstuimig
in de ziel
‑ wanneer zij zich
met zoveel kracht en verwoedheid
in het hart roert ‑
dat het haar voorkomt
dat haar hart meermalen verwond wordt
en de wonden dagelijks verergerd worden
in smartelijk verdriet
en in nieuwe tegenwoordigheid.

Zo komt het haar voor
dat al haar aderen zich openen,
haar bloed kokend opwelt,
haar merg verkwijnt,
haar gebeente verzwakt,
haar borst verbrandt
en haar keel verdroogt,
zo dat haar aangezicht en al haar ledematen
de hitte van binnen
en de verwoedheid van de minne voelen.

Ondertussen voelt zij ook
dat een scheut
door haar hart tot haar keel gaat,
alsof zij haar bewustzijn moest missen.

En op dezelfde wijze als
een verslindend vuur
[9]
dat alles in zich trekt en in zich opneemt
 wat het verweldigen kan,
zo voelt zij dat de minne
- zonder sparen en zonder maat -
verwoed in haar werkzaam is
en alles in zich trekt en verteert.

Hiermee wordt zij
zeer gekweld en gekwetst,
haar hart geschonden,
haar merg te niet gedaan,
haar ziel gevoed,
haar minne gekoesterd
en haar geest verhangen.
Want de minne is zo hoog
boven al haar bevattingsvermogen uit.



99


102


105


108



111


114


117


120



123


126


Ende van dir welicheit
so begerse sulke stont
dien bant te brekene,
niet die enecheit der minnen te storne.
Mar metten bande der minnen
esse so bedwongen
ende metter onmaten der minnen
esse so verwonnen,
dasse en can gehouden mate na redenen
noch guffenen redene met senne
noch sparen met maten
noch <gedurecheit>
[10] na vrutheit.

Want
so har meer wert gegeuen van bouene,
so se
[f 194 r ]
meer es heischende;
ende so har meer wert vertoent,
so se meer wert verhangen in begerden
 nare te comene
den ligte der warheit,
der purheit,
der edelheit,
ende der gebruclicheit der minnen.
Ende altoes wertse meer ende meer
getent ende gecreit,
ende nit genugt noch gesagt.

Dat selue dat har meest
tert ende quetst,
dat selue est dat har meest
genst ende sagt,
ende dat har dipst sleet die wonde
dat geft har meest gesonde.


En van de smart
begeert zij soms
de band te breken,
zonder de eenheid van de minne te verstoren.
Maar met de band van de minne
is zij zo bedwongen,
en met de mateloosheid van de minne
is zij zo verwonnen,
dat zij de maat van de rede niet kan volhouden,
noch de rede met bezonnenheid beoefenen.
Evenmin kan ze zich sparen door maat te houden,
noch blijven bij wat verstandig is.

Want
hoe meer haar van bovenaf gegeven wordt,
des te meer eist ze,
en hoe meer haar getoond wordt,
des te meer wordt zij verhangen in de begeerte
het licht der waarheid,
de zuiverheid,
de adel
en de genieting van de minne
te naderen.
Zonder ophouden wordt zij meer en meer
getergd en geplaagd,
en niet voldaan noch tot rust gebracht.

Dat zelfde wat haar het meest
tart en kwetst,
dat is ook wat haar het meest
geneest en tot rust brengt,
en wat haar de diepste wonden slaat
dat maakt haar het meest gezond.

VI

<die seste minne>[11]

de zesde manier van minne


3


6



9


12


15


18


21



24


27


30



33


36


39



42


45


48


51


54


57

In der sesder maniren,
als die brut ons heren
vorder es comen
ende geclommen in mere vromen,
so gevultse
noch anders wesens van minnen
in narre ende in hoger kinnen.

Si gevult
dat die minne verwonnen heft
al har wedersaken binnen hare,
ende gebetert heft die gebreken,
ende gemeestert die senne,
ende gesirt heft die nature,
ende gemeret ende gehoegt heft dat wesen,
ende hars selfs
alte male geweldech es worden
sonder enech weder seghen,
also dasse therte
beset heft in sekerheide
ende vffenen mach met vriheide
ende gebruken in rasten.

Alse in dit wesen es,
so duncken har
alle denc wesen clene
ende ligt te dunne ende te latene,
te dogene ende te verdragene,
dat behorende es
ter werdecheit der minnen.
ende so es har ligte
har seluer tuffenne in minnen.

