sporen van God
mystiek
ervaring
natuur
christendom
wat is het?
bijbel
lectio divina
kracht onderweg
stem van verlangen
preken
bijbelpreken
wie ben ik?
bach-preken
popsongpreken
kerstverhalen
atheïsme en geloof
crucifixen
lam van God
kerk
gebed en meditatie
andere godsdiensten
kunst
literatuur
muziek
ikonen
het leven
kwaad en lijden
cursus
links
over deze site
contact
Sitemap

 

Bach

BACH-PREKEN  

 

 

Op verschillende plekken in het land worden regelmatig cantate-diensten gehouden. Zo ook in de Koogerkerk. Het zijn geen concerten maar kerkdiensten. De cantates van Bach werden uiteraard ook geschreven voor gebruik in de kerkdienst. Ze volgen het kerkelijk jaar, maken vaak gebruik van 'wereldse muziek' en weerspiegelen Bach's eigen theologie. In de korte preek die ik houd, probeer ik de spiritualiteit die ik erin beluister, in gesprek te brengen met de bijbeltekst die erbij gelezen wordt. Hier zijn er enkele voorbeelden van. De link erbij verwijst naar de cantate die op youtube te vinden is. 

 

 

Cantate BWV 131 : Aus der Tiefe rufe ich, Herr, zu dir

Bij psalm 130:

1 Een ​pelgrimslied.

 

Uit de diepte roep ik tot u, HEER,

2 Heer, hoor mijn stem,

wees aandachtig, luister

naar mijn roep om ​genade.

 

3 Als u de ​zonden​ blijft gedenken, HEER,

Heer, wie houdt dan stand?

4 Maar bij u is ​vergeving,

daarom eert men u met ​ontzag.

 

5 Ik zie uit naar de HEER,

mijn ziel ziet uit naar hem

en verlangt naar zijn woord,

6 mijn ziel verlangt naar de Heer,

meer dan wachters naar de morgen,

meer dan wachters uitzien naar de morgen.

 

7 Israël, hoop op de HEER!

Bij de HEER is ​genade, bij hem

is bevrijding, altijd weer.

8 Hij zal Israël bevrijden

uit al zijn ​zonden.

 

 

Bach cantate 131 – Psalm 130 preek

 

Uit de diepten roep ik. En dan weet je gelijk al: het komt niet uit je mond, maar uit je buik, waar het geluk en de pijn nestelt. Daar waar geoefende zangers hun muziek beginnen. Uit de diepte wordt geroepen, want dat is wat diepten doen.

Het is een pelgrimslied, of, zoals je ook kunt zeggen: een lied van de opgang. Vanuit de laagvlakte van Israël optrekken naar de heuvel en de berg Sion waar Jeruzalem ligt en alvast roep je die kant op, naar de God die woont in de stad van vrede, de stad die we nog steeds maar niet vinden of soms even.

Het is een van de vroegste cantates van Bach en waarschijnlijk geschreven om de ramp te herdenken die kort daarvoor in Mühlhausen had plaatsgevonden: een kwart van de stad was verbrand en honderden waren gestorven.

 

Bach begint diep, de bas moet de laagste c zien te halen, je hoort de melodie de diepte induiken. Ik roep roep, roep zingt het koor, uit de diepte, zachtjes, hard, zacht, roep roep ik, het herhaalt langgerekt. Want er wordt wat afgeroepen in woordenloze zuchten, in kampen en getto’s, in inrichtingen en eenzame kamers.

En dan luid en snel: Herr! Heer, hoor mijn stem, de stem van mijn gebed. En het gebed reikt hoog, hoger, de sopranen nemen ons mee, de roep moet naar boven, daar waar de Heer troont in zijn ondoorgrondelijk licht, dat zijn oor het horen zal, merk het toch op!