Dan gevultse
eenre godeliker innecheit,
ende eenre clarre purheit,
ende gestelike sutecheit,
ende ene begerlike vriheit,
ende onderschedene wisheit,
ende ene sagte effenheit tonsen here,
ende een nakennisse van gode.

Siet
dan esse gelic eenre husfrouwen
die har huwessche wale heft berigt
ende wislic bescheden
ende scon gordenert
ende vorsinlike bescermt
ende vrudelike behut
ende met onderschede werct:
ende dut in ende
[f 194 v ]
werpt vt
ende dut ende lat
al na haren wille.
Also gelic est met derre silen:
si es minne
ende minne rengnert in hare geweldeglike
ende mogentlike werkende ende rastende,
dunde ende latende
van buten ende van binnen
na haren wille.

In de zesde manier,
wanneer de bruid van onze heer
verder gekomen is
en tot meer fermheit is opgeklommen,
dan voelt zij
nog een ander wezen van minne
in een meer innig en hoger kennen.

Zij voelt
dat de minne
al haar weerstand in haar verwonnen,
de gebreken verbeterd,
de zinnen gemeesterd,
de natuur getooid,
het wezen verruimd en verhoogd heeft,
en over haar zelf
geheel en al macht heeft gekregen
zonder enige tegenspraak,
zodat zij het hart
met zekerheid bezet heeft,
vrij kan oefenen
en in rust genieten.

Als zij in deze wezenstoestand is,
komt het haar voor
dat alles
wat tot de waardigheid van de minne behoort,
gemakkelijk is,
licht te doen en te laten,
te verduren en te verdragen.
Zo valt het haar licht
zich in minne te oefenen.

Dan voelt zij
een goddelijke innerlijkheid,
een heldere zuiverheid
en een geestelijke zoetheid,
een begerende vrijheid,
een met onderscheid begiftigde wijsheid
een vredige harmonie met onze Heer
en een goddelijke nadering.

Ziet,
dan is zij zoals een huisvrouw
[12],
die haar huisgezin uitstekend geregeld,
met wijsheid bestuurd
en mooi geordend heeft,
met vooruitziende blik beschermt,
verstandig behoedt
en met onderscheid te werk gaat:
zij slaat in en haalt tevoorschijn
en doet en laat alles
volgens haar wil.
Zo is het ook met deze ziel:
zij is minne
en de minne heerst machtig in haar,
werkt en rust er met vermogen,
doet en laat
van buiten en van binnen
volgens haar wil.




60


63


66



69


72


75



78



81


84


87



90


93


96



99


102


105


108


111


114



117


120


123



Ende also gelic als die vesch
die swemt in die witheit vander vlut
ende rast heme in die dipheit,
ende als die vogel
die kunlike vligt
in die hochheit vander logt,
gelikerwis gevulse
haren gest vrilike wandelende
in die witheit
ende in die dipheit
ende in die verwentheit der minnen.

Geweldecheit der minnen
heft die sile
getrect ende geleit,
behut ende bescermt,
ende heft har gegeuen
die vrutheit ende die wisheit,
die sutheit ende die starcheit der minnen.

Nogtan hefse har verborgen geweldecheit
tottismale
dasse in meere hogheit geclommen es
ende dasse hars selfs geweldech worden es
ende minne geweldeglike rengnert in hare.

Dan mactse die sile so kune,
dasse en ontsiet
mensche noch vient
engel noch heilge
noch gode seluer,
in al haren dunne ende latene,
in werken ende in rasten.

Ende gevult oec wale
dat minne es binnen hare
als wacker ende als werkende
in rasten dis lighamen
als in vel werken.
Si kint wale ende gevult
dat minne nit en legt
in arbeide noch in pine
in degene darse binnen rengnert.

Mar alle die willen comen ter minnen,
si mutense suken met vresen
ende na volgen met trouwen,
vffen met begerden,
ende en mogen hen nit sparen
in groter arbeit,
in vele pinen,
in ongemac te dogene,
in versmaheit te lidene.
Ende alle cleen denc
mutense agten vor groet,
tottismale
dasse dar tu sin comen
dat minne in hen
[f 195 r ] rengnere,
die geweldeglike werke der minnen werc,
ende die alle denc clene mact
ende arbeit sagt,
alle pine versut,
ende alle scout quit.

Dits vriheit der conscientien,
sutheit dis herten,
gutheit der sinne,
edelheit der silen,
hoegheit dis gest,
ende een beginsel dis ewelics leuens.
Dits in den vlesche een engelic leuen,
ende hir na volget dewelike
dat got ons allen geue.
Amen.


En zoals een vis
die in de wijdte van de vloed zwemt
en in de diepte rust
en zoals een vogel
die koen
in de hoogte van de lucht vliegt,
zo voelt zij
dat haar geest zich vrij
in de wijdte,
de diepte
en de zaligheid van de minne beweegt.
[13]

Machtigheid der minne
heeft de ziel
getrokken, geleid,
behoed en beschermd
en zij heeft haar
de verstandigheid en de wijsheid,
de zoetheid en de sterkte van de minne gegeven.

Niettemin heeft zij haar machtigheid voor haar verborgen,
totdat
zij tot grotere hoogte is opgeklommen,
en zij over haarzelf macht heeft gekregen
en minne machtig in haar heerst.

Dan maakt zij de ziel zo koen,
dat mens noch vijand,
engel noch heilige,
noch God zelf,
haar ontzag inboezemt
in al haar doen en laten,
in werken en in rusten.

En zij voelt ook heel goed
dat minne in haar
even goed wakker en werkzaam is
bij lichamelijke rust,
als bij veel werkzaamheden.
Zij kent heel goed en voelt
dat minne
in inspanning noch in pijn ligt,
in hen in wie zij heerst.

Maar allen die tot de minne willen komen,
moeten haar zoeken met vrees,
haar trouw navolgen
en met begeerte oefenen.
Zij mogen zich niet sparen
in grote inspanning,
in veel moeite
in het verduren van ongemak
en het lijden van smaad.
En alle  kleine zaken
moeten zij groot achten,
totdat zij
zover gekomen zijn
dat minne in hen heerst,
die machtig het werk van de minne bewerkt
en die alle zaken klein maakt
en inspanning verzacht,
alle moeite verzoet
en alle schuld kwijtscheldt.

Dit is vrijheid van geweten,
zoetheid van het hart,
goedheid van de zinnen,
adel van de ziel,
hoogheid van de geest
en aanvang van het eeuwig leven.
Dit is in het lichaam reeds een engelachtig leven,
en hierna volgt het eeuwige,
dat God ons allen moge geven.
Amen.

VII

<die .vij. maniere der minnen>[14]

de zevende manier van minne


3


6


9



12


15


18


21



24


27


30



33


36


39



42


45


48



51


54


57


60



63


66


69


72



75


78


81



84


87


90



93


96


99


102



105


108



111


114


117


120

Noch heft die salege sile
die seuende manire van hoger minnen,
die har nit luttel wercs en geft van binnen;
dats,
dasse es getrect
bouen menschelicheit in minnen
ende bouen menscheliken sen ende redene
ende bouen alle die werke hars herten,

ende es getrect
allene met eweliker minnen
in die ewelicheit,
ende in die onbegriplicheit,
in die witheit
ende in die ongerinlike hogheit,
ende in dien dipen afgront der gotheit,
di al in alle denc es,
ende onbegriplic blift in allen dengen,
ende es onwandelic
al wesende,
al mogende,
al begripende,
ende al geweldelike werkende.

Hir in es die gude sile
so morwelike gesonken in minnen,
so starkelic getrect in begerden,
dat har herte es
douende ende ongehermech van binnen,
har sile
vloiende ende doyende van minnen,
har gest
verwutlic verhangen van starker begerden.

Ende hir tu trecken al har sinne,
dasse wilt wesen int gebruken van minnen.
Dit heischetse ernstelike van gode
ende suket hertelike in gode,
ende mut sere begeren,
want Minne en latse gecissen
noch gerasten
noch in vreden wesen.

Minne trectse bouen
ende heltse neder,
si geft die doet
ende brenct dat leuen,
si geft gesonde
ende wont dan weder,
si macse dul
ende vrutse weder.
Aldus trect sise in hoger wesen.

[f 195 v ]
Aldus esse geclommen met geste
bouen den tit
in dewelicheit
ende es gehogt
bouen die gigten van minnen
in die ewelicheit der minnen
die sonder tit es,
ende es verhauen
bouen menschelike manire in minnen
ende bouen hars selfs nature,
in begerden dar bouen te wesene.