 

Dan neemt de oboe de roep over en de bas vertraagt want nu komt de ware diepte in beeld: het ergste dat een mens kan overkomen: de diepste nood, zoals Luther het vertaalt. En dat is een mens die los is geraakt van God. Want dat is wat zonde is – de verbroken band met onze oorsprong. De verbroken band met goedheid, met recht en rechtvaardigheid, de verbroken connectie met waarheid en vrede. Als we die bronnen van leven kwijt zijn geraakt, dan zijn we God zelf kwijtgeraakt. En dat is zó zonde... Onrecht kan dat bewerkstelligen, groot leed dat je bitter maakt, angst waardoor je je opsluit in jezelf, of je eigen kwaad dat gestold is in een pantser waar niemand meer doorheen komt. En dan stopt de pelgrimstocht, dan stopt de opgang naar de stad van de vrede en waar blijven we dan? O God, als u dat het zwaarste laat wegen, als wij niet loskomen van die last – dan blijven we in kringetjes ronddraaien en wordt het nooit iets met die goede aarde van u. De bas blijft maar zingen: o God als u de zonde blijft toerekenen, wie zal blijven bestaan? o God o God o God.

 

Maar dan komt er iets langszij, of onderlangs misschien wel, er begint een andere stem, het is de sopraan en die zingt van ontferming en van het kruis en hoe je hart kan veranderen en de last weggenomen kan worden maar de bas hoort het bijna niet zo zit hij gevangen in zijn eigen tekort.

Maar dan gaat het kieren, in de tekst en in de muziek:

Bij u is vergeving – dat betekent: losmaking. Losgemaakt van de last, van het tekort, van dat wat scheiding brengt, wat je levensverhaal tot stilstand brengt en de vrede ver weg houdt. Vergeving, vergeving, de bas neemt de hoop over van de sopraan terwijl deze de droefheid bezingt, de droefheid die ten dode is als de last niet wordt weggenomen. De toon is nog aarzelend, het antwoord is nog niet gekomen, maar er is hoop, daar in de diepte, de blik is omhoog getrokken, de opgang is ingezet.

 

Het koor pakt het voluit en majestueus op: Ik zie uit naar de Heer. Tegenover het tekort, tegenover alles wat het leven aantast verkondig ik: ik zie uit naar de Heer. Niet wij samen, maar ik, heel persoonlijk, en misschien jij wel, vandaag.

 

Maar de hoop is kwetsbaar, de droefheid is groot en de pijn doet altijd mee – mijn ziel wacht verlangt o wat verlang ik, wat wacht ik, langgerekt wacht de hoop het antwoord is er nog niet, het wachten duurt soms zo lang en de vluchtelingen blijven komen en de kinderen hebben honger en de vrouwen worden verkracht en de geliefden blijven sterven o ik wacht ik wacht, Bach weet van het lange wachten als de last van het leed je de adem beneemt –

en toch, het keert, zacht, maar zeker, naar de majeur: ik hoop op zijn woord.

 

De tenor onderzoekt dat wachten nog verder. Wat is dat eigenlijk, dat wachten op dat woord dat leven brengt en mijn last verlicht? Wat is dat wachten dat geen ophouden kent en zich uitstrekt van ene dageraad naar de andere?

Het heeft iets van doen met jezelf onderzoeken en erkennen dat je zelf geen schone handen hebt, zo zingt de alt eronderdoor want het werkelijke leven bevindt zich onder de gewone dingen, als een diepe stroom waar geroepen wordt en gehuild en waar je eerlijk bent, voorbij aan alle schijn, daar, in de diepte waar het berouw woont, het berouw van Manasse en David, de koningen die groot kwaad deden maar zich omkeerden en schoongewassen werden want dat is wat ware omkeer betekent, loskomen van het kwaad dat je deed of dat je is aangedaan. Het is al eerder gebeurd, God heeft het al eerder gedaan, we vertellen de verhalen en geven ze door, de hoop is ergens op gebaseerd, de goedheid van God heeft al eerder redding gebracht. Van dageraad tot dageraad, ieder moment daarop wachten, dát met je ziel en zaligheid verwachten en daarop hopen.. De tenor zingt in groeiend vertrouwen, het wordt haast vrolijk dat wachten, dat verwachten, alsof de zon al is gaan schijnen en al een beetje waar wordt waarop we hopen.