Dar es
al har wesen ende har wille,
har begerde ende har Minne,
in die seker warheit
ende in die pure clarheit,
in die edele hogheit
ende in die verwentde sconheit,
in die sute geselscap
van din ouersten gesten,
die al vloyen van oueruludeger minnen,
ende sin int claer bekinnen
ende int hebben
ende intgebruken hare minnen.

Har wille es
dar bouen onder die geste
ende har begerlike wandelinge
ende meest onder die bernende seraphine,
ende in die grote gotheit
ende in die hoge driueldecheit
es har liflicste rastinge
ende har genuglicste woninge.

Si suctene in sinre maiesteit,
si volgt hem dar ende siten ane
met herten ende met geste,
si kenten,
si minten,
si begerten soe,
dasse en can gagten
heilgen noch engle,
menschen noch creiaturen,
dan met gemeinre minnen in heme
dar se al mede mint.

Ende heme allene heftse verkoren in minnen
bouen al
ende onder al
ende binnen al,
soe dasse
met al der begerlicheit hars herten
ende met al der cragt hars gest
so begersin te sinne
ende te hebbene
ende te gebrukene.

Hir bi es har ertrike grot ellende
ende starc geuenckenisse
ende sware quale.
Die werelt versmaetse,
ertrics verwast hare,
ende dat ten ertric behort
en canse gesuten noch genugen.

Ende es har ene grote pine
dasse so verre mut wesen
ende so vremde schinen.
Hars
[f 196 r ]
ellents
en magse nit vergeten,
har begerde
en mach nit gestilt werden,
har verlancnisse
quelt se jamerlike,
ende hir mede wertse
gepassiet ende getorment
bouen mate ende sonder mate.

Bovendien heeft de zalige ziel
een zevende manier van hogere Minne,
die haar innerlijk niet weinig werk geeft.
Dat wil zeggen
dat zij boven de menselijke natuur uit
in de Minne getrokken wordt,
boven de menselijke zin en rede
en boven al de werken van haar hart.

Zij is
alleen met eeuwige Minne
in de eeuwigheid,
de onvatbaarheid,
de uitgestrektheid
de ongenaakbare hoogheid
en in de diepe afgrond van de godheid getrokken,
[15]

die alles in alle dingen is
[16]
en in alle dingen onvatbaar blijft.
[17]
Zij is onveranderlijk,
al-wezend,
al-vermogend,
al-omvattend,
en alles machtig ten uitvoer brengend.

Hierin is de goede ziel
zo teder in de Minne gezonken
en zo krachtig in de begeerte getrokken,
dat haar hart
innerlijk onstuimig en onrustig is,
haar ziel
vloeiend en wegkwijnend van Minne,
haar geest
razende verhangen van sterke begeerte.

Al haar zinnen trekken hier naar toe:
te willen zijn in de genieting van de Minne.
Dit smeekt zij met aandrang van God,
zoekt zij met hart en ziel in God
en moet zij ten zeerste begeren.
Want Minne laat haar noch ophouden,
noch rusten,
noch in vrede zijn.

De Minne trekt haar naar boven
en houdt haar neer,
zij geeft de dood
en brengt het leven,
[18]
zij geeft gezondheid
en verwondt dan weer,
zij maakt haar dwaas
en weer verstandig.
Aldus trekt zij haar in een hoger zijn.

Aldus is zij met de geest (geestelijk)
boven de tijd uitgeklommen
in de eeuwigheid,
en is zij verhoogd
boven de gaven van minne
in de eeuwigheid van de minne
die zonder tijd is.
en is zij verheven
boven menselijke manieren in minne,
en boven haar eigen natuur
in het begeren daarboven te zijn.

Daar is
heel haar wezen en haar wil,
haar begeerte en haar minne
in de zekere waarheid,
en in de zuivere helderheid,
inde adellijke hoogheid,
en in de overdadige schoonheid
in het zoete gezelschap
van de opperste geesten,
die allen vloeien van overvloedige minne
en zijn in de heldere kennis,
in het bezit
en in de genieting van hun minne.