 

En weer valt het koor in met grote kracht: het is als een oproep en geloofsbelijdenis in één: Israel, Israel, Israel, hoop de Heer!

Waarom?: want bij de Heer is genade! Langzame genade, dat merk je in de muziek, maar breed en veelomvattend en de muziek daalt de diepte in en neemt ons mee omhoog. En dan komt de hoop weer langs als een lichtvoetig kind dat dartelt in de zonneschijn want God zal bevrijden, altijd weer, uit alles wat scheiding brengt tussen God en ons, de verlossing komt van Hem, snelle verlossing, ineens is het er!
En veel, véél verlossing, het koor krijgt er maar geen genoeg van, in alle hoogten en diepten wentelt in het rond. En mocht je nog twijfelen, nu nog wanhopen of het ook voor jou zal gelden, dan eindigt Bach met een groot slotakkoord: uit alle zonden! 

 

 

 

Cantate BWV 164:  Ihr, die ihr euch von Christo nennet

In gesprek met Lukas 10:25-37:

 

Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’  Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’  De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’  ‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’  Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’  Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten.  Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen.  Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen.  Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen.  Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde.  De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.”  Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’  De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’ Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

 

Waar is je barmhartigheid?, zingt de aria aan het begin. Jij die jezelf een volgeling van Christus noemt, waar is je barmhartigheid?

Barmhartigheid, dat is het kenmerk van iemand die op God lijkt, zoals mensen bedoeld zijn. Rachamiem, hebreeuws voor barmhartigheid, is een woord dat verwant is aan het woord voor baarmoeder. De barmhartigheid van God en van mensen met een Samaritaans hart – die barmhartigheid lijkt op een baarmoeder.

En dat komt zo, volgens een oud joods verhaal:

In het begin is er alleen God. Alles is gevuld met goddelijke werkelijkheid. Maar God die liefde is, verlangt zichzelf te delen, zoals liefde nu eenmaal wil. Maar aan wat of wie? Er is nergens plaats voor iets anders dan God. En dus trekt God zich terug, diep in zichzelf, zodat er een lege ruimte ontstaat. En in dat lege niets schept God de hemel en de aarde en alles wat daarin is.

God maakt ruimte. Als een baarmoeder maakt hij ruimte in zichzelf voor iets dat niet hijzelf is. Zoals een moeder ruimte in haar zelf meedraagt voor iemand die niet haarzelf is. God levert iets in – en dat doet elke aanstaande moeder. En elke barmhartige Samaritaan.

 

Maar jullie, - zo zingt de eerste aria in de droevige mineur en op een lange lange noot: .. jullie hebben een hart van stéééén.

De bas gaat gelijk door en betreurt de gesloten deur van ons hart. We horen de zuchten, we zien het handenwringen, de ogen met tranen, maar er zwaait niets open. In de muziek kun je horen hoe verontrustend dat is. Nergens is een gastvrije ruimte waar de lijdende naaste welkom is. We zien het, we horen het, en de liefde trekt aan ons, maar we weerstaan het.

 

Luister, zingt de alt, en zingt de liefde: alleen liefde en barmhartigheid maken je zoals je bedoeld bent: een mens die op God lijkt. Iemand die eigen ruimte in kan leveren voor een ander. Iemand die zich laat raken door het lijden van anderen. De fluiten vervolgen de lieflijke roep van de liefde, uitnodigend, tot ook zij stil worden. Nog altijd blijven we in de mineurtoonsoort.

 

Want zo gaat het met ons en in de wereld. Het lukt maar niet, dat geopende hart, dat baarmoederlijke barmhartige innerlijk dat ruimte kan geven en eigen ruimte kan inleveren als het nodig is. Bach prikt door alle illusies en fraaie buitenkanten heen. Wij zijn het zelf, die als Levieten en Farizeeërs aan de overkant voorbijlopen.

 

Er zit niets anders op: alleen gebed kan ons van onszelf verlossen. Smelt toch het koude staal van mijn hart, zingt de tenor. Alleen als Gods liefde ons eigen hart raakt, lukt het ons om liefde ook echt in de praktijk te brengen. En dan houden we niet alleen van onze kinderen en onze vrienden. Nee, zo laat Bach ons bidden: dan kan het leed van mijn naaste, of hij vriend of vijand is, heiden of christen – dan kan zijn leed mijn hart raken alsof het mijn eigen leed is. Dat is het kenmerk van ware barmhartigheid: de grens tussen jou mij is opgeheven: jouw leed is mijn leed, jouw geluk is mijn geluk. De ruimte waar de naaste welkom is, is mijn eigen ruimte, als de baarmoeder in een vrouw, als de leegte in God.

 

Zo worden mensen werkelijk beelddragers van God, besluit de aria. En de strijkers onderstrepen het met hun spel. Mens en God werken samen, je kunt het in de muziek horen. Bach pakt op in een hoger tempo. De toon wordt vrolijk, de strijkers en stemmen zingen tegen elkaar in en door elkaar heen, alles gaat open, de ogen gaan open, de handen gaan open, de harten gaan open, Gods hart gaat open.

 

Het gezang waarmee Bach de cantate besluit, is een gebed dat je niet zo makkelijk werkelijk bidt, maar dat voor hem duidelijk de enige hoop is voor ons en voor onze wereld.

 

Dood ons, zingt het koor. Dood ons door uw goedheid, wek ons door uw genade. We moeten sterven, dat nieuwe leven kan anders niet echt komen. Loslaten aan onze eigen ruimte, dan komt er ruimte voor nieuw leven: dat is wat barmhartigheid doet en geeft.

 

Maak onze oude mens ziek, zodat de nieuwe mens nu al hier op aarde kan leven. Als nieuwe mensen, met onze harten, gedachten en verlangens gevuld met God die ruimte geeft. Dit slotlied in al haar scherpte is in majeur geschreven: want dit pijnlijke gebed is de ware hoop op een wereld waar barmhartigheid eindelijk de toon zal zetten. Met de barmhartige ruimte waaraan je goddelijk leven herkent, nu al, voor jou en mij. 

 

 

 

Cantate BWV 115: Mache dich, mein Geist, bereit.

In gesprek met Mattheus 25: 1 – 11

 

 Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en erop uittrokken, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf wijs. De dwaze meisjes hadden wel hun lampen gepakt, maar geen extra olie. De wijze meisjes hadden behalve hun lampen ook olie in kruiken bij zich. Omdat de bruidegom op zich liet wachten, werden ze allemaal slaperig en dommelden ze in. Midden in de nacht klonk er luid geroep: “Daar is de bruidegom! Kom ga hem tegemoet.” Dat wekte de meisjes en ze brachten hun olielampen in orde. De dwaze meisjes zeiden tegen de wijze: “Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan al uit.” De wijze meisjes antwoordden: “Nee, straks is er nog te weinig voor ons en jullie samen. Zoek liever een verkoper en koop zelf olie.” Terwijl ze op olie uit waren, arriveerde de bruidegom, en zij die klaarstonden gingen met hem naar binnen voor het bruiloftsfeest, waarna de deur gesloten werd. Enige tijd later kwamen ook de andere meisjes. Ze riepen: “Heer, heer, laat ons binnen!” Maar hij antwoordde: “Ik ken jullie werkelijk niet.” Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip hij komt.        