Haar wil is
daarboven te midden van de geesten
en haar met begeren vervulde omgang,
maar vooral te midden van de brandende serafijnen.
En in de grote godheid
en in de hoge drievuldigheid
is haar liefste rust
en haar genoeglijkste woning.

Zij zoekt hem in zijn majesteit,
zij volgt hem daar en ziet hem aan
met hart en met geest.
Zij kent hem,
zij bemint hem
zij begeert hem zo,
dat zij
heiligen noch engelen,
mensen noch schepselen kan hoogachten,
tenzij met gemeenschappelijke minne in Hem,
waar ze alles mee bemint.

En hem alleen heeft zij in minne verkoren,
boven alles,
onder alles
en in alles.
zodat zij
met heel het begeren van haar hart
en met al de kracht van haar geest
hem begeert te zien,
en te bezitten
en te genieten.

Hierbij is voor haar het aardrijk een grote ballingschap,
en een sterke gevangenis
en een zware kwelling.
De wereld versmaadt zij
het aardrijk valt haar te zwaar
en wat tot het aardrijk behoort,
kan haar bevredigen noch voldoen.

En het is een grote pijn voor haar
dat zij zo ver moet zijn
en zo vreemd schijnt.
Haar ballingschap
kan zij niet vergeten,
haar begeerte
kan niet gestild worden
en haar hunkering
kwelt haar jammerlijk.
Hiermee wordt zij
gepijnigd en gefolterd
boven mate en zonder mate.



123


126


129


132


Hirombe esse
in groten verlancnisse
ende in starker begerden
vt desen ellende verledeget te verdene
ende van desen lighame ontbonden te sinne.
Ende sprict dec wile
met seerliken herten,
als die apostel sprac:
“Cupio dissoluj et esse cum
χριστο
Dats:
“ic begere ontbonden te sinne
ende te wesen met kerste”.


Daarom is
haar hunkering groot
en haar begeren sterk
uit deze ballingschap verlost te worden
en van dit lichaam ontbonden te zijn.
En zegt zij dikwijls
met een schrijnend hart,
de woorden die de apostel sprak:
“Cupio dissolui et esse cum Christo”.
[19]
Dit wil zeggen:
“Ik begeer ontbonden te zijn
en te wezen met Christus.”



135


138


141


144


147



150


153



156


159


162


165


168


Geliker wis esse
in starker begerden
ende in weliker ongedurecheide
verledeget te werdene
ende te leuene met kerste.
Nit van verdrite dis jhegenwertges tits,
noch van vresen dis tukomens vernoys,
mar allene
van heilger ende van eweliker minnen
so begerse innentlike
ende doyentlike
ende ser verlanclike
te comene
in dat lantscap der ewelicheit
ende in die glorie der gebruclicheit.

Die verlancnisse in hare es groet ende starc
ende har wesen es swar ende hart,
har pine es onseghelike,
dise van begerden dogt.
Nogtan mutse in hopen leuen,
ende hope dutse haken ende quelen.

Oy heilge begerde der minnen,
wie starc es v cragt in der minnender silen.
Ets ene salege passie
ende een scarp torment,
ende een lange quale,
ende ene mordelike doet,
ende een steruende leuen.
Dar bouen en canse comen,
hir neder en magse rasten noch geduren.
Na heme te pensene
en canse van verlancnisse gedragen,
ende sins tontberne
geft har van begerden die quale.
Ende aldus mutse leuen
met groten
[f 196 v ] ongemake.


Op dezelfde wijze is
haar begeren sterk
en haar ongedurigheid smartelijk
om verlost te worden
en met Christus te leven.
Niet uit verdriet voor het heden,
noch uit vrees voor toekomstig leed,
maar uitsluitend
uit heilige en eeuwige minne,
begeert zij innig,
smachtend
en met grote hunkering
te komen
in het land van de eeuwigheid
en in de glorie van de genieting.

De hunkering in haar is groot en sterk,
en haar bestaan is zwaar en hard.
Haar pijn is onuitsprekelijk
die de begeerte haar laat verduren.
Toch moet ze in hoop leven
en de hoop doet haar haken en kwijnen.

Ach heilige begeerte van de minne,
hoe sterk is uw kracht in de minnende ziel.
Het is een zalige passie,
een doordringende foltering,
een langdurige kwelling,
een moordende dood
en een stervend leven.
Daar boven kan zij niet komen,
hier beneden kent zij rust noch duur.
Van hunkering kan zij het niet verdragen
aan hem te denken
en hem te ontberen
geeft haar de kwelling van de begeerte.
Zo moet ze leven
met groot ongemak.



171


174


177


180


183


186



189


192


195



198


201


204


207


210


213



216


219


222



225


228


Hir ombe est,
dasse en mach noch en wilt getrost werden,
als die prophete segt:
“Rennuit consolari anima mea”.
Dats:
“min sile ontsegt getrost te sinne”.
Also ontsegtse allen trost
decwile van gode seluer
ende van sinen creiaturen.
Want alle die troste
die har geschin mogen,
die sterken har minne
ende treckense in hoger wesen,
ende dat vernuet
har verlancnisse der minnen te plegene,
ende in tgebruckenisse der minnen te wesene,
ende sonder genugde in ellende te leuene.

Dus bliftse
ongesaet ende ongetrost
in allen gigten
disse noch daruen mut
der jhegenwerdecheit hare minnen.
Dits een harde arbeitsam leuen,
want se hir nit getrost en wilt werden,
sin hebbe vercregen
dasse suct so ongehermelike.

Minne hefse
getrect ende geleit
ende gelert har wege te gane,
ende dir hefse getruwelike gevolgt,
bewilen in groter arbeit
ende in harden werken,
in groten verlancnisse
ende in starker begerden,
in meneg ongeduren
ende in groter ongenugden,
in wale, in wee
ende in menech seer,
in sukene ende in eischene,
in daruene ende in hebbene,
in clemmene ende in hangene,
in volgene ende in nalangene,
in noede ende in commere,
in anxste ende in sorgen,
in doyene ende in verderuene,
in groter trouwen ende in vel ontrouwen.

In lif ende in leet
esse te doegene gereet,
in doet, in leuen
wiltsi der minnen plegen,
ende in tgevulen hars herten
doegse grote smerten,
ende ombe der minnen wille
begerse dlantscap te winne.

Ende alse har in al dit heft besugt,
sos in glorien al har tu vlogt.
Want dats regt der minnen werc,
dasse dat naste
[f 197 r ] wesen begert,
ende meest volgt den hoegsten wesenne
darse der minnen nast in mag plegen.


Hierom
kan noch wil zij getroost worden.
Zoals de profeet zegt:
“Renuit consolari anima mea”.
[20]
Dit wil zeggen:
“Mijn ziel wilde zich niet laten troosten”.
Zo ontzegt zij alle troost,
dikwijls van God zelf
en van zijn schepselen.
Want al de vertroostingen
die haar kunnen overkomen,
die sterken haar minne
en trekken haar in een hogere bestaanswijze.
Dit vernieuwt
haar hunkering de minne te plegen,
in de genieting van de minne te zijn
en zonder genoegen in ballingschap te leven.

Dus blijft zij
onverzadigd en ongetroost
in alle gaven,
zolang zij de tegenwoordigheid van haar minne
nog moet missen
Dit is een zeer inspannend leven,
omdat ze hier niet getroost wil worden,
tenzij zij verkregen heeft,
wat ze zo rusteloos zoekt.

De minne heeft haar
getrokken en geleid
en geleerd haar wegen te gaan
en die heeft zij waarachtig gevolgd,
soms met grote inspanningen
en met hard werken,
in grote hunkering
en met sterke begeerte,
in menig ongedurigheid
en in groot ongenoegen,
in wel en in wee
en in menig leed,
in zoeken en in smeken,
in missen en in hebben,
in klimmen en in hangen,
in volgen en in reikhalzen,
in nood en in kommer,
in angst en in zorgen
in smachten en in teniet gaan,
in grote trouw en in veel ontrouw.

In lief en leed
is zij tot verduren bereid,
in dood en in leven
wil zij de minne plegen,
in het gevoelen van haar hart
verduurt zij menige smart
en terwille van de minne
begeert zij het geboorteland te winnen.

Wanneer de minne haar in al dit heeft bezocht,
dan is in glorie haar toevlucht.
Want het is juist het werk van de minne,
dat zij het innigst wezen begeert
en meest het hoogste wezen volgt,
waar zij de minne het meest innig in mag plegen.