  

Het gaat om een feest dat je niet wilt missen. Direct aan het begin hoor je dat al in de muziek van Bach. Blijf wakker, blijf bidden – die twee horen bij elkaar -Bach roept het ons toe in G majeur, de sol-sleutel van de hoop.  De fluit klinkt als een meisje dat zich tooit met haar mooiste kleren omdat er een bruidegom aan gaat komen. Er wacht een feest waar ze voor uitgenodigd is. Blijf wakker, blijf bidden, val niet in slaap zodat de boze tijd je overvalt. Die boze tijd wanneer de olie opraakt en het licht dooft. Waarom zou je jezelf buitensluiten voor het feest dat voor de deur staat? Dat feest waarin heel wordt wat nu nog gebroken is? Hij komt, die bruidegom van het hart – en het duurt niet lang, al weet je niet precies wanneer.

 

Maar ja. Het leven duurt en het ritme van de dagelijkse zorgen wegen door. Je hoort dat in de diepe tonen van de baspartij in de aria die volgt. Het is een lang stuk en vormt het hart van de cantate. Je wilt wel wakker blijven, je wilt wel bewust leven met het uitzicht en het verlangen naar God. Maar soms ben je zo moe. Moe van de pijnen van je lijf, van de zorgen van je gezin, van het geweld van de wereld. Of is dát het wel? Is het niet vaker nog de gewone gang, de kleine zorgjes die knabbelen aan het waken van onze ziel? Slaperig, slaperig, de alt vraagt droevig waarom we ons zo in slaap laten sussen alsof er geen bruiloftsfeest te wachten staat. In de verte hoor je de klanken van het erbarme dich.

 

En dan ineens schrik je op, het slaperige ritme wordt doorbroken, misschien door iets dat er gebeurt, een onverwachte dood van iemand in je omgeving, zoals we hier onlangs nog meemaakten, of een dreigende ziekte, of een lied, een woord, een geluk dat je aanspreekt en je schrikt wakker. Waakt, waakt, het tempo versnelt, let op, zegt Bach dringend, het moment van de waarheid kan zo maar aanbreken. Dat moment dat alle maskers wegvallen en de waarheid van je ziel zichtbaar wordt. Wie je echt bent, en wat je doet of juist niet doet met je leven. Of je iets bij je hebt dat lijkt op heilige olie, op licht in het donker, als een woord van God dat in je leven te lezen valt. Genade waaruit we leven is de olie voor de levenslamp die wij zelf zijn. Hoeveel waarheid kan ons leven verdragen?

 

Soms schrik je even wakker, net alsof je iets hebt gehoord ver weg, als tonen van een naderend feest, of een deur die krakend open gaat. Maar voor je het weet, worden je ogen en je hart weer zwaar. Ach, slaperige ziel, waarom blijf je maar rusten?

 

Zoveel olie, zoveel geloof, zoveel levensvertrouwen, dat heb ik niet, zeg je misschien. Mijn licht dimt, al wens ik dat niet. De sluimerknop van het leven is ingedrukt en de wekker wordt stil, de slaap neemt het over.

Maar iemand slaapt niet. Het is God, die over je ziel waakt. De bas zingt ons toe over de rijke gaven van God die zichzelf onophoudelijk geeft en niets terugvraagt dan dat wij zijn licht ontvangen.

 

Satan is sluw, klinkt de waarschuwing. Er zijn veel valse stemmen die ons echt leven beloven maar het is schijnleven, het is vleierij voor ons vlees maar geen licht voor de geest en licht voor de wereld. Alleen verbonden met God kan leven léven zijn. Let op dat je je uren niet verslaapt doordat je alleen maar luistert naar wat in je straatje past. Dacht je nu echt dat je leven vanzelfsprekend is en je eigen bezit? Wakker zijn is weten dat je leeft uit Gods hand, als een lamp die brandend blijft door het woord dat Hij spreekt.

 

De fluit speelt een wiegeliedje in de vierde aria en de ziel wordt uitgenodigd: bid - bid, met lange tonen reikhalzend, uitziend naar wat komen gaat, dat naderende feest. Het oordeel wil je vrijmaken van je slaap, en op hoge noten klinkt de hoge belofte van Hem die onze zwakheden kent en geduld met ons heeft.

En weer richt Bach onze ogen op God. De tenor wijst op Christus als de helper die ons bijstaat. Niet langer bevangen blijven door de slaap, niet langer gevangen zitten in tekort of in zelfveroordeling, maar uitziend, reikhalzend naar Hem die komt en ons opzoekt als alle deuren voor ons gesloten zijn.

 

En zo besluit de cantate met een oproep om te waken, te smeken en te bidden – drie dingen die eigenlijk hetzelfde zijn. Onze tijd is niet eeuwig en de wereld die wij voor onszelf creëren is dat ook niet. Alles is eindig, alleen God niet. Hij nodigt ons uit voor zijn feest dat nu al wil beginnen. Maak je dan klaar, mijn ziel, om Hem te verwelkomen. 

  

 

 

 

Cantate 38,  BWV 38 - Aus tiefer Not schrei ich zu dir

 

in gesprek met Johannes 5:1-9

 1Daarna was er een Joods feest, en Jezus ging naar Jeruzalem. 2In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata  heet. 3Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden.  5Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar ziek was. 6Jezus zag hem liggen; hij wist hoe lang hij al ziek was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’ 7De zieke antwoordde: ‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’ 8Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’ 9En meteen werd de man gezond: hij pakte zijn slaapmatop en liep.

 

 Uit de diepten klinkt de roep. Misschien is het wel de diepte zelf die roept in ons: o God! o God!

 

Al 38 jaar ligt hij verlamd langs het bronwater. Wat heb je aan bronwater als je er niet bij kunt? Wat heb je eraan als het water van het leven beweegt, maar jij bent verlamd – verlamd door ziekte, of door je angsten, door je wrok of teleurstelling, of door je grote verlies. Duizend redenen waarom het leven aan mensen voorbij gaat en de grauwe dagen zich uitzichtloos aan elkaar rijgen.

 

Uit de diepte wordt geroepen, de diepte roept. Een wereld in barensnood – de wereld die nog altijd bezig is geboren te worden en steeds weer in weeën gevangen raakt want het Kind laat op zich wachten en het hart is zwaar van verdriet. De diepte roept, de afgronden van het bestaan smeken alle eeuwen door met het woordeloze zuchten van de Geest.

 

Er loopt een man langs het water van het leven en hij ziet je. Jezus ziet je en Hij weet hoe lang al je leven bewegingloos is. Midden in het lijden spreekt Hij een woord. Wil je gezond worden? vraagt hij.

 

Want dat is wel de vraag. Wil ik eigenlijk wel gekend zijn in dat wat mij verlamt? Wil ik mijn pijn en zorg, mijn fouten en falen, die vrieskou van binnen, wel uit handen geven?  Wil ik wel de troost die van God komt? God troost door te verlossen, zo vertellen alle verhalen uit de bijbel. En echte verlossing doet als een geboorte pijn. Leven dat is levenslang geboortepijn. Geen wonder dat we soms maar liever langs de kant blijven.

Wil je gezond worden?

 

Ach, dat mijn geloof nog zo zwak is, en mijn vertrouwen op zulke drassige grond moet bouwen! Zo zingt de sopraan straks en wij roepen het: o God, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!

Luister, zegt Bach. Als je ellende als een ketting ongeluk aan ongeluk rijgt, let dan op: snel verschijnt de morgen van de troost.

 

Luister, mijn ziel. Wat ben je bedroefd en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.

Langs de waterbronnen van het leven loopt de man van smarten, vertrouwd met al onze ziekten, en hij draagt onze zonden weg. Spreek toch slechts één woord en wij zullen gezond worden.