231


234


237



240


243


246


249


252


255


258


261


264


267


Hir ombe wiltse altoes
der minnen volgen,
minne bekinnen
ende minnen gebruken,
ende dan mach har in dit ellende nit geschien.
Dar bi wiltse te land wert tiin,
darse har woninge in heft gestigt
ende al har begerde gerigt
ende met minnen in rast.

Want si kint wale,
dar wert har al lettenisse af gedaen,
ende wert dar liflike van liue ontfaen.
Want dar salse begerlike an sien
dasse so morwelike heft gemint,
ende salne hebben te hare eweliker vromen
dinse so getruwelike heft gedint,
ende sins gebruken met volre genugden
dinse decke met minnen in har sile heft behelst.
Dar salse gaen in die bliscap hars heren,
als sinte augustijn sprict:
“Die in geet in di,
hi geet in die bliscap sins heren,
ende hin sal hem nit ontsien,
mar hi sal hem hebben
alre betst in den alre betsten”.
Dar wert die sile vereneget
met haren brudegome
ende wert een geest met heme
in onschedeliker minnen
ende in eweliker trouwen.
Ende dieheme gufent heft
in den tide der gratien,
hi sal sins gebruken
in eweliker glorien,
dar mi nit anders en sal plegen
dan louen ende minnen.
Dar ons allen got hastelic tu bringe.
amen


Hierom wil zij altijd
de minne volgen,
minne bekennen
en minne genieten.
Dat kan haar in deze ballingschap niet gebeuren.
Daarbij wil ze optrekken naar het land
[21],
waar zij haar woning in  gevestigd
en heel haar begeren op gericht heeft
en met minne in rust.

Want zij weet wel:
daar wordt zij van elke belemmeringen ontdaan,
en liefdevol door de Geliefde ontvangen.
Want daar zal zij met begeerte aanschouwen
wat zij zo teder heeft bemind,
en zal hem tot haar eeuwige vrucht bezitten
die zij zo trouw heeft gediend
en hem met vol genoegen genieten,
die zij in haar ziel zo vaak met minne heeft omhelsd.
Daar zal zij binnengaan in de vreugde van haar Heer.
Zoals Sint Augustinus zegt:
“O Heer wie binnengaat in jou,
gaat binnen in de vreugde van zijn Heer.
[22]
Hij zal niet vrezen,
maar hij zal het
opperbest hebben in de Allerhoogste”.
[23]
Daar wordt de ziel verenigd
met haar bruidegom,
en wordt één geest met Hem
[24]
in onafscheidelijke minne
en in eeuwige trouw.
En wie hem geoefend heeft
in de tijd van genade
zal hem genieten
in eeuwige glorie.
waar men niets anders zal plegen
dan loven en minnen.
Daar moge God ons spoedig toe brengen.
amen.

 


        [1]     Cf. Jes. 55, 10-11; Joh. 16, 28 & 1 Joh. 4, 7-8.

        [2]     Cf. Gen. 1, 26.

        [3]     Cf. 1 Joh. 4, 17-18.

        [4]     <dander maniere der minnen> ) om H.

        [5]     <die derde maniere van  minnen> ) om H.

        [6]     <die vierde maniere van  minnen> ) om H.

        [7]     <die vifte maniere der minnen> ) om H.

        [8]     <verweckert> ) verwerckert H.

        [9]     Cf. Ex. 24, 17; Deut. 4, 24; Heb. 12, 29

       [10]     <geduren> ) gedurecheit H.

       [11]     <die seste minne> ) om H.

       [12]     Cf. Spr. 31, 10-31.

       [13]     Cf. Ef. 3, 14-19.

       [14]     <die .vij. maniere der minnen> ) om H.

       [15]     Cf. Ef. 3, 18.

       [16]     Cf. Kol 3, 11.

       [17]     Cf. Ef. 3, 19.

       [18]     Cf. 1 Sam. 2, 6; Tob. 13, 2.

       [19]     Fil. 1, 23.

       [20]     Psalm 77, 3 in de vulgaattelling Psalm 76, 3.

       [21]     Cf. Fil. 3, 20; Heb. 11, 16.

       [22]     Cf. Mt. 25, 21.

       [23]     Augustinus, Confessionvm libri 13, lib.II, 10 (18), r.5-6 (cccl, 27, 26): “Qui intrat in te, intrat in gaudium domini sui et non timebit et habebit se optime in optimo.”

       [24]     Cf. 1 Kor. 6, 17.