 

En Jezus keert zich naar de man aan de kant van het water, steeds weer keert Jezus zich naar mensen aan wie het leven voorbijgaat en hij zegt: sta op! Sta op, zegt Hij, want God is wat God doet en zijn zoon eveneens. Sta op, want ben Ik niet uit de dood opgestaan? Sta op, want ook in jou wil ik verrijzen. 

 

Sta op – je heil komt niet van een ander mens, maar van God zelf. Overvloed van troost is overvloed van verlossing. God zelf brengt een keer in het lot van dode en droeve mensen.

Dan zult je Mij aanroepen en Ik zal naar u horen; dan zul je Mij zoeken én vinden. 

  

 

Cantate 36  BWV 36 - Schwingt freudig euch empor  

  in gesprek met Mattheus 11: 2 t/m 10.

2Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messiashoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar hem toe 3met de vraag: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 4Jezusantwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: 5blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 6Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’

7Toen ze weer vertrokken, begon Jezus met de mensen over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 8Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is, verkeert in koninklijke kringen.9Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet10Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.”

 

 (Deze cantate valt eigenlijk in twee delen uiteen, met de preek ertussen.)

  

Swing je blij naar boven - zo begint Bach. Niks plechtstatigs: verheft u - maar swingend, slingerend, een beetje wild en uitgelaten, je ziet de bergen dansen en de bomen handenklappend langs ’s Heren wegen. Waarom? omdat er iets nadert, omdat Hij nadert - de Heer van heerlijkheid, de geliefde, de Bruidegom. Hij nadert - dus swing niet al te hoog, laat je niet meedrijven met je zanghoofd in de wolken - want er nadert iets - Hij nadert, laag bij de grond, zo dichtbij dat je het over het hoofd zou kunnen zien als je te verheven op zoek bent naar de Eeuwige.

 

Bent u het, die komen zou - of moeten we een ander verwachten?

 

Als er iets is dat ons hindert op onze weg met God, dan is het dit: de verwachtingen die we hebben. De glans en de glitter en de macht die we maar niet zien. Wie heeft oog voor Bethlehem, dat onaanzienlijke plekje, daar waar het echt geboren wordt - de eeuwigheid in de tijd?

Wat zoek je, daar in de woestijn, wat zoek je, op je reis door het leven? En zoek je wel laag genoeg? 

 

En beseffen we wel dat onze zoektocht, ons ‘uitgaan’ een reactie is op Iemand die ons al lang is genaderd?

 

De hele cantate door hoor je steeds twee stemmen, in de zang, in de instrumenten. Want Bach bezingt twee bewegingen: ons uitgaan en zijn komst. Wij die reiken en God die neerdaalt, de bruid die het hart omhoog slingert en de bruidegom die nadert, de liefde die bij ons intrekt.

 

God zelf zendt een bode die de weg baant. Liefde en geloof, zegt Bach. Die  maken een plaats in ons reine hart. Maar zo rein zijn we niet, en zoveel liefde en geloof heb ik niet, denk je wellicht. Maar weet dan: liefde en vertrouwen zijn namen van God. Hij zelf baant een weg naar ons toe. Als jij een klein stapje zet, gebeurt er iets. Toch maar weer eens naar de kerk, toch maar weer eens die bijbel opendoen, toch maar weer eens omzien naar die eenzame buur van je , toch maar weer eens een gebed, een lied - dat kleine stapje van liefde en geloof - het is God zelf die zo in jou de weg baant en je hart ontvankelijk maakt voor Hem die wij niet kennen maar wel ontvangen kunnen.

 

Het schalt, schallet, slingerend, swingend omhoog - want de Geest van God zelf zingt door onze stemmen heen. En zo zijn de twee bewegingen in elkaar geschoven. Onze lofzang aan de Drie-ene God is de Geest zelf die met onze zwakke stem de lof van God tot in de hoogste hemel tot klinken brengt. Altijd en in eeuwigheid